-A +A

Recht van antwoord

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Rechtsleer E. Brewaeys, Recht van Antwoord in APR: lees dit boek via Google books of koop online via Kluwer

Mediarecht voor journalisten, Piet Martens, lees dit boek via Google books


Wat is het recht van antwoord:

Het recht tot antwoord is het subjectief burgerlijk (niet politiek ) recht waardoor al die wordt genoemd of impliciet wordt aangewezen in de media onder bepaalde strikte voorwaarden kan eisen dat kosteloos een antwoord wordt ingelast. Aldus is het recht van antwoord een toepassing van het algemene principe vervat in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek waarbij de snelheid van de publicatie van het antwoord verzekerd wordt door strafrechtelijke sancties.

Het recht van antwoord en de waarheid

Het recht op antwoord is geen middel om de waarheid aan het licht te brengen naar wel verschaft het de betrokken persoon een forum om zijn stem te laten horen en aldus zijn perceptie van de zaken te geven. Aldus zorgt het recht van antwoord ervoor dat misbruiken van de pers met gelijke wapens kunnen bestreden worden.

De zorgvuldigheidseis vergt een controle m.b.t. het waarheidsgehalte van de geuite beschuldigingen. Na deze controle dient de auteur, in functie van hun waarheidsgehalte, deze omzichtig weer te geven. Insinuaties, beschuldigingen die berusten op geruchten en het ontbreken van verwijzingen tonen aan dat onzorgvuldig werd gehandeld. Maar deze waarheid wordt aldus niet beschermd door het recht van antwoord maar door de zorgvuldigheidsplicht van art. 1382 BW.

• Rb. Mechelen (1e k.) 21 juni 2005, AM 2005, afl. 5, 460, noot -; , NjW 2005, afl. 125, 1104, noot BREWAEYS, E.


Van personen die het publiek voorlichten mag worden verwacht dat zij een behoorlijke kennis hebben van de onderwerpen waarover zij schrijven. Een manifeste onjuistheid, die het gevolg is van een geringe vertrouwdheid van de journalist met de werking van het gerecht, is een ernstige journalistieke onzorgvuldigheid.
Een normaal voorzichtig journalist moet weten dat de feiten waarvan iemand wordt beticht slechts bewezen zijn wanneer daaromtrent een in kracht van gewijsde getreden uitspraak bestaat.

De procedure die het recht van antwoord regelt is volkomen verschillend van de vordering tot herstel van de door de fout veroorzaakte schade. Het kan de betrokkene niet worden verweten dat hij niet door middel van een recht van antwoord heeft gereageerd op de als foutief aangemerkte artikelen. Zelfs indien de benadeelde zou verplicht zijn de schade zoveel mogelijk te beperken zou hij dit door het uitoefenen van een recht van antwoord niet op doeltreffende wijze hebben kunnen doen. Hij zou immers nauwelijks geloofd worden tegen het woord van een mediamacht in.

bescherming van eer en goede naam

Door het recht van antwoord kan de burger reageren op de aantastingen van zijn eer en goede naam, alsmede dit recht aanwenden om over hem verspreide onthullingen recht te zetten (zie Arbitragehof 14/91,28 mei 1991, RW 1991 - 92,497).

correctief van de persvrijheid (grenzen van de persvrijheid)

Het recht op antwoord corrigeert de grondwettelijk gewaarborgde persvrijheid, door zonder enig proces of verlof van de rechter een antwoord te kunnen eisen. Het is slechts wanneer dit recht van antwoord wordt geweigerd de  tussenkomst van de rechter kan gevorderd worden, waarbij de rechter dan zal oordelen of de weigering al dan niet terecht was en waarbij ingeval van onterechte weigering de strafrechter sancties zal opleggen.

recht van antwoord naast een recht op schadevergoeding

Het recht van antwoord is niet het enige verweermiddel en laat de rechten van het slachtoffer om schadevergoeding te vorderen op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek onverkort (zie hof van beroep Gent 3 maart 1995, RW 1996 - 97,540).

Omgekeerd kan men het slachtoffer niet kwalijk nemen om het recht van antwoord niet uitgeoefend te hebben wanneer deze een vordering in schadevergoeding instelt op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek.

De burgerlijke veroordeling tot opname van het antwoord belet niet de veroordeling tot een geldboete. De opneming van het antwoord als civielrechtelijke veroordeling op grond van overtreding van art. 4 Antwoordrechtwet doet geen afbreuk aan het recht op geldelijke vergoeding op grond van art. 3 Voorafgaande Titel Sv.

Rechtspraak:

•• Brussel 5 februari 1999, AM 1999, 274, noot RINGELHEIM, F.; , Journ. proc. 1999, afl. 367, 26, noot JONGEN, F.; , R.G.A.R. 2000, nr. 13.296.

Wanneer de vervolgde journalist werkt binnen het kader van een arbeidsovereenkomst, beperkt zijn aansprakelijkheid zich tot het geval van een zware fout in de zin van art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet. Onder een zware fout dient te worden verstaan een fout die dermate grof en extreem is dat moeilijk kan worden aangenomen dat zij door een redelijke persoon wordt begaan. Deze fout dient daarom niet noodzakelijk opzettelijk te zijn gemaakt; bij de beoordeling van de ernst ervan wordt rekening gehouden met de functie en de verantwoordelijkheden van de werknemer.

Met de publicatie in de krant van een foto van de geïntimeerde in badpak aan de rand van het zwembad, als noodzakelijk deel van zijn artikel heeft de appellant een zware fout begaan in de zin van art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet.
Geen enkele redelijke journalist, beschikkende over dezelfde anciënniteit als de appellant, die werkt voor een dagblad als 'Le Soir Illustré' zou zijn artikel hebben voorzien van een foto uit het privé-leven van een persoon zonder diens toestemming, terwijl de publicatie ervan niet nuttig was voor de informatie van het publiek

De omstandigheid dat de geïntimeerde, wiens foto - gezeten in badpak aan de rand van een zwembad - werd gepubliceerd in een krant, met bijgaand een artikel waarin een link wordt gelegd tussen haar privé- en haar beroepsleven, geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op antwoord ontneemt haar niet het recht om schadevergoeding te eisen, te meer dat het recht op antwoord ondoeltreffend zou zijn geweest wat betreft de gepubliceerde foto's. De publicatie van de betwiste foto van de geïntimeerde heeft ongetwijfeld schade berokkend aan haar eerbaarheid, te meer dat het algemene klimaat ten tijde van de publicatie van de foto verre van gunstig was voor de geïntimeerde.

De schadevergoeding toegekend aan het slachtoffer van een dergelijke aantasting moet echter de geleden schade herstellen en niet de dader van de aantasting straffen. De geïntimeerde bewijst niet dat deze aantasting enige financiële gevolgen zou hebben gehad voor haar. Het herstel van de aanslag op haar eerbaarheid zal dus voldoende zijn vergoed door het erkennen van de fout van de appellant en van de schending van haar recht op afbeelding en op het respect van haar privé-leven, de toekenning van een symbolische frank en de publicatie van huidig arrest in 'La Libre Belgique', 'Le Soir' en 'Le Soir illustré'.
Meer in het bijzonder moet de publicatie van het arrest in het weekblad dat de betwiste foto heeft gepubliceerd en in twee belangrijke dagbladen die het betwiste artikel hebben verspreid het negatieve beeld herstellen dat werd opgehangen van de geïntimeerde bij de lezers van dit artikel.

Kan men verzaken aan een recht van antwoord

Toch kan de niet uitoefening van een recht van antwoord in bepaalde gevallen gevolgen ressorteren. Het feit dat men op een eerdere publicatie die zeer veel ophef heeft gemaakt niet heeft gereageerd kan de rechtbank doen besluiten dat een latere recht van antwoord op een bijdrage waarin verwezen wordt naar de eerder niet geprotesteerde tekst zonder grond wordt. zie rechtbank in eerste aanleg Brussel 20 september 2002, nieuw juridisch weekblad 2003,421).

Deze rechtspraak werd bekritiseerd omdat zij de indruk geeft een waarheidsgehalte te hechten aan het geen geschreven en gedrukt staat zonder tegenspraak van de betrokkenen.

Zowel de vaststelling dat de auteur het niet eerder heeft gereageerd, dan wel eerder heeft gereageerd en reeds een antwoord op een gelijkaardige inhoud heeft bekomen kan een reden zijn om een recht van antwoord te weigeren (zie rechtbank eerste aanleg Luik 28 juni 1989 J.L.M.B., 1990, met noot).

De vaststelling dat een tekst daarentegen reeds eerder werd gepubliceerd in een ander medium waartegen de betrokkenen niet heeft gereageerd, maakt geen reden uit om een recht van antwoord te weigeren (zie voorzitter rechtbank eerste aanleg kortgeding Brussel, 2 maart 2000, AM 2001,147 met noot).

Strikt te interpreteren

De rechtsregels met betrekking tot recht van antwoord zijn van strikte interpretatie.

recht van antwoord versus de journalistieke deontologie

Het recht van antwoord mag niet verward worden met de journalistieke deontologie. Deze deontologie schrijft voor om de betrokkenen in de mate van het mogelijke te horen of minstens de kans te geven te reageren over hetgeen over hem wordt geschreven. (
grenzen van de persvrijheid)

De normale voorzichtige journalist verifieert zijn bronnen en controleert al zijn bronnenmateriaal alvorens in de pen te kruipen (zie hof van beroep in Gent 3 maart 1995, AJT 1995 - 96,255).

Deze plicht veronderstelt het horen en wederhoren van de betrokkenen. Hoe ernstiger de beschuldigingen hoe groter en zwaarder de onderzoekplicht van de journalist en hoe zwaarder de plicht om de betrokkenen vooraf te horen en te confronteren met de "werkelijkheid" die de journalisten wenst te verkondigen (zie ook NJW 2003,973).

Daarnaast bestaat de journalistieke verplichting om elke onjuist gebleken gepubliceerde "waarheid" recht te zetten, zelfs wanneer het recht van antwoord niet wordt uitgeoefend. (Zie NJW 2004,1286 en en Gateway 2004,742).

verschil tussen audiovisuele media en geschreven pers

De regeling van het recht van antwoord wordt anders geregeld ten aanzien van de geschreven pers als ten aanzien van de audiovisuele media.

Bij de geschreven pers komt het recht van antwoord toe aan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij naam of indirect in een periodiek geschrift wordt genoemd (zie Cass. 14 oktober 1974, RW 1974 – 75, 1761). Bij de audiovisuele middelen bestaat er ook een recht van antwoord voor de feitelijke verenigingen.

Dit recht voor de feitelijke vereniging bestaat dus niet voor de geschreven pers. Maar dit belet niet dat de leden van een feitelijke vereniging een persoonlijk recht hebben om in eigen naam een rechtzetting te vorderen. (Zie Correctionele Rechtbank Antwerpen 10 juni 1980, rechtskundig weekblad 1981 - 82, 1089 zoals hervormd in beroep door het hof van beroep te Antwerpen op 6 november 1980, rechtskundig weekblad 1981 - 1982, 1085).

Door wie kan het recht van antwoord worden uitgeoefend?

Het recht van antwoord kan aldus en onder meer worden uitgeoefend door een buitenlandse staat, een gemeente, een politicus,  een gefaillieerde zonder tussenkomst van de curator (hof van beroep Gent 29 juni 1990, RW 1990 - 91,545), de gedetineerden, een veroordeelde die werkelijk onbekwaam werd verklaard, een minderjarige via de personen die over hem het ouderlijk gezag hebben, een persoon die onder voorlopige bewindvoerder werd gesteld of burgerlijk onbekwaam werd verklaard, een ambtenaar, vreemdelingen (zie artikel 191 van Grondwet), een journalist ...

Het recht van antwoord kan worden uitgeoefend door elke persoon die uitdrukkelijk of impliciet kan worden herkend. Zo kan de directeur van een onderneming een recht van antwoord eisen wanneer zijn bedrijf wordt aangevallen meerbepaald met betrekking tot het beheer ervan of met betrekking tot veiligheidsmaatregelen die het bedrijf had moeten nemen. Vanzelfsprekend kan een persoon die aangeduid wordt met een gekende pseudoniem of spotnaam gebruikmaken van het recht op antwoord. Zo ook kunnen producenten van producten wier merknamen worden aangevallen een recht van antwoord opeisen

Een persoon die enkel is aangeduid met initialen waarbij er geen andere verwijzingen naar die persoon leiden, kan geen recht van antwoord laten gelden. Maar een persoon die impliciet wordt aangeduid, door haar in, zinspeling of zelfs kwaadwillige weglating te vermelden waardoor iedereen die op de hoogte is van de zaak de persoon kan benoemen of herkennen, kan gebruikmaken van het recht op antwoord.

Bij personen die slechts door insinuatie worden aangeduid is het niet noodzakelijk dat elke individuele persoon de insinuatie zou vatten. Zelfs wanneer de insinuatie slechts door een zeer beperkte groep kan begrepen worden als verwijzingen naar een bepaalde persoon, volstaat dit om een recht van antwoord te verschaffen. Een en ander wordt in concreto beoordeeld door de rechter die geen recht van antwoord dient te verlenen wanneer deze oordeelt dat er onvoldoende aanduidingen zijn om te spreken van een zekere identificatie zelfs niet door personen die op de hoogte zijn van de zaak (zie Cass. 6 november 1984, A. C. 1984 - 19 85,339 met noot).

Een verwijzing naar een bepaalde beroepsgroep (bijvoorbeeld de uitspraak alle politici zijn zakkenvullers) verschaft geen recht van antwoord.

Toestemming en vergoeding

Men verliest geen recht op antwoord wanneer het artikel is tot stand gekomen op basis van een eigen initiatief (vb. het toestaan van een interview).  Evenmin verliest men een recht op antwoord wanneer men vergoed werd voor het interview, zelfs niet wanneer bewezen kan worden dat de geschreven weergave de letterlijke weergave is van het interview door voorlegging van de interview banden (tapes). Er bestaat evengoed een recht van antwoord voor de personen die in het artikel in lovende bewoordingen werden vermeld (zie bijdrage van A.Vandeplas in het recht schimmig weekblad 2000-2001,1268 – 1274.

Interview

Door het feit dat de geïnterviewde zeer veel aan bod komt in het artikel en het artikel eigenlijk bestaat uit een zestal korte vraagjes, gevolgd door antwoorden van de geïnterviewde die volgens de tapes correct werden weergegeven, werd reeds gepoogd de theorie te verkondigen dat de auteur van het interview eigenlijk de geïnterviewde is en dus niet de journalist waardoor er geen recht op antwoord zou bestaan. Deze redenering werd in de pan gehakt door het Hof van Cassatie. Het is de journalist die de verantwoordelijkheid voor het artikel blijft dragen, zelfs wanneer deze gaat beweren dat hij geen enkele redactionele inbreng heeft en zelfs van zijn superieuren geen eigen standpunt mag innemen. Het recht van antwoord blijft in deze gevallen dus onverkort. zie Cass. 12 september 1975, rechtskundig weekblad 1975 - 76,854 en hof van beroep Brussel 13 december 1976, rechtskundig weekblad 1976 - 77, 1964 met noot).

Een persoon die geïnterviewd wordt heeft steeds het recht om na de opname van zijn verklaringen deze verder te nuanceren, aan te vullen of te wijzigen. Meer zelfs de geïnterviewde heeft het recht om na het interview te beslissen dat bepaalde van zijn uitlatingen niet vatbaar zijn voor publicatie (hof van beroep Brussel 2 oktober 1973, J. T. 19 74,337). Om die reden behoudt de geïnterviewde steeds een recht op antwoord zie ook. M. Gelders in een bijdrage van het rechtskundig weekblad 2000-2001,1268 - 1274.

Belang (geschreven pers)

Wie het recht van antwoord uitoefent wordt vermoed  een belang te hebben bij het instellen van de vordering. Alleen de betrokkene kan oordelen over het belang en de opportuniteit van het recht van antwoord. Het komt er echter dus niet toe de reden na te gaan die vanwege de genoemde persoon aanleiding tot antwoord gaf (zie hof van beroep Brussel 13 december 1976, RW 1976 - 77,19 63 met noot; hof van beroep Antwerpen 17 december 1981, RW 1982 - 83 met noot). zie ook het belang als toelatingsvoorwaarde van een rechtsvordering.

Korter gesteld, de uitoefening van het recht van antwoord vereist niet dat de eiser zijn belang aantoont (Cass. 14 oktober 1974, AC 19 75,205 en RW 1974 - 75, 1761 en hof van beroep Antwerpen 17 december 1981, RW 1982 - 83,451 met noot). (uitz recht van antwoord in de audiovisuele media). De rechter heeft dus niet het recht het belang na te gaan van het recht van antwoord hij moet zelfs de gepaste feit ervan niet onderzoeken (zie hof van beroep Antwerpen 13 juni 1996, RW 1999-2 1000,19, met noot).

In een arrest van het Hof van Cassatie van 14 oktober 1974, RW, 1974 - 75,1761, verduidelijkt het Hof van Cassatie verder in haar verbreking van een aangevochten arrest: "door te beslissen dat de weigering tot publicatie van het antwoord geen misdrijf oplevert daar het geïncrimineerde artikel geen aanval of kritiek op de genoemde persoon inhoudt, stelt de rechter de uitoefening van het recht van antwoord afhankelijk van een voorwaarde die de wet niet vereist".

Binnen de perken

Toch wordt deze stelling in zekere mate genuanceerd. Een recht van antwoord mag niet misbruikt worden en moet binnen de perken blijven van een antwoord op een wel specifiek artikel. Het doel van het recht op antwoord is niet aan de auteur toe te laten voor zichzelf of voor de organisatie waartoe hij behoort publiciteit te maken of een pamflet te schrijven. Zo zou men telkens zijn naam vermeld wordt, een recht van antwoord kunnen afdwingen enkel en alleen om een gratis publiciteit te bekomen. Dit kan niet de bedoeling zijn. Wanneer de ingezonden bijdrage ten titel van recht van antwoord een loutere pamflet uitmaakt, al dan niet samen met het werkelijke antwoord, zou zulks de weigering van de invoeging rechtvaardigen. Aldus werd geoordeeld door de correctionele rechtbank te Brussel op 20 oktober 1998 J.L.M.B. 19 99,959.

Nochtans dient een onderscheid gemaakt te worden met betrekking tot de vereisten van het belang inzake de geschreven pers en de audiovisuele media. De wet die de audiovisuele media regelt vereist wel degelijk een belang bij de uitoefening van een recht op antwoord.

Welk medium?

Men kan, want het recht op antwoord betreft in de geschreven pers, enkel een recht van antwoord doen gelden ten aanzien van een tijdschrift of een krant en niet ten aanzien van een boek. Er is dus een periodiek geschrift nodig om een recht van antwoord te doen tegen gelden. De vorm ervan het tijdschrift speelt geen belang, het recht van antwoord bestaat zowel ten aanzien van een schoolkrant als ten aanzien van een grote nieuws krant, een reclameblad, een gratis nummer, een extra uitgave, een tijdschrift met beperkte verspreiding, een bedrijfskrant, een parochieblad, een beursblad.

Inhoudelijke vereiste:

Het recht van antwoord geldt ten aanzien van elke tekst, dus niet alleen ten aanzien van hun journalistieke tekst. Het recht van antwoord geldt ook ten aanzien van publiciteit, opnames van teksten van derden, verklaringen in een interview, lezersbrieven, cursiefjes, vrije tribunes, advertenties, overlijdensberichten, stripverhalen, zelfs een rebus of kruiswoordraadsel. zie ook: inhoud van het antwoord


Gerechtsjournalistiek 


Er bestaat een discussie ogende vraag in hoeverre men een recht op antwoord kan laten gelden ten aanzien van bijdrages van gerechtsjournalisten die zich kunnen verschuilen achter artikel 148 van de Grondwet dat voorziet in de openbaarheid van de debatten. De weergave van deze openbaarheid is volgens deze stelling niets anders dan een wettelijk toegelaten en wettelijk voorziene publiciteit. Deze stelling is moeilijk verdedigbaar. Ten eerste maakt de journalist een keuze uit de vele processen om er het er voor hen meest spectaculaire uit te halen. Bovendien is de journalist niet in staat om een debat volledig weer te geven, laat staan in alle nuances. In debatten wordt vaak verwezen naar stukken waarvan de inhoud tijdens het debat niet vermeld wordt. Een incident op een zitting kan voor de niet ingewijde heel spectaculair lijken terwijl het in werkelijkheid niets voorstelt. Bovendien is de juridische taal niet onmiddellijk begrijpbaar en vergen heel wat woorden bijkomende toelichting.

In gerechtelijke verslaggeving is de kiesheid ook vaak zoek er wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen een in verdenking stelling en een veroordeling. Vaak worden in de pers zogenaamde bezwarende elementen te grabbel gegooid zonder dat deze voldoende geverifieerd of onderzocht werden, laat staan het bewijs geleverd werd dat deze beweerde bezwarende elementen geen hersenspinsels waren.

Aldus werd reeds herhaaldelijk verdedigd dat een schriftelijk verslag over hetgeen zich afspeelde in een rechtszaal en de commentaren die de journalist hierop gaf aanleiding konden geven tot een recht op antwoord voorzover de betrokkene als dan een belang kon bewijzen bij de rectificatie door middel van het recht van antwoord. Dit betekent dat een dergelijke gevallen het recht van antwoord aan een inhoudelijke eisen dient te voldoen, met name de rechtzetting van de verkrachte waarheid.

Maar het feit dat het verslag onvolledig zou zijn en dat niet aan alles en iedereen voldoende aandacht kreeg in het artikel maakt dan op zich weer geen reden uit om een recht op antwoord af te dwingen ten aanzien van een artikel dat een verslag uitmaakt van een gerechtszaak, precies omdat een rechtszaak onmogelijk volledig en in extenso kan worden weergegeven.

Publicatie van vonnissen en arresten

De wet voorziet dat alle vonnissen en arresten worden uitgesproken in openbare zitting. Belangstellende partijen kunnen na de zitting van het vonnis ook nog eens kennis gaan nemen op de griffie van de rechtbank. Vonnissen en arresten worden vaak gepubliceerd, niet alleen in de gewone pers maar ook in de gespecialiseerde vakpers. De gespecialiseerde vakpers (de juridische tijdschriften) hebben de gewoonte aangenomen de namen van de partijen niet  te vermelden, althans niet de namen van particulieren. Meermaals worden banken en terugkerende partijen (verzekeringsmaatschappijen, nutsvoorzieningsmaatschappijen wel bij naam genoemd). In deze gevallen heeft de rechtspraak dan ook aangenomen dat een recht van antwoord is uitgesloten (zie hof van beroep Brussel 22 juni 1959 JT 1959,562). De uitspraak in openbare zitting verslaat hier elk argument.

Maar er bestaat geen wettelijke uitzondering waardoor de juridische tijdschriften worden beschermd. Zo is het perfect denkbaar dat een persoon die in eerste aanleg werd veroordeeld en zich nadien in beroep vrijgesproken ziet een recht op antwoord laat gelden wanneer enkel het vonnis dat hem veroordeelde in de juridische vakpers werd gepubliceerd en hij op enige mate kon geïdentificeerd worden dan wel belang heeft bij de publicatie van het hervormend vonnis of arrest.

Nog erger is het dat de meeste krantenartikels op websites worden weergegeven, waardoor de naam van de personen in zoekmachines geïndexeerd wordt, hetgeen regelrecht indruist tegen de privacy. Journalisten denen te beseffen dat hun geschrijf niet alleen wordt geschreven en gedrukt maar ook een eigen leven gaat leiden in niet geregistreerde en niet controleerbare databanken zoals Google, Yahoo en andere.

Wanneer de publicatie van vonnissen of arresten op bevel van de rechtbank dient opgenomen te worden in een dag of weekblad bestaat hiertegenover geen recht op antwoord.

Wetenschappelijke artistieke of letterkundige kritiek

De wetenschappelijke, artistieke of letterkundige kritiek kan slechts een recht op antwoord opleveren wanneer dit recht tot antwoord als doel heeft een zakelijk element recht te zetten of een aantasting van de eer af te weren. Voor verdere toelichting op dit punt zie APR, recht van antwoord, E. Breaeys, pagina 37 en volgende.

Voorwaarden tot uitoefening

Wijze van toezending van het antwoord (geschreven pers)

Een recht van antwoord wordt uitgeoefend door een vordering (eis) tot inlassing van het antwoord. Hierbij dient nauwkeurig opgave gedaan te worden van de teksten, vermeldingen of aanhalingen waarop het antwoord betrekking heeft.

De wet heeft niet opgelegd deze vordering tot inlassing te versturen bij aangetekende brief zodat deze vordering ook per gewone brief kan worden overgemaakt maar ook bij gerechtsdeurwaardersexploot of door afgifte in persoon.

Strikt genomen zou een verzoek om inlassing ook bij dagvaarding kunnen ingediend worden, mits dan de dagvaarding natuurlijk wordt betekend binnen de wettelijke termijn van drie maanden volgend op de publicatie van het artikel. Toch lijkt deze in de rechtsleer voorgestelde werkwijze niet aanbevelenswaardig, aangezien de dagvaarding een beslissing van de rechter vergt en het verzoek tot inlassing de uitgever.

Maar de normale gebruikelijke weg is natuurlijk de aangetekende brief.

Het antwoord moet niet door de betrokkene zelf worden ingezonden. Deze kan beroep doen op zijn wettelijke vertegenwoordiger of op zijn advocaat. Toch lijkt het aangewezen om ingeval van ondertekening door een advocaat de cliënt mede te laten ondertekenen, al was het maar omdat de advocaat hiertoe een bijzonder mandaten nodig heeft waarbij dit bijzonder mandaat dan kan blijken uit de mede ondertekening.

Aan wie dient een aanvraag tot inlassing gericht?(geschreven pers)

De aanvraag dient toe te komen op het kantoor van het periodiek geschrift en kan zowel gericht worden aan de verantwoordelijke uitgever, als aan het redactieadres van de periodiek. Indien geen naam of adres wordt teruggevonden van de uitgever wordt de drukker verondersteld de uitgever te zijn en kan het recht van antwoord aan hem worden verstuurd.

Gezien de onduidelijkheid van de wetgever lijkt het aangewezen om het verzoek tot inlassing steeds te richten aan de uitgever, de hoofdredacteur, de redacteur en bij gebreken aan de kennis van de uitgever aan de drukker.

Taal van het antwoord

Het antwoord moet gesteld worden in dezelfde taal van de publicatie. Een uitgever dient er geen gevolg te geven aan een verzoek tot antwoord in een andere taal al is hem dit natuurlijk niet verboden.

Gelet op de duidelijke taalvereisten werd reeds geargumenteerd dat een antwoord dat te veel taalfouten bevat niet zou moeten gepubliceerd worden omdat de krant of tijdschrift niet verplicht kan worden zichzelf belachelijk te maken of dat een geschrift met zoveel taalfouten niet kan gelden als gesteldd in deze of gene correcte taal. Deze redenering is onjuist aangezien een en ander kan rechtgezet worden door een voorafgaande noot waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de tekst ongewijzigd wordt weergegeven.

De omvang van het antwoord (geschreven pers)

Het antwoord mag niet meer bedragen dan 1000 lettertekens of het dubbele van de ruimte ingenomen door de tekst die het recht van antwoord rechtvaardigt. De in de zaak betrokken persoon mag ineens het recht van antwoord uitoefenen op teksten die in verschillende opeenvolgende nummers zijn verschenen. In dat geval mag zijn antwoord niet meer bedragen dan 1000 letters of het dubbele van de ruimte ingenomen door de langste van die teksten.

De berekening van deze grenzen moeten met gezond verstand worden toegepast. Zo worden beleefdheidsformules en adressering een bijvoorbeeld niet bijgeteld, voor zover ze tenminste een aanvaardbare grens niet overschrijden.

Wanneer de ingezonden antwoordtekst langer is dan het hele wettelijk is toegelaten mag het antwoord worden geweigerd (zie Correctionele Rechtbank Gent, 8 november 1996, de TGR 1997,80).

Om de omvang te bepalen van het toegestane antwoord moet rekening gehouden worden met het geheel van het artikel dat aanleiding geeft tot het recht van antwoord en dus niet alleen met de zinnen of passages waarin de aanvrager wordt genoemd.

Bij de berekening van de ruimte die het recht van antwoord mag innemen mag ook rekening worden gehouden met de ruimte ingenomen door de foto's aansluitend bij het gewraakte artikel, wanneer deze een onafscheidelijk deel vormen als vormende één enkele geïllustreerde tekst zie Cass. 18 januari 1983 AC 1982 - 19 83,669.

Indien een recht van antwoord wordt uitgeoefend ten aanzien van een reeks opeenvolgende nummers wordt de lengte van het antwoord beperkt tot 1000 lettertekens of het dubbele van de ruimte ingenomen door het een langste artikel. Dit betekent echter niet dat de betrokken persoon niet zou mogen antwoorden op elke tekst afzonderlijk.

Wanneer in een krant of magazine verschillende teksten worden vermeld die geen eenheid vormen kan per tekst een antwoord worden geëist.

Wanneer de tekst langer is dan wettelijk toegelaten, kan de uitgever de publicatie ervan weigeren. Hij mag zelf de tekst niet inkorten. De uitgever is immers verplicht het antwoord integraal te publiceren zonder dat hij de tekst zelf mag aanraken, laat staan inkorten. Zelfs wanneer de antwoorder aan de uitgever het recht zou hebben gegeven om de tekst in te korten, heeft de uitgever dit recht tot inkorting niet. Enkel de auteur van het antwoord heeft het recht om het te omvangrijke antwoord te herleiden tot het wettelijk maximum. (zie afwijkende regel inzake audiovisuele media) Wanneer door deze herleiding het antwoord laattijdig wordt gepubliceerd kan de uitgever hiervoor niet verantwoordelijk gesteld worden.

Vormelijke en inhoudelijke vereisten van het antwoord

Een toegezonden tekst in het kader van een recht op antwoord moet het antwoord zijn dit betekent dat het een schriftelijke reactie moet zijn op wat gesteld werd in het oorspronkelijke artikel. Tussen het antwoord en de oorspronkelijke tekst dient er dus een correlatie te bestaan, een reactie op een actie.

Zo werd herhaaldelijk een recht op antwoord geweigerd omdat het antwoord niet in verband stond met de aangevochten tekst, hetgeen tot de appreciatie van de rechtbank behoort.

Geen verdoken publiciteit

Een recht van antwoord zou gemakkelijk kunnen gebruikt worden bij wijze van publiciteit. Telkenmale een product of een merk vermeld zou worden zou men namelijk een recht van antwoord kunnen laten gelden om met 1000 woorden het product aan te prijzen. De rechtspraak heeft evenwel dit oneigenlijk gebruik onmogelijk gemaakt door te stellen dat het antwoord geen publiciteit mag zijn, noch voor zichzelf, noch voor derden, noch voor de organisatie waartoe men behoort.

weerlegging naar eigen oordeel

Het antwoord kan een krachtige weerlegging zijn van een deel van het bestreden artikel zonder dat daarom vereist wordt dat het alle onderdelen van de "aanval" weerlegt. De persoon die aangevallen wordt mag namelijk zelf oordelen waarop hij antwoordt en waarop niet, welk argument en antwoord verdient en welk niet en welk argument gewoon kan genegeerd worden.

Voorzover het antwoord verband houdt met de aangevochten tekst kan men antwoorden met een brief, een uittreksel uit een vonnis, een citaat, een geschreven redevoering, een verklaring van een derde.

Het antwoord mag geen paginalange uitweiding zijn waarbij de kern van de zaak niet wordt aangeraakt. Het antwoord mag immers geweigerd worden wanneer de antwoordtekst in zijn geheel nauwelijks aansluit bij de aangevochten tekst. Maar het loutere feit dat bepaalde onderdelen van de tekst niet in verband staan met de aangevochten tekst mag geen weigeringsgrond uitmaken.

Termijnen (geschreven pers)

Het recht van antwoord moet binnen drie maanden na de publicatie van het aangevochten artikel worden ingestuurd. De aanvangsdatum is de datum van de werkelijke verspreiding van het artikel onder het publiek. De datum die vermeld is op de bijdrage of de datum van afgifte op het postkantoor is niet van belang. Indien echter de verspreiding plaatsvindt voor de publicatiedatum vermeld op het tijdschrift dan geldt de publicatiedatum.

Het recht van antwoord van een persoon die overleden is komt toe aan de bloedverwanten in rechte lijn en aan de echtgenoot of bij ontstentenis van deze aan de naaste bloedverwanten. Het recht kan slechts eenmaal door de meest gerede partij onder hen worden uitgeoefend. Indien de termijn van drie maanden reeds was beginnen lopen voor het overlijden beschikkende rechthebbenden alleen nog over de overblijvende deel van de termijn.

Hij die de  inlassing van een antwoord eist moet op nauwkeurige wijze de teksten vermelden evenals de vermeldingen of aanhalingen in teksten waarop het antwoord slaat.

Het recht op antwoord kan geweigerd worden:

- wanneer het antwoord niet in onmiddellijk verband staat met de bestreden tekst

- wanneer het antwoord beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden

- wanneer het antwoord zonder noodzaak daarvan in de zaak betrekt;

- wanneer het gesteld is in een andere taal dan het periodieke geschrift

 Verder kan een recht van antwoord worden geweigerd wanneer

- het initiatief uitgaat van een persoon over wiens identiteit twijfel bestaat,
- wanneer de betrokken persoon reeds eerder een recht van antwoord liet gelden voor hetzelfde artikel,
- wanneer het antwoord de vastgestelde maximum grenzen overschrijdt,
- wanneer het antwoord laatijdig op het kantoor van het tijdschrift of de krant werd ingediend,
- wanneer er bij wetenschappelijke, artistieke en letterkundige kritiek iets anders wordt beoogd dan de rechtzetting van een zakelijk element of de reactie op een aantasting van de eer

Vormvoorschriften voor de inlassing (geschreven pers)

Het antwoord moet integraal worden opgenomen of volledig geweigerd. De uitgever mag niet een deel van de tekst weglaten of het antwoord gedeeltelijk publiceren.

Het antwoord mag niet voorzien worden van redactionele opmerkingen en tussenvoegingen die aldus het antwoord te verminken. Hierdoor zou  een nieuw recht van antwoord ontstaan. Maar dit neemt niet weg dat de uitgever voor of na het antwoord een opmerking mag plaatsen voor zover hij zulks noodzakelijk acht, waarbij ook dit artikel onderworpen is aan een eventuele recht op antwoord.

Het antwoord moet gepubliceerd worden op dezelfde plaats waar het aangevochten artikel in de krant of in het tijdschrift werd opgenomen zodat de lezer dit antwoord op dezelfde plaats kan vinden.

Dezelfde lettertekens moeten gebruikt worden voor het recht van antwoord als voor het aangevochten artikel. Wanneer in het aangevochten artikel een foto werd weergegeven mag dit evenzeer het recht op antwoord.

Termijn voor publicatie van het antwoord (geschreven pers):

Het antwoord dient in het dagblad of tijdschrift ingelast te worden in het eerste nummer dat verschijnt na afloop van een termijn van twee vrije dagen (zon en feestdagen niet inbegrepen)  vanaf de dag waarop het antwoord ten kantore van het periodieke geschrift werd ingediend.

Het verweer dat een en ander om technische redenen onmogelijk zou zijn maakt hij geen afdoend verweer in rechte uit, wanneer dit antwoord betekent dat een en ander wel mogelijk zou zijn mits zware financiële kosten.

Gelet op de snelheid waarmee de pers kan werken is bijna alles mogelijk mits men er de prijs voor wil en kan betalen. Enkel de volstrekte onmogelijkheid kan als rechtvaardigingsgrond oorden weerhouden. Zie ter zake Hof van beroep Brussel 26 februari 1979 rechtskundig weekblad 1979 – 80, 114 met noot Vandeplas en de bijdrage van Vandeplas "over een recht van wederwoord" in het rechtskundig weekblad 1979 - 19 80,1143.

De inlassing van het antwoord is kosteloos

Er kan geen facturatie geschieden aan de persoon die het recht van antwoord uitoefent voor het gedeelte van het antwoord dat bijvoorbeeld de maximaal toegestane lengte overschrijdt en toch gepubliceerd wordt.

Sancties (geschreven pers):

De wet van 23 juni negentieneenenzestig voorziet zelf in de nodige strafsancties, meerbepaald in artikel vijf. Artikel 85 van het strafwetboek is op dit misdrijf van toepassing.

Toepasselijke straf: geldboete van € 26 tot € 5000 lastens de uitgever.

Strafbare feiten:

Ongerechtvaardigde weigering van de inlassing
onvolledige inlassing
inlassing met tussenvoeging
gebruik van sterk verschillende lettertekens
laattijdige inlassing
inlassing op een andere plaats

Alleen de uitgever is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de niet gewettigde weigering van een inlassing van antwoord (Cass. 30 november 1982, R.W. 1983 - 84,502 met noot Vandeplas).

Indien de verantwoordelijke uitgever een andere personen was ten tijde van de publicatie dan ten tijde van het antwoord dan is de verantwoordelijke uitgever ten tijde van het antwoord (lees ten tijdelijk dat het antwoord moest worden opgenomen op de wijze werd voorzien) de strafrechtelijk verantwoordelijke.

Bij gebreke aan een aanduiding van de naam van de uitgever wordt de drukker behoudens tegenbewijs verondersteld de uitgever te zijn. De dagvaarding van de verantwoordelijke uitgever gebeurt op geldige wijze aan de zetel van de krant of periodiek (correctioneel Brussel 25 februari 1993 J.L.M.B. 1993,1218 met noot).

De vordering wegens onrechtmatige weigering van opname van een recht van antwoord kan niet gericht worden tot een journalist wanneer de uitgever gekend is. Er is geen sprake van de getrapte verantwoordelijkheid gewaarborgd door artikel 25 van de Grondwet. Het recht van antwoord betreft immers niet de persvrijheid maar een verplichting die aan een uitgever van een periodiek wordt opgelegd.

Bijkomende straffen (geschreven pers):

Wanneer op datum van het vonnis het antwoord nog niet is opgenomen zal de strafrechter de opneming van het antwoord gelasten binnen een termijn die hij vaststelt en zal hij de uitgever bovendien veroordelen tot een geldboete van € 100 per dag vertraging.

Het niet vermelden van het antwoord is een klachtmisdrijf dat enkel kan vervolgd worden op klacht of op rechtstreekse dagvaarding van de verzoekers die ook in elke stand van het gedingen afstand kan doen, afstand die de strafvordering door het vervallen.

Verjaring (geschreven pers)

Strafvorderingen en burgerlijke vorderingen wegens overtreding van de wet van 23 juni negentieneenenzestig verjaren door verloop van drie maanden te rekenen van de dag waarop de opneming of de uitzending had moeten plaatsvinden. Het vertrekpunt van de verjaringstermijn is de verschijningsdatum van het nummer waarin het antwoord had moeten worden ingelast, dus de derde vrije dag na het afgeven van het antwoord op het kantoor van het periodieke geschrift. Conform artikel 25 van het wetboek van strafvordering (voorafgaande titel) wordt wanneer het misdrijf verjaard door verloop van een termijn van minder dan zes maanden, de verjaring gestuit door daden van onderzoek en van vervolging, verricht niet alleen gedurende de eerste termijn, maar ook gedurende elke nieuwe termijn die voortvloeit uit het stuiting maar zonder dat het termijn van verjaring aldus kan worden verlengd tot meer dan een jaar sedert de dag van het misdrijf (zie hof van beroep Gent 19 januari 1994, rechtskundig weekblad 1996 - 97,817 met noot Vandeplas).

Burgerrechtelijk (geschreven pers)

De rechtbank kan de uitgever die in gebreke blijft om het recht van antwoord tijdig te publiceren ook vooroordelen tot het betalen van een schadevergoeding en/of tot het publiceren van de tussen te komen gerechtelijke beslissing eventueel ook in andere kranten en tijdschriften.

Zelfs na de publicatie behoudt de burgerlijke partije het recht op integrale schadevergoeding wegens onrechtmatige publicatie. Maar anderzijds impliceert het niet opnemen van een recht van antwoord niet automatisch een recht op schadevergoeding. De rechter zal moeten verifiëren of de oorspronkelijke tekst een fout uitmaakt en als de eiser schade heeft geleden. Het feit dat er een recht van antwoord werd opgelegd impliceerde daarom niet dat er nadien en bovendien het recht op bijkomende schadevergoeding bestaat.

De schadelijdende partij heeft dus een keuze om de vordering in te leiden voor de strafrechter teneinde een recht van antwoord te bevelen maar kan ook de burgerlijke rechtbank vatten tot het bekomen van een schadevergoeding en een publicatie van een antwoord waarbij dit antwoord zoals gevorderd voor de burgerlijke rechter ook kan worden gevorderd voor opname in andere tijdschriften of kranten op kosten van de verweerder.

Het feit dat de schadelijdende partij de strafrechter heeft gevat belet overigens niet dat hij terzelfder tijd of nadien de burgerlijke rechter vat.

Principieel is de rechter gehouden om uitspraak te doen bij voorrang en dus voor alle andere zaken, maar dit belet niet dat ook de rechter in kortgeding zou kunnen gevat worden voorzover kan aangetoond worden dat het verzoek tot opname van een recht van antwoord spoedeisend is.

Dit spoedeisend karakter kan blijken uit de steeds toenemende schade zolang dit niet voor de terechtzitting is gestopt. Vanzelfsprekend is de kortgedingrechter slechts bevoegd zolang de zaak spoedeisend is. Toch werd reeds geoordeeld dat de kortgedingrechter onmogelijk bevoegd kan zijn gelet op de bevoegdheid van de correctionele rechter die op basis van artikel 18 van de wet steeds bij voorrang uitspraak moet doen boven alle zaken. Volgens deze zelfde stelling zou een beslissing over het recht van antwoord steeds de grond van de zaak raken hetgeen uitgesloten is in kortgeding. Eens het bevel gegeven is dat het opnemen van een recht van antwoord in kortgeding is de zaak immers uitgeput en is er van een voorlopige maatregel geen sprake meer.

Dit alles neemt niet weg dat men de laatste jaren inzake het recht op antwoord in de geschreven pers steeds meer beroep is gaan doen op het burgerlijk kortgeding.

Met alle mogelijke middelen worden aangetoond dat een kortgeding beslissingen niet noodzakelijk nadeel hoeft te doen aan de zaak zelf en dat de zaak ten gronde later nog steeds een en ander kan rechtzetten, weze het in een aanvullend antwoord. Weze opgemerkt dat terzake het nieuwe artikel 19 Ger. Wetb. eveneens perspectieven opent.

Hoe dan ook kan gerustgesteld worden dat de bevoegdheid van de strafrechter om een recht van antwoord af te dwingen meer dan achterhaald is.

Trouwens kan niet genoeg onderlijnd worden dat de burgerlijke rechter kan gevat worden op basis van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek waarbij het slachtoffer recht geeft op een herstel in natura, hetgeen onder meer kan bestaan uit een publicatie van een antwoord in een of meerdere tijdschriften op de wijze zoals in het vonnis bepaald, zonder dat een en ander beperkt dient te worden tot de voorwaarden zoals voorzien in de wet met betrekking tot het recht van antwoord.

De procedure met betrekking tot de audiovisuele media wordt op een gans andere manier in de wet geschreven zodat een dergelijke verwarring onmogelijk is. Bij de audio visuele middelen is het niet de correctionele rechter, maar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die beslist, zoals in kortgeding.

Sommige tijdschriften hebben een zeer wijde verspreiding. Het bewijs dat de uitgever het antwoord heeft gepubliceerd wordt dan ook zeer eenvoudig geleverd doordat de tijdschriften zeer courant beschikbaar zijn. Maar sommige tijdschriften en zeker de soms wel eens obscure tijdschriften die slechts in een beperkte kring worden verspreid onder zorgvuldig gekozen leden, die de meest gewaagde en vaak ook meest beledigende stellingen durven verdedigen kunnen niet zomaar door de gewone burger, laat staan door de schadelijdende worden teruggevonden.

Daarom moet de uitgever van een tijdschrift dat alleen aan abonnees wordt toegestuurd, wanneer dit wordt gevraagd door degene die een recht van antwoord vordert, een exemplaar van het tijdschrift, met de daarin opgenomen antwoord aan de aanvrager toesturen. Wanneer dit bewijs niet geleverd wordt nadat de betrokkene voor de rechtbank is gedaagd zal de uitgever veroordeeld worden tot de gerechtskosten (zie hof van beroep Gent 23 oktober 2003, nieuw juridisch weekblad 2004, 275).

HET RECHT VAN ANTWOORD EN DE AUDIOVISUELE MEDIA

Het recht tot antwoord inzake de audiovisuele middelen worden geregeld door artikel zeven van de wet betreffende het recht tot antwoord. Dit artikel stelt dat onverminderd de andere rechtsmiddelen elke natuurlijke persoon of rechtspersoon elke feitelijke vereniging die bijnaam is genoemd of impliciet is aangewezen in audiovisuele uitzending, uitgaven of programma van periodieke aard, het recht geeft onder aanwijzing van een persoonlijk belang, kosteloos de uitzending of de opneming van een antwoord te vorderen om één of meerdere onjuiste feiten die hem betreffen recht te zetten op een of meer feiten of verklaringen die van zodanige aard zijn dat zij de eer aantasten.

De wet van 1977 heeft rekening willen houden met de moderne media van die tijd en dus niet alleen met Radio en televisie maar ook met de verspreiding via de kabel, de videocassettes, de vinylplaten en dergelijke meer. Maar men kan niet ontkennen dat de wet van 1977 niet aangepast was aan het Internet. Op dit ogenblik worden de meeste teksten zelfs verspreid via het Internet waarbij het wel zeer moeilijk wordt om onmiddellijk op ditzelfde Internet de publicatie van een antwoord te eisen. Daarnaast zijn er nog tal van andere media zoals chatkanalen, de websites, de bloggers, de Podcasting…

Al het geen op deze wijze verspreid wordt kan onrechtmatig zijn en ook deze berichten dienen aanzien te worden als geschriften in de zin van artikel 444 van het strafwetboek hetgeen bevestigd werd in een arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 juni 2000 AM 2001,142 met noot)

De strafwet heeft voor deze bijzondere media niets voorzien en door het legaliteitsbeginsel kan men de bijzondere wetten betreffende het recht tot antwoord op deze nieuwe media niet toepassen zonder eerst de wet aan te passen.

Maar opnieuw belet dit niet dat ten aanzien van deze nieuwe media artikel 1382 Burgerlijk Wetboek van toepassing is hetgeen aanleiding kan geven tot een vordering in schadevergoeding waarbij de schadevergoeding vooreerst in natura kan gevorderd worden door bijvoorbeeld verwijdering van de gewraakte passages van het Internet, door opname van een rechtzetting, door een verbod op te leggen om verder in zelfde zin berichten te verspreiden, desnoods onder verbeurte van een dwangsom.

Tussen het recht op antwoord bij de audiovisuele middelen en de geschreven pers zijn er een paar belangrijke verschillen. Bij de audiovisuele media kunnen ook feitelijke verenigingen een recht van antwoord te vorderen, moet de indiener van het recht een persoonlijk belang kunnen aantonen en moeten de recht te zetten feiten onjuist zijn of van aard de eer te krenken.

Onjuiste feiten kunnen niet verward worden met politieke ideeën waarmee men het niet eens is. Het moet eens gaan om objectief meetbare en tastbare gegevens waarvan de juistheid kan worden vastgesteld.


Niet alleen onjuiste feiten, maar ook ook juiste of niet-vermelde feiten die de eer kunnen aantasten geven aanleiding tot een recht van antwoord. Toen in een tv reportage over de zogenaamde “assisentoeristen ” (personen die voor de hobby Assisen processen bijwonen en de gretigheid waarmee deze mensen in de zaal willen beslissen over andermans leven) waarbij een assisenzaak op de achtergrond werd vertoond niet vermeld werd dat de beschuldigde in deze zaak werd vrijgesproken van moord, kon enkel vastgesteld worden dat de programmamakers onjuiste of minstens onvolledige achtergrondinformatie hadden verstrekt met vanzelfsprekend schadelijke gevolgen voor de vrijgesproken beklaagde die zich opnieuw in beeld gebracht zag als een van moord beschuldigde crimineel zonder hierbij te melden dat hij onschuldig was. De rechter heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 juni 1997 (AM 1997,420), een recht van antwoord verschaft.

Gaven onder meer ook aanleiding tot een recht van antwoord:
- de onterechte aantijging dat een partij het stilzwijgen wilde bewaren;
- de insinuatie dat de eisende partijen fascistisch ideeëngoed zouden propageren;
- het gebruik van de term terrorist.

Het recht van antwoord bestaat ten aanzien van elke uitzending of elk audiovisueel programma van periodieke aard. Er is zeker geen uitzondering voor het (politiek) debat programma's die dus geen alibi zijn om beledigend of onjuiste uitlatingen ten beste te kunnen geven. Ook deze uitzendingen kunnen aanleiding geven tot een recht van antwoord voor uitspraken zowel van de panelleden, als van de beroepsjournalisten.

Het feit dat er een persoon geweigerd heeft aan een uitzending deel te nemen verschaft niemand het recht om hem nadien in de uitzending zelf in zijn eer aan te tasten of nopens hem onjuiste feiten te vermelden. Zelfs de afwezige zal nadien kunnen reageren met een recht van antwoord.

Het recht van antwoord bestaat zelfs ten aanzien van mededelingen verstrekt door de eiser zelf voor zover deze onjuist zijn of door de monteurs van het programma een onjuist beeld weergeven of door de montage dan wel door de loutere weergave in zijn eer krenken.

Men kan niet anticipatief reageren op een verwachte uitzending door bijvoorbeeld te eisen dat in een bepaalde nog uit te zenden uitzending een bepaalde vermelding zal worden opgenomen (zie voorzitter rechtbank Dendermonde 27 november 2001 AM 2002,87).

Men moet niet in leven zijn om het recht van antwoord te laten gelden. Na het overlijden behoort het recht van antwoord toe aan alle bloedverwanten in rechte lijn of aan de huwelijkspartner, of bij ontstentenis van dezen, aangenaamste bloedverwant. Hierbij dient wel opgemerkt dat het recht slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen kan worden uitgeoefend en voor zover de termijn van 30 dagen die na de uitzending is ingegaan nog niet is verstreken.

De aanvraag tot antwoord in de audiovisuele media

Op straffe van ontvankelijkheid moet de aanvraag tot antwoord aan de producent van de uitzending of het programma of aan de uitgever worden toegezonden middels een per post aangetekende brief uiterlijk de 30e dag na de datum van uitzending. Deze brief dient de volledige identiteit van de verzoeken te vermelden. Voor natuurlijke personen betreft het dus ook zijn woonplaats oma voor rechtspersonen, de firmanaam, de vennootschapsvorm, de maatschappelijke zetel, het onderneming sneller en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek. Hierbij is het aangewezen ook een kopie te voegen van de statuten waaruit blijkt dat de natuurlijke persoon die ondertekend bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Bij feitelijke verenigingen worden de naam, de zetel, de statutaire organen en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld. Ook hier is het aangewezen om een kopie van de statuten en/of de processen-verbaal van vergadering (algemene vergadering of beheerraad) bij te voegen om de bevoegdheid van de ondertekenaar kracht bij te zetten.

De aanvraag moet alle nodige inlichtingen bevatten waardoor kan vastgesteld worden over welke bestreden uitzending, programma of uitgaven en om welke gewraakte passages het gaat.

Om een en ander te verduidelijken kan men audiovisueel motorjacht toevoegen waarop de beruchte en aangevochten passages worden aangeduid, bijvoorbeeld door opname van de bewuste fragmenten en enkel de fragmenten toe te zenden, dan wel door de volledige uitzending op een audiovisuele drager over te maken en de bewuste passage te markeren (bijvoorbeeld door een rode streep op een videoband, een bijkomend achtergrondgeluid op een audio tape, de zwartwit weergave van de gewraakte opnamen wanneer de rest in kleur werd weergegeven ...

De aanvraag tot antwoord dient met redenen omkleed zijn dus uitvoerig gemotiveerd en ondertekend.

Tenslotte moet de aanvraag tot antwoord het gevraagde antwoord bevatten, zijnde de tekst die in ten hoogste 3 min moet kunnen worden gelezen of moet bestaan uit ten hoogste 4500 typografische tekens.

Wanneer de aanvraag ondertekend wordt door een advocaat moet deze uitdrukkelijke melding maken van zijn mandaat en is het aangewezen dat hij zijn mandaat als kopie bijvoegt, dan wel dat hij zijn cliënten meer laat ondertekenen. De loutere ondertekening door een advocaat zonder bijkomende vermelding van zijn mandaat zou de aanvraag tot antwoord onontvankelijk maken.

Men kan niet zomaar een aanvraag tot antwoord richtten tot een bepaald medium. Het recht van antwoord voor radio en televisie kan slechts uitgeoefend worden ten aanzien van een programma, meerbepaald die programma's en uitzendingen die in de aanvraag tot uitzending van het recht van antwoord zijn aangewezen. Het is dus ten zeerste aanbevolen om bij een aanvraag tot antwoord uitdrukkelijk te vragen in welk programma men het recht van antwoord gerealiseerd wil zien. Men kan niet eisen dat een recht van antwoord wordt uitgezonden in elke nieuwsuitzending waarin zijn naam eerder is vermeld. De aanvrager zal dus moeten die uitzendingen en passages preciseren.

Het recht van antwoord verschaft slechts éénmaal het recht op de uitzending van het antwoord zonder dat dit moet worden herhaald.

Weigeringsgronden:

Gebrek aan vermelding van de gewraakte elementen of gebrek an antwoord hierop: Het recht van antwoord kan bij de audiovisuele middelen slechts worden geweigerd wanneer de tekst van de aanvrager niet duidelijk maakt welke elementen verkeerd waren in de betrokken uitzendingen en evenmin de correcte weergave van de feiten biedt met oog op rechtzetting of wanneer er geen aanduiding wordt gegeven van de feiten op de verklaringen die de eer kunnen aantasten van de persoon die antwoordt en er ook op deze feiten, leest beweerde feiten geen antwoord wordt gegeven (zie voorzitter rechtbank in eerste aanleg in Brussel 17 maart 1982, JT 19 83,154 met noot, Leroy).

Gebrek aan verband of krenkend antwoord: Worden verder geweigerd de uitzending of de opneming van een antwoord dat niet onmiddellijk in verband staat met het bestreden worden of beelden of waarbij het voorgestelde antwoord veel verdergaat dan nodig is om de onjuist verklaarde feiten te verbeteren of de eer te herstellen, dan wel de eer van derden krenkt, of beledigend is, dan wel in strijd met de wetten of de goede zeden.

Het betrekken van derden: Wordt evenzeer geweigerd de antwoorden in de audiovisuele media die zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt dan wel in een andere taal gesteld zijn dan deze van de bestreden uitzending, uitgaven of programma (zie overeenkomst met het recht van antwoord in de geschreven pers).

Het vermelden van de naam van een of meerdere personen die de aantijgingen hebben ze uit kan niet worden aangezien als het betrekken van derden in de zaak. De auteurs van deze verklaringen kunnen niet als derden worden beschouwd zie voorzitter rechtbank eerste aanleg in Brussel 12 februari 1998 J.L.M.B. 1999,955.

Verval van het recht ingevolge spontane rechtzetting

Er bestaat geen grond meer tot antwoord indien de producent of de uitgever , leest de betrokken media op spontane en bevredigende wijze rechtzetting heeft gepleegd


Maar de vaststelling dat de betrokkene voor de uitzending van een debat was uitgenodigd en geweigerd heeft om aan een debat deel te nemen kan niet worden gelijkgesteld met een spontane rechtzetting of doet ook niet het recht van antwoord verbeuren (zie rechtbank eerste aanleg Brussel 17 mei 1983, JT 19 82,154 met noot).

Procedure voorafgaand aan de uitzending van het antwoord

Indien de aanvraag tot antwoord en de voorgestelde tekst werden aanvaard zal het antwoord worden uitgezonden in de eerstvolgende uitzending onder het eerstvolgende programma van dezelfde reeks een hetzelfde type en dit zo dicht mogelijk bij het uur waarop de betrokken uitzending of programma heeft plaatsgehad.

Het antwoord wordt zonder commentaar of repliek gelezen door de persoon die door de producent of door de uitgever is aangewezen. Dergelijke juridische georganiseerde recht van antwoord kunnen en mogen er dus zelfs geen excuses worden geformuleerd. Het al en niets anders dan het antwoord wordt voorgelezen. De verzoeker geeft hierbij geen toegang tot de microfoon, de camera of de opnameapparatuur.

De producent of de uitgever kunnen het antwoord zonder meer aanvaarden. Zij kunnen ook een tegenvoorstel formuleren. Dit tegenvoorstel dient medegedeeld aan de aanvrager binnen de vier werkdagen te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag. Door een tegenvoorstel te formuleren geeft de uitgever of de producent te kennen in elk geval akkoord te gaan met het principe van het antwoord waarop niet meer kan worden teruggekomen.

Indien het tegenvoorstel wordt aanvaard door de verzoeker dan zal het antwoord worden uitgezonden op de wijze zoals reeds aangehaald conform de tekst van het tegenvoorstel. De producent of de uitgever kan ook het antwoord afwijzen. In dit geval dient hij zijn weigering te motiveren in een aangetekend schrijven zoals aan de verzoeker gericht binnen de vier werkdagen ingaande op de dag na de ontvangst van de aanvraag.

In dit geval zal de voorzitter van de rechtbank gevat dienen te worden conform artikel 12 van de wet.

uittreksel uit de antwoordwet:

[Art. 12
Indien de formaliteiten bepaald in § 2, eerste lid en § 3 van artikel 11 niet vervuld zijn, indien de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of het tegenvoorstel van tekst niet wordt aanvaard, kan de verzoeker de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en wel binnen vijftien dagen te rekenen van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven of binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel.
Bij de voorzitter kan binnen dezelfde termijn een verzoekschrift tot minnelijke schikking aanhangig worden gemaakt overeenkomstig artikel 731 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoekschrift heeft ten aanzien van de termijn van vijftien dagen de gevolgen van een dagvaarding, mits gedagvaard wordt binnen vijftien dagen na het proces-verbaal houdende vaststelling dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen.
De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, als alleensprekend rechter zitting houdende, beslist ten gronde en in laatste aanleg volgens de procedure bepaald in de artikelen 1035, 1036, 1038 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek over de verplichting van de producent of de uitgever om het antwoord uit te zenden of op te nemen.
In geval van beschikking bij verstek kan verzet worden gedaan binnen vijftien dagen na de kennisgeving.
Van de beschikking wordt aan de partijen kennis gegeven bij gerechtsbrief.]
 

De rechter kan geen zwaardere verplichtingen aan de producent of de uitgever opleggen dan deze die voorzien zijn ingeval van vrijwillige weergave van het antwoord. Maar de wetgever heeft wel sancties voorzien indien de producent zijn verplichtingen niet nakomen.

De gerechtelijke procedure

Wanneer de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of wanneer het tegenvoorstel niet wordt aanvaard kan de verzoeker de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De aanvrager beschikt hiertoe over een vervaltermijn van 15 dagen te rekenen:

- van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven

- of binnen de 15 dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel.

Binnen dezelfde termijn kan een verzoekschrift worden neergelegd tot minnelijke schikking conform artikel 731* en volgende van het gerechtelijk wetboek waarbij dit verzoekschrift met betrekking tot een termijn van 15 dagen dezelfde gevolgen hiervan dagvaarding voor zover er dan gedagvaard wordt binnen de 15 dagen na het proces-verbaal niet verzoening.

*uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 731. (Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn,) op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om in eerste aanleg ervan kennis te nemen.

De procedure wordt gevoerd in eerste en laatste aanleg voor de voorzitter als alleen sprekend rechter van de woonplaats van de eiser, conform de bepalingen van artikel 1035, 1036, 1038 en 1041* van het Gerechtelijk Wetboek waarbij geoordeeld wordt over de verplichting van de producent of de uitgever om het antwoord al dan niet uit te zenden of op te nemen. De procedure wordt gevoerd niet op grond van artikel 584 Gerechtelijk Wetboek (algemene bevoegdheid van de kortgedingrechter in spoedeisende zaken) maar op grond van artikel 12 van de wet betreffende het recht tot antwoord.

*uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

TITEL VI._ Inleiding en behandeling van de vordering in kort geding.

Art. 1035. Op de dag en het uur bepaald in het reglement van de rechtbank, wordt de vordering in kort geding gebracht op de zitting, gehouden door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hem vervangt.
De termijn van dagvaarding bedraagt ten minste twee dagen. Heeft de verweerder geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

Art. 1036. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter evenwel bij een beschikking verlof geven om ter zitting of te zijnen huize te dagvaarden op het bepaalde uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.


Art. 1038. Wanneer de voorzitter machtiging verleent tot een maatregel van onderzoek, geschiedt dit onderzoek met inachtneming van de gewone regels, behoudens het recht van de voorzitter om in geval van noodzaak alle termijnen van rechtspleging te verkorten.

Art. 1041. De minuten van de beschikkingen en de arresten in kort geding worden ter griffie neergelegd.
Bij uiterste noodzaak kan de rechter in kort geding of het hof bevel geven tot tenuitvoerlegging van de beschikking of van het arrest (op) de minuut. <W 15-7-1970, art 38>

 De beschikking wordt ter kennis gebracht binnen de 15 dagen na keer heeft bemiddelden gerechtsbrief, deze betekening per gerechtsbrief doet de termijn van verzet lopen

Niettegenstaande er geen hoger beroep mogelijk is tegen het vonnis van de voorzitter staat er wel verzet lopen tegen het gebeurlijk verstekvonnis en dit binnen de 15 dagen na de kennisgeving.

Er kan slechts een vordering worden gesteld ten aanzien van de producent of de uitgever van de uitzending. De vordering zoals gesteld tegen andere personen zoals bijvoorbeeld de journalist, de directie, de redactie, de zender is onontvankelijk zie voorzitter rechtbank Brussel 12 februari 1998 J.L.M.B. 1999, 955.

Inhoudelijke aanpassingen

Het is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg toegelaten om de gevorderde antwoordtekst ambtshalve aan te passen zodat deze zou beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden zie voorzitter rechtbank eerste aanleg Brussel 22 februari 1998 AM 19 99,93, J.L.M.B. 1999,955; voorzitter rechtbank eerste aanleg Brussel 30 december 1992 P&B 1993,162, met noot) de voorzitter is zelfs gerechtigd niet alleen de tekst te wijzigen maar kan deze ook inkorten (zie voorzitter rechtbank eerste aanleg Brussel 19 mei 1982 JT. 1983, 152 met noot.

De voorzitter heeft dus een ruime bevoegdheid die niet beperkt is tot het louter aanvaarden of verwerpen van de voorgestelde tekst. De voorzitter kan zich de in ondergeschikte orde door de eiser voorgestelde tekst evengoed beoordelen als de oorspronkelijke tekst en mag zelfs deze tekst aanpassen (Cass. 13 oktober 1983 AC 1983 - 84, 65 en rechtskundig weekblad 1983-84, 2550.


In de procedure kunnen de eisen worden uitgebreid conform artikel 807* van het Gerechtelijk Wetboek door een uitbreiding of wijziging van de vordering inzake het recht van antwoord zonder dat deze uitgebreide vordering dient te voldoen aan de voorwaarden van artikel acht van de wet (Cass. 13 oktober 1983, AC 1983 - 19 84,165 en rechtskundig weekblad 1983 - 84,2 1550.

*uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 807. Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.


Bewaarplicht

Voor elke uitzending over een programma over welke uitgaven bestaat de verplichting tot bewaring zolang een aanvraag tot antwoord kan worden ingediend. In de bijna onmogelijke hypothese dat geen opname kan worden voorgelegd, moet het antwoord worden uitgezonden of uitgegeven, ten ware het niet in overeenstemming zou zijn met de wet.

Zolang het geschil niet definitief is beslecht dienen de opnames bewaard te worden (artikel 13). De opname van het antwoord zal gedurende drie maanden bewaard moeten worden. De procedure valsheid in burgerlijke zaken is niet toepasbaar op een filmcassette aangezien dit geen geschrift is (voorzitter rechtbank eerste aanleg Brussel 7 mei 2002 a en 2002,458.

Uitzendingen van derden

uitzendingen van derden geven geen recht op antwoord omdat zij niet verondersteld worden objectief te zijn (artikel 14)

Regeringsmededeling

geven geen aanleiding tot een recht van antwoord

Zie parlementaire stukken kamer 1975 - 76,959/6 pagina 5.

Strafsancties:

Wordt gestraft met geldboete van 26 tot € 5000 de persoon die een antwoord niet uitzendt of opneemt overeenkomstig de bepalingen van artikel 11§1, 2° lid of de minnelijke schikkingen dan wel de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet uitvoert (artikel 15)

Specifieke regelingen in de Vlaamse Gemeenschap met betrekking tot de Radio en televisieuitzendingen
Uittreksel uit de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005. .

 

TITEL XI. - Recht van antwoord.

Art. 177. Eenieder heeft recht op informatie via radio en televisie.

Art. 178. § 1. Eenieder heeft ten aanzien van radio en televisie een recht van antwoord dat wordt uitgeoefend zoals bepaald in dit decreet.
§ 2. Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon van wie de rechtmatige belangen, namelijk aanzien en reputatie, zijn aangetast door een onjuiste bewering tijdens de uitzending van een programma van een omroep, het recht om een verzoek tot kosteloze opname van een antwoord in te dienen.
De verzoeker kan het recht van antwoord met betrekking tot verschillende afleveringen van een programma die deel uitmaken van een reeks, in één keer uitoefenen.
Er behoeft evenwel geen antwoord te worden opgenomen als een van de in artikel 180, § 1, bedoelde personen vrijwillig een bevredigende rechtzetting heeft aangebracht. Als de verzoeker die rechtzetting niet bevredigend acht, kan hij gebruikmaken van zijn recht van antwoord.
§ 3. Als de persoon, bedoeld in § 2, overleden is, komt het recht een verzoek tot kosteloze opname van een antwoord in te dienen, toe aan alle bloedverwanten in de rechte lijn en aan de echtgenoot of, bij ontstentenis, aan de naaste bloedverwanten. Voornoemd recht wordt steeds eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend. Als de in artikel 179 bepaalde termijn loopt op de dag van het overlijden van de persoon bedoeld in § 2, beschikken de rechthebbenden slechts over het resterende gedeelte van die termijn.

Art. 179. Het in artikel 178 bedoelde verzoek wordt schriftelijk ingediend en binnen een termijn van een maand verzonden. De termijn begint te lopen op de dag van de eerste uitzending.

Art. 180. § 1. Het in artikel 178 bedoelde verzoek wordt toegezonden aan de hoofdredacteur of de eindredacteur van het programma of aan elke persoon die het antwoord kan laten opnemen.
Op vraag van de verzoeker verstrekt de omroep onmiddellijk de nodige gegevens om de personen, bedoeld in het eerste lid, te identificeren.
§ 2. Het verzoek bevat op straffe van onontvankelijkheid :
1° alle nauwkeurige inlichtingen op grond waarvan de identiteit van de omroep, het programma in kwestie en de informatie waarop het antwoord betrekking heeft, kan worden vastgesteld;
2° het bewijs dat aan een van de voorwaarden of aan alle voorwaarden van artikel 178 is voldaan;
3° voor natuurlijke personen, de identiteit, de woonplaats of verblijfplaats van de verzoeker; en voor rechtspersonen, de naam en de zetel van de verzoeker, alsook de hoedanigheid van de persoon die het verzoek ondertekent; voor feitelijke verenigingen, de naam en de vestiging van de verzoeker, evenals de hoedanigheid van de persoon die het verzoek ondertekent;
4° de handtekening van de verzoeker; of voor rechtspersonen of feitelijke verenigingen, de handtekening van de persoon die in hun naam handelt;
5° het antwoord.

Art. 181. De tekst van het antwoord wordt in dezelfde taal gesteld als de informatie die de aanleiding is geweest tot het verzoek.
Het antwoord moet rechtstreeks verband houden met de informatie die de aanleiding is geweest tot het verzoek.
Het antwoord mag niet beledigend, noch strijdig met de wetten of de goede zeden zijn en mag, tenzij dat strikt noodzakelijk is, geen derde in de zaak betrekken.

Art. 182. De duur van het antwoord wordt beperkt tot wat strikt noodzakelijk is om te reageren op de informatie die de aanleiding is geweest tot het verzoek, en moet in ten hoogste drie minuten kunnen worden gelezen of bestaan uit ten hoogste 4 500 typografische tekens.

Art. 183. § 1. Het antwoord wordt uiterlijk opgenomen in de eerstvolgende uitzending van het programma na afloop van een termijn van twee vrije dagen, zondagen en feestdagen niet inbegrepen, die ingaat op de dag waarop een van de in artikel 180, § 1, bedoelde personen het antwoord ontvangt.
Als er binnen veertien dagen na de ontvangst van het verzoek geen uitzending gepland is van het programma, dan moet het antwoord binnen die termijn worden uitgezonden op een voor het publiek toegankelijk uitzenduur.
De verzoeker heeft in geen geval toegang tot de technische installaties die door de omroep worden aangewend.
§ 2. Het antwoord moet in zijn geheel worden opgenomen, zonder tussenvoeging, op dezelfde wijze en in omstandigheden die zoveel mogelijk overeenstemmen met die waarin de informatie die de aanleiding is geweest tot het verzoek, is verspreid.
§ 3. Als een repliek of een commentaar wordt gegeven op het opgenomen antwoord, kan de persoon die om een recht van antwoord heeft verzocht, overeenkomstig de voorwaarden van dit decreet een nieuw recht van antwoord vorderen.

Art. 184. § 1. De afwijzing van een verzoek tot kosteloze opname van een antwoord wordt bij een ter post aangetekende brief aan de verzoeker meegedeeld binnen vier dagen, te rekenen van af de dag waarop een van de in artikel 180, § 1, bedoelde personen het antwoord ontvangt, en uiterlijk op de dag waarop de opname overeenkomstig artikel 183 zou moeten plaatsvinden.
De aangetekende brief, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de nauwkeurige redenen voor de weigering en de bepalingen van dit decreet waaraan niet is voldaan.
§ 2. Een van de in artikel 180, § 1, bedoelde personen kan binnen de in § 1 gestelde termijn op dezelfde wijze een tegenvoorstel formuleren.
Als de verzoeker niet binnen vijftien dagen op het tegenvoorstel reageert, wordt dat laatste geacht aanvaard te zijn.
De toezending van een tegenvoorstel bij een ter post aangetekende brief schorst de verplichting tot opname van een antwoord totdat de verzoeker het tegenvoorstel afwijst of aanneemt.
§ 3. Het te laat opnemen van een antwoord zonder dat er daarbij overeenkomstig § 1 en § 2 een afwijzing of een tegenvoorstel is geweest, geeft recht op vergoeding van de door de rechter vast te stellen geleden schade.

Art. 185. Onverminderd de mogelijkheid waarover de partijen beschikken om het geschil aan een bevoegd orgaan van de sector voor te leggen, behoren alle betwistingen die voortvloeien uit deze titel tot de uitsluitende bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die zitting houdt zoals in kort geding.
De verzoeker moet de zaak bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aanhangig maken binnen één maand, te rekenen vanaf de datum waarop het antwoord moest worden opgenomen, vanaf de datum waarop de afwijzing vanaf de opname ter kennis is gebracht van de persoon die het verzoekschrift heeft ondertekend, vanaf de datum waarop het tegenvoorstel is afgewezen, of vanaf de datum waarop een opname is opgenomen die niet overeenstemt met de bepalingen van dit decreet.
Als de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg beveelt dat een antwoord moet worden opgenomen, beslist hij ten gronde en in laatste aanleg.
Als het antwoord op de datum van de uitspraak niet is opgenomen, beveelt de rechter de opname ervan binnen de termijn en op de wijze die hij bepaalt, in voorkomend geval, onder verbeurte van een dwangsom.
De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan de voorstellen van de partijen inwilligen die tot doel hebben de inhoud van het antwoord aan te passen.

Art. 186. De in artikel 180, § 1, bedoelde personen bewaren de dragers die de verspreide informatie bevatten, zolang een verzoek tot opname van een recht van antwoord wettelijk kan worden ingediend en, in voorkomend geval, totdat het geschil definitief is beslecht.
De in artikel 180, § 1, bedoelde personen bewaren de drager die het recht van antwoord bevat gedurende dertig dagen, te rekenen van de datum waarop het antwoord opgenomen werd en, in voorkomend geval, totdat het geschil definitief is beslecht.

Art. 187. § 1. Eenieder heeft ten aanzien van radio en televisie een recht van mededeling dat wordt uitgeoefend zoals bepaald in dit decreet.
§ 2. Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een programma van een omroep als verdachte, beklaagde of beschuldigde bij naam is genoemd, herkenbaar in beeld is gebracht of impliciet is aangewezen, het recht om de kosteloze opname van een recht van mededeling te verzoeken.
Er behoeft evenwel geen mededeling worden opgenomen indien een van de in artikel 190, § 1, bedoelde personen vrijwillig een bevredigende mededeling heeft gedaan. Als de verzoeker die mededeling niet bevredigend acht, kan hij gebruikmaken van zijn recht van mededeling.
§ 3. Als de persoon, bedoeld in § 2, overleden is, behoort het recht een verzoek tot kosteloze opname van een mededeling in te dienen toe aan alle bloedverwanten in de rechte lijn en aan de echtgenoot of bij ontstentenis, aan de naaste bloedverwanten. Voornoemd recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen, uitgeoefend. Als de in artikel 189 bepaalde termijn loopt op de dag van het overlijden van de persoon, bedoeld in § 2, beschikken de rechthebbenden slechts over het resterende gedeelte van die termijn.

Art. 188. De tekst van de mededeling wordt in dezelfde taal gesteld als de informatie die de aanleiding is geweest tot het verzoek en bevat uitsluitend de volgende vermeldingen :
1° de identiteit van de in artikel 187, § 2, bedoelde persoon;
2° de verwijzing naar de in artikel 187, § 2, bedoelde mededeling op grond waarvan het recht van mededeling opvorderbaar is;
3° de beslissing tot buitenvervolgingstelling of tot vrijspraak van de verzoeker, de datum van de beslissing en het gerecht dat de beslissing heeft gewezen;
4° het gegeven dat tegen voornoemde beslissing geen verzet, hoger beroep of voorziening in cassatie mogelijk is.
Als de buitenvervolgingstelling verkregen is ten gevolge van het verval van de strafvordering, is er geen recht van mededeling.

Art. 189. Het in artikel 187 bedoelde verzoek wordt schriftelijk gedaan en binnen een termijn van drie maanden verzonden, te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing tot buitenvervolgingstelling of tot vrijspraak niet meer vatbaar is voor verzet, hoger beroep of voorziening in cassatie.

Art. 190. § 1. Het in artikel 187 bedoelde verzoek wordt toegezonden aan de hoofdredacteur of de eindredacteur van het programma of aan elke persoon die het antwoord kan laten opnemen.
Op vraag van de verzoeker verstrekt de omroep onmiddellijk de juiste coördinaten van de persoon bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Het verzoek bevat op straffe van onontvankelijkheid :
1° alle nauwkeurige inlichtingen op grond waarvan de identiteit van de omroep, het programma in kwestie en de informatie waarop het verzoek tot de opname van het recht van mededeling betrekking heeft, kan worden vastgesteld;
2° voor natuurlijke personen, de identiteit, de woonplaats of de verblijfplaats van de verzoeker, voor rechtspersonen, de naam en de zetel van de verzoeker, alsook de hoedanigheid van de persoon die het verzoek ondertekent;
3° de handtekening van de verzoeker; of voor rechtspersonen, van de persoon die in hun naam handelt;
4° de informatie, bedoeld in artikel 188.
Het bewijs van de beslissing tot buitenvervolgingstelling of tot vrijspraak, alsmede een verklaring van de rechterlijke overheid waaruit blijkt dat tegen de beslissing geen beroep is ingesteld en dat ze niet meer vatbaar is voor verzet, hoger beroep of voorzieningen in cassatie, moeten worden bijgevoegd.
§ 3. De mededeling wordt uiterlijk opgenomen in de eerstvolgende uitzending van het programma na afloop van een termijn van twee vrije dagen, zondagen en feestdagen niet inbegrepen, die ingaat op de dag waarop een van de in § 1 bedoelde personen het antwoord ontvangt.
Indien er binnen veertien dagen na de ontvangst van het verzoek geen uitzending gepland is van het programma, dan moet de mededeling binnen deze termijn worden uitgezonden op een voor het publiek toegankelijk uitzenduur.

Art. 191. De termijnen, vastgesteld in dit decreet, met uitzondering van die welke bedoeld worden in artikel 183 en 189, worden berekend overeenkomstig artikel 52, eerste lid, artikel 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord, B.S, 8 juli 1961,

zoals gewijzigd door de wet van 4 maart 1977 betreffende het recht tot antwoord in de audiovisuele middelen, B.S., 15 maart 1977.

Ingelast door het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 juli 2003 tot wijziging van artikel 80, § 3 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, wat de invoering betreft van het recht op informatie via radio en televisie en houdende instelling van een recht van antwoord en een recht van mededeling ten aanzien van radio en televisie, B.S., 3 sept. 2003.

B.S., 8 april 2005. Erratum, B.S., 24 november 2005, blz. 50576-50627.B.S., 6 september 2005.

 23/06/1961  Wet betreffende het recht tot antwoord

 (B.S., 8 juli 1961)

Hoofdstuk I. Periodieke geschriften

Art. 1
Onverminderd de andere rechtsmiddelen, heeft elke natuurlijke of rechtspersoon die in een periodiek geschrift bij name is genoemd of impliciet aangewezen, het recht binnen drie maanden kosteloze inlassing van een antwoord te vorderen.

De wetenschappelijke, artistieke of letterkundige kritiek echter levert slechts een recht van antwoord op indien dit ten doel heeft een zakelijk element recht te zetten of een aantasting van de eer af te weren.
Indien de bedoelde persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte linie en aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de bij het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

Art. 2
Het antwoord mag niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de tekst die het recht tot antwoord rechtvaardigt.

De in de zaak betrokken persoon mag ineens het recht tot antwoord uitoefenen op teksten die in verschillende opeenvolgende nummers zijn verschenen.
In dat geval mag zijn antwoord niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de langste van die teksten.

De vordering tot inlassing bevat de nauwkeurige opgaaf van de teksten, vermeldingen of aanhalingen waarop het antwoord betrekking heeft.

Art. 3
Kan worden geweigerd, de inlassing van elk antwoord: 1° Dat niet onmiddellijk in verband staat met de bestreden tekst;
2° Dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
3° Dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
4° Dat gesteld is in een andere taal dan die van het periodiek geschrift.

Art. 4
Het antwoord moet in zijn geheel worden opgenomen zonder tussenvoeging, op dezelfde plaats en in dezelfde lettertekens als de tekst waarop het betrekking heeft.

Het moet worden opgenomen in het eerste nummer dat verschijnt na afloop van een termijn van twee vrije dagen, de zondagen of feestdagen niet inbegrepen, en die ingaat op de dag waarop het antwoord ten kantore van het periodiek geschrift werd ingediend.

Art. 5
In geval van overtreding van artikel 4, wordt de uitgever gestraft met geldboete van 26 [euro] tot 5000 [euro].

Artikel 85 van het Strafwetboek is op dit misdrijf van toepassing.
Indien de dag van het vonnis het antwoord nog niet werd opgenomen, gelast de rechtbank de opneming binnen een termijn die zij vaststelt, en veroordeelt zij bovendien de uitgever tot een geldboete van 100 [euro] per dag vertraging van het verstrijken vanaf deze termijn; in een speciaal met redenen omklede beschikking kan zij verklaren dat het gedeelte van het vonnis dat de opneming beveelt uitvoerbaar is bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep.

Artikel 9 der wet van 31 mei 1888 waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorwaardelijke veroordelingen in het strafstelsel worden ingevoerd, zoals het bij de wet van 14 november 1947 werd gewijzigd, is niet van toepassing op de veroordelingen waarvan sprake in het voorgaande lid.

 Art. 6
Bij gebreke van aanduiding van de naam van de uitgever in het periodiek geschrift, wordt de drukker, behoudens het tegenbewijs, verondersteld de uitgever te zijn.

Hoofdstuk II. Audiovisuele middelen

Hoofdstuk II 

Beperking toepassing
Hoofdstuk II is van toepassing op de erkende lokale radio's (art. 12 Decr. Vl. R. 7 november 1990 (B.S., 29 januari 1991)).

Verwerping van beroep
In antwoord op een prejudiciële vraag, zegt het Arbitragehof in zijn arrest nr. 14/91 van 28 maart 1991 (B.S., 10 juli 1991) voor recht dat de artikelen 7 tot 14, 16 en 18, alsmede 17 van de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht van antwoord, in zover zij betrekking hebben op het recht van antwoord in de audiovisuele middelen, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten niet schenden.

Art. 7
Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, elke feitelijke vereniging die bij name is genoemd of impliciet is aangewezen in een audiovisuele uitzending, uitgave of programma van periodieke aard, het recht, onder aanwijzing van een persoonlijk belang, kosteloos de uitzending of de opneming van een antwoord te vorderen om één of meer onjuiste feiten die hem betreffen recht te zetten of om te antwoorden op één of meer feiten of verklaringen die van zodanige aard zijn dat zij de eer aantasten.
Indien de persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte lijn of aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 8, eerste lid, van deze wet, is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

Art. 8
Op straffe van onontvankelijkheid moet de aanvraag tot antwoord aan de volgende voorwaarden voldoen: – uiterlijk de dertigste dag na de datum van de uitzending, het programma of de uitgave bij ter post aangetekende brief worden toegezonden aan de producent van de uitzending of het programma of aan de uitgever;
– de volledige identiteit van de verzoeker alsmede zijn woonplaats vermelden, indien het een natuurlijke persoon betreft. Bij rechtspersonen worden de firmanaam, de juridische aard, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld. Bij feitelijke verenigingen worden de naam, de zetel, de statutaire organen en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld;
– alle nodige inlichtingen geven zodat kan worden vastgesteld om welke bestreden uitzending, programma of uitgave en om welke gewraakte passages het gaat;
– met redenen omkleed en ondertekend zijn;
– het gevraagde antwoord bevatten; de tekst ervan moet in ten hoogste drie minuten kunnen worden gelezen of bestaan uit ten hoogste 4.500 typografische tekens. 

Art. 9
Geweigerd kan worden de uitzending of de opneming van elk antwoord: – dat niet in onmiddellijk verband staat met de bestreden woorden of beelden of dat verder gaat dan nodig is om de onjuist verklaarde feiten te verbeteren of dat schadelijk is voor de eer;
– dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
– dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
– dat gesteld is in een andere taal dan die van de bestreden uitzending, uitgave of programma. 

Art. 10
Er is geen grond tot antwoord indien spontaan een bevredigende rechtzetting is gedaan door de producent of de uitgever.
Indien deze rechtzetting door de verzoeker niet bevredigend wordt geacht, kan hij gebruik maken van de rechten die hem worden toegekend door de bepalingen van deze wet.

Art. 11

§ 1.
Wanneer de aanvraag tot antwoord en de voorgestelde tekst aanvaard worden, wordt dat antwoord uitgezonden in de eerstvolgende uitzending of in het eerstvolgend programma van dezelfde reeks of van hetzelfde type, zo dicht mogelijk bij het uur waarop de betrokken uitzending of programma heeft plaatsgehad.
Indien de aanvraag tot antwoord een periodieke uitgave betreft, wordt de tekst opgenomen in de eerstvolgende uitgave.
Indien de frequentie te gering is, kan de verzoeker vorderen dat zijn antwoord wordt uitgezonden in de eerstvolgende uitzending.
Het antwoord wordt zonder commentaar of repliek gelezen door de persoon die door de producent of door de uitgever is aangewezen.
De verzoeker heeft in geen geval toegang tot de microfoon, de camera of de opname-apparatuur.

§ 2.
Wordt het verzochte antwoord aanvaard, maar niet in zijn geheel, dan stuurt de producent of de uitgever aan de verzoeker een tegenvoorstel. Dit moet bij aangetekende brief worden medegedeeld binnen vier werkdagen, te rekenen van de dag na de ontvangst van de aanvraag.
Wordt het tegenvoorstel door de verzoeker aanvaard, dan wordt het antwoord uitgezonden of opgenomen op de wijze bepaald in § 1.

§ 3.
Indien de producent of de uitgever de aanvraag tot antwoord afwijst, deelt hij dit onder opgave van redenen bij aangetekend schrijven aan de verzoeker mee binnen een termijn van vier werkdagen, ingaande op de dag na de ontvangst van de aanvraag.]

Art. 12
Indien de formaliteiten bepaald in § 2, eerste lid en § 3 van artikel 11 niet vervuld zijn, indien de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of het tegenvoorstel van tekst niet wordt aanvaard, kan de verzoeker de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en wel binnen vijftien dagen te rekenen van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven of binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel.

Bij de voorzitter kan binnen dezelfde termijn een verzoekschrift tot minnelijke schikking aanhangig worden gemaakt overeenkomstig artikel 731 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoekschrift heeft ten aanzien van de termijn van vijftien dagen de gevolgen van een dagvaarding, mits gedagvaard wordt binnen vijftien dagen na het proces-verbaal houdende vaststelling dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen.
De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, als alleensprekend rechter zitting houdende, beslist ten gronde en in laatste aanleg volgens de procedure bepaald in de artikelen 1035, 1036, 1038 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek over de verplichting van de producent of de uitgever om het antwoord uit te zenden of op te nemen.

In geval van beschikking bij verstek kan verzet worden gedaan binnen vijftien dagen na de kennisgeving.
Van de beschikking wordt aan de partijen kennis gegeven bij gerechtsbrief.

Art. 13
Van elke uitzending, programma of uitgave moet een opname bewaard worden, zolang een aanvraag tot antwoord kan worden ingediend.
Wanneer geen opname kan worden overgelegd, moet het antwoord worden uitgezonden of uitgegeven, voor zover het in overeenstemming is met de wet.
Wanneer de aanvraag tot antwoord tijdig is ingediend, moet de opname van de betrokken uitzending, programma of uitgave bewaard worden tot het geschil beslecht is.

De opname van het antwoord moet gedurende drie maanden worden bewaard.

Art. 14
Op een antwoord geven geen recht de uitzendingen die door de uitzendingsinstituten van radio- en televisie worden toegestaan aan erkende verenigingen en stichtingen, voor zover die uitzendingen gerealiseerd worden in overeenstemming met de bepalingen die de uitzendingen door erkende verenigingen en stichtingen regelen.

Art. 15
Met geldboete van 26 tot 5000 euro en onverminderd burgerrechtelijk herstel kan worden gestraft het feit van een antwoord niet uit te zenden of op te nemen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 1 en § 2, tweede lid, of de minnelijke schikking dan wel de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet uit te voeren.

Hoofdstuk III. Gemeenschappelijke bepalingen

Hoofdstuk III (art. 16 tot 18) ingevoegd bij art. 2 W. 4 maart 1977 (B.S., 15 maart 1977).

Beperking toepassing
Hoofdstuk III is van toepassing op de erkende lokale radio's (art. 12 Decr. Vl. R. 7 november 1990 (B.S., 29 januari 1991)).

Verwerping van beroep
In antwoord op een prejudiciële vraag, zegt het Arbitragehof in zijn arrest nr. 14/91 van 28 maart 1991 (B.S., 10 juli 1991) voor recht dat de artikelen 7 tot 14, 16 en 18, alsmede 17 van de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht van antwoord, in zover zij betrekking hebben op het recht van antwoord in de audiovisuele middelen, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten niet schenden.

Art. 16
Vervolging geschiedt alleen op klacht of op rechtstreekse dagvaarding van de verzoeker. Deze kan in elke stand van het geding afstand doen. Afstand doet de strafvordering vervallen.

Art. 17
De strafvordering en de burgerlijke vordering wegens overtreding van deze wet verjaren na drie maanden te rekenen van de dag waarop de opneming of de uitzending hadden moeten plaatshebben.

Art. 18
De hoven en rechtbanken doen op de vorderingen ingesteld overeenkomstig deze wet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.


Rechtspraak recht van antwoord geschreven pers:

vroegere veroordeling en wisselwerking tussen de boete en de burgerlijke veroordeling tot publicatie

•• Cass. AR P.93.0035.N, 21 juni 1994 (Van Lieferinge / Vandekerckhove) ,Arr. Cass. 1994, 645; , Bull. 1994, 630; , P.&B. 1995, 8, noot VAN CAENEGEM, P., Mag de rechter bij de straftoemeting rekening houden met vroegere veroordelingen, die nog niet in kracht van gewijsde zijn getreden, of met vroegere minnelijke schikkingen ; , Pas. 1994, I, 630.

De burgerlijke veroordeling tot opname van het antwoord belet niet de veroordeling tot een geldboete. De opneming van het antwoord als civielrechtelijke veroordeling op grond van overtreding van art. 4 Antwoordrechtwet doet geen afbreuk aan het recht op geldelijke vergoeding op grond van art. 3 Voorafgaande Titel Sv.

Geen wetsbepaling verbiedt de strafrechter om bij het bepalen van de straf rekening te houden met het bestaan van een vroegere veroordeling waarvan wordt vastgesteld dat deze nog niet in kracht van gewijsde is gegaan (art. 195 Sv.).

wisselwerking met het
recht op afbeelding

•• Antwerpen 26 maart 2007, NjW 2007, afl. 170, 801, noot BREWAEYS, E.

De uitgever kan zich niet beroepen op het feit dat de foto’s werden genomen op een voor het publiek toegankelijke plaats, als het niet gaat om een groepsfoto of een sfeerbeeld op die openbare plaats, maar als het gaat om een foto van welbepaalde, duidelijk herkenbare personen die zijn onderscheiden van andere personen die op de foto op de achtergrond verdwijnen.

De gevorderde publicatie van het uit te spreken vonnis heeft hier niets van doen met het recht tot antwoord dat van de natuurlijke of rechtspersoon uitgaat en dat onderworpen is aan de beperkingen opgesomd in het artikel 2 van de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord. De burgerlijke vordering wegens overtreding van die wet verjaart na drie maanden te rekenen van de dag waarop de opneming of de uitzending hadden moeten plaatshebben.

Het
recht op eigen afbeelding is een persoonlijkheidsrecht dat elke natuurlijke persoon toelaat zich te verzetten tegen het gebruik van zijn afbeelding voor niet toegestane doeleinden.
De geïntimeerden werden zonder hun toestemming afgebeeld nu de vroeger gegeven toestemming van de geïntimeerden niet geldt voor onderhavige publicatie. Bovendien werd de afbeelding van de geïntimeerden voor niet toegestane doeleinden gebruikt. De appellante heeft bijgevolg het recht op afbeelding van de geïntimeerden geschonden.
Die niet toegestane publicatie gebeurt hier bovendien in een artikel waarmee de geïntimeerden niet wensen te worden geassocieerd.

De gegeven toestemming van privé personen voor het nemen en het publiceren van hun foto met een welbepaald doel houdt geen stilzwijgende toestemming in om die foto voor enig ander artikel te publiceren.

Resultaatsverbintenis en kennisgeving van minder verspreide bijdragen

•• Antwerpen 14 maart 2005, NjW 2006, afl. 152, 894, noot BREWAEYS, E.

De uitgever die een recht van antwoord ontvangt dat aan de wettelijke voorwaarden voldoet, heeft een resultaatsverbintenis om tot publicatie daarvan over te gaan.
Aangezien de burgerlijke vordering wegens niet-publicatie of niet-wetsconforme publicatie van het recht van antwoord verjaart na drie maanden te rekenen van de dag waarop de opneming had moeten gebeuren, moet degene die het antwoord heeft toegezonden kunnen nagaan of de uitgever effectief tot publicatie van het antwoord overging. Het volstaat bijgevolg niet dat de uitgever het antwoord tijdig opneemt. Hij moet, wanneer zijn uitgave niet algemeen verkrijgbaar is, de indiener van het antwoord ook in de mogelijkheid stellen inzage te hebben van de opgenomen tekst. Door vóór het instellen van de gerechtelijke procedure te weigeren een exemplaar te bezorgen aan de indiener komt de uitgever tekort aan zijn resultaatsverbintenis. De uitgever wordt veroordeeld tot de gerechtskosten.

controle recht van de publicatie van het antwoord:

•• Gent (1e k.) 23 oktober 2003, Juristenkrant 2004 (weergave VOORHOOF, D.), afl. 82, 11; , NjW 2004, afl. 62, 275, noot BREWAEYS, E.

De uitgever van een tijdschrift dat alleen aan abonnees wordt toegestuurd moet, wanneer dit wordt gevraagd door wie een recht van antwoord vorderde, een exemplaar van dit tijdschrift, met het daarin opgenomen antwoord, aan de verzoeker toesturen, opdat deze zou kunnen controleren of het antwoord tijdig en correct werd opgenomen.Wanneer de uitgever dit bewijs pas levert op het ogenblik dat de vordering in rechte reeds werd ingesteld,
moet hij de gerechtskosten dragen.

Beledigende antwoordteksten worden geweigerd maar wat is beledigend?

•• Antwerpen (7e k.) 19 december 2003, AM 2005, afl. 4, 318, noot -; , Juristenkrant 2004 (weergave VOORHOOF, D.), afl. 87, 13; , NjW 2004, afl. 66, 415, noot BREWAEYS, E.

De publicatie van een antwoordtekst kan geweigerd worden als deze tekst beledigend is. Een antwoordtekst die louter een tegengestelde mening formuleert en bepaalde passages bevat die door sommigen als storend kunnen ervaren worden, is geen beledigende tekst.

Een uitgever van een krant dient te beseffen dat hij, wanneer hij een burger ter sprake brengt in zijn krant hij tevens bereid moet zijn recht van antwoord te verlenen binnen de perken van de wet. In toepassing van art. 5, lid 3 Antwoordrechtwet gelast de rechtbank de veroordeling van de uitgever tot betaling van een bedrag per dag vertraging van de publicatie na de gestelde termijn. De wetgever heeft deze veroordeling voorzien teneinde de uitgever te verplichten over te gaan tot publicatie. Dit bedrag per dag, door de wetgever geldboete genoemd, dient vermeerderd te worden met de inzake geldboetes voorgeschreven opdeciemen.

•• Corr. Brussel 7 januari 1994, Rechtspraak Antiracismewet 1999, 364

Het louter uiten van een tegengestelde mening door het gebruik van het antwoordrecht, is niet beledigend en kan, na herhaaldelijke lectuur van het antwoord, evenmin een als een aanzetting tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon wegens zijn ras, zijn huidskleur, zijn afkomst of zijn nationaliteit, noch als enige andere inbreuk op de Wet Racisme en Xenofobie erkend worden.
 
 
•• Rb. Antwerpen (5e k. B) nr. 04-5514-A, 23 juni 2005, AM 2005, afl. 5, 455; , NjW 2005, afl. 122, 987, noot BREWAEYS, E.

Artikel 25 G.W. dat de regel van de getrapte verantwoordelijkheid invoert inzake drukpersmisdrijven is ook van toepassing in burgerlijke zaken. De regel van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet geldt in dat geval niet.

Bij de invulling van zijn opdracht die een sterk maatschappelijk karakter heeft, moet de journalist of desgevallend de uitgever en de drukker, de elementaire regels van correct journalistiek optreden respecteren. Het opvolgen van een gerechtelijk onderzoek is op zich niet foutief maar de journalist begaat wel een fout als hij er zich in zijn berichtgeving niet enkel toe beperkt een lopend gerechtelijk onderzoek te vermelden, maar eveneens en op duidelijk tendentieuze wijze opgave doet van allerlei details, waarmee niet omzichtig wordt omgesprongen en die niet werden gecontroleerd. Een journalist handelt foutief wanneer hij zonder enige controle citeert uit een anonieme brief, of daarvan afkomstige informatie verspreidt.

Wie na het verschijnen van een beweerd grievend artikel geen recht van antwoord uitoefent, verbeurt daarmee zijn recht op schadevergoeding niet. Wel moet hiermee rekening worden gehouden bij de beoordeling van de vordering.

verschil met de vordering tot herstel van de schade:

• Rb. Mechelen (1e k.) 21 juni 2005, AM 2005, afl. 5, 460, noot -; , NjW 2005, afl. 125, 1104, noot BREWAEYS, E.

Van personen die het publiek voorlichten mag worden verwacht dat zij een behoorlijke kennis hebben van de onderwerpen waarover zij schrijven. Een manifeste onjuistheid, die het gevolg is van een geringe vertrouwdheid van de journalist met de werking van het gerecht, is een ernstige journalistieke onzorgvuldigheid.

Een normaal voorzichtig journalist moet weten dat de feiten waarvan iemand wordt beticht slechts bewezen zijn wanneer daaromtrent een in kracht van gewijsde getreden uitspraak bestaat.

De procedure die het recht van antwoord regelt is volkomen verschillend van de vordering tot herstel van de door de fout veroorzaakte schade. Het kan de betrokkene niet worden verweten dat hij niet door middel van een recht van antwoord heeft gereageerd op de als foutief aangemerkte artikelen. Zelfs indien de benadeelde zou verplicht zijn de schade zoveel mogelijk te beperken zou hij dit door het uitoefenen van een recht van antwoord niet op doeltreffende wijze hebben kunnen doen. Hij zou immers nauwelijks geloofd worden tegen het woord van een mediamacht in.

De aangevallen persoon werd niet expliciet of impliciet vermeld:

•• Corr. Antwerpen 26 maart 2002, Juristenkrant 2002 (weergave VOORHOOF, D.), afl. 53, 4

De verantwoordelijke uitgever van een krant beschikt over een geldige weigeringsgrond tot het publiceren van een antwoordtekst aangezien de beroepsvereniging in het artikel niet werd vermeld en er ook geen individuele radiologen expliciet of impliciet werden aangewezen.
Aan de basisvoorwaarde van de Antwoordrechtwet ('bij name genoemd of impliciet aangewezen') is dus niet voldaan.

Rechtzetting zelfs zonder recht van antwoord is een journalistieke plicht

•• Raad voor de Journalistiek 9 september 2004, NjW 2004, afl. 90, 1286, noot RDC.

Van een journalist kan worden verwacht dat hij foutieve informatie rechtzet, ongeacht de wijze waarop hij aan zijn nieuwe informatie is gekomen, ook wanneer het aan de krant verzonden recht van antwoord van de benadeelde niet voldeed aan de vereisten van de Antwoordrechtwet

Lengte van het antwoord

•• Cass. AR 1894, 19 april 1988 (Vander Mynsbrugge / Papegaey), Arr. Cass. 1987-88, 1030; , Bull. 1988, 969; , Pas. 1988, I, 969; , R.W. 1988-89, 94, noot VANDEPLAS, A.De omvang van het wederwoord

Art. 2, lid 1 Antwoordwet waarborgt een antwoord van 1000 letters schrift; die wettelijke beperking mag eventueel overschreden worden tot maximum het dubbele van de ruimte ingenomen door de tekst die het recht tot antwoord rechtvaardigt.

•• Cass. AR 7575, 18 januari 1983 (Mortier / van Straaten), Arr. Cass. 1982-83, 669; , Bull. 1983, 589; , Pas. 1983, I, 589.

Wanneer de rechter oordeelt dat een artikel in een periodiek geschrift 'een recht van antwoord rechtvaardigt' en vaststelt dat de in dat artikel voorkomende woorden en prenten een onscheidbaar geheel en derhalve een enkele, zij het geïllustreerde tekst uitmaken waardoor de persoon die recht van antwoord heeft, wordt beoogd, oordeelt hij terecht dat zodanig geheel in aanmerking dient te worden genomen om de ruimte te bepalen die wordt ingenomen door 'de tekst die het recht tot antwoord rechtvaardigt'; de rechter geeft alsdan van het begrip 'tekst' vervat in art. 2 Wet 23 juni 1961 geenszins een uitlegging die tegen de regels van interpretatie der strafwetten indruist.

verbod om derden in het antwoord te betrekken:

•• Cass. AR 7549, 22 februari 1983 (Criel / Nieberding), Arr. Cass. 1982-83, 795; , Bull. 1983, 707; , Pas. 1983, I, 707; , R.W. 1983-84, 1341, noot VANDEPLAS, A.. Betreffende het recht van wederwoord

Derden in de zin van art. 3, 3°, Wet 23 juni 1961 betreffende het recht van antwoord zijn de personen die, omdat zij in een antwoord in een periodiek geschrift bij name genoemd of impliciet vermeld zijn, op hun beurt overeenkomstig art. 1 van die wet plaatsing van een antwoord kunnen verlangen; de omstandigheid dat zij niet bij name genoemd zijn, dat zij niet beledigd zijn of dat hun belangen niet zijn geschaad, sluiten hun recht van antwoord niet uit.

•• Brussel (8e k.) 29 oktober 2002, R.W. 2004-05, afl. 37, 1467.

De toekenning van een recht van antwoord is ingegeven door de bekommernis om aan de betrokkene de gelegenheid te geven een voor de lezers verstaanbaar feitenrelaas weer te geven, dat gebeurlijk anders luidt dan het feitenrelaas waarop hij reageert, maar ook, wanneer het betwiste geschrift een aanval tegen hem bevat, om hem de kans te bieden aan te tonen dat de kritiek of tenlastelegging onterecht is.
Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid om in een recht van antwoord derden in de zaak te betrekken, moet niet alleen acht worden geslagen op de wijze waarop de bestreden passages uit het antwoord hadden kunnen worden geformuleerd om zonder vermelding van derden toch verstaanbaar te blijven, maar ook op de algemene draagwijdte van het betwiste geschrift. Een poging tot weerlegging van een gedetailleerd feitenrelaas vergt dat het antwoord, om geloofwaardig over te komen, eveneens precieze feitelijke gegevens weergeeft, al worden hierbij derden, die in de betwiste artikelen niet worden vernoemd, op hun beurt bij name vernoemd.

Art. 3 Antwoordrechtwet dat bepaalt dat de inlassing van een antwoord dat beledigend is kan worden geweigerd, maakt geen onderscheid naar gelang van het al dan niet beledigend karakter van het betwiste geschrift ten opzichte van degene die zijn recht van antwoord uitoefent.

•• Cass. 17 mei 1977, Pas. 1977, I, 955.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: het feit dat een derde in rechtstreeks verband staat met de gelaakte tekst, houdt nog niet in dat hij in de tekst van het antwoord vernoemd dient te worden.

•• Brussel 13 januari 1982, J.T. 1982, 531, noot LEROY, G.

Het al dan niet gerechtvaardigd zijn van de weigering om een antwoord op te nemen om reden dat 'een' derde nodeloos in de kwestie betrokken wordt.

•• Brussel 15 oktober 1980, J.T. 1982, 10, noot NEELS, L.; , Pas. 1981, II, 8, noot. Noot NEELS, L., Le droit de réponse et la mise en cause d'un tiers

In het recht tot antwoord mogen geen derden vernoemd worden, voor wie ook een recht tot antwoord voorzien is, zelfs wanneer het onwaarschijnlijk is dat zij een recht tot antwoord zouden richten aan de betrokken tijdschriften; de mogelijkheid dat derden zulk recht kunnen uitoefenen volstaat reeds als wettig motief voor een weigering tot inlassing.

•• Kort Ged. Rb. Brussel 29 april 1998, AM 1998, 375, noot; , J.L.M.B. 1999, 906

De noodzaak om een derde in een antwoord te betrekken kan o.m. voortvloeien uit de vereiste dat het antwoord door de lezer goed begrepen moet worden, uit de mogelijkheid om ook andere in het artikel geciteerde personen te vermelden, of nog, uit de noodzaak dat het antwoord elementen bevat die vereist zijn om een controle van de inhoud ervan mogelijk te maken. Een antwoord dat een derde in de zaak betrekt zonder tegemoet te komen aan één van die motieven, beantwoordt niet aan de voorwaarden die vereist zijn om te worden toegelaten; de inlassing ervan kan derhalve worden geweigerd.

•• Kort Ged. Rb. Luik 10 augustus 1992, J.L.M.B. 1994, 338 en R.G.A.R. 1995, nr. 12.418.

Alhoewel de weigering een recht van antwoord in te lassen een misdrijf is, is de burgerlijke rechtbank bevoegd om kennis te nemen van een vordering tot gedwongen inlassing van een antwoord. De kortgedingrechter is bevoegd en er is hoogdringendheid aangezien de hoven en de rechtbanken in de praktijk onmogelijk uitspraak kunnen doen met voorrang boven alle andere zaken (art. 18 Antwoordrechtwet).

De weigering een recht van antwoord in te lassen dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt, is gewettigd indien in dit antwoord een derde natuurlijke persoon of rechtspersoon is vermeld die door dit feit recht zou kunnen hebben op de persoonlijke uitoefening van het recht tot antwoord (art. 3, 3º Antwoordrechtwet). De omstandigheid dat deze derde personen niet bij name worden genoemd - voor zover zij identificeerbaar zijn - , dat zij niet werden beledigd of dat hun belangen niet werden geschonden, belet niet dat zij recht van antwoord hebben.

•• Kort Ged. Rb. Luik 19 december 1989, J.L.M.B. 1990, 414, noot JONGEN, F.; , Journ. proc. 1990, afl. 168, 24, noot VERDUSSEN, M.. Le droit de réponse: variations sur un thème unique
JONGEN, F., L'intervention du juge dans la procédure du droit de réponse

De rechter in kort geding kan kennis nemen van het spoedeisend verzoek tot opname van een recht van antwoord in de gedrukte pers.
De weigering tot publikatie van het recht van antwoord is rechtmatig inzoverre het antwoord zonder noodzaak derden in de zaak betrekt. Wegens de ondeelbaarheid van het antwoord voldoet het niet aan de wettelijke voorwaarden en is er geen publicatieverplichting in hoofde van de verweerder. De rechter is niet bevoegd, op verzoek van de eiser, de tekst van het antwoord aan te passen en verweerder tot inlassing van de gewijzigde tekst te verplichten.

•• Rb. Brussel (20e k.) 12 september 2000, AM 2002, afl. 2, 172.

Kan geweigerd worden, de antwoordtekst die zonder noodzaak derden vermeldt of die beledigend is. Het noodzakelijk karakter van het al dan niet betrekken van een derde in een recht op antwoord dient beoordeeld te worden rekening houdend met het tijdstip van de vraag tot publicatie van de antwoordtekst.

•• Corr. Brussel 18 januari 2000, AM 2000, 143.

Het in het antwoord betrekken van derden die reeds waren geviseerd door het betwiste artikel geschiedt zonder noodzaak en kan bijgevolg de weigering tot invoeging van antwoord niet verantwoorden.

Aan de wettelijke vereiste volgens dewelke het antwoord een precieze aanwijzing dient te bevatten van de teksten, vermeldingen of aanhalingen met dewelke het verband houdt, is voldaan wanneer verwezen wordt naar het betwiste artikel: een precieze vermelding in de antwoordtekst van elke lijn op hetwelk het antwoord betrekking heeft, kan niet worden vereist.

De hoofdredacteur kan in een antwoord betrokken worden inzoverre hij, in deze hoedanigheid, de verschijning van het betwiste artikel heeft toegestaan. Het antwoord dat termen bevat die minder scherp zijn dan deze gebruikt in het betwiste artikel kan niet als beledigend worden beschouwd.

•• Corr. Brussel 20 oktober 1998, AM 2000, 101; , J.L.M.B. 1999, 959

Het is enkel de auteur van een recht op antwoord die de opportuniteit hiervan kan beoordelen. Dat recht mag echter niet misbruikt worden en moet binnen de perken blijven van een antwoord op het gelaakte artikel. Het doel van een recht op antwoord is niet, aan de auteur toe te laten voor zichzelf of voor de organisatie waartoe hij behoort publiciteit te maken : de publicatie vragen, ten titel van een recht op antwoord, van een pamflet samen met het werkelijke antwoord rechtvaardigt de weigering van invoeging. De personen die met naam worden genoemd in een gepubliceerd antwoord in een tijdschrift en die het recht hebben op hun beurt een antwoord te eisen, zijn derden in de zin van de Antwoordrechtwet. De omstandigheid dat deze personen niet beledigd zijn geweest en dat er geen aantasting is geweest van hun belangen sluit niet hun recht tot antwoord uit.

Aangezien het recht op antwoord onsplitsbaar is, is de rechter niet bevoegd, evenmin als de uitgever, om het te wijzigen of te splitsen.

•• Corr. Gent 24 april 1995, D.C.C.R. 1994-95, 474, noot VOORHOOF, D.. Noot VOORHOOF, D., Het recht tot antwoord en het vermelden van derden in de antwoordtekst

De eis tot publicatie van een recht tot antwoord wordt afgewezen, niet enkel omdat de eisende partij niet duidelijk is vermeld, maar ook omdat in de tekst van het antwoord zonder noodzaak en zonder rechtstreeks aantoonbaar verband naar een derde wordt verwezen.

Kleine wijzigingen zonder inhoudelijke weerslag

•• Beslagr. Brussel 12 september 2003, AM 2004, afl. 4, 373.

Wanneer door de rechter bevel is opgelegd tot publicatie van een antwoordtekst in de eerstvolgende editie van een krant na betekening van de uitspraak en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1000 EUR per dag vertraging, dient wel degelijk de datum van de rechtsgeldige betekening in aanmerking te worden genomen en niet de datum van de beweerde kennisneming door de hoofdredacteur.

Zeer geringe wijzigingen in de gepubliceerde antwoordtekst ten opzichte van de oorspronkelijke tekst van het recht van antwoord wettigen niet de invordering van de dwangsom gekoppeld aan het bevel tot het integraal opnemen van een tekst van een recht van antwoord, voor zover die wijzigingen inhoudelijk geen consequentie hebben en integendeel veeleer verhelderend zijn zonder aan de betekenis van de tekst iets toe te voegen of te veranderen. Het toch invorderen op die basis van dwangsommen stemt niet overeen met hetgeen een redelijk mens in dezelfde omstandigheden zou doen.
 
•• Rb. Brussel (20e k.) 12 september 2000, AM 2002, afl. 2, 172.

Het komt niet toe aan de uitgever om over te gaan tot bepaalde wijzigingen van de opgestuurde tekst, zijnde met weglating van de passages waarin derden onnodig geciteerd worden. Ook de rechtbank vermag niet over te gaan tot het bevelen van de publicatie van een door de rechtbank zelf gewijzigde versie.

Wie is de strafbare weigerende uitgever?

•• Cass. AR 7430, 30 november 1982 (Schoeters / Louis), Arr. Cass. 1982-83, 447; , Bull. 1983, 406; , Pas. 1983, I, 406; , R.W. 1983-84, 502, noot VANDEPLAS, A.. Betreffende de strafrechtelijk verantwoordelijke uitgever

De uitgever die krachtens art. 5 Wet 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord strafbaar is wanneer hij het antwoord, waarvan de inlassing wettig wordt gevorderd, niet opneemt, is, in de zin van die bepaling, de met naam genoemde persoon die in het periodiek geschrift als uitgever is aangeduid.

•• Corr. Brussel 30 april 1992, Rev. dr. pén. 1992, 920.

Van zodra de uitgever gekend is, is hij alleen strafrechtelijk aansprakelijk voor de onrechtmatige weigering tot publicatie van een recht van antwoord. Het strafbaar feit doet zich voor van zodra binnen de daartoe voorziene termijn het recht van antwoord niet op een rechtsgeldige wijze is gepubliceerd. De relatieve effectiviteit van het recht van antwoord als tegengewicht van de vrijheid van drukpers staat of valt met de snelheid waarmee het recht van antwoord wordt gepubliceerd.

Het antwoord moet in verband staan met de aanvochten tekst

•• Corr. Antwerpen 10 juli 1980, R.W. 1981-82, 1089, noot.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: wanneer het antwoord in zijn geheel in verband staat met het bestreden artikel, kan de omstandigheid dat sommige passages geen rechtstreeks verband houden met de bestreden tekst, geen rechtmatige weigeringsgrond opleveren. De vermelding van derden kan slechts een weigeringsgrond opleveren indien ze een beledigend karakter heeft en inbreuk uitmaakt op de belangen van de derden.

aard van de dwangsom:

•• Cass. 9 juni 1975, Pas. 1975, I, 971; , J.T. 1975, 532.

Recht tot antwoord: de veroordeling tot een dwangsom uitgesproken door de strafrechter is een burgerlijke veroordeling die ertoe strekt de benadeelde volledig te vergoeden.

•• Antwerpen 31 juli 1988, R.W. 1987-88, 511, noot VANDEPLAS, A.

Recht tot antwoord: veroordeling tot geldboete per dag vertraging is strafrechtelijke geldboete, te verhogen met opdeciemen.

•• Antwerpen 31 juli 1987, R.W. 1987-88, 511, noot VANDEPLAS, A.. De dwangsom bij vertraging van inlassing van het wederwoord

De veroordeling tot een geldboete per dag vertraging van inlassing van een recht van antwoord, zoals bepaald in de Wet van 23 juni 1961, is onbetwistbaar een strafrechtelijke geldboete. De uitgesproken geldboete van 100 F per dag vertraging moet bijgevolg worden verhoogd met de door de Wet van 5 maart 1952 voorgeschreven opdeciemen.

Belang bij de vordering

•• Antwerpen 17 december 1981, R.W. 1982-83, 451, noot NEELS, L.. Verjaring en belang bij het recht van antwoord

Ingevolge art. 1 Antwoordrechtwet ontstaat het recht van antwoord voor elke persoon die met name wordt genoemd of impliciet aangewezen is, zonder enige bijkomende voorwaarde zoals een rechtmatig belang.
Art. 17 Antwoordrechtwet wijkt wel af van art. 26 voorafgaande titel Sv., maar niet van art. 27.

•• Rb. Brussel (20e k.) 12 september 2000, AM 2002, afl. 2, 172.

Het feit dat in een aantal persartikelen kritiek wordt gegeven op een overheidsinstelling geeft niet het recht aan de administrateur-generaal van deze instelling om een recht op antwoord te vorderen, hetgeen desgevallend door de bevoegde minister zelf had dienen te gebeuren. Een antwoordtekst die betrekking heeft op meerdere artikelen waarin eiser noch bij naam, noch impliciet werd vermeld, kan door de redactie van de krant geweigerd worden.

Inhoud van het antwoord:

•• Antwerpen 6 november 1980, R.W. 1981-82, 1085, noot.

Rechthebbenden in de zin van de Antwoordrechtwet, die er zich in hun antwoord toe beperken zich voor te stellen en hun doelstellingen bekend te maken, geven geen antwoord in onmiddellijk verband met het gewraakte artikel, wanneer dit handelde over de wijze waarop door hen bepaalde verenigingen zijn gevormd.

•• Brussel 15 oktober 1980, J.T. 1982, 10, noot NEELS, L.; , Pas. 1981, II, 8, noot, NEELS, L., Le droit de réponse et la mise en cause d'un tiers

De inlassing van een recht op antwoord in een periodiek tijdschrift kan niet worden geweigerd om de enkele reden dat de meeste elementen van dit antwoord geen rechtstreeks verband houden met het aangevochten artikel.

•• Corr. Brussel 24 augustus 1979, J.T. 1982, 62, noot J.E.; , R.W. 1981-82, 126, noot VAN ISACKER, F.

Alleen de persoon die in een periodiek geschrift wordt genoemd, kan zelf oordelen over het belang dat hij kan hebben om een antwoord te vorderen en over de gepastheid ervan. De toon van het antwoord moet rekening houden met de toon en het zwaarwichtig karakter van de geleverde kritiek.
 

•• Rb. Brussel (20e k.) 12 september 2000, AM 2002, afl. 2, 172.

Zo het recht van antwoord weliswaar een recht van verdediging uitmaakt is het feit dat bepaalde artikelen mogelijks scherp uitvallen nog geen reden op zich om zelf ook beledigende termen te gebruiken. De beschuldiging van laster in een antwoordtekst komt neer op het kwalificeren van de publicatie tot een strafrechtelijk misdrijf. Ook de term 'nestbevuilers' kan voor de geviseerde personen beledigend overkomen.

•• Corr. Brussel 20 oktober 1998, AM 2000, 99.

In zoverre de Antwoordrechtwet niet preciseert aan wie het antwoord dient te worden toegezonden is de uitgever strafrechtelijk aansprakelijk voor de niet inlassing van een antwoord, ook al werd het antwoord aan de redacteur als hoofd van het dagblad, alsmede aan de auteur van het gewraakte artikel toegezonden.

De doelstelling van het recht van antwoord is geenszins toe te laten publiciteit voor zichzelf te maken, noch voor de organisatie tot dewelke hij behoort, aangezien dit zou neerkomen op een gratis tribune onder het voorwendsel van een recht van antwoord.

De uitnodiging om bijkomende inlichtingen te vragen aan de auteur van het antwoord volstaat om het publicitair karakter van dit antwoord te onthullen. De ondeelbaarheid van het recht van antwoord impliceert dat het geenszins aan de bestemmeling toekomt eruit te halen en te publiceren wat volgens de wet als een antwoord kan worden beschouwd en de passages te schrappen die vreemd zijn aan het gewraakte artikel.

Geen drukpersmisdrijf:

•• Brussel (8e k.) 10 maart 2004, R.W. 2005-06, afl. 25, 984 en , noot IDOMON, C.. Enkele bedenkingen omtrent de burgerlijke vordering wegens het niet inlassen van een antwoord en lasterlijke publicaties

De enkele schending van het recht van antwoord vormt op zichzelf geen drukpersmisdrijf maar een drukkerijmisdrijf. Het schrijven en publiceren van persartikelen waarbij de goede naam en de eer van personen wordt besmeurd, is een drukpersmisdrijf waarbij een mening wordt geuit.

Een misdrijf uit het bijzonder strafrecht

•• Gent 19 januari 1994, R.W. 1996-97, 817

De weigering van inlassing is een misdrijf gepleegd en voltooid door het verstrijken van de termijn van inlassing.
Het uitgangspunt van de verjaringstermijn is de dag waarop het nummer verschijnt waarin het antwoord had moeten worden ingelast, dus de derde vrije dag na het afgeven van het antwoord op het kantoor van het periodiek geschrift.
De bepaling van art. 27 V.T. Sv. heeft een algemene draagwijdte en de verkorte verjaringstermijn van drie maanden ingesteld door art. 17 Antwoordrechtwet betreft enkel de termijn voor het instellen van de burgerlijke vordering.

•• Gent 18 januari 1994, P.&B. 1994, 94, noot VOORHOOF, D. Wie is strafrechtelijk verantwoordelijk voor de ongerechtvaardigde weigering van een recht van antwoord in geval van verandering van verantwoordelijke uitgever?; , T.G.R. 1994, 93.

De verantwoordelijke uitgever die strafbaar is in het geval van niet-publikatie van een recht van antwoord is de persoon die uitgever is op het ogenblik waarop de publikatie van het antwoord wordt gevorderd en niet de persoon die uitgever was op het ogenblik waarop het artikel verscheen waarop geantwoord wordt, zeker indien uit de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat de verandering van verantwoordelijke uitgever niet is gebeurd met de bedoeling de toepassing van de wet onmogelijk te maken.

recht van antwoord van een vreemde staat:

•• Brussel (2e k.) 28 maart 2001, AM 2001, afl. 3, 404, noot -; , J.L.M.B. 2001, 862 noot JONGEN, F. Een buitenlandse Staat is een rechtspersoon van publiek recht: in die hoedanigheid is hij titularis van subjectieve rechten en kan hij zich meer bepaald beroepen op het voordeel van het recht op antwoord.
De rechter kan het verband nagaan tussen het antwoord en de aangeklaagde tekst om te bepalen of er al dan niet reden is om haar invoeging te bevelen.

 
verband met een vordering tot schadevergoeding:

•• Brussel 5 februari 1999, AM 1999, 274, noot RINGELHEIM, F.; , Journ. proc. 1999, afl. 367, 26, noot JONGEN, F.; , R.G.A.R. 2000, nr. 13.296.

 Wanneer de vervolgde journalist werkt binnen het kader van een arbeidsovereenkomst, beperkt zijn aansprakelijkheid zich tot het geval van een zware fout in de zin van art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet. Onder een zware fout dient te worden verstaan een fout die dermate grof en extreem is dat moeilijk kan worden aangenomen dat zij door een redelijke persoon wordt begaan. Deze fout dient daarom niet noodzakelijk opzettelijk te zijn gemaakt; bij de beoordeling van de ernst ervan wordt rekening gehouden met de functie en de verantwoordelijkheden van de werknemer.

Met de publicatie in de krant van een foto van de geïntimeerde in badpak aan de rand van het zwembad, als noodzakelijk deel van zijn artikel heeft de appellant een zware fout begaan in de zin van art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet.

Geen enkele redelijke journalist, beschikkende over dezelfde anciënniteit als de appellant, die werkt voor een dagblad als 'Le Soir Illustré' zou zijn artikel hebben voorzien van een foto uit het privé-leven van een persoon zonder diens toestemming, terwijl de publicatie ervan niet nuttig was voor de informatie van het publiek

De omstandigheid dat de geïntimeerde, wiens foto - gezeten in badpak aan de rand van een zwembad - werd gepubliceerd in een krant, met bijgaand een artikel waarin een link wordt gelegd tussen haar privé- en haar beroepsleven, geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op antwoord ontneemt haar niet het recht om schadevergoeding te eisen, te meer dat het recht op antwoord ondoeltreffend zou zijn geweest wat betreft de gepubliceerde foto's. De publicatie van de betwiste foto van de geïntimeerde heeft ongetwijfeld schade berokkend aan haar eerbaarheid, te meer dat het algemene klimaat ten tijde van de publicatie van de foto verre van gunstig was voor de geïntimeerde.

De schadevergoeding toegekend aan het slachtoffer van een dergelijke aantasting moet echter de geleden schade herstellen en niet de dader van de aantasting straffen. De geïntimeerde bewijst niet dat deze aantasting enige financiële gevolgen zou hebben gehad voor haar. Het herstel van de aanslag op haar eerbaarheid zal dus voldoende zijn vergoed door het erkennen van de fout van de appellant en van de schending van haar recht op afbeelding en op het respect van haar privé-leven, de toekenning van een symbolische frank en de publicatie van huidig arrest in 'La Libre Belgique', 'Le Soir' en 'Le Soir illustré'.

Meer in het bijzonder moet de publicatie van het arrest in het weekblad dat de betwiste foto heeft gepubliceerd en in twee belangrijke dagbladen die het betwiste artikel hebben verspreid het negatieve beeld herstellen dat werd opgehangen van de geïntimeerde bij de lezers van dit artikel.

Termijn

•• Brussel 24 juni 1985, Pas. 1985, II, 162; , R.W. 1985-86, 2906, noot VANDEPLAS, A., Het recht van wederwoord

De periode van 3 maand waarbinnen het antwoord moet opgenomen worden, gaat in op het ogenblik dat de lezer kennis krijgt van de periodiek en niet op het ogenblik van de afgifte ter post.

•• Brussel 26 februari 1979, R.W. 1979-80, 1140-1143, noot VANDEPLAS, A.

De termijn voor opname van antwoord krachtens art. 4 Wet 23 juni 1961 geldt zowel voor dag-, als weekbladen en tijdschriften.
Ondanks eventueel andere gewoontes moet het opgenomen worden op dezelfde plaats en met dezelfde lettertekens als de tekst waarop het betrekking heeft.

Stijl en hoffelijkheid van het antwoord

•• Brussel 24 juni 1985, Pas. 1985, II, 162; , R.W. 1985-86, 2906, noot VANDEPLAS, A., Het recht van wederwoord

Een recht van antwoord dat beledigend is voldoet niet aan de wettelijke vereisten en kan worden geweigerd, ook al bevatte het aangevochten artikel beledigingen en aantastingen van de eer. Een artikel met een beledigend karakter mag niet op soortgelijke wijze beantwoord worden.

•• Rb. Brussel (20e k.) 12 september 2000, AM 2002, afl. 2, 172.

Zo het recht van antwoord weliswaar een recht van verdediging uitmaakt is het feit dat bepaalde artikelen mogelijks scherp uitvallen nog geen reden op zich om zelf ook beledigende termen te gebruiken. De beschuldiging van laster in een antwoordtekst komt neer op het kwalificeren van de publicatie tot een strafrechtelijk misdrijf. Ook de term 'nestbevuilers' kan voor de geviseerde personen beledigend overkomen.

Inhoudelijke vereisten

•• Cass. 14 oktober 1974, Arr. Cass. 1975, 205; , R.W. 1975, 1761; , J.T. 1975, 10; , Pas. 1975, I, 188.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: komt toe aan iedere natuurlijke rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks genoemd is in een periodiek geschrift, zonder dat een bijzonder belang vereist is. Het antwoord kan niet geweigerd worden om het enkele motief dat de tekst ervan grotendeels geen verband zou houden met het gelaakte artikel.

•• Brussel 13 december 1975, R.W. 1976-77, 1963, noot LIEVENS, J.

Het recht tot antwoord in de geschreven pers komt toe aan iedere natuurlijke rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks in een juridisch geschrift is genoemd, zonder dat deze een bijzonder belang moet laten blijken.

•• Brussel 28 mei 1965, J.T. 1965, 641; , Pas. 1966, II, 144.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: degene die zich op het recht tot antwoord beroept, moet een bijzonder belang laten gelden. Een antwoord dat zonder noodzaak derden betrekt, kan geweigerd worden.

•• contra: Brussel 2 oktober 1973, J.T. 1974, 337.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: degene die zich op het recht tot antwoord beroept, moet een bijzonder belang laten blijken.

•• Brussel 11 juni 1971, J.T. 1972, 104.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: het antwoord kan in zijn geheel geweigerd worden indien de tekst grotendeels geen verband houdt met het gelaakte artikel.

•• Brussel 14 juni 1966, J.T. 1966, 635; , Pas. 1967, II, 106.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: een consumentenmagazine dat een vergelijkende test publiceert, geeft geen wetenschappelijke kritiek weer, zodat ieder die rechtstreeks of onrechtstreeks genoemd werd, het recht tot antwoord kan inroepen. De burgerlijke rechter kan de inlassing van het antwoord gelasten.

Verkeerde plaats, met weglating van gespierde taal:

•• Antwerpen 3 oktober 1991, R.W. 1991-92 (verkort), 615.

Het niet tijdig publiceren van een recht van antwoord, met weglating van de ingezonden foto en met weglating van bepaalde passages van de tekst, en dan nog op een andere plaats dan wettelijk verplicht, houdt een inbreuk in op art. 4 Antwoordrechtwet.
De lasterlijke tekst van een artikel met xenofobe ondertoon maakt dat de eiser van het recht van antwoord gerechtigd is op zijn beurt in gespierde bewoordingen te reageren.

Censureren van het antwoord:

•• Antwerpen 15 februari 1991, R.W. 1991-92 (verkort), 445, noot VANDEPLAS, A..

Het komt de uitgever niet toe het recht van antwoord te censureren: ofwel neemt hij het antwoord op conform art. 4 Antwoordrechtwet, ofwel weigert hij de publikatie ervan.

 
Zware verantwoordelijkheden en meer dan een recht op antwoord alleen.

•• Gent 3 maart 1995, A.J.T. 1995-96, 255, noot CLEMENT, J., VAN DE PUTTE, M.; , R.W. 1996-97, 540

Het recht op vrije meningsuiting, verzekerd door art. 10 E.V.R.M., belet geenszins dat elke journalist, elke uitgever de nodige voorzichtigheid en beroepsernst aan de dag moet leggen, in het bijzonder wanneer hij binnen het kader van gerechtelijke en/of disciplinaire onderzoeken namen, beroep en hoedanigheden gaat publiceren van personen die bij het onderzoek rechtstreeks betrokken zijn, op gevaar zowel deze personen als de instantie en/of bedrijven waarin ze zijn tewerkgesteld, voor lange tijd en mogelijk op een onherstelbare wijze bij de publieke opinie in diskrediet te brengen.

Wie deze voorzichtigheid en zorgvuldigheid niet aan de dag legt, pleegt zowel een inbreuk op de plichten die inherent zijn aan elke vorm van vrije meningsuiting als op de in onze nationale wetgeving gesanctioneerde, algemene zorgvuldigheidsnorm.

Een recht van antwoord is op zichzelf niet bedoeld als een herstel van schade, maar is niets anders dan een suppletief, bijkomend recht waarover eenieder beschikt die in een krant wordt genoemd, 'onverminderd de andere rechtsmiddelen' (art. 1 Antwoordrechtwet).

Art. 25 G.W. 1994 staat de toepassing van de art. 1382 e.v. B.W. niet in de weg wanneer in een burgerlijke vordering blijkt dat de journalist, ook wanneer hij bekend is en zijn woonplaats in België heeft, de hoofdredacteur en de uitgever, door een gebrek aan controle en toezicht op de door hen geschreven en gepubliceerde artikelen, nadeel toebrengen aan een derde.

De art. 1382 e.v. B.W. behoren tot de basisprincipes van het Belgische buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en kunnen derhalve zeker niet worden beschouwd als te algemeen of te weinig precies en dit des te meer daar de begrippen 'fout', 'schade', 'causaal verband' en 'aangestelde' duidelijk omschreven zijn en precies daarom de wettelijke beperkingen zijn die in een democratische samenleving nodig zijn ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen.

Men mag van een normaal zorgvuldig en omzichtig journalist verwachten dat hij, wanneer hij, zoals te dezen, inzake verslaggeving omtrent een gerechtelijk en/of disciplinair onderzoek, namen, graden en hoedanigheden van personen publiceert, zijn informatiebronnen op een vakkundige wijze heeft gecontroleerd.
Een journalist en een hoofdredacteur van een krant begaan een zware fout wanneer zij, niettegenstaande de rechtzetting door de generale staf van de rijkswacht en de verklaring van de auditeur bij het Militair Gerechtshof, de zware beschuldigingen ten laste van een kolonel van de rijkswacht handhaven in een aanvullend artikel en in een nota onder het gepubliceerde recht van antwoord.

Ook voor de gefailleerde:

•• Gent 29 juni 1990, R.W. 1990-91 (verkort), 545, noot VANDEPLAS, A..Betreffende de uitoefening van het recht van wederwoord

Het recht van wederwoord is een persoonlijk recht dat de gefailleerde kan uitoefenen zonder de toestemming van de curator. Deze bijstand van de curator is evenmin vereist opdat de strafrechter de uitgever zou kunnen veroordelen tot een geldboete van 100 F per dag vertraging bij het opnemen van het antwoord, afgezien van het feit of deze achteraf al dan niet aan de massa ten goede komt.

Zelfs voor de politicus

•• Corr. Brussel 24 augustus 1979, J.T. 1982, 62, noot J.E.; , R.W. 1981-82, 126, noot VAN ISACKER, F.

De Antwoordrechtwet sluit geen enkele categorie van natuurlijke personen uit van het recht van antwoord zodat ook de ambtenaar of de politicus die aan de door de wet gestelde voorwaarden voldoen persoonlijk van dat recht gebruik kunnen maken, zonder dat de persvrijheid in het gedrang komt.
Overigens kan alleen de persoon die in een periodiek geschrift wordt genoemd, zelf oordelen over het belang dat hij kan hebben om een antwoord te vorderen en over de gepastheid ervan.

Gratis

•• Corr. Namen 25 september 1970, J.T. 1970, 653.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: de uitgever kan niet weigeren gratis een antwoord in te lassen.

•• Vred. Dendermonde 19 september 1995, R.W. 1996-97, 62

De omstandigheid dat de uitgave van een periodiek tijdschrift een publicitair en betalend karakter heeft, sluit de toepassing van art. 1 Antwoordrechtwet niet uit en beperkt evenmin de verantwoordelijkheid van de uitgever.
De wet voorziet uitdrukkelijk in het kosteloos karakter van het antwoord zonder enige uitzondering. Er kan niet contractueel van worden afgeweken.

Roddelbladen roddel op basis van vermeend openbaar intervieuw

•• Pres. Rb. Amsterdam (Ned.) 25 januari 1996, Mediaforum (Bijlage) (Ned.) 1996, 40.

Opmaak en presentatie van een in S. geplaatst artikel wekken de indruk dat een interview met Van 't Hek door S. heeft plaatsgevonden. Van 't Hek gaat selectief met de media om en wil geen medewerking verlenen aan interviews met roddelbladen. Hij acht zich in zijn integriteit aangetast. Het verweer van Story luidt dat de tekst is ontleend aan een openbaar interview dat Van 't Hek gaf in het Theaterinstituut. De president oordeelt dat niet op ondubbelzinnige wijze duidelijk is gemaakt dat voor de inhoud van het gehele artikel is geput uit dat openbare interview. Rectificatie bevolen.
 
Bevoegdheid van de kortgedingrechter:

•• Kort Ged. Rb. Brussel 2 december 2001, AM 2002, afl. 2, 191.

De kort gedingrechter is bevoegd om kennis te nemen van een vordering tot bevel tot inlassing in een krant van een geweigerde antwoordtekst.

Wie dient in rechte aangesproken

•• Kort Ged. Rb. Brussel 2 december 2001, AM 2002, afl. 2, 191.

De verantwoordelijke uitgever is de enige die, zowel in burgerlijke als in correctionele zaken, in rechte kan worden aangesproken in verband met de weigering van een recht op antwoord.

•• Kort Ged. Rb. Brussel 3 februari 2000, AM 2000, afl. 3, 336.

Art. 25, lid 2 G.W. verleent aan de uitgevers, drukkers en verspreiders het voorrecht zich aan elke, zowel strafrechtelijke als burgerrechtelijke aansprakelijkheid te kunnen onttrekken wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft. De vordering naar aanleiding van de weigering tot inlassing van een antwoordtekst is niet ontvankelijk - wanneer ze gericht is tegen de uitgever van het tijdschrift waarin het aangeklaagde geschrift verscheen, indien de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft.

•• Kort Ged. Rb. Brussel 29 april 1998, AM 1998, 375, noot; , J.L.M.B. 1999, 906

Het verzoek om inlassing van een recht tot antwoord dat bij dagvaarding wordt ingediend, is ontvankelijk indien de dagvaarding binnen de wettelijke termijn volgend op de publicatie van het litigieuze artikel is ingeleid.

De verplichting om een recht tot antwoord te publiceren rust op de uitgever; van zodra zijn naam in het tijdschrift is vermeld, is de vordering uitsluitend ten aanzien van hem ontvankelijk.

•• Rb. Oudenaarde (1e k. bis) nr. 02/558/A, 6 juni 2005, AM 2005, afl. 5, 452.

Art. 25 G.W. en het daarin opgenomen stelsel van de getrapte verantwoordelijkheid gaat enkel over de strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid voor drukpersmisdrijven en is niet van toepassing in geval van onrechtmatige weigering tot inlassen van een antwoordtekst.

Het is de verantwoordelijke uitgever die in rechte kan aangesproken worden in verband met de weigering van een recht op antwoord.

Het recht tot antwoord is te beschouwen als een aanvulling en een correctief op de grondwettelijk gewaarborgde persvrijheid. Het recht van antwoord vereist niet dat een fout of een krenking in het artikel bewezen moet zijn.

Bij wijziging van de titel van een tijdschrift en verandering van verantwoordelijke uitgever waardoor de oorspronkelijke uitgever verhinderd wordt om de beslissing tot inlassing van een antwoordtekst te bevelen, past het aan eiser wiens antwoordtekst werd geweigerd, een schadevergoeding toe te kennen.

•• Rb. Brussel 30 april 1992, Journ. proc. 1992, afl. 222, 28, noot JONGEN, F..

De vervolging wegens onrechtmatige weigering tot publikatie van een recht van antwoord is onontvankelijk inzoverre deze gericht is tegen de journalist: enkel de uitgever is strafbaar op grond van art. 5 Antwoordrechtwet, en onder voorbehoud de drukker indien de uitgever niet bekend is.

De (relatieve) effectiviteit van het recht van antwoord als correctief op de persvrijheid hangt af van de snelheid waarmee het wordt gepubliceerd. De laattijdige publicatie van een recht van antwoord is strafbaar en geeft de benadeelde recht op een schadevergoeding.

Nog een stap verder: verspreidingsverbod

•• Kort Ged. Rb. Hasselt 13 januari 1997, AM 1997, 316, noot VOORHOOF, D.. Verspreidingsverbod van weekblad en 'correctierecht' via kortgeding

Er is volgens art. 584 Ger.W. sprake van spoedeisendheid wanneer een onmiddellijke beslissing gewenst is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Er dienen in casu onmiddellijk maatregelen te worden genomen om (verdere) schade voor eiseres te voorkomen en dit kan niet uitsluitend worden overgelaten aan de niet betwiste goede bedoelingen van verweerders.

Aangezien uit niets blijkt dat het kwestieuze nummer van het tijdschrift effectief uit de handel is genomen, wordt bevel opgelegd het tijdschrift in alle verkooppunten op te halen.

De vordering tot rechtzetting houdt geen verkapte vorm van antwoordrecht in.
Aangezien de betwiste oproep van verweerders tot boycot van eiseres nationaal bekend geraakte door reacties in de kranten, wordt de publicatie van het bevelschrift tot rechtzetting in drie Nederlandstlige en twee Franstalige kranten bevolen. Aangezien het kwestieuze artikel oproept om telefonisch via een gratis lezerslijn of schriftelijk te reageren op de oproep tot boycot, worden verweerders veroordeeld om gedurende één maand deze telefoonlijn te bemannen, teneinde de oproepers in te lichten over de door het tijdschrift begane materiële vergissing. Verweerders hebben eveneens de verplichting om hen die het aanvragen een kopie van de correctie te bezorgen.

Niet tegen een boek

•• Rb. Brussel 14 december 1993, A.J.T. 1994-95, 70, noot VOORHOOF, D.

Het recht op antwoord kan onmogelijk uitgeoefend worden tegen beweringen uit een boek, aangezien het slechts op periodieke geschriften toepasselijk is.
De persoon die zich door een perspublikatie benadeeld acht is geenszins verplicht een strafklacht neer te leggen om herstel van de hem toegebrachte schade te kunnen bekomen.

Een burgerrechtelijke veroordeling tot schadeloosstelling maakt een sanctie uit in de zin van art. 10, lid 2 E.V.R.M.

Door de vrijheid van drukpers te huldigen en het daaruit volgend recht van de pers om kritiek te uiten heeft de Grondwet geen beperking ingevoerd op het in art. 1382 B.W. neergelegde fundamentele beginsel. Wanneer ten gevolge van een bepaalde uitoefening van deze vrijheden het recht op de eer of de goede naam wordt gekrenkt, dan is het slachtoffer daarvan gerechtigd schadeloosstelling te vorderen op grond van art. 1382 B.W.

Art. 1382 B.W. valt als een wet te beschouwen in de betekenis daaraan gegeven door art. 10, lid 2 E.V.R.M. en kan dus een legitieme beperking of sanctie impliceren aan de vrijheid van meningsuiting.

Zeer zware beschuldigingen, geuit aan het adres van een politicus, dienen bijzonder zorgvuldig en omzichtig te gebeuren. Het onderscheid tussen een politicus en een gewone burger is terzake irrelevant. De zorgvuldigheidseis vergt een controle m.b.t. het waarheidsgehalte van de geuite beschuldigingen. Na deze controle dient de auteur, in functie van hun waarheidsgehalte, deze omzichtig weer te geven. Insinuaties, beschuldigingen die berusten op geruchten en het ontbreken van verwijzingen tonen aan dat onzorgvuldig werd gehandeld.

Weigering dient niet gemotiveerd - meerdere verzoeken mogelijk

•• Rb. Brussel 20 april 1993, Rechtspraak Antiracismewet 1999, 359; , T. Vreemd. 1994 (verkort), 101, noot VOORHOOF, D. Het recht op antwoord: geen alibi of dekmantel voor revisionistische propaganda of aanzet tot vreemdelingenhaat

Het recht om, onder de voorwaarden van art. 1 Antwoordrechtwet, binnen de 3 maand de kosteloze inlassing van een antwoord te vorderen, is niet beperkt tot een enig verzoek. De verjaringstermijn gaat in vanaf het laatste feit.

De uitgever is niet verplicht de weigering van een recht van antwoord te motiveren.

Hoewel de rechtzetting wordt gevraagd van het feit dat eiser behoort tot de revisionistische visie, wordt deze visie in het recht op antwoord hernomen.

Het geformuleerde antwoord is beledigend voor een bepaalde groep van mensen en kan op basis van art. 3, lid 2 Antwoordrechtwet worden geweigerd.
Het antwoord vormt een aanzet tot racisme en valt onder de toepassing van de Wet 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden. Om die reden kan het op basis van art. 3, lid 2 Antwoordrechtwet eveneens worden geweigerd als strijdig met de wetten of de goede zeden.

Opmaak

•• Rb. Brussel 14 juni 1979, J.T. 1980, 87.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: het antwoord wordt in dezelfde opmaak als de gelaakte tekst gepubliceerd.

•• Corr. Gent 8 november 1996, T.G.R. 1997, 80.

Luidens art. 4 Antwoordrechtwet moet het wederwoord in zijn geheel worden opgenomen, zonder tussenvoeging, op dezelfde plaats en in dezelfde lettertekens als de tekst waarop het betrekking heeft. Beantwoordt de repliek niet aan de voorschriften van art. 2 van voormelde wet, m.a.w. bedraagt de tekst méér dan duizend letters schrift of méér dan het dubbele van de ruimte opgenomen door het gewraakte artikel, dan mag de publicatie worden geweigerd.

Verjaring

De burgerlijke vordering wegens niet publicatie van een recht op antwoord, verjaart 3 maanden te rekenen vanaf de dag waarop de opneming had moeten gebeuren. De uitgever dient een exemplaar van de publicatie waarin het antwoord werd geplaatst aan de klager over te maken, zeker wanneer de publicatie niet vrij te verkrijgen is en enkel in een gesloten kring van abonnees wordt verstuurd. Zie Hof van beroep Antwerpen, 14/03/2005, NJW 152, 894.

•• Corr. Gent 8 november 1996, T.G.R. 1997, 80.

Inzake overtreding van de Antwoordrechtwet geldt een korte verjaringstermijn van drie maanden. In casu werd die termijn geldig gestuit door de inleidende dagvaarding.

•• Corr. Gent 31 december 1992, T.G.R. 1993, 151, noot.

Art. 17 Antwoordrechtwet bepaalt dat de strafvordering én de burgerlijke vordering verjaren na 3 maanden te rekenen van de dag waarop de opneming had moeten plaatshebben.

Wanneer de opname van een antwoord, eerst verzocht binnen de termijn, geweigerd werd, kan een nieuw verzoek tot opname gevraagd worden. De verjaringstermijn vangt aan vanaf de dag waarop de opneming na de nieuwe aanmaning had moeten plaatshebben. De eiser dient aan te tonen dat geen gevolg werd gegeven aan de aanmaning tot opname en wanneer de aanmaning werd ontvangen door het periodiek.

Geen verplichting - verband met de vordering tot schadevergoeding

•• Rb. Brussel 19 mei 1965, J.T. 1965, 601.

Recht tot antwoord in de geschreven pers: de benadeelde is niet verplicht vooraf de inlassing van een antwoord te vorderen, doch kan onmiddellijk schadevergoeding eisen. (idem Rb. Brussel 8 april 1963, J.T. 1963, 403.)

niet voor officiële berichten op het internet

•• Corr. Brussel (45e k.) 14 november 2007, J.T. 2008, afl. 6303, 198

De antwoordrechtwet is niet van toepassing op een officieel bericht verspreid op een internetsite.

Samenvattend:

•• Corr. Brussel (44e k.) 28 april 2004, Journ. proc. 2004, afl. 484, 20.

Uit het onderzoek van het bestreden persartikel en van de tekst van het recht op antwoord die geweigerd werd, blijkt dat de basisvoorwaarden om dit recht op antwoord te weigeren, niet vervuld zijn.

Het antwoord staat immers onmiddellijk in verband met het bestreden artikel. Het antwoord is niet beledigend noch in strijd met de wetten of de goede zeden. De polemische stijl is dezelfde als die waarin de journalist schreef. Het antwoord betrekt bovendien geen derden bij de zaak zonder noodzakelijkheid.

Enerzijds worden de personen waarop de dagvaardende partij zinspeelt, niet bij naam genoemd. Om het antwoord waarvan men de inlassing verzoekt verstaanbaar te maken voor 'niet-ingewijden', is het noodzakelijk naar derden te verwijzen.

Anderzijds verwijst de journalist zelf naar de genoemde personen, zonder ze bij naam te noemen. De weigering van het verzoek van de dagvaardende partij tot inlassing van een recht op antwoord is dus niet gerechtvaardigd.

Ontbreken handtekening

•• Corr. Brussel 18 januari 2000, AM 2000, 143.

De afwezigheid van de handtekening van de auteur van het antwoord kan op zich niet de weigering tot inlassing rechtvaardigen indien geen enkele twijfel bestaat aangaande de identiteit van de betreffende auteur. Indien de bestemmeling van het antwoord de advocaat niet verzoekt zijn mandaat te bewijzen, ontneemt hij zich van de mogelijkheid om het beweerdelijke mandaat in twijfel te trekken.

Feitelijke vereniging

•• Corr. Brussel 27 februari 1996, AM 1996 (verkort), 336, noot F.J.

Een feitelijke vereniging is niet gerechtigd te eisen een recht op antwoord in een krant in te lassen: het verzonden antwoord namens deze vereniging door haar voorzitter moet niet worden gepubliceerd.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: do, 22/05/2014 - 20:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.