-A +A

Recht op wapengelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het recht op wapengelijkheid bestaat niet als algemeen rechtsbeginsel. Het recht op wapengelijkheid zit even begrepen in het recht op een eerlijk proces en het recht tot eerlijke behandeling van de zaak waarbij partijen gelijk dienen behandeld zonder enige bevoordeling of benadeling van de andere partij. Het recht op eerlijkproces garandeert elke procespartij om haar argumentatie bij te brengen en te staven. Geen enkele partij mag meer procesrechten hebbben dan de andere partij. Het recht op wapengelijkheid en eerlijk proces wringt op Europees niveau met het Belgisch verbod tot partijverklaring, namelijk het verbod om als getuige op te treden in de eigen zaak (Dombo-arrest, EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, p. 2465, nr. 534). Het feit dat een partij geen eed mag afleggen in haar eigen zaak wringt dan weer niet meer met het EVRM (EHRM 23 oktober 1996, Ankerl t/ Zwitserland, Rep.Eur.CourtHR 1996, V, 1553).

 

Het recht op eerlijk proces wordt gewaarborgd door Algemene beginselen van behoorlijk proces of beginselen van behoorlijke rechtspraak. Dit recht werd ingeschreven in artikel 10 van de Universele verklaring van de rechten van de mens.

Artikel 6 EVRM formuleert het grondrecht op een eerlijk proces (fair trial) .

Dit recht omvat:

• het decisiebeginsel: recht op een behandeling en beslissing binnen een redelijke termijn
• het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor)
• het onpartijdigheidsbeginsel: recht op onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak
• het motiveringsbeginsel: recht op motivering van de uitspraak
• het beginsel van toegang tot de rechter (jus de non evocando)
• het recht van partijen op rechtsbijstand
• het openbaarheidsbeginsel: het recht op (interne) openbaarheid: de interne openbaarheid garandeert dat betrokkenen inzage hebben in alle stukken, de externe openbaarheid maakt dat de samenleving de rechtsgang kan controleren

Het recht op wapengelijkheid, zoals het thans wordt opgevat als een «billijk en rechtvaardig evenwicht tussen de procespartijen 11 » («juste équilibre»), is een algemeen rechtsbeginsel 12 dat vervat ligt in het ruimere begrip van het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door art. 6 EVRM 15 en door art. 14 IVBPR 16 en dat sterk verweven is met het recht op tegenspraak. 

Het begrip «wapengelijkheid» of de draagwijdte ervan ligt evenwel verscholen in een aantal internationale beginselverklaringen of in verdragsrechtelijke teksten. Dit is onder meer het geval met art. 10 en 11.1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948. Deze principes werden verder uitgebreid door art. 6 EVRM, dat overigens nauw aanleunt bij het principe van niet-discriminatie van art. 14 EVRM. De rechtsbescherming van de partijen, zoals die gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM, wordt nog verder uitgediept in art. 14 IVBPR.
 

Artikel 6. Recht op een eerlijk proces

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt."

 

Het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op gelijke wapens valt en dat onder meer door art. 6.1. E.V.R.M. wordt gewaarborgd, houdt alleen in dat iedere partij in het proces dezelfde processuele middelen moet kunnen aanwenden en op gelijke wijze moet kunnen kennisnemen van stukken en gegevens die worden voorgelegd aan het oordeel van de rechter die van de zaak kennisneemt. Daaruit volgt niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang steeds over dezelfde mogelijkheden moeten beschikken om rechtsmiddelen in te stellen.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 25 oktober 2006, RW 2008-2009, 321

• EHRM 27 oktober 1993, Dombo Beheer B.V. t/ Nederland.

 

EHRM 23 juni 1993, nr. 12952/87, Ruiz-Mateos t/ Spanje;

Rechtsleer:


P. DUINSLAEGER, Het recht op wapengelijkheid, RW 2015-2016, 402 (Ingekorte versie. De integrale versie van deze publieke rede, met uitetgebreide citaten en bijkomende voorbeelden uit de rechtspraak, kan geraadpleegd worden op de website www.cassonline.be van het Hof van Cassatie in de rubriek «nieuws». Dezkst zal later beschikbaar zijn in de rubriek «redes» onder de hoofding «Documenten» van dezelfde website).


Het recht op wapengelijkheid:
P. DUINSLAEGER
Rede uitgesproken door de procureur-generaal op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 2015 (De integrale versie, met uitgebreide citaten en bijkomende voorbeelden uit de rechtspraak, kan geraadpleegd worden op de website www.cassonline.be van het Hof van Cassatie in de rubriek «nieuws». Deze tekst zal later beschikbaar zijn in de rubriek «redes» onder de hoofding «Documenten» van dezelfde website).

I. Inleiding

De verwijzing, in het kader van de omschrijving van de vereisten van een eerlijk proces, naar het gebruik van wapens kan enigszins verwonderlijk 2 of oorlogszuchtig 3 lijken, maar het begrip «wapengelijkheid» zelf is sinds lang internationaal ingeburgerd als één van de fundamentele 4 hoekstenen van het eerlijk proces. 5

Het moeilijk te definiëren 6 vereiste van de «fair trial» impliceert het naast elkaar bestaan van een aantal minimumvoorwaarden waaraan het proces moet voldoen, onder meer de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechter, de eerlijke en openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, het recht op tegenspraak, het recht van verdediging en de loyauteit van de debatten, waartoe het recht op wapengelijkheid behoort.

De wapengelijkheid in het procesrecht kan worden beschouwd als behorende tot het natuurrecht, wegens de nauwe band tussen gelijkheid en gerechtigheid. 7 Dit vereiste geldt bijgevolg in alle processen, 8 ongeacht de aard van het geschil dat er het voorwerp van uitmaakt: het recht op wapengelijkheid moet worden geëerbiedigd zowel in het burgerlijk proces als in het strafproces, maar ook in de administratieve rechtspleging, in disciplinaire aangelegenheden en voor de rechtscolleges die de grondwettelijkheid toetsen. 9

De oorsprong van de term «wapengelijkheid» lijkt terug te gaan tot de middeleeuwse ordaliën of godsgerichten. 10

Het recht op wapengelijkheid («equality of arms», «égalité des armes», «Waffengleichheit»), zoals het thans wordt opgevat als een «billijk en rechtvaardig evenwicht tussen de procespartijen 11 » («juste équilibre»), is een algemeen rechtsbeginsel 12 dat vervat ligt in het ruimere begrip 13 van het recht op een eerlijk proces, 14 gewaarborgd door art. 6 EVRM 15 en door art. 14 IVBPR 16 en dat sterk verweven is met het recht op tegenspraak. 17

Het essentiële vereiste van het contradictoir karakter van de procesvoering is inderdaad onlosmakelijk verbonden met het principe van de wapengelijkheid. Hoewel het principe van de wapengelijkheid en het vereiste van de tegenspraak aldus zeer nauw bij elkaar aanleunen, dekken zij toch niet volledig dezelfde realiteit. 18 Wanneer enkel één van de partijen toegang krijgt tot een welbepaald gegeven van een rechtsplegingsdossier, terwijl de tegenpartij die mogelijkheid niet heeft, is er sprake van miskenning van het recht op wapengelijkheid. Wanneer daarentegen de (beide) partijen niet de mogelijkheid hadden een gegeven, dat reeds aan de rechter werd voorgelegd, te analyseren, is er miskenning van het recht op tegenspraak. 19 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft aldus reeds beslist dat in één en dezelfde zaak het principe van het recht op wapengelijkheid niet werd miskend, maar het vereiste van de tegenspraak wel. 20

Toch worden beide vereisten vaak in één adem genoemd: zowel voor de burgerlijke rechter als voor de strafrechter moet elk van de partijen tegenspraak kunnen voeren over alle door de andere partij(en) aangebrachte argumenten of middelen, een gelijkwaardige gelegenheid hebben aangevoerde bewijzen te betwisten en over de mogelijkheid beschikken om alle elementen, die zij dienstig of nuttig acht voor het debat, aan de rechter voor te leggen. 21

Deze brede omschrijving betekent evenwel niet dat er geen grenzen gesteld zijn aan dit recht.

Zo houdt het recht op wapengelijkheid in elk geval niet in dat ook de juridische strijd volkomen gelijk zou moeten zijn; er kan immers geen sprake zijn van een gelijke strijd wanneer één partij over doeltreffende argumenten in feite en in rechte beschikt, terwijl de tegenpartij met lege handen staat. Wel is ook in dat geval nog vereist dat elk van deze partijen haar «wapens» aanwendt in omstandigheden die aan de tegenpartij de mogelijkheid bieden de waarde ervan in te schatten en zelf de eigen middelen van verdediging aan te voeren.

Niet elk verschil in behandeling van de partijen levert dus op zich een miskenning van het recht op een eerlijk proces op 22 ; de wapengelijkheid is geen op zichzelf bestaand vereiste, het is slechts een vereiste in de mate dat het een randvoorwaarde is voor een eerlijk proces. Het recht op wapengelijkheid heeft dus betrekking op de omstandigheden waarin procedureregels worden toegepast en dit vereiste kan bijgevolg niet leiden tot het wegwerken van verschillen tussen rechtzoekenden, wanneer die verschillen verband houden met hun intelligentie, hun handigheid of de wijze waarop zij zich organiseren; dergelijke verschillen zijn volledig legitiem en leveren geen miskenning van het recht op wapengelijkheid op.

Het vereiste van de wapengelijkheid houdt daarentegen wel het vereiste in dat de «wapens» die door de partijen worden gebruikt, ook wettelijk zouden zijn; het verbod om gebruik te maken van strafrechtelijk beteugelde procedés waarborgt immers tegelijkertijd ook de wapengelijkheid tussen de partijen, door van elk van deze partijen te eisen dat zij de wet zouden naleven. 23

De term «gelijkheid» houdt niet alleen het verbod in van elke vorm van discriminatie op grond van, onder meer, ras, geloof of geslacht, maar dit begrip kan tevens het ter beschikking stellen impliceren van flankerende maatregelen om bepaalde bestaande ongelijkheden te compenseren. Zo zorgt bijvoorbeeld de rechtsbijstand ervoor dat degenen die niet over de nodige middelen beschikken, toch hun rechten kunnen doen gelden. 24

 

II. Belangrijkste bronnen

Het begrip «wapengelijkheid» of de draagwijdte ervan ligt evenwel verscholen in een aantal internationale beginselverklaringen of in verdragsrechtelijke teksten. Dit is onder meer het geval met art. 10 en 11.1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948. Deze principes werden verder uitgebreid door art. 6 EVRM, dat overigens nauw aanleunt bij het principe van niet-discriminatie van art. 14 EVRM. 27 De rechtsbescherming van de partijen, zoals die gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM, wordt nog verder uitgediept in art. 14 IVBPR.

Het IVBPR is de eerste verdragstekst waarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van het vereiste van de «gelijkheid voor de rechtbank» (art. 14.1 IVBPR) en van de «volle gelijkheid» in het kader van de strafvervolging (art. 14.3 IVBPR). 28

Ook in art. 67 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 29 inzake het Internationaal Strafhof, dat handelt over de rechten van de verdachte, wordt melding gemaakt van het vereiste van «volledige gelijkheid». Dezelfde principes konden overigens al worden teruggevonden in art. 21 van de Statuten van het Internationaal Straftribunaal voor ex-Joegoslavië. 30 Andere voorbeelden, in (ongeveer) vergelijkbare bewoordingen, zijn te vinden in onder meer art. 20.(2) en 20.(4) van de Statuten van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda 31 en in art. 17.4 van de Statuten van de Special Court for Sierra Leone. 32

Het principe van de wapengelijkheid is ook terug te vinden in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, 33 dat een opsomming inhoudt van de fundamentele rechten, vrijheden en beginselen. Dit Handvest is sedert 1 december 2009 bindend voor de instellingen van de Europese Unie en voor de lidstaten van de Unie wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Het Handvest is opgenomen in een verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie, maar heeft dezelfde juridische waarde als de verdragen van de Europese Unie.

Art. 47 van het Handvest heeft betrekking op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht en bouwt voort op art. 6 en 13 EVRM en op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Het Hof van Justitie heeft het thans in art. 47 van het Handvest van de grondrechten verankerde recht op een «doeltreffende voorziening in rechte» reeds eerder erkend als een algemeen beginsel van het recht van de Unie. 34 Volgens het Hof geldt dit algemene beginsel voor alle rechten die worden gewaarborgd door het Unierecht.

Op nationaal vlak is het begrip «wapengelijkheid» als zodanig evenmin terug te vinden in het intern Belgisch wettenarsenaal, maar er dient alvast verwezen te worden naar art. 10 en 11 Gw., waarvan de inhoud ook terug te vinden is in art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR.

Art. 10 en 11 Grondwet hebben een algemene draagwijdte en verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan. Tot de rechten en vrijheden die zonder discriminatie moeten worden gewaarborgd, behoren de rechten en vrijheden die voortvloeien uit internationale verdragsbepalingen die België binden. 35 Dat geldt althans voor de rechten en vrijheden die voortvloeien uit rechtstreeks werkende bepalingen. 36

III. Draagwijdte en toepassingen van het beginsel van de wapengelijkheid

Om de precieze draagwijdte van het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid te bepalen, lijkt het raadzaam te vertrekken van de zeer brede omschrijving van de notie «eerlijk proces» in art. 14 IVBPR.

Het recht op wapengelijkheid voor hoven en rechtbanken, binnen het ruimere recht op een eerlijk proces, is een sleutelbegrip 37 in het kader van de bescherming van de mensenrechten en geldt als een proceduremiddel om de «rule of law» te vrijwaren.

Art. 14 IVBPR, dat ertoe strekt een goede en eerlijke rechtsbedeling te verzekeren en dat daarom een aantal specifieke rechten garandeert, is een bijzonder complexe verdragsbepaling, die verschillende waarborgen combineert, die op hun beurt verschillende toepassingsgebieden bestrijken.

De eerste zin van deze verdragsbepaling, die voorschrijft dat allen gelijk zijn voor de rechtbanken en de rechterlijke instanties, houdt een zeer algemene waarborg van gelijkheid voor de hoven en rechtbanken in, die geldt ongeacht de aard van de vordering of van de rechtspleging.

De tweede zin van art. 14.1 IVBPR biedt eenieder het recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie, wanneer hij strafrechtelijk vervolgd wordt of wanneer zijn rechten of verplichtingen in een gerechtelijke procedure moeten worden vastgesteld.

De paragrafen 2 tot 5 van art. 14 IVBPR bieden procedurewaarborgen aan personen die het voorwerp uitmaken van een strafvervolging: deze waarborgen hebben betrekking op het vermoeden van onschuld (art. 14.2 IVBPR), op de minimumgaranties van het correct en volledig geïnformeerd worden over de aard en de reden van de beschuldiging (art. 14.3.a IVBPR), op het kunnen beschikken over voldoende tijd en faciliteiten om de verdediging voor te bereiden met de bijstand van een zelf gekozen raadsman (art. 14.3.b IVBPR), op een berechting binnen een redelijke termijn (art. 14.3.c IVBPR), op het recht tegenwoordig te zijn bij de behandeling van de zaak en zichzelf te verdedigen of bijstand te krijgen van een raadsman, op het recht hiervan te worden ingelicht of, wanneer de voorwaarden daartoe vervuld zijn, het recht (kosteloze) rechtsbijstand te verkrijgen (art. 14.3.d IVBPR), op het recht getuigen à charge en à décharge te ondervragen of te doen ondervragen (art. 14.3.e IVBPR), op de kosteloze bijstand van een tolk indien de persoon die vervolgd wordt de taal van de rechtspleging niet spreekt of begrijpt (art. 14.3.f IVBPR), op het recht niet gedwongen te worden zichzelf te incrimineren (art. 14.3.g IVBPR), op een betere bescherming van jeugdige personen (art. 14.4 IVBPR) en op het recht op een dubbele aanleg (art. 14.5 IVBPR). Daarnaast wordt ook voorzien in de mogelijkheid van schadeloosstelling bij gerechtelijke dwalingen in strafzaken (art. 14.6 IVBPR) en wordt ook het principe van het non bis in idem gesteld (art. 14.7 IVBPR).

De verdragsluitende Staten zijn verplicht de verschillende waarborgen van art. 14 IVBPR te eerbiedigen, ongeacht de eigen wettelijke cultuur of tradities en ongeacht de eigen nationale wet. Voorbehouden bij bepaalde clausules van art. 14 IVBPR blijven mogelijk, maar mogen niet zover reiken dat er sprake zou zijn van een algemeen voorbehoud tegen het recht op een eerlijk proces, wat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en het doel van het IVBPR. 38

Hoewel art. 14 IVBPR niet opgenomen is in art. 4.2 van dit Verdrag, waarin de rechten worden opgesomd waarvan niet mag worden afgeweken, 39 kunnen Staten die, wegens een algemene noodtoestand als bedoeld in art. 4.1 IVBPR, namelijk een algemene noodtoestand die een bedreiging vormt voor het bestaan van het volk en die officieel is afgekondigd, afwijken van de waarborgen die normalerwijze vereist worden door art. 14 IVBPR, dit slechts doen mits deze afwijkingen niet verder reiken dan wat deze noodtoestand vereist en mits deze afwijkingen niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht en op voorwaarde dat zij geen discriminatie uitsluitend op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of maatschappelijke afkomst inhouden.

Van de waarborgen inzake het recht op een eerlijk proces, bedoeld in art. 14 IVBPR, mag al evenmin worden afgeweken op een wijze die tot gevolg zou hebben dat de bescherming van rechten waarvan volgens art. 4.2 IVBPR niet mag worden afgeweken, zou worden omzeild. 40

De eerste zin van art. 14.1 IVBPR waarborgt, zoals hiervoor reeds aangegeven, in algemene bewoordingen het recht op een gelijke behandeling voor hoven en rechtbanken. Deze waarborg heeft niet enkel betrekking op de hoven en rechtbanken die uitspraken doen in de gevallen bedoeld in de tweede zin van art. 14.1 IVBPR, namelijk bij het bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging of bij het vaststellen van de rechten en de verplichtingen van de partijen in een rechtsgeding, maar speelt telkens als het nationaal intern recht aan een rechtsinstantie een rechterlijke opdracht toevertrouwt, zoals het Human Rights Committee (hierna: HRC) oordeelde in de zaak Perterer t/ Oostenrijk in tuchtzaken, 41 evenals in de materie van de uitleveringen. 42

Het recht op een gelijke behandeling voor de hoven, rechtbanken en andere rechterlijke instanties waarborgt, bovenop de principes vermeld in de tweede zin van art. 14.1 IVBPR, het recht op een gelijke toegang tot de rechter evenals het recht op wapengelijkheid en biedt de partijen aldus de waarborg dat zij bij de behandeling van hun zaak niet gediscrimineerd zullen worden, in de gevallen waarin de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging moet worden bepaald of waarbij de rechten en verplichtingen van een partij in een rechtsgeding moeten worden vastgesteld.

Deze toegang tot de rechter moet effectief, doeltreffend en afdoende zijn teneinde te waarborgen dat niemand vanuit procedureel oogpunt het recht ontzegd wordt een rechterlijke uitspraak te verkrijgen. Dit recht op toegang tot de rechter is niet enkel gewaarborgd voor de burgers van de verdragsluitende Staten, maar geldt voor eenieder, ongeacht de nationaliteit of de status van de persoon. Dit recht geldt dus ook voor asielzoekers, vluchtelingen, inwijkelingen, niet-vergezelde minderjarigen evenals voor elke andere persoon die zich op het grondgebied van één van de verdragsluitende Staten bevindt of onder de bevoegdheid van de rechterlijke overheden van één van deze Staten valt. Een situatie waarbij de pogingen van een persoon om toegang te krijgen tot de bevoegde rechterlijke overheid systematisch in feite of in rechte worden verijdeld, is in strijd met art. 14.1, eerste zin, IVBPR. 43

De waarborg van de toegang tot de rechter verzet er zich ook tegen dat enig onderscheid in die toegang zou worden gemaakt die geen grond vindt in de wet en die niet kan worden verantwoord op objectieve en redelijke gronden. Zo is er een miskenning van het recht op toegang tot de rechter indien het inleiden van een rechtsgeding wordt belet om redenen van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationaliteit, sociale of maatschappelijke herkomst, eigendom, geboorte of andere status, 44 zoals het HRC oordeelde in de zaak Ato del Avellanal tegen Peru. 45

Dit recht op toegang tot de rechter en op wapengelijkheid is vaak rechtstreeks verbonden met het probleem van de rechtsbijstand. De beschikbaarheid of de afwezigheid van rechtsbijstand zal immers vaak medebepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een persoon al dan niet toegang heeft of kan krijgen tot de juiste procedures of er op een zinvolle wijze aan kan deelnemen.

Het principe van art. 14.3.d IVBPR, dat betrekking heeft op de (al dan niet kosteloze) rechtsbijstand voor eenieder die wordt vervolgd, krijgt in de kennisgevingen van de HRC, ingesteld bij art. 28 IVBPR, dan ook een ruime toepassing, die de strikte setting van deze verdragsbepaling overstijgt. In de gevallen waarin art. 14.3.d IVBPR niet strikt van toepassing is, ziet de Commissie in het niet verstrekken van de vereiste rechtsbijstand een schending van art. 14.1 IVBPR, gelezen in samenhang met art. 2, § 3 IVBPR. 46

In dezelfde zin oordeelde de Commissie voor de Rechten van de Mens ook dat het opleggen van vergoedingen aan de procespartijen, die hen de facto het recht op de toegang tot de rechter ontzeggen, niet verenigbaar is met art. 14.1 IVBPR. 47 Dat geldt onder meer voor strikte wettelijke voorschriften die aan de verliezende partij de betaling van een rechtsplegingsvergoeding opleggen. 48

Het principe van het recht op gelijke toegang tot de rechter wordt door de Commissie voor de Rechten van de Mens echter ook beperkt. Volgens de Commissie heeft dit recht immers enkel betrekking op de toegang tot de rechter in eerste aanleg en heeft het geen betrekking op een algemeen recht op hoger beroep of op andere rechtsmiddelen, tenzij de beroepen beslissing betrekking heeft op de veroordeling wegens een strafbaar feit, in welk geval het voorschrift van art. 14.5 IVBPR dient te worden nageleefd. 49

Het recht op een gelijke toegang en een gelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken omvat ook het recht op wapengelijkheid. Dit principe houdt in dat elke procespartij moet kunnen beschikken over dezelfde procedurele rechten, tenzij het onderscheid tussen de procespartijen gegrond is op de wet en kan worden verantwoord door objectieve en redelijke redenen, die geen actueel nadeel of enige andere onbillijkheid voor een procespartij meebrengen. 50 Zo is er sprake van een miskenning van de wapengelijkheid wanneer enkel de openbare aanklager, maar niet de beklaagde beroep kan aantekenen tegen een bepaalde beslissing. 51 Hetzelfde geldt wanneer stelselmatig wordt ingegaan op vragen tot uitstel van de openbare aanklager, maar soortgelijke vragen van de beklaagde worden afgewezen. 52

Zoals hierboven uiteengezet, is het principe van de wapengelijkheid tussen de partijen ook van toepassing in burgerlijke zaken. Dit principe vereist, onder meer, dat aan elke partij de gelegenheid wordt geboden om de argumenten en de bewijzen 53 die door de tegenpartij worden aangevoerd of aangebracht, te betwisten. 54

Gelijkheid voor de hoven en rechtbanken houdt bovendien het vereiste in dat soortgelijke zaken worden behandeld volgens vergelijkbare rechtsplegingen. Indien toepassing wordt gemaakt van buitengewone strafrechtelijke procedures of indien speciaal samengestelde hoven of rechtbanken bevoegd zijn om bepaalde zaken te behandelen, moeten er objectieve en redelijke gronden voorhanden zijn om dit onderscheid te verantwoorden. 55

De waarborg van art. 14.3.b IVBPR, dat bepaalt dat eenieder die strafrechtelijk vervolgd wordt, in volle gelijkheid, het recht heeft op de minimumgarantie te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman, vormt één van de toepassingen van het recht op wapengelijkheid. 56

Art. 14.3.e IVBPR waarborgt aan de vervolgde persoon het recht getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en de oproeping en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als dat het geval is met de getuigen à charge. Zoals een andere toepassing van het principe van de wapengelijkheid is deze waarborg belangrijk om te verzekeren dat een beklaagde of zijn raadsman een effectieve verdediging kan voeren; de beklaagde of beschuldigde dient aldus over dezelfde wettelijke middelen te beschikken als de vervolgende instantie 57 om bijvoorbeeld een getuige op te roepen en hem te (laten) verhoren. Dit betekent evenwel niet dat de beklaagde een onbegrensd recht heeft op de aanwezigheid van al de getuigen die hij wil laten horen, maar houdt enkel in dat hij het recht heeft getuigen te laten horen die relevant zijn voor zijn verdediging en dat hem, in de loop van de rechtspleging, een adequate mogelijkheid moet worden geboden om de getuigenverklaringen à charge te betwisten. Binnen deze perken, en onder voorbehoud van de uitsluiting van het gebruik van verklaringen, bekentenissen of bewijsmateriaal die werden verkregen in strijd met het verbod van folteringen of van wrede, onmenselijke of onterende behandelingen van art. 7 IVBPR, staat het aan de nationale wetgever de toelaatbaarheid van het bewijs te regelen evenals de wijze waarop de rechter dit bewijs dient te beoordelen.

In uitzonderlijke gevallen kan het vereist zijn dat in de kosteloze bijstand van een tolk wordt voorzien, wanneer zonder deze bijstand een onvermogende partij niet in staat zou zijn op voet van gelijkheid in de rechtspleging tussen te komen of de door haar voorgebrachte getuigen te laten horen. 58 Dit recht om te kunnen beschikken over de kosteloze bijstand van een tolk, in toepassing van art. 14.3.f IVBPR, ligt volgens het HRC besloten in het principe van de wapengelijkheid in strafzaken. 59 Dit recht geldt voor alle mondelinge fasen van de rechtspleging en is van toepassing op ingezetenen en op vreemdelingen. Beklaagden die een andere taal spreken dan de taal van de rechtspleging zijn evenwel, in de regel, niet gerechtigd op de kosteloze bijstand van een tolk wanneer zij de taal van de rechtspleging voldoende kennen om zichzelf op een afdoende wijze te kunnen verdedigen. 60

Een overzicht van de internationale en nationale rechtspraak toont aan hoe universeel verspreid de toepassing van het principe van de wapengelijkheid wel is. In verschillende beslissingen, adviezen, 61 publicaties en officiële mededelingen 62 van het Internationaal Gerechtshof wordt melding en toepassing gemaakt van het principe van de wapengelijkheid. Het Internationaal Strafhof63 maakt eveneens toepassing van dit principe. 64 Ook voor het International Criminal Tribunal for Rwanda werd het principe van de wapengelijkheid herhaaldelijk aangevoerd, 65 geanalyseerd en toegepast in arresten. 66 Het principe van de wapengelijkheid werd ook vermeld of aangehaald in internationale officiële mededelingen van het internationaal Straftribunaal voor Rwanda. 67Hetzelfde geldt voor het International Criminal Tribunal for Former Yugoslavia 68 en voor de Special Court for Sierra Leone. 69

De meeste rechtspraak over het principe van de wapengelijkheid is evenwel terug te vinden in de zaken die werden behandeld door de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens en door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 70

Er werd reeds op gewezen dat de uitdrukking «wapengelijkheid» als zodanig 71 niet terug te vinden is in de tekst zelf van het EVRM, maar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert deze uitdrukking in het kader van zijn interpretatie van art. 6 EVRM, wanneer het doelt op het vereiste van billijkheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, terwijl datzelfde vereiste door het Hof ook wordt beschouwd als een autonoom bestanddeel van het eerlijk proces. Dit brengt mee dat het niet altijd mogelijk is om in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een duidelijk onderscheid te maken tussen het vereiste van de wapengelijkheid en de andere principes, die de basisvoorwaarden vormen voor of ten grondslag liggen aan een eerlijk proces. 72

Zoals in de inleiding reeds werd gemeld, is aan het vereiste van het recht op een eerlijk proces pas voldaan, wanneer ook voldaan is aan het recht op tegenspraak, aan de eerbiediging van het recht van verdediging en aan het vereiste van de loyauteit van het debat, waarin ook het recht op wapengelijkheid is begrepen. Het recht op wapengelijkheid is niet enkel een voorwaarde voor het bestaan van een eerlijk proces, het houdt tevens verband met de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter en met een «billijk en rechtvaardig evenwicht» («juste équilibre») tussen de partijen. 73

Het principe van het recht op wapengelijkheid geldt, als element van het ruimere begrip van het eerlijk proces, zowel in burgerlijke als in strafzaken. 74

In burgerlijke zaken speelt de gelijkheid tussen de verschillende partijen onderling, maar ook de onpartijdigheid en de neutraliteit van de rechter.

De rechtspraak 75 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens levert een aantal duidelijke voorbeelden op van miskenning van het recht op wapengelijkheid:

– de beroepsakte werd niet medegedeeld aan de tegenpartij, zodat deze laatste niet kon reageren 76 ;

– de schorsing van een rechtsplegingstermijn komt enkel ten goede aan één partij 77 ;

– slechts een getuige van één van de partijen mocht een verklaring afleggen, terwijl ook de tegenpartij over een gelijkwaardige getuige beschikte 78 ;

– één partij genoot een aanmerkelijk voordeel inzake de toegang tot pertinente gegevens, bekleedt een dominante positie in de rechtspleging of oefent een belangrijke invloed uit op de beoordeling door de rechter 79 ;

– één partij bevond zich in een voordelige positie en de rechter gaf de tegenpartij niet de kans om weerwerk te bieden door haar de toegang tot de stukken te ontzeggen of het getuigenverhoor te weigeren 80 ;

– wegens het gebrek aan rechtsbijstand heeft één van de partijen niet de mogelijkheid gehad haar zaak naar behoren te verdedigen, terwijl de tegenpartij over ruime financiële mogelijkheden beschikte. 81

Aangezien elke partij het recht moet hebben om te beschikken over een redelijke mogelijkheid om de eigen zaak te bepleiten «in omstandigheden die haar niet in een kennelijk nadelige situatie plaatsen in vergelijking met de tegenpartij», zal de beoordeling van het bestaan van de wapengelijkheid in strafzaken meestal betrekking hebben op de controle van het evenwicht tussen de rechten van de beklaagde of verdachte en die van de openbare aanklager.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat er sprake zal zijn van een miskenning van het recht op wapengelijkheid in strafzaken, 82

– wanneer een partij niet kan antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie. De vastgestelde ongelijkheid was volgens het Hof nog groter omdat de advocaat-generaal met raadgevende stem deelnam aan het beraad 83 en omdat het (voor)ontwerp van arrest medegedeeld werd aan het openbaar ministerie. 84 Deze beslissingen betekenden een ommekeer van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ten opzichte van een eerdere beslissing in de zaak Delcourt 85 (zie verder), maar sindsdien werd dit nieuwe standpunt herhaaldelijk bevestigd. 86 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ging dezelfde richting uit met betrekking tot de tussenkomst van de Commissaire du Gouvernement voor de FranseConseil d’État, tenminste voor wat de deelname aan het beraad betreft. 87 Voor wat de mededeling van het ontwerp van beslissing aan de Commissaire du Gouvernement (thans «rapporteur public») betreft, lijkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens thans minder streng te zijn, omdat de «rapporteur public» zelf deel uitmaakt van de Franse Conseil d’État en slechts tijdelijk de functie van «rapporteur public» uitoefent 88 ;

– wanneer de verdediging al te lang moet wachten vooraleer in de gelegenheid te worden gesteld om te kunnen pleiten 89 ;

– wanneer een veroordeelde tijdens de rechtspleging voor het opperste gerechtshof vroeg persoonlijk aanwezig te mogen zijn, maar de gelegenheid niet had gekregen aanwezig te zijn op een preliminaire zitting achter gesloten deuren 90 ;

– wanneer de procedureregels onvoldoende nauwkeurig zijn vastgelegd in de nationale wetgeving, aangezien deze regels precies tot doel hebben de beklaagde te beschermen tegen elk willekeurig overheidsoptreden of machtsmisbruik 91 ;

– wanneer de verdediging geen kennis kreeg van alle bewijselementen; dit kan het geval zijn wanneer stukken nog tijdens het beraad aan de rechter worden voorgelegd. 92

Het EHRM oordeelde echter dat de plaats van het openbaar ministerie in de zittingszaal geen miskenning oplevert van het recht op wapengelijkheid. 93

Het EHRM oordeelde voorts ook dat de onmogelijkheid voor de burgerlijke partij, die niet bijgestaan wordt door een advocaat, om toegang te krijgen tot het onderzoeksdossier, geen miskenning van het recht op wapengelijkheid oplevert, omdat de noodzaak het geheim van het onderzoek te bewaren verantwoordt dat dit dossier enkel toegankelijk zou zijn voor de advocaten, die gebonden zijn door hun beroepsgeheim, wat niet het geval is voor de beklaagden 94 en de burgerlijke partijen. 95

De term «wapengelijkheid» vindt men voor het eerst terug in de zaak Szwabowicz t/ Zweden 96 van 30 juni 1959.

De Europese Commissie hanteert dezelfde term ook in twee zaken, die beide betrekking hadden op de procedure voor het Belgische Hof van Cassatie, namelijk op de mogelijkheid om nog te reageren op een antwoordmemorie 97 en op de afwezigheid van een persoonlijke voorafgaande kennisgeving van de zittingsdatum, 98 maar waarbij geen miskenning van het recht op wapengelijkheid werd vastgesteld. In latere verslagen was de Europese Commissie in dezelfde materie evenwel strenger. 99

In de zaak Ofner en Hopfinger t/ Oostenrijk van 5 april 1963 oordeelde het Comité van Ministers van de Raad van Europa eerder al: «What is generally called «the equality of arms», that is the procedural equality of the accused with the public prosecutor, is an inherent element of a «fair trial»». In deze twee gevoegde zaken voerden de verzoekers Herbert Ofner en Alois Hopfinger aan dat de wapengelijkheid geschonden was omdat zij niet vertegenwoordigd waren bij de behandeling van hun strafzaak door het Oostenrijks opperste gerechtshof, terwijl de advocaat-generaal bij dit Hof wel kennis had gekregen van het verslag van de raadsheer-rapporteur. Op basis van een feitelijke analyse van de procedure besloot het Comité van Ministers dat art. 6 EVRM niet geschonden was, onder meer omdat de advocaat-generaal zich enkel akkoord had verklaard met het verslag van de raadsheer-rapporteur en dus niet gepoogd had de beslissing in het nadeel van de beklaagde te beïnvloeden. 100

De term «wapengelijkheid» is eveneens terug te vinden in het verslag van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 28 september 1964 in de zaak Oskar Plischke t/ Oostenrijk101 en in het verslag van de Europese Commissie in de zaak Neumeister t/ Oostenrijk 102 van 27 mei 1966, dat gevolgd werd door een arrest van 27 juni 1968. 103

Berger wijst er in dit verband op dat het Hof preciseert dat het principe van de wapengelijkheid van art. 6.1 EVRM, waarvan de miskenning door Neumeister werd aangevoerd, niet van toepassing is, omdat de betwisting geen betrekking had op een uitspraak over de gegrondheid van de strafvordering, maar op de aanwending van een verhaalmiddel inzake de voorlopige hechtenis. 104

In zijn arrest van 12 december 1991 inzake Toth t/ Oostenrijk 105 wijzigde het Hof evenwel zijn standpunt en ook in de zaak Lamy t/ België 106 besliste het Hof tot een schending van art. 5.4 EVRM.

Het standpunt van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de precieze inhoudelijke invulling van het beginsel van de wapengelijkheid, vindt men terug in tal van arresten, meestal op ongeveer gelijkluidende wijze, maar soms met enige nuances.

Het principe van de wapengelijkheid vereist dat aan elke procespartij de redelijke mogelijkheid wordt geboden om haar zaak aan de rechter voor te leggen onder voorwaarden die haar niet in een substantieel (of merkbaar, duidelijk, kennelijk) nadelige positie plaatsen ten opzichte van de tegenpartij. 107

Het recht op een procedure op tegenspraak houdt in principe de mogelijkheid in voor alle partijen om kennis te nemen van en opmerkingen te maken bij alle bewijzen of andere elementen die worden aangevoerd of voorgelegd met het oog op het beïnvloeden van de beslissing van de rechter. Art. 6.1 EVRM is in de eerste plaats bedoeld om de belangen van de partijen en die van een goede rechtsbedeling te verzekeren en te vrijwaren. Wat telt, is het vertrouwen van de gedingvoerende partij in de werking van Justitie. Dat vertrouwen is, onder meer, gebaseerd op de wetenschap dat deze partij de mogelijkheid had haar zienswijze te doen kennen m.b.t. elk gegeven of stuk uit het dossier van de rechtspleging. 108

Gelet op de casuïstische wijze van benadering en analyse die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert, is het schier onmogelijk alle in voetnoot 108 vermelde arresten verder allemaal in detail te bespreken, maar sommige van deze arresten verdienen enige nadere aandacht.

In zijn reeds vermelde arrest Delcourt t/ België van 17 januari 1970 109 oordeelt het Hof opnieuw, zoals in de zaak Neumeister t/ Oostenrijk, dat het principe van de wapengelijkheid niet de hele inhoud van art. 6.1 EVRM dekt, maar slechts één (autonoom, maar fundamenteel 110 ) aspect uitmaakt van het breder begrip van een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter.111 In dit arrest formuleert het Europees Hof van de Rechten van de Mens het principe van de wapengelijkheid op negatieve wijze, zoals Jean-Pierre Dintilhac 112 terecht opmerkt: het Hof oordeelt dat er geen sprake kan zijn van een eerlijk proces, wanneer het proces verloopt «dans des conditions de nature à placer injustement un accusé dans une situation désavantageuse».

Uit de rechtspraak van Straatsburg blijkt dat het EHRM aan het vereiste van de wapengelijkheid een algemene draagwijdte geeft, zonder evenwel aan dit recht een absolute waarde toe te kennen. Er wordt door het EHRM immers niet vereist dat de lidstaten een strikte procedurele gelijkheid tussen de partijen waarborgen, maar enkel dat alle partijen aanspraak moeten kunnen maken op een «redelijk gelijkwaardige» of een «redelijk vergelijkbare» situatie: «une des exigences d’un «procès équitable» est «l’égalité des armes», laquelle implique l’obligation d’offrir à chaque partie une possibilité raisonnable de présenter sa cause dans des conditions qui ne la placent pas dans une situation de net désavantage par rapport à son adversaire 113 ». Dit houdt in dat geen enkele van de betrokken partijen in een duidelijk bevoorrechte positie mag worden geplaatst. Dit vereiste geldt ongeacht de precieze hoedanigheid van de partij 114 ; het recht op wapengelijkheid is bijgevolg ook van toepassing wanneer de tegenpartij een lidstaat is die partij is bij het EVRM of een openbare dienst of een staatsorgaan zoals het openbaar ministerie, 115 waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens ook herhaaldelijk heeft gezegd dat de wapengelijkheid in verhouding tot het openbaar ministerie (of gelijkwaardige instellingen) ook betrekking heeft op elke tussenkomst in het proces, die eventueel van aard zou kunnen zijn om de beslissing van de rechter ten gunste van de ene of de andere partij te beïnvloeden. 116

In het arrest Brandstetter t/ Oostenrijk van 8 mei 1990 preciseert het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opnieuw dat het principe van de wapengelijkheid deel uitmaakt van het breder begrip van het eerlijk proces, dat ook het fundamenteel recht op tegenspraak in de strafprocedure omvat. Dit recht op een strafproces op tegenspraak houdt in dat zowel de beklaagde als de vervolgende instantie de mogelijkheid hebben om kennis te nemen van de argumenten en de bewijsmiddelen die door de tegenpartij worden aangevoerd en om deze te betwisten. 117 Dit komt overeen met het beginsel van de accusatoire procesvoering. 118 Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan de nationale wetgeving op verschillende wijzen aan dit vereiste voldoen, maar de uiteindelijk gekozen methode moet waarborgen dat een partij kennis krijgt van de door de tegenpartij voorgelegde opmerkingen en over een reële mogelijkheid beschikt om tegenopmerkingen te formuleren. 119 Zo mag de beklaagde niet in een toestand geplaatst worden die leidt tot «a disproportionate restriction of his right to defence». 120 In die context hecht het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook belang aan de schijn 121 van een rechtvaardige rechtsbedeling. 122

In fiscale zaken oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het recht op wapengelijkheid kan inhouden dat de fiscale administratie bepaalde door de rechtzoekende opgevraagde stukken moet mededelen, op voorwaarde dat deze vraag specifiek met redenen is omkleed. 123 In een andere fiscale zaak oordeelde het Hof, anders dan de Commissie, dat het feit dat bepaalde stukken niet werden medegedeeld, geen miskenning van het recht op wapengelijkheid opleverde, omdat de rechter zijn overtuiging enkel had gevormd op basis van de (andere) voorgelegde stukken, die deel uitmaakten van het debat en waarover tegenspraak werd gevoerd. 124

Het Hof oordeelde meermaals dat er miskenning van de wapengelijkheid was, wanneer één van de partijen niet de mogelijkheid had zijn standpunt te verdedigen, terwijl dit wel het geval was voor de tegenpartij. 125 Er is echter geen miskenning van het principe van de wapengelijkheid wanneer noch de beklaagde noch de vervolgende partij toelating kregen om in persoon te verschijnen, 126 maar op gelijke wijze schriftelijk hun standpunt konden doen kennen. 127 Er zal evenwel toch sprake zijn van miskenning van het recht op wapengelijkheid, wanneer het openbaar ministerie aanwezig was bij de behandeling van de zaak en de afwezige beklaagde enkel schriftelijke conclusies kon neerleggen. 128

Wanneer een bepaald bewijselement aan geen enkele van de betrokken partijen werd medegedeeld, kan er geen sprake zijn van enige miskenning van het recht op wapengelijkheid, 129 maar kan deze toestand eventueel wel een miskenning van het vereiste van tegenspraak opleveren. 130

In het kader van de bewijslevering komt het principe van het recht op wapengelijkheid dus onder meer tot uiting in de mogelijkheid die aan elke procespartij wordt geboden om in haar eigen voordeel bewijzen naar voor te brengen ter staving van de aangevoerde feiten in omstandigheden die haar niet in een substantieel nadelige positie plaatsen ten aanzien van de tegenpartij. 131 Meer in het algemeen moet elke partij in de gelegenheid worden gesteld om op een gelijkwaardige wijze haar argumenten voor te leggen. 132

Deze regel is evenwel niet absoluut en moet in alle redelijkheid toegepast worden. 133 Zo kent deze regel uitzonderingen in de mate dat de lidstaten over een appreciatiemarge beschikken met betrekking tot de ontvankelijkheid van de door de partijen aangevoerde bewijzen. Zij kunnen onder meer bewijzen verwerpen die niet relevant zijn voor de zaak of die ertoe strekken feiten te bewijzen waarvan het bestaan zonder invloed is voor de uitkomst van het geschil. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt het probleem van de ontvankelijkheid van de bewijzen in de eerste plaats beheerst door de regels van intern recht en komt het, in principe, aan de nationale rechtsinstanties toe de ingezamelde elementen te beoordelen. 134

Het EHRM brengt zelf een tweede tempering aan. Het oordeelde herhaaldelijk dat het recht op mededeling van de pertinente bewijzen niet absoluut is. In welbepaalde strafzaken kunnen er concurrerende belangen spelen, zoals de nationale veiligheid of de noodzaak getuigen te beschermen of politiemethodes af te schermen, die moeten worden afgewogen ten opzichte van de belangen van de beklaagde. 135 In bepaalde gevallen kan het nodig zijn bepaalde bewijzen te verhelen voor de verdediging om de fundamentele rechten van een ander individu of een belangrijk openbaar belang te vrijwaren. Die beperkende maatregelen zijn evenwel slechts wettig in het licht van art. 6.1 EVRM, wanneer zij absoluut noodzakelijk en bovendien evenredig en proportioneel zijn. 136 Bovendien is ook vereist, om een eerlijk proces aan de beklaagde te waarborgen, dat de beperkingen aan het recht van verdediging op afdoende wijze worden gecompenseerd door de garanties die de rechtspleging voor de bevoegde gerechtelijke overheden biedt. 137

Het vereiste van het principe van de wapengelijkheid wordt ook nog op een andere wijze gemilderd. Zo oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat er geen verplichting op de lidstaat rust om door middel van het gebruik van openbare fondsen een totale wapengelijkheid te verzekeren tussen de persoon die rechtsbijstand geniet en de tegenpartij, tenminste voor zover aan elk van deze partijen de «redelijke» mogelijkheid wordt geboden om haar zaak aan de rechter voor te leggen in voorwaarden die haar niet in een substantieel nadelige positie plaatsen ten opzichte van de tegenpartij. 138 Bovendien moet het om een daadwerkelijke of effectieve 139 mogelijkheid gaan. Een beperking van het recht op rechtsbijstand die daarentegen zover zou reiken dat de kern zelf van het recht op toegang tot de rechter wordt aangetast, levert een schending van art. 6.1 EVRM op. 140

Het recht op wapengelijkheid speelt eveneens bij het instellen van een rechtsmiddel, 141 maar het feit dat privépersonen over een kortere termijn beschikken om een rechtsmiddel in te stellen dan het openbaar ministerie, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet als problematisch beschouwd. 142 Toch zal er een miskenning van het recht op wapengelijkheid bestaan, wanneer een privépersoon, in tegenstelling tot de openbare overheden, zich niet kan beroepen op een schorsing van de proceduretermijnen tijdens de gerechtelijke vakantie. 143

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde voorts dat de wettelijke voorwaarde die de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de burgerlijke partij, behalve in een aantal door de wet bepaalde gevallen, afhankelijk stelt van een gelijktijdig cassatieberoep van het openbaar ministerie, geen miskenning oplevert van het recht op wapengelijkheid. 144 Toch mag het openbaar ministerie ook niet echt bevoorrecht worden ten opzichte van de andere partijen. 145

De omstandigheid dat een partij niet kan reageren tegen een door de tegenpartij ingesteld rechtsmiddel, omdat zij niet ingelicht werd over het instellen van dit rechtsmiddel, kan eveneens een miskenning van het recht op wapengelijkheid opleveren. 146

In het arrest Vidal t/ België van 22 april 1992 oordeelt het Hof dat art. 6.3.d EVRM niet inhoudt dat elke getuige à décharge zou opgeroepen en verhoord worden. Zoals de woorden «op dezelfde voorwaarden» van art. 6.3.d EVRM aantonen, heeft deze verdragsbepaling enkel tot doel een volledige wapengelijkheid te verzekeren bij het getuigenverhoor. 147

In zijn arrest Ruiz-Mateos t/ Spanje van 23 juni 1993 oordeelde het Hof dat het principe van de wapengelijkheid ook van toepassing is op rechten of verbintenissen van burgerlijke aard. 148 Het herhaalt dit standpunt op meer expliciete wijze in zijn arresten van 27 oktober 1993 inzake Dombo Beheer t/ Nederland 149 en van 9 december 1994 inzake Stran Greek Refineries en Stratis Andreadis t/ Griekenland 150 en in latere arresten. 151

Het principe van de wapengelijkheid geldt eveneens in tuchtzaken. 152

In zijn arrest Ankerl t/ Zwitserland van 23 oktober 1996 oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het als opdracht heeft na te gaan of de rechtspleging, beschouwd in haar geheel, «eerlijk» was in de zin van art. 6.1 EVRM. Het Hof herinnert eraan dat het vereiste van de wapengelijkheid ook geldt in geschillen die betrekking hebben op particuliere belangen. De wapengelijkheid houdt dan de verplichting in om aan elke partij een redelijke mogelijkheid te geven haar zaak, met inbegrip van de bewijzen, voor te leggen in voorwaarden die deze partij niet in een duidelijk nadelige positie plaatsen ten opzichte van de tegenpartij. Een verschil in behandeling bij het verhoor van getuigen kan van aard zijn om miskenning van dit principe op te leveren, 153tenzij vaststaat dat de rechtbank geen bijzondere waarde aan deze getuigenis hechtte, maar rekening hield met andere bewijselementen zonder verband met deze getuigenverklaring.

In het arrest van 9 mei 2003 inzake Georgios Papageorgiou t/ Griekenland oordeelt het Hof dat elk strafproces, ook in zijn processuele aspecten, moet voldoen aan de vereisten van de tegenspraak en van de wapengelijkheid tussen de vervolgende partij en de verdediging; dit zijn volgens het Hof fundamentele aspecten van het recht op een eerlijk proces. Het recht op een procedure op tegenspraak houdt in dat zowel de vervolgende partij als de verdediging de mogelijkheid moeten hebben om kennis te nemen van de opmerkingen of de bewijselementen die door de tegenpartij worden voorgelegd. Bovendien vereist art. 6.1 EVRM dat de vervolgende partij aan de verdediging alle pertinente bewijselementen mededeelt waarover die partij beschikt, en dit geldt zowel voor de elementen «à charge» als voor de elementen «à décharge». 154

In zijn arrest van 26 februari 2002 inzake Fretté t/ Frankrijk herhaalt het Hof eens te meer zijn standpunt betreffende de reeds gekende inhoud van het principe van de wapengelijkheid en preciseert het opnieuw dat dit principe ook inhoudt dat de procespartijen in de regel het recht hebben om kennis te nemen van elk stuk of elke opmerking die aan de rechter werd voorgelegd om zijn beslissing te beïnvloeden, zelfs wanneer dit stuk of deze opmerking aan de rechter werd voorgelegd door een onafhankelijk magistraat. 155

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hecht een groot belang aan een proceseconomische benadering, maar een dergelijke benadering kan niet verantwoorden dat een fundamenteel principe als het recht op tegenspraak zou worden miskend. Dit houdt de verplichting in de bepalingen van het nationale recht met betrekking tot de toelaatbaarheid van het uitwisselen van verdere standpunten of conclusies te interpreteren op een wijze die de mogelijkheid van de tegenpartij om op die nieuwe gegevens of aanvoeringen te reageren, niet beperkt. 156

Met betrekking tot de voorlopige hechtenis oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat voor personen die van hun vrijheid beroofd zijn onder de voorwaarden bedoeld in art. 5.1.c EVRM, de rechtspleging, die gevolgd wordt in het kader van een rechtsmiddel dat aangevoerd wordt tegen deze vrijheidsberoving, de wapengelijkheid tussen de gedetineerde en het openbaar ministerie moet waarborgen. 157 De mogelijkheid om, met enige kans op succes, de verklaringen of overwegingen die het openbaar ministerie in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis grondt op bepaalde stukken van het dossier, te weerleggen of te betwisten, onderstelt in sommige gevallen dat de verdediging toegang tot die stukken krijgt 158 en dat het openbaar ministerie zich niet kan verschuilen achter de confidentialiteit van deze stukken. 159

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde voorts inzake de voorlopige hechtenis dat de wapengelijkheid inhoudt dat aan de beklaagde de mogelijkheid moet worden geboden om, net zoals de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, voor het rechtscollege te verschijnen en de conclusie van de aanklager te kunnen beantwoorden. 160 De procedure moet op tegenspraak verlopen en de wapengelijkheid tussen de openbare aanklager en de gedetineerde waarborgen. 161

Meer algemeen oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de mededeling van de stukken dat de partijen uit het recht op wapengelijkheid niet het recht kunnen afleiden om vóór de terechtzitting mededeling te krijgen van conclusies die niet eerder werden medegedeeld aan de tegenpartij, noch aan de rapporteur of aan de rechters. 162

Het Hof oordeelde echter herhaaldelijk dat de eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat de beperking van de toegang van de beklaagde of van zijn raadsman tot het dossier van de rechtspleging niet van die aard mogen zijn dat zij beletten dat de beklaagde kennis kan krijgen van de bewijselementen vóór het debat en dat hij deze, door tussenkomst van zijn raadsman, kan betwisten in zijn pleidooi. 163

Volgens de rechtspraak van het Hof kan het gebrek aan neutraliteit van een door de rechter aangestelde deskundige in welbepaalde gevallen een schending opleveren van het recht op wapengelijkheid als inherent onderdeel van het begrip «eerlijk proces». 164 Bij deze beoordeling of er sprake is van miskenning van het recht op wapengelijkheid moet, onder meer, rekening worden gehouden met de plaats en de rol van de deskundige in de rechtspleging, en ook hier kan de schijn (van partijdigheid) belangrijk zijn. 165

Met betrekking tot een aangevoerd verweer gebaseerd op uitlokking door de politie, oordeelt het Hof dat de nationale rechtsinstanties verplicht zijn tot een nauwkeurig onderzoek van het strafdossier wanneer een beklaagde provocatie door de politie inroept. In dit kader onderzoekt het Hof de kwaliteit van de analyse door de nationale rechtsinstantie van de aangevoerde uitlokking en het moet er zich daarbij van vergewissen dat de nationale rechter op een adequate wijze het recht van verdediging van de beklaagde heeft gevrijwaard, inzonderheid het recht op een procedure op tegenspraak en de wapengelijkheid. 166

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft zich ook herhaaldelijk uitgesproken over de tussenkomsten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie of bij andere vergelijkbare opperste rechtsinstanties. Volgens dit Hof wordt het openbaar ministerie, omdat het in een zaak een standpunt inneemt dat aansluit bij het standpunt van één van de (echte) procespartijen, zelf ook «partij» in de zaak, en dus de medestander of tegenstander van één van die partijen, waardoor zijn deelname aan het proces van aard kan zijn om een gevoelen van ongelijkheid ten opzichte van één van deze partijen te doen ontstaan. 167 In dit kader wijst het Hof erop dat, hoewel de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van het openbaar ministerie (of van elke andere soortgelijke instantie) niet voor enige kritiek vatbaar is, de toegenomen gevoeligheid van het publiek voor een rechtvaardige rechtsbedeling 168 verantwoordt dat steeds meer belang gehecht wordt aan de schijn. 169

Het Hof oordeelde voorts 170 dat het principe van de wapengelijkheid wordt miskend wanneer een rechterlijke uitspraak betreffende een persoon die vervolgd werd wegens een strafbaar feit een mening inhoudt dat deze persoon schuldig is, nog vóór hij in rechte en overeenkomstig de wet schuldig is bevonden. Het volstaat, zelfs zonder enige formele vaststelling, dat de rechter een redenering volgt waaruit kan worden afgeleid dat hij de beklaagde schuldig acht. 171

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens sprak zich ook herhaaldelijk uit over mogelijke interferenties van de lidstaat op hangende rechtsplegingen. 172 Het Hof verzet er zich in de regel tegen dat de Staat, door een wetgevend ingrijpen, poogt de uitkomst van een rechtszaak te beïnvloeden, het instellen van een procedure te verhinderen of de uitvoering van definitieve rechterlijke beslissingen tegen te houden. 173 Wanneer er evenwel sprake is van dwingende redenen van algemeen belang, 174 aanvaardt het Hof ook a posteriori gestemde validatie- of reparatiewetten. Dit zal met name het geval zijn wanneer de wet door de rechtzoekende van zijn eigenlijk doel wordt afgewend wegens het gebrekkige karakter ervan en de (nieuwe verbeterende) tussenkomst van de wetgever voorzienbaar was. In dergelijke gevallen kan er volgens het Hof geen sprake zijn van enige miskenning van het beginsel van wapengelijkheid. 175

Ook in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen toepassingen worden teruggevonden van het principe van de wapengelijkheid, dat een algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht 176 uitmaakt (zie ook supra).

Het in het hiervoor reeds besproken art. 47 van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming bestaat uit diverse onderdelen, namelijk het recht van verdediging, het beginsel van «equality of arms», het recht op toegang tot de rechter en het recht zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Blijkens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het beginsel van processuele gelijkheid of van «equality of arms», net als met name het beginsel van hoor en wederhoor, een logisch uitvloeisel van het begrip eerlijk proces: 177 aan elke partij moet een redelijke mogelijkheid worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijsmiddelen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld. Het beginsel van «equality of arms» heeft tot doel een evenwicht 178 tussen de procespartijen te verzekeren door te waarborgen dat elk aan de rechter overgelegd document kan worden gecontroleerd en bestreden door alle procespartijen. Omgekeerd moet het door een gebrek aan evenwicht geleden nadeel in beginsel worden bewezen door degene die nadeel heeft geleden. 179

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kent art. 6.3.d EVRM aan een beklaagde geen absoluut recht toe om getuigen voor de rechtbank te doen laten verschijnen en komt het in principe aan de rechter toe om te oordelen over de noodzaak of de opportuniteit om een getuige op te roepen, maar de rechtspleging, in haar geheel beschouwd, moet aan de beklaagde een effectieve en afdoende mogelijkheid bieden om de vermoedens die op hem rusten te betwisten. 180

Ook het Belgisch Grondwettelijk Hof hanteert de term wapengelijkheid, waaraan opnieuw eenzelfde invulling wordt gegeven. Het Grondwettelijk Hof oordeelde immers meermaals dat het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling de wapengelijkheid voor de procespartijen inhoudt, waarmee het recht om tegenspraak te voeren nauw is verbonden. Hieruit vloeit voort dat elke partij de mogelijkheid moet hebben haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten opzichte van de tegenpartij, en de partijen moeten tevens in beginsel de mogelijkheid hebben kennis te nemen van en te antwoorden op elk stuk of elk argument dat aan de rechter wordt voorgelegd om zijn beslissing te beïnvloeden 181 en zij moeten ook over dezelfde relevante stukken kunnen beschikken. 182

Een beperking van deze waarborgen kan evenwel worden verantwoord, niet alleen wanneer hogere belangen in het geding zijn die dienen te worden afgewogen tegen de rechten van de beklaagde, maar ook indien de beperking noodzakelijk is om de inachtneming van andere grondrechten te waarborgen. 183

In navolging van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens 184 oordeelde het Grondwettelijk Hof ook dat het recht op een strafproces op tegenspraak inhoudt dat zowel de vervolgende partij als de verdediging de mogelijkheid moeten hebben kennis te nemen van en te antwoorden op de opmerkingen en bewijselementen van de andere partij. Hieruit vloeit eveneens de verplichting voor de vervolgende partij voort om in beginsel alle bewijselementen aan de verdediging mede te delen.

Het recht om kennis te nemen van alle bewijselementen waarover de vervolgende partij beschikt, is evenwel niet absoluut. In sommige strafrechtelijke procedures kunnen tegenstrijdige belangen aanwezig zijn, zoals de nationale veiligheid, de noodzaak om getuigen te beschermen of onderzoeksmethoden geheim te houden, die dienen te worden afgewogen tegen de rechten van de beklaagde. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn bepaalde bewijselementen geheim te houden voor die partij teneinde de fundamentele rechten van andere personen of een behartenswaardig algemeen belang te vrijwaren.

De inmenging in de rechten van de verdediging kan echter enkel worden verantwoord indien zij strikt evenredig is met het belang van de te bereiken doelstellingen en indien zij wordt gecompenseerd door een procedure die een onafhankelijke en onpartijdige rechter in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken. 185 De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof sluit hier opnieuw naadloos aan bij die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 186

Het beginsel van de wapengelijkheid verhindert niet dat twee partijen ten opzichte van een derde partij eenzelfde standpunt verdedigen, zolang ieder van die partijen afzonderlijk genomen op gelijke wijze wordt behandeld. 187

Het recht op een eerlijk proces, meer bepaald het beginsel van de wapengelijkheid, houdt in dat de wetgever, wanneer hij in buitengewone rechtsmiddelen voorziet, bij de nadere uitwerking ervan het gelijkheidsbeginsel moet naleven. Het gelijkheidsbeginsel impliceert evenwel niet dat de wetgever bij het bepalen van de modaliteiten de verschillende bij een strafzaak betrokken partijen, mede gelet op de onderscheiden belangen die zij behartigen, op dezelfde voet moet behandelen. Er is enkel vereist dat die modaliteiten niet leiden tot een discriminerende beperking van de bij de wet aan de partijen toegekende mogelijkheid om dit buitengewoon rechtsmiddel aan te wenden. 188

Weliswaar dient in de fase van de strafvordering voor de vonnisgerechten ook rekening te worden gehouden met het recht op een eerlijk proces en inzonderheid met het beginsel van de «wapengelijkheid» van de partijen, maar die beginselen hebben niet een zo verregaande draagwijdte dat zij elk verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie en de verdachte in de weg zouden staan. Dat het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen voor het instellen van het hoger beroep over een langere termijn beschikt dan de beklaagde, is verantwoord door de devolutieve werking van het hoger beroep. Aangezien de saisine van de rechter in hoger beroep beperkt is tot de beschikkingen van het vonnis a quo die worden aangevochten en het hoger beroep van alleen de beklaagde in beginsel enkel op diens eigen belangen betrekking kan hebben en hem geen nadeel kan berokkenen, is het aangewezen dat het openbaar ministerie, dat het belang van de gemeenschap behartigt, in voorkomend geval eerst kennis zou kunnen nemen van de omvang van het hoger beroep van de partijen die zo’n beroep vermogen in te stellen en die de draagwijdte ervan kunnen beperken, om alsdan te kunnen beslissen of er aanleiding is om de hele strafvordering opnieuw aan het oordeel van de rechter te onderwerpen. De beroepstermijn voor het openbaar ministerie bij de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen is mede verantwoord door het feit dat, overeenkomstig de betwiste bepaling van art. 205 Sv., zo’n hoger beroep binnen de gestelde termijn moet worden betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Ten slotte, aangezien de beklaagde de laatste nuttige dag van de termijn van vijftien dagen kan afwachten om bij eenvoudige verklaring hoger beroep in te stellen, is het niet onredelijk dat aan het openbaar ministerie bij de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen wegens de hiervoor vermelde redenen de mogelijkheid wordt geboden om hoger beroep in te stellen binnen vijfentwintig dagen. 189

Wat zijn eigen beoordelingsbevoegdheid betreft, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat het aan de wetgever toekomt om een concrete draagwijdte te geven aan de algemene beginselen, zoals de toegang tot een rechter en de wapengelijkheid, maar dat het tot de bevoegdheid van het Hof behoort, zonder dat het zich in de plaats van de wetgever kan stellen, om te onderzoeken of de verschillende in het geding zijnde partijen op discriminerende wijze worden behandeld. 190

Wat de retroactieve werking van de wet betreft, oordeelde het Grondwettelijk Hof (toen nog Arbitragehof) dat het enkele feit dat een wetsbepaling met terugwerkende kracht implicaties heeft voor hangende geschillen, niet betekent dat de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie geschonden zouden zijn doordat afbreuk zou worden gedaan aan de jurisdictionele waarborgen die aan alle burgers worden geboden. Volgens het Hof is de niet-retroactiviteit van wetten een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van één of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden om zich uit te spreken over een rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers een schending inhoudt van de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. 191 Ook hier sluit het Grondwettelijk Hof zich aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 192

Ook de Raad van State toetst de regelmatigheid en de wettigheid van administratieve beslissingen aan het beginsel van de wapengelijkheid. 193

Wanneer een verwerende partij een exceptie al had kunnen aanvoeren in haar memorie van antwoord, kan zij deze nieuwe exceptie niet voor het eerst in een nieuwe laatste memorie opwerpen. Een dergelijke handelwijze is dilatoir en schendt het recht van verdediging van de andere partijen en het beginsel van de wapengelijkheid en is derhalve in strijd met de regels van een behoorlijke procesvoering. 194 Hetzelfde geldt voor te laat aangevoerde nieuwe middelen 195 en een te laat ingediend verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof 196 of aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 197

Bij de beoordeling van de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan alleen rekening worden gehouden met wat daarover in het verzoekschrift wordt uiteengezet. 198

Wanneer een verzoekende partij zichzelf een lange termijn toekent om de vordering in te stellen, houdt dit niet alleen de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid, maar verstoort dit ook op ernstige wijze de wapengelijkheid tussen de partijen. 199

Aangezien het bevoegde lid van het auditoraat bij de behandeling van een annulatieberoep niet optreedt als een partij in het geding, maar dat het integendeel als een orgaan van de Raad van State tot taak heeft, ter voorlichting van de Raad van State en van de partijen, een eerste objectieve controle van de ontvankelijkheid en de wettigheid van de bestreden bestuurshandeling uit te oefenen, kunnen de voorschriften die het optreden van de organen van de Raad van State regelen, niet betrokken worden bij de vraag naar de schending van de wapengelijkheid. 200

Wat de rechtspraak van het Hof van Cassatie betreft, wordt het woord «wapengelijkheid» teruggevonden in een beperkt aantal burgerlijke zaken (3), fiscale zaken (2) en tuchtzaken (3).

Volgens het Hof bestaan er geen algemene rechtsbeginselen zoals de «wapengelijkheid» en het «recht op tegenspraak», die onderscheiden zouden zijn van de algemene beginselen van de eerbiediging van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. 201 Er bestaat evenmin een recht op de «schijn» van gelijkheid. 202

Inzake de problematiek van de voorlopige hechtenis oordeelde het Hof van Cassatie dat het vereiste van toegang tot de rechter niet de «gelijkwaardigheid» impliceert van het openbaar ministerie en van de beklaagde in het strafproces. 203

Krachtens art. 5.4 EVRM, dat aan iedere gearresteerde het recht op wapengelijkheid waarborgt, moet de verdachte tegen wie een bevel tot aanhouding is verleend of zijn raadsman de gelegenheid hebben om, vóór de bevestiging van het bevel, inzage te nemen van de stukken die betrekking hebben op die bevestiging. 204

Wat het opsporingsonderzoek betreft, oordeelde het Hof dat de wapengelijkheid tussen partijen niet wordt miskend en dat de ambtenaren van de Openbare Vlaamse Afvalmaatschappij (OVAM) niet optreden als getuige à charge in de zin van de bepalingen van het EVRM en het IVBPR, wanneer het strafonderzoek in milieuzaken voortdurend onder de leiding en het toezicht van de procureur des Konings is geschied en hij zich heeft laten bijstaan door de wettelijk daartoe bevoegde ambtenaren van OVAM die de hoedanigheid hebben van gerechtelijke politie en technisch bevoegd zijn. 205

Wanneer de beklaagde, die inzake douane en accijnzen vervolgd wordt, voor het vonnisgerecht vrij de gegevens heeft kunnen tegenspreken die door de administratie van financiën en door het openbaar ministerie tegen hem zijn aangevoerd in het kader van een gezamenlijk en gelijktijdig uitgeoefende strafvordering, kan hij niet beweren dat hij geen recht heeft gehad op een eerlijke behandeling van zijn zaak in de zin van het EVRM of dat het beginsel van de gelijkheid van wapens is miskend. 206 Hetzelfde geldt voor de technische bijstand die door belastingambtenaren geleverd wordt aan de onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar fiscale misdrijven. 207

Inzake de bewijslast oordeelde het Hof dat de aan een partij opgelegde verplichting om de aanvoering dat inlichtingen die geen bewijswaarde hebben maar slechts in aanmerking worden genomen om het onderzoek in een bepaalde richting te sturen en aldus op autonome wijze bewijzen te verzamelen, op onregelmatige wijze werden verkregen, aannemelijk te maken en die het niveau van een loutere bewering te laten overstijgen, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak van deze partij, niet louter theoretisch of illusoir maakt. 208

De aangehouden inverdenkinggestelde vermag geen miskenning van de wapengelijkheid af te leiden uit het loutere feit dat om veiligheidsredenen een andere reglementaire toegangsregeling tot een penitentiair centrum bestaat voor onderzoekers dan voor de gedetineerden of hun bezoekers, onder wie advocaten. 209

Met betrekking tot de samenstelling van de zetel oordeelde het Hof dat wanneer een zaak in beraad werd genomen door een uit drie rechters samengesteld rechtscollege en tijdens het beraad een van hen heeft ontdekt dat er te zijnen aanzien een grond tot wraking bestond, waardoor hij zich diende te onthouden om van de zaak kennis te nemen, en de zaak na heropening van het debat voor een anders samengesteld rechtscollege kwam dat echter uit de vroegere rechters bestond, met uitzondering van degene die zich diende te onthouden van de zaak, uit de omstandigheid alleen dat die rechters samen met de rechter die zich nadien van de zaak heeft onthouden, hebben beraadslaagd over de zaak, niet kan worden afgeleid dat zij niet over de vereiste onpartijdigheid beschikten om in de nieuwe samenstelling uitspraak te doen of dat het beginsel van wapengelijkheid of het recht van verdediging van een partij zou zijn miskend. 210

Wat het verloop van de rechtspleging voor de feitenrechter betreft, besliste het Hof dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie de in art. 190 Sv. bedoelde uiteenzetting op een tendentieuze manier zou hebben voorgedragen, geen afbreuk doet aan het vermoeden van onschuld en de wapengelijkheid tussen de partijen en de beklaagden niet van een eerlijk proces berooft, aangezien zij de gehele duur van het debat de mogelijkheid hebben gehad de hen ten laste gelegde feiten te betwisten, hun eigen interpretatie ervan voor te dragen en hun verweermiddelen toe te lichten. 211

De omstandigheid alleen dat het openbaar ministerie voor het opstellen van zijn vordering meer tijd zou hebben gehad dan de beklaagde en zijn raadsman hadden voor de voorbereiding van de verdediging, ontneemt de beklaagde niet de waarborg op een eerlijk proces. 212

In een zaak waarin de eiser aanvoerde dat de appelrechters door hem te veroordelen ondanks het feit dat een medebeklaagde door de eerste rechter werd vrijgesproken en het openbaar ministerie tegen deze beslissing geen hoger beroep had aangetekend, de regels van het eerlijk proces miskennen, oordeelde het Hof dat het aan de procureur des Konings staat te oordelen of er een grond is tot het instellen van hoger beroep tegen een beslissing waarbij een beklaagde wordt vrijgesproken en dat het wegens de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie de strafrechter niet toegelaten is de beslissing van de procureur des Konings om wel of niet hoger beroep in te stellen te beoordelen of hem ter zake bevel te geven, zodat de omstandigheid dat de procureur des Konings tegen de vrijspraak van een beklaagde hoger beroep instelt en niet tegen de vrijspraak van een ander, van wie wordt beweerd dat hij zich in dezelfde toestand zou bevinden, de strafbaarheid van het door eerstvermelde beklaagde gepleegde misdrijf niet wegneemt, noch het verval van de strafvordering tot gevolg heeft. De vermelde verschillende behandeling van de beklaagde ontneemt hem de kans niet om vrij tegenspraak te voeren over de door het openbaar ministerie tegen hem ingebrachte gegevens, zodat het beginsel van wapengelijkheid en het recht van de beklaagde op een eerlijk proces niet worden miskend. 213

Het ontvankelijk verklaren van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een beslissing waarbij de behandeling van een strafzaak onbepaald wordt uitgesteld, heeft niet tot gevolg dat de beklaagde en het openbaar ministerie niet langer over gelijke wapens zouden beschikken. 214

Noch uit het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging of uit het vereiste van wapengelijkheid die in dat beginsel besloten ligt, noch uit art. 6 EVRM of uit art. 168 en 297 Ger.W. volgt dat de griffier het parket niet onmiddellijk kennis mag geven van het hoger beroep van een partij en geen akte van hoger beroep mag voorbereiden namens het openbaar ministerie. Ook zonder dat bericht kan de vervolgende partij hoger beroep instellen met toepassing van art. 205 Sv. 215

In het systeem van de vrije bewijswaardering wordt de wapengelijkheid niet miskend door de omstandigheid dat getuigen onder eed worden ondervraagd en een beklaagde slechts buiten eed in zijn verweer wordt gehoord. 216

Geen miskenning van het recht op een eerlijk proces noch van de wapengelijkheid valt af te leiden uit de omstandigheid dat een getuige door de rechter onder eed wordt verhoord en zich in de verdere loop van de procedure burgerlijke partij stelt. 217

Volgens het Hof ontzegt art. 6.3.d EVRM aan de rechter niet de mogelijkheid om onaantastbaar te oordelen of een getuige «à charge» of «à décharge» nog moet worden gehoord om zijn overtuiging te kunnen vormen en wordt de gelijkheid tussen de aanklager en de verdediging niet verbroken door de weigering van de rechter de door de verzoeker voorgestelde getuigen te verhoren, aangezien de rechter eenzelfde weigering had kunnen tegenwerpen aan het openbaar ministerie. 218

De vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij eventueel zou kunnen verkrijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt en of een partij tegenspraak moet kunnen voeren over de aanvraag van dergelijke stukken door die andere partij aan een buitenlandse overheid, is vreemd aan de processuele gelijkheid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering. 219 De processuele gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd. 220

Het Hof preciseert dienaangaande voorts dat het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op wapengelijkheid valt en dat onder meer door art. 6.1 EVRM en art. 14.1 IVBPR wordt gewaarborgd, alleen inhoudt dat iedere partij in het proces dezelfde processuele middelen moet kunnen aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van en vrij tegenspraak moet kunnen voeren over de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter die van de zaak kennisneemt, worden voorgelegd. Uit deze verdragsbepalingen volgt niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang bij de uitoefening van deze mogelijkheden steeds in identieke omstandigheden moeten verkeren 221 om die mogelijkheden te benutten. 222

Het fundamentele verschil tussen de doelstellingen van het openbaar ministerie en van de vervolgde persoon verantwoordt dat eerstgenoemde over bijzondere prerogatieven kan beschikken met het oog op de opsporing en de vervolging van misdrijven. Noch art. 6 EVRM en inzonderheid het recht op een eerlijk proces dat deze verdragsbepaling waarborgt, noch de eerbied voor het recht van verdediging houden in dat het openbaar ministerie en de persoon die het voorwerp uitmaakt van de strafvervolging over dezelfde mogelijkheden moeten beschikken om tussen te komen in de loop van het gerechtelijk onderzoek. Daaruit volgt dat het openbaar ministerie wettig ervoor kan kiezen slechts bepaalde stukken van het strafdossier te laten vertalen, wat de rechter ten gronde de mogelijkheid niet ontneemt te beslissen ook andere stukken te laten vertalen. 223

Het enkele feit dat de rechter met opgave van redenen oordeelt dat niet moet worden ingegaan op het verzoek van de beklaagde om getuigen à charge te doen verhoren, houdt niet in dat hem hierdoor elke mogelijkheid wordt ontnomen om de geloofwaardigheid van de verklaringen van die getuigen afgelegd tijdens het gerechtelijk onderzoek aan te vechten, zodat hieruit alleen geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of van het recht om getuigen op te roepen kan worden afgeleid. 224

Dat een beklaagde in het kader van de behandeling van zijn zaak voor het vonnisgerecht geen kopie heeft gekregen van enkele stukken van het strafdossier, is geen miskenning van het recht van verdediging of van het algemeen rechtsbeginsel inzake de wapengelijkheid noch een schending van art. 6.1 en 6.3.b EVRM of van art. 297 Sv., wanneer die beklaagde, zoals de appelrechters vaststellen, van die enkele stukken inzage heeft gekregen en deze alleszins tijdig heeft kunnen verifiëren, zodat hij ze derhalve voor de feitenrechter kan tegenspreken of zich erop kan beroepen.225

Wat de motiveringsplicht betreft, oordeelde het Hof dat geen schending van het bij art. 6.1 EVRM bepaalde recht op een eerlijk proces noch een miskenning van het algemeen beginsel van het recht van wapengelijkheid kunnen worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, om de beslissing tot internering met redenen te omkleden, verklaart de redenen van de vordering van het openbaar ministerie over te nemen. 226

Voorts mag een beklaagde geen miskenning van de wapengelijkheid afleiden uit de omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling zijn verweer verwerpt en haar overtuiging grondt op stukken, medegedeeld door het openbaar ministerie. 227

Wanneer in strafzaken nieuwe stukken worden neergelegd na het sluiten van het debat, oordeelt de rechter in feite over de opportuniteit om het debat te heropenen, en als hij beslist zulks niet te moeten doen, rest hem geen andere mogelijkheid dan die stukken uit de rechtspleging te weren. Uit het enkele feit dat de rechter aldus heeft beslist op die stukken geen acht te slaan, kan niet worden afgeleid dat het recht van verdediging van de beklaagde en zijn recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, en met name zijn recht op de gelijkheid der wapens ten aanzien van het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen, zijn miskend. 228

Uit het feit dat het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op gelijke wapens valt, enkel inhoudt dat iedere partij in het proces dezelfde processuele middelen moet kunnen aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van stukken en gegevens die aan het oordeel worden voorgelegd van de rechter die van de zaak kennisneemt, 229 volgt niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang, steeds over dezelfde mogelijkheden moeten beschikken om rechtsmiddelen in te stellen. 230

Wat de correctionalisering betreft, oordeelde het Hof dat uit het feit, enerzijds, dat de correctionalisering van een misdaad wegens verzachtende omstandigheden voortvloeit uit de wet die op eenieder die zich in dezelfde rechtstoestand bevindt op gelijke wijze van toepassing is en wordt toegepast in het belang van de inverdenkinggestelde, omdat deze daardoor niet meer kan worden veroordeeld tot een criminele straf en, anderzijds, dat de raadkamer onaantastbaar en met opgave van redenen beoordeelt of er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, waarbij de inverdenkinggestelde al zijn verweermiddelen kan laten gelden en waarbij het feit dat het openbaar ministerie de correctionalisering vordert, daaraan geen afbreuk doet, volgt dat wanneer een inverdenkinggestelde aan wie een misdaad ten laste wordt gelegd, naar de correctionele rechtbank wordt verwezen wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden, dit geenszins willekeurig is en het gelijkheidsbeginsel noch de wapengelijkheid tussen de partijen in het proces in het gedrang brengt. Een dergelijke correctionalisering onttrekt de inverdenkinggestelde niet aan zijn natuurlijke rechter. 231

Wat het hof van assisen betreft, oordeelde het Hof dat geen schending van het recht van verdediging, van art. 6 EVRM en van art. 14 IVBPR, noch een miskenning van het recht op wapengelijkheid valt af te leiden uit de enkele omstandigheid dat voor het hof van assisen de beschuldigde en zijn raadsman aan de getuigen slechts bij monde van de voorzitter vragen kunnen stellen, 232 terwijl het toenmalige art. 319 Sv. 233 aan het openbaar ministerie toeliet rechtstreeks vragen te stellen aan de getuigen nadat hij het woord had gevraagd aan de voorzitter. In dezelfde zaak oordeelde het Hof nog dat geen schending van het recht van verdediging, van art. 6 EVRM en van art. 14 IVBPR en geen miskenning van het recht op wapengelijkheid kan worden afgeleid uit het enkele feit dat, wanneer verschillende beschuldigden voor het hof van assisen verschijnen, iedere beschuldigde of zijn raadsman niet evenveel opgeroepen gezworenen mag wraken als het openbaar ministerie.

Op de aangevoerde schending van art. 6 EVRM, onder meer omdat de beschuldigde tijdens de wedersamenstelling niet de bijstand van een advocaat genoot, waardoor het recht op wapengelijkheid in vergelijking met het openbaar ministerie werd miskend, oordeelt het Hof dat het recht op bijstand van een advocaat, gewaarborgd door art. 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, inhoudt dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken en dat zelfs in dat geval een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde of beschuldigde zoals gewaarborgd door art. 6.1 en 6.3 EVRM mag beperken, zodat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces in de regel zijn geschonden wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een verhoor door politie of onderzoeksrechter of tijdens de wedersamenstelling zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat. De omstandigheid dat verklaringen werden afgelegd tijdens een verhoor door politie of onderzoeksrechter of tijdens de wedersamenstelling, zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, heeft evenwel niet automatisch tot gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte en vervolgens beklaagde of beschuldigde op eerlijke wijze te behandelen, want wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter worden gebruikt, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de beklaagde of beschuldigde zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond of aan de kwetsbare positie van de beklaagde of beschuldigde op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard. 234

De loutere omstandigheid dat (het vroegere) art. 341, 235 eerste lid Sv. uitdrukkelijk melding maakt van de akte van inbeschuldigingstelling, welk stuk essentieel is voor de regelmatigheid van de rechtspleging voor het hof van assisen, en niet van de akte van verdediging, heeft niet tot gevolg dat aan het openbaar ministerie meer rechten worden verleend dan aan de beschuldigde en plaatst derhalve de beschuldigde niet in een minder gunstige positie dan het openbaar ministerie. 236

Door de afwijzing van het verzoek van de beschuldigde om de staten van inlichtingen betreffende de personen die opgeroepen zijn om de jury samen te stellen ter inzage te leggen van hem zelf of zijn raadsman, miskent het hof van assisen noch het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid noch het beginsel van het recht van verdediging noch het recht van de beschuldigde op een eerlijke behandeling van zijn zaak. 237

Uit de enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie op de terechtzitting heeft plaatsgenomen op dezelfde hoogte en aan dezelfde tafel als de beroepsmagistraten van het hof van assisen zelf en gekleed is in dezelfde maar overigens wettelijk voorgeschreven toga als de voorzitter van dat hof, kan niet worden afgeleid dat het recht van eiser op een eerlijk proces en in het bijzonder zijn recht op wapengelijkheid werd miskend. 238

Wat de (laattijdige) neerlegging van conclusies betreft, stelde het Hof als principe dat in strafzaken de partijen hun conclusie neerleggen ter terechtzitting en dat geen enkele wettelijke bepaling de inverdenkinggestelde verplicht zijn conclusie vooraf aan het openbaar ministerie of aan de burgerlijke partij mede te delen, maar dat deze laatsten wel het recht hebben er mededeling van te vragen. 239 De appelrechters die een conclusie van een partij weren op grond dat ze laattijdig is en niet vooraf aan het openbaar ministerie was medegedeeld, miskennen het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. 240 Het Hof preciseerde evenwel ook dat de rechter een laattijdig ingediende conclusie uit het debat kan weren door ze als een misbruik van de rechtspleging aan te merken op grond dat zij een goede rechtsbedeling verhindert, de rechten van de tegenpartij op onrechtmatige wijze schendt en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang brengt. 241

Wat de conclusie van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie betreft, oordeelde het Hof dat het niet bevoegd is om injuncties aan het openbaar ministerie te geven en dat geen enkele wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel het openbaar ministerie bij het Hof verplicht schriftelijke conclusies neer te leggen en dat het recht van verdediging niet wordt miskend wanneer het openbaar ministerie, dat geen partij in de zaak is, zijn conclusies niet schriftelijk voordraagt, aangezien eiser daarop ter terechtzitting vóór het sluiten van het debat heeft kunnen antwoorden. 242

Schending van de grondwettelijke regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet (en bijgevolg ook van de wapengelijkheid) kan niet worden afgeleid uit het feit alleen dat, rekening houdende met de omstandigheden eigen aan de zaak, een tuchtrechtscollege voor een beklaagde een zwaardere tuchtsanctie uitspreekt dan voor een andere. 243

IV. Besluit

De wijdverspreide en niet-gecontesteerde toepassing en toepasselijkheid op elke procedure van het principe van de wapengelijkheid tonen genoegzaam aan dat Bruno Oppetit overschot van gelijk had wanneer hij preciseerde dat dit principe behoort tot het natuurrecht. 244 Het betreft een algemeen principe 245 of een algemeen rechtsbeginsel, 246 dat weliswaar niet als zodanig als begrip terug te vinden is in internrechtelijke of verdragsrechtelijke teksten, 247 maar dat wel degelijk vervat ligt in een groot aantal internationale instrumenten of in de nationale regelgeving.

Het principe van de wapengelijkheid wordt inhoudelijk nationaal en internationaal door de verschillende rechtsinstanties op vergelijkbare wijze en zonder (al te) grote of afwijkende nuances ingevuld.

Bovendien moet worden vastgesteld dat onder impuls van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat zijn oorspronkelijk eerder restrictieve toepassing van het begrip «wapengelijkheid» heeft laten varen vanaf het arrest Bönisch t/ Oostenrijk van 6 mei 1985 en dat evolueerde van een minimalistische benadering naar een maximalistische interpretatie, 248 de toepassing van dit rechtsbeginsel een hoge vlucht nam. 249

In mijn openingsrede van 1 september 2014 zei ik onder meer dat vertrouwen in Justitie een fundamentele hoeksteen van de democratie is en mede de essentie uitmaakt van de rechtsstaat, maar ook dat het vertrouwen in de rechterlijke macht een onafhankelijke, onpartijdige, zorgvuldige, menselijke en adequate Justitie onderstelt.

Ik preciseerde dat de rechterlijke macht zelf beschikt over een aantal hefbomen om dit vertrouwen te winnen, maar daarvoor ook moet kunnen rekenen op de wetgevende en de uitvoerende macht, die de meest geschikte structuren, wetten, procedures en middelen ter beschikking moeten stellen.

Sommigen hebben mij achteraf gezegd dat mijn analyse al te pessimistisch was. Ik denk dat zij zich vergissen en dat de tijd mij gelijk heeft gegeven. Het laatste jaar is er immers opnieuw veel gebeurd met Justitie en helaas niet allemaal in het voordeel van de instelling.

Ik zal u hier niet vervelen met een opsomming van alle concrete misstanden, maar een aantal voorbeelden kwam uitgebreid aan bod in de pers.

Laat er evenwel geen twijfel over bestaan: de minister van Justitie dient alleszins geprezen te worden om zijn onderhandelingscapaciteiten, want hij is erin geslaagd om tijdens de begrotingscontrole van april 2015 voor Justitie het onderste uit de kan te halen.

Maar zo de minister van Justitie hiervoor zonder enige twijfel onze waardering verdient, blijft er evenwel de vaststelling, niet alleen dat de wettelijk voorgeschreven kaders niet worden aangevuld, maar vooral dat het blijkbaar de bedoeling van de regering is om deze waarborg voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht uiteindelijk simpelweg af te schaffen en vanaf 2017 te vervangen door een systeem van gesloten financieringsenveloppes. Ik ben niet tegen verandering of vernieuwing en ik heb al evenmin koudwatervrees. Ik meen persoonlijk dat een dergelijk systeem van gesloten financieringsenveloppes eventueel nieuwe opportuniteiten kan bieden en een nieuwe even waterdichte waarborg kan uitmaken voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht als de wettelijke kaders, maar niet op de wijze waarop de financiering thans wettelijk is geregeld, waarbij de budgetten moeten worden onderhandeld met de minister van Justitie als rechter en partij en vooralsnog zonder enige neutrale arbitrage ingeval van onenigheid en waarbij, bij deze overdracht van middelen, enkel zuiver economische of managementscriteria worden gehanteerd, die niets te maken hebben met de wijze waarop inhoudelijk recht wordt gesproken.

Bij zijn ontmoeting met de leden en de medewerkers van het Hof van Cassatie op 4 mei 2015 heeft de minister van Justitie gepreciseerd dat het zijn betrachting is te verkrijgen dat de financieringsenveloppe voor het Hof ruim genoeg zou zijn en dat er ook in een soort indexering zou worden voorzien, zodat het Hof van Cassatie in optimale omstandigheden zou kunnen verder werken. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de oprechtheid van de minister van Justitie, maar de realiteit die wij vandaag beleven is anders; vandaag zijn onze kaders niet opgevuld en vandaag beschikken wij ook nog niet over een vastgelegde financieringsenveloppe.

Voor het Hof van Cassatie mogen wat de zetel en zijn parket betreft voor de periode 2015-2018 slechts vier plaatsen vacant worden verklaard, hoewel het Hof in diezelfde periode op zijn minst geconfronteerd zal worden met een tekort aan zeven magistraten. Dit verstoort niet alleen de wettelijk opgelegde taalpariteit binnen het Hof van Cassatie, maar het brengt ook de goede werking van het hoogste gerechtshof van de rechterlijke orde in het gedrang.

Wat het kader van de referendarissen en van het gerechtspersoneel van griffie en parketsecretariaat betreft, is de toestand nog dramatischer.

De eerste voorzitter en ikzelf kunnen enkel waarschuwen en proberen te overtuigen. Meer kunnen wij niet. Wij hebben zelfs niet langer de mogelijkheid om te overwegen ontslag in te dienen, niet als dreigement en niet als gevolg van de opgedane frustraties, maar als teken van afkeuring van de gevoerde politiek. Dit zou immers enkel tot gevolg hebben dat de toestand van het Hof en zijn parket nog erger zou worden: in 2016, 2017 en 2018 is er immers geen vervanging mogelijk voor plaatsen die vrijkomen ingevolge natuurlijke afvloeiingen.

Er rest ons dus enkel het woord. Daarom een nieuwe poging.

Het verleden heeft bewezen dat het land blijft functioneren, zelfs wanneer de regering gedurende 541 dagen geen volheid van bevoegdheid heeft, maar enkel lopende zaken kan afhandelen.

Het verleden heeft eveneens bewezen dat het land ordentelijk kan blijven functioneren onder een volmachtenregering, waarbij het Parlement slechts a posteriori de genomen maatregelen kan goedkeuren en een deel van zijn macht moet afstaan.

Ook bepaalde fenomenen van particratie, waarbij de partijdiscipline de verkozenen des volks oplegt hoe er dient te worden gestemd, hebben de werking van de Belgische Staat niet fundamenteel aangetast.

Dergelijke toestanden zijn weliswaar ongezond en te vermijden, maar ze zijn blijkbaar niet echt dramatisch voor het voortbestaan van de rechtsstaat.

Een rechterlijke macht die wegens een gebrek aan voldoende personele en materiële middelen en wegens een gebrek aan voldoende kwaliteitsvolle wetten en procedures haar essentiële opdrachten niet meer naar behoren kan vervullen, leidt daarentegen onvermijdelijk wel tot een fundamentele aantasting van het goed functioneren van de Staat.

Een Justitie die onvoldoende onafhankelijk, onpartijdig, toegankelijk, sterk en slagkrachtig is, leidt tot onvrijheid, rechtsonzekerheid of rechteloosheid, discriminatie, verzuring en juridische instabiliteit. En alles is aan alles gebonden: een klimaat van onvrijheid, rechtsonzekerheid of rechteloosheid, discriminatie, verzuring en juridische instabiliteit schrikt binnenlandse en buitenlandse investeerders af en doet het vertrouwen van de burger in Justitie verder afbrokkelen.

Justitie heeft nochtans tegelijkertijd een uitzonderlijk belangrijke regulerende en ontmijnende functie. De regulerende functie bestaat erin de economische en sociale verhoudingen te kanaliseren door de veiligheid van de handel, de industrie en de investeringen te garanderen en door de zwaksten te beschermen. De ontmijnende functie bestaat erin eigenrichting tegen te gaan en de maatschappelijke vrede en veiligheid te verzekeren door de regeling van het geschil, dat tussen verschillende partijen is ontstaan, aan deze partijen te onttrekken en de definitieve beslechting ervan op te dragen en toe te vertrouwen aan een neutrale, onpartijdige en onafhankelijke rechter.

Het staat reeds geschreven in het woord vooraf van ons laatste Jaarverslag: zonder een goed functionerende en onafhankelijke rechterlijke macht loopt de democratie mank. Wie dat als waarheid erkent, moet daaruit ook de juiste besluiten trekken, namelijk dat de democratie een prijs heeft en Justitie, als één van de voornaamste pijlers ervan, eveneens.

Voor de Koning vorder ik dat het Hof tijdens het nieuwe gerechtelijk jaar zijn werkzaamheden voortzet.

Zie ook:
• J.-P. Dintilhac, «L’égalité des armes dans les enceintes judiciaires» in Rapport annuel 2003 de la Cour de Cassation de France, www.courdecassation.fr.
• J. Du Jardin, «Woord vooraf» in F. Kuty, Justice pénale et procès équitable, Brussel, Larcier, 2006, p. IX.
• G. Cohen-Jonathan, «L’égalité des armes selon la Cour européenne des droits de l’homme», Petites affiches 28 november 2002, nr. 238, p. 21.
• J.-P. Didier en F. Melin-Soucramanien, «Le principe de l’égalité des armes», Revue de la recherche juridique 1993, p. 489.
• J. Pradel, «La notion de procès équitable en droit pénal européen», RRD 1996, 505.
• B. Oppetit, Philosophie du droit, Parijs, Dalloz, 1999, 117.
F. Kuty, Justice pénale et procès eéuitable, Brussel, Larcier, 2006, p. 427, nr. 673.
• J. Sterling Silver, «Equality of Arms and the Adversarial Process: A New Constitutional Right», Wisconsin Law Review 1990, 44; J.P. Dintilhac, «L’égalité des armes dans les enceintes judiciaires» in Rapport annuel 2003 de la Cour de Cassation de France, www.courdecassation.fr.
• EHRM Guide sur l’article 6, Droit à un procès équitable, Conseil de l’Europe, 2013, p. 43, nr. 222.
 

Franse term: 
égalité des armes
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 08/12/2015 - 16:28
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 11:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.