-A +A

publicatie van het ontslag van een zaakvoerder of beheerder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het ontslag van een beheerder of een zaakvoerder van een rechtspersoon of een VZW dient gepubliceerd te worden in het Belgisch staatsblad om tegenstelbaar te zijn aan derden.

Indien deze publicatie niet gebeurt kunnen derden zich nog steeds op een statuut van beheerder of zaakvoerder beroepen. Indien de vennootschap bijvoorbeeld de vennootschap de bijdragen niet betaalt, kan deze bijdrage verhaald worden op de werkende vennoten, de bestuurders op de zaakvoerders, die samen met de vennootschap gehouden zijn tot betaling van de door de vennootschap verschuldigde bijdrage, verhogen en kosten. Dit conform artikel 98 van de wet van 30 december 92.

In het geval dat de vennootschap het ontslag niet aanvaard of niet overgaat tot publicatie ervan in het Belgisch staatsblad, kan de zaakvoerder of de bestuurder zelf een eigen ontslag laten publiceren in het Belgisch staatsblad. Dit wordt algemeen in de rechtspraak aanvaard, daar het niet de bedoeling kan zijn dat de ontslagnemende bestuurder gegijzeld wordt door de vennootschap.

Formulieren:

voor ondernemingen

voor verenigingen of voor wijzigingen verenigingen

uitleg over de formulieren Ondernemingen

uitleg formulier VZW

Nog dit: 

Rechtsleer: 

• Wanneer is een ontslag van een bestuurder tegenstelbaar aan derden, E. Janssens, RABG 2013/9, 548

Commentaar: 

Tegenstelbaarheid van niet in staatsblad gepubliceerd ontslag te aanzien van de fiscus

• Cass., 02/09/2016, R.A.B.G., 2018/4, p. 293-295

Samenvatting

Art. 76 eerste lid W.Venn. stelt dat de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven, pas aan derden kunnen worden tegengeworpen mits en  vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevoren kennis van droegen.

Deze bepaling in het wetboek beschermt enkel derden die met de vennootschap of met haar organen plegen te handelen en voor wie de openbaar te maken akten om die reden relevant zijn,. en niet de derden die op de vennootschap een vordering hebben uit onrechtmatige daad of uit kracht van de wet hebben. Deze laatste soort derden (waaronder de fiscus) worden door de wet dus niet beschermd.

Zo is het bestaan en de rechtsgevolgen van de overdracht van aandelen overeenkomstig het gemeen recht vanaf hun bestaan aan de fiscale administratie tegenstelbaar.

De vennoten onder firma die hun deelneming hebben overgedragen, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn ontstaan.

Het verlies van de hoedanigheid van vennoot onder firma moet worden bekendgemaakt

Derden in de zin van artikel 76, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen zijn zij die met de vennootschap wegens haar bestaan gehandeld hebben nu deze wetsbepaling de derden beschermt die met de vennootschap of met haar organen plegen te handelen en voor wie de openbaar te maken akten om die reden relevant zijn, zodat derden die op de vennootschap een vordering uit onrechtmatige daad of uit kracht van de wet hebben, geen door deze bepaling beschermde derden zijn; nu de verschuldigdheid van de bedrijfsvoorheffing uit de wet voortvloeit, is de fiscale administratie geen derde in de zin van voormelde bepaling

Tekst arrest

Nr. F.15.0104.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Ontvanger der directe belastingen Sint-Truiden, met kantoor te 3800 Sint-Truiden, Abdijstraat 6, bus 13,

eiser,

tegen

A. D. B.,

verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 juni 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 204 Wetboek van Vennootschappen zijn de vennoten on-der firma hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dit namens de vennootschap geschied is.

Volgens artikel 209 Wetboek van Vennootschappen kan de overdracht van deel-neming, wanneer zij door het vennootschapscontract is toegestaan, slechts ge-schieden met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht en kan zij geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen die vóór haar openbaarmaking zijn aangegaan.

Uit deze bepalingen volgt dat de vennoten onder firma die hun deelneming heb-ben overgedragen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn ontstaan.

2. Krachtens artikel 69, eerste lid, 4°, Wetboek van Vennootschappen bevat het uittreksel uit de oprichtingsakte van vennootschappen onder meer de nauw-keurige opgave van de identiteit van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten.

Artikel 74, 1°, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de akten die bepalingen wijzigen waarvoor dit wetboek de bekendmaking voorschrijft, worden neergelegd en bekendgemaakt.

Hieruit volgt dat het verlies van de hoedanigheid van vennoot onder firma moet worden bekendgemaakt.

3. Volgens artikel 76, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen kunnen de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven aan derden niet worden tegengeworpen dan vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevens kennis van droegen.

Derden in de zin van deze wetsbepaling zijn zij die met de vennootschap wegens haar bestaan gehandeld hebben. Deze wetsbepaling beschermt immers de derden die met de vennootschap of met haar organen plegen te handelen en voor wie de openbaar te maken akten om die reden relevant zijn.

Derden die op de vennootschap een vordering uit onrechtmatige daad of uit kracht van de wet hebben, zijn geen door deze bepaling beschermde derden.

4. De verschuldigdheid van de bedrijfsvoorheffing vloeit voort uit de wet. De fiscale administratie is bijgevolg geen door artikel 76 Wetboek van Vennoot-schappen beschermde derde.

5. De appelrechters die oordelen dat "de [eiser] zich niet kan beroepen op de openbaarmakingsverplichting van artikel 209 W.Venn.", zodat "het bestaan en de rechtsgevolgen van de overdracht van aandelen [...] overeenkomstig het gemene recht aan [de eiser] tegenwerpelijk vanaf hun bestaan [waren]", verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 355,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 2 september 2016 
 

24254/W/2
VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Finan-ciën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, aan de Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger der directe belastingen Sint-Truiden, met kan-toor te 3800 Sint-Truiden, aan de Abdijstraat 6, bus 13,
eiser tot cassatie,
vertegenwoordigd door¬ de ondergetekende, Willy van Eeckhoutte, advo-caat bij het Hof van Cassatie, met kan¬toor te 9051 Gent, aan de Drie Ko-nin¬gen¬straat 3, waar de eiser keuze van woonplaats doet,

wat volgt.

De eiser, voornoemd, ver¬klaart hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hier-onder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hieron-der nader aangewezen partij.

I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 11 juni 2014 door de achtste kamer van het hof van beroep te Antwerpen op tegen¬spraak werd gewezen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2013/AR/3155, van de eiser, als geïntimeerde, tegen:

mevrouw A. D. B.,
toen appellante, thans verweerster in cassatie, die in de akte waarmee het ar-rest op haar verzoek aan de eiser tot cassatie werd betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder Gilbert Moria, met kantoor te 3800 Sint-Truiden, aan het Begijnhof 8, aldaar keuze van woonplaats heeft gedaan,

en tegen die verwerende partij.

Deze voorziening in cassatie is gesteund op het volgende middel en conclusie.

II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. Op 30 juni 2002 richtten de heer P. P. en de verweerster de vennootschap onder firma AMBU-NURSE op.

Op 21 april 2009 nam de verweerster ontslag uit haar functie als bestuurster en droeg zij haar aandelen over aan P. P.

Haar ontslag als bestuurster werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 januari 2010.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 24 januari 2012 werd de vennootschap onder firma AMBU-NURSE failliet verklaard, wat werd gepubli-ceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 februari 2012. Op diezelfde datum werd ook in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd dat de verweerster op 21 april 2009 haar aandelen in de vennootschap onder firma AMBU-NURSE heeft overgedra-gen aan P. P. Die laatste publicatie gebeurde door de verweerster als volmacht-houdster van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE.

De vennootschap onder firma AMBU-NURSE was bedrijfsvoorheffing verschul-digd voor de aanslagjaren 2009-2011.

Op 26 januari 2012 werd onder nummer 720493238 een teruggave ingekohierd op naam van de verweerster voor een bedrag van 1.742,84 euro. In de loop van de maand maart 2012 werd de verweerster ervan in kennis gesteld dat de terug-gave werd ingehouden en aangewend ter betaling van de fiscale schulden van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE.

2. Op 22 juni 2012 liet de verweerster de eiser dagvaarden voor de beslagrech-ter in de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Zij vorderde te horen zeggen voor recht dat zij niet hoofdelijk aansprakelijk kan zijn voor de belastingschulden van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE daterend van na haar ontslag als bestuurster en haar aandelenoverdracht, en de eiser te veroordelen tot beta-ling van het belastingtegoed in haar voordeel van 1.742,84 euro, meer de interest.

In een vonnis van 15 oktober 2013 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg de vordering van de verweerster ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde hij haar tot betaling van de kosten van de procedure.

3. Tegen het vonnis van 15 oktober 2013 tekende de verweerster hoger beroep aan.

In een arrest van 11 juni 2014 verklaart het hof van beroep te Antwerpen het ho-ger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond. Het hof van beroep hervormt de be-streden beschikking en, opnieuw recht doende, zegt voor recht dat de aanwen-ding door de eiser van de teruggave ingekohierd op naam van de verweerster onder artikel 720493238 onrechtmatig is. Het hof van beroep veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van het belastingtegoed in haar voordeel, meer de interest, en veroordeelt de eiser tot betaling van de kosten van de beide instanties.

Tegen dat arrest voert de eiser het volgende middel tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Enig middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 67, § 1, eerste lid, 68, eerste lid, 69, eerste lid, 4°, 74, 1° en 5°, 76, 201, 204 en 209 van het Wetboek van Vennootschappen van 7 mei 1999
- artikel 393, § 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992
- voor zoveel als nodig, artikel 1289 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond. Het hof van beroep vernie-tigt het bestreden vonnis en zegt, opnieuw recht doende, voor recht dat de aan-wending door de eiser van de teruggave ingekohierd onder artikel 720493238 op naam van de verweerster onrechtmatig is. Het hof van beroep veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van het belastingtegoed in haar voordeel ten be-drage van 1.742,84 euro, meer de interest en tot betaling van de kosten van het geding.

Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle vaststellingen en mo-tieven waarop zij steunen en die hier beschouwd worden integraal te zijn herno-men en in het bijzonder de volgende:

"Beoordeling

1.
De discussie tussen partijen heeft vooreerst betrekking op de vraag of [de eiser] opzichtens [de verweerster] over een schuldvordering beschikt en meer specifiek of [hij] zich opzichtens [de verweerster] kan beroepen op artikel 204 W. Venn., op basis waarvan de vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap.

- [De verweerster] laat gelden dat op het ogenblik waarop de belasting-schulden van AMBU-NURSE vof opzichtens [de eiser] ontstonden (2009, 2010 en 2011), zij haar aandelen in AMBU-NURSE vof reeds had overge-dragen (meer specifiek op 21.04.2009), zodat zij in haar hoedanigheid van vennoot niet meer aangesproken kan worden.

- [De eiser] stelt daarentegen dat - vermits de overdracht van aandelen van 21 april 2009 door [de verweerster] pas gepubliceerd werd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 02.02.2012, - [de verweerster] tot 02.02.2012 hoofdelijk aansprakelijk bleef voor de door AMBU-NURSE vof verschuldigde belastingen. [De eiser] steunt zich daartoe op de in artikel 209 W. Venn. voorziene openbaarmakingsverplichting.
- Het [hof van beroep] is van oordeel dat [de eiser] zich in casu niet kan be-roepen op de openbaarmakingsverplichting van artikel 209 W. Venn.

De openbaarmakingsverplichting werd immers precies ingesteld ten behoeve van derden die "handelen met" - dit wil zeggen een rechtshandeling stellen ten aanzien van - de vennootschap. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de openbaar te maken akten en gegevens zijn immers slechts van invloed op het doen of laten van deze derden.

In casu is er echter geen sprake van een vordering uitgaande van [de eiser], die gebaseerd is op een vrijwillige rechtshandeling. De vordering van [de eiser] vloeit daarentegen voort uit de wet.

Vermits de voorafgaande mogelijkheid om kennis te nemen van de akten en gegevens van AMBU-NURSE vof alleen van belang was voor derden die "handelden" met de vennootschap en [de eiser] zulks niet deed, wordt [h]ij door de openbaarmakingsvereiste niet beschermd.

- Dat de aandelenoverdracht tussen [de verweerster] en haar ex-echtgenoot plaatsvond bij dadingsovereenkomst van 21.04.2009 wordt als dusdanig niet betwist.

Het bestaan en de rechtsgevolgen van de overdracht van aandelen waren bijgevolg overeenkomstig het gemene recht aan [de eiser] tegenwerpelijk vanaf hun bestaan, zijnde vanaf 21.04.2009.

- Het [hof van beroep] merkt op dat [de eiser] ter terechtzitting nog verdui-delijkt heeft dat de achterstallige belastingen in hoofde van AMBU-NURSE vof voor het belastingjaar 2009 geen betrekking hebben op de periode vóór de overdracht van de aandelen door [de verweerster].

[De eiser] beschikt bijgevolg hoofdens de achterstallige belastingschulden van AMBU-NURSE vof geenszins over een schuldvordering op grond van artikel 204 W. Venn. opzichtens [de verweerster], die in aanmerking zou kunnen komen voor schuldvergelijking [...].

- Alleen al op grond van voormelde vaststellingen staat vast dat [de eiser] ten onrechte de teruggave - ingekohierd onder artikel 720493238 op naam van [de verweerster] - onrechtmatig inhoudt, zodat de vordering van [de verweerster] gegrond is.
2.
Ten overvloede voegt het [hof van beroep] hier nog aan toe, dat de door de partijen verder gevoerde discussie omtrent de vraag "of de schuldvergelij-king na samenloop (in toepassing van artikel 334 van de Programmawet van 27.12.2004) enkel mogelijk is voor schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór de samenloop", in casu niet meer relevant is, vermits de in voormeld artikel 334 voorziene voorwaarden voor een schuldvergelijking na samenloop in casu sowieso geenszins voorhanden zijn.

Ook de fiscale schuldvergelijking veronderstelt immers dat twee perso-nen/entiteiten wederkerig elkaars schuldenaar zijn (cfr. art. 1289 B.W.).

[De eiser] heeft in casu weliswaar een fiscale schuldvordering op de failliete boedel van AMBU-NURSE vof, doch niet op [de verweerster] zelf.

De teruggave, waarmee [de eiser] wenst te compenseren, werd enkel uit-voerbaar verklaard op naam van [de verweerster].

Er is in casu bijgevolg sowieso geen sprake van wederzijdse schuldenaars."
(p. 4 tot p. 6, bovenaan, van het arrest).

Grieven

1.1. Krachtens artikel 201 van het Wetboek van Vennootschappen is de vennoot-schap onder firma de vennootschap die wordt aangegaan tussen hoofdelijk aan-sprakelijke vennoten en die tot doel heeft een burgerlijke of een handelsactiviteit uit te oefenen.

De vennoten onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dat namens de vennootschap is geschied, zo stelt artikel 204 van het Wetboek van Vennoot-schappen. Hieruit volgt dat de vennoten onder firma persoonlijk hoofdelijk ge-houden zijn tot de belastingen verschuldigd door de vennootschap onder firma en derhalve belastingschuldigen zijn tegen wie de aanslag ten uitvoer kan worden ge-legd.

Artikel 209 van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat, onverminderd ar-tikel 38, de overdracht van deelneming, wanneer zij door het vennootschapscon-tract is toegelaten, slechts kan geschieden met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht, en zij geen gevolg kan hebben ten aanzien van de verbintenis-sen die vóór haar openbaarmaking zijn aangegaan.

1.2. Luidens artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen kunnen de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven, niet aan derden worden tegengeworpen dan vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekendge-maakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevoren kennis van droegen.

Luidens artikel 67 en 68, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen dient bij oprichting en binnen vijftien dagen na de dagtekening van de definitieve akte een uittreksel uit de oprichtingsakte te worden neergelegd ter griffie van de recht-bank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft. Het uittreksel uit de oprichtingsakte van vennootschappen bevat o.m. de nauwkeurige opgave van de identiteit van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten, zo volgt uit artikel 69, eerste lid, 4°, van het Wetboek van Vennootschappen. De bekendmaking in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad gebeurt luidens artikel 73 van het Wetboek van Vennootschappen binnen vijftien dagen na de neerlegging.

Volgens artikel 74 van het Wetboek van Vennootschappen moeten overeenkom-stig de voornoemde artikelen worden neergelegd en bekendgemaakt: de akten die bepalingen wijzigen waarvoor dit wetboek de bekendmaking voorschrijft (art. 74, 1°), en de akten of uittreksels van akten die volgens dit wetboek moeten worden neergelegd en bekendgemaakt (art. 74, 5°).

Uit de samenlezing van de voornoemde bepalingen volgt dat een overdracht van aandelen binnen een vennootschap onder firma pas aan derden tegenwerpelijk wordt door de openbaarmaking ervan, zijnde de publicatie ervan in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad. Dit geldt ten aanzien van iedere derde, ongeacht of de grondslag van diens vordering uit een contractuele relatie, uit de wet dan wel uit een onrechtmatige daad voortkomt.

2. Uit de feitelijke vaststellingen van de beschikking van de beslagrechter, waarnaar het hof van beroep verwijst (p. 3, eerste alinea, van het arrest), volgt dat (blad 2 van de beschikking van de beslagrechter van 15 oktober 2013):
- de verweerster bestuurster en aandeelhoudster was van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE,
- de verweerster op 21 april 2004 ontslag nam als bestuurster en haar aandelen overdroeg aan de heer Pronker,
- het ontslag van de verweerster als bestuurster werd gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 7 januari 2010,
- de publicatie van de aandelenoverdracht door de verweerster werd gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatblad van 2 februari 2012,
alsook dat
- de vennootschap onder firma AMBU-NURSE bedrijfsvoorheffing verschuldigd is voor de aanslagjaren 2009-2011,
- de vennootschap onder firma AMBU-NURSE failliet werd verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 24 januari 2012, wat in het Bel-gisch Staatsblad werd gepubliceerd op 2 februari 2012.

Eveneens volgt uit die niet-betwiste feitelijke gegevens dat op 26 januari 2012 een teruggave op naam van de verweerster werd ingekohierd voor een bedrag van 1.742,84 euro, welke teruggave door de eiser werd ingehouden voor de belasting-aanslag onder artikel 999999997, zijnde de fiscale schulden van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE (blad 2, van de beschikking van de beslagrechter van 15 oktober 2013).

3. Het hof van beroep oordeelt dat de eiser zich niet kan beroepen op de open-baarmakingsverplichting bepaald in artikel 209 van het Wetboek van Vennoot-schappen, aangezien die verplichting werd ingevoerd ten behoeve van derden "die handelen" met de vennootschap, d.w.z. een rechtsvordering stellen ten aanzien van de vennootschap, terwijl de vordering van de eiser voortvloeit uit de wet (p. 4, derde laatste tot laatste alinea, van het bestreden arrest). Het hof van beroep oordeelt voorts dat, aangezien de voorafgaande mogelijkheid kennis te nemen van de akten en de gegevens van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE alleen van belang was voor derden die "handelden" met de vennootschap en de eiser dat niet deed, hij door de openbaarmakingsverplichting niet wordt beschermd (p. 5, eerste alinea, van het bestreden arrest). Op die gronden beslist het hof van beroep dat het bestaan en de rechtsgevolgen van de aandelenoverdracht door de verweer-ster aan de eiser tegenwerpelijk zijn vanaf zijn bestaan, zijnde vanaf 21 april 2009 (p. 5, derde alinea, van het bestreden arrest).

Door beperkingen toe te voegen die daarin niet zijn vervat, miskent het hof van beroep de wettelijke bepalingen vervat in de artikelen 76, eerste lid, en 209 van het Wetboek van Vennootschappen, alsook de artikelen 67, § 1, eerste lid, 68, eer-ste lid, 69, eerste lid, 4°, 74, 1° en 5°, van dat wetboek.

Door op die gronden vervolgens te beslissen dat de eiser met betrekking tot de achterstallige belastingschulden van de vennootschap onder firma AMBU-NURSE niet over een schuldvordering beschikt opzichtens de verweerster met toepassing van artikel 204 van het Wetboek van Vennootschappen, miskent het hof van beroep ook die bepaling alsook artikel 201 van het Wetboek van Ven-nootschappen en artikel 393, § 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 luidens welk het kohier uitvoerbaar is tegen de personen die er niet zijn in opgenomen in de mate dat zij gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van dit wetboek. Derhalve is ook de beslissing dat geen sprake is van wederzijdse schuldenaars, evenmin naar recht verantwoord (schending van de artikelen 67, § 1, eerste lid, 68, eerste lid, 69, eerste lid, 4°, 74, 1° en 5°, 76, 201, 204 en 209 van het Wetboek van Vennootschappen, artikel 393, § 2, van het WIB 1992 en 1289 van het Burgerlijk Wetboek).

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de verweerster niet wettig in bepaalde mate gegrond (schending van alle in de aanhef van het middel opgesom-de wettelijke bepalingen).

TOELICHTING

1. Een vennootschap onder firma is een vennootschap die wordt aangegaan tussen hoofdelijk aansprakelijk vennoten en die tot doel heeft een burgerlijke activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen.

Krachtens artikel 204 van het Wetboek van Vennootschappen zijn de vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dat namens de vennootschap is geschied. De vennoten onder firma zijn persoonlijk hoofdelijk gehouden tot de belastingen verschuldigd door de vennootschap onder firma en gelden als belastingschuldigen die gerechtigd zijn om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, die ten name van de vennootschap is gevestigd. Deze aanslag kan tegen de vennoten onder firma ten uitvoer worden gelegd (Cass. 22 november 2007, R.W. 2008-09, 1219).

2. Artikel 209 van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat, onverminderd artikel 38, de overdracht van deelneming, wanneer zij door het vennootschapscon-tract is toegelaten, slechts kan geschieden met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht en zij geen gevolg kan hebben ten aanzien van de verbintenis-sen die vóór haar openbaarmaking zijn aangegaan.
Het Wetboek van Vennootschappen voorziet in een aantal openbaarmakingsfor-maliteiten in de artikelen 67 tot 75. Zo dient een overdracht van aandelen door een vennoot in een vennootschap onder firma, te worden bekendgemaakt.

De overdracht van een aandeel van een vennootschap onder firma is van groot be-lang voor de schuldeisers van de vennootschap. Aangezien alle vennoten van een vennootschap onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap, is de kredietwaardigheid van deze vennoten voor derden vaak van determinerend belang om al dan niet met de vennootschap te contracteren (B. WAUTERS, "Art. 69", in X, Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, losbl., art. 69-6; B. VAN BRUYSTEGEM, "Enkele aspecten van de ven-nootschap onder firma", in (eds.) KONINKLIJKE FEDERATIE VAN BELGI-SCHE NOTARISSEN en J. BAEL, Miskende vennootschapsvormen, Antwerpen, Kluwer, 1991, 10). In het belang van derden moet aan de overdracht door een hoofdelijk aansprakelijk vennoot van zijn aandeel in een vennootschap onder firma dan ook de nodige publiciteit worden gegeven, m.n. door de bekendmaking ervan in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad. Gebeurt dat niet, dan blijft de cederende vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de ven-nootschap die na zijn uittreding ontstaan (M. MOREAU en J. VANOVERBEKE, Alles wat u moet weten over aandelen, Diegem, ced.samson, 1996, 244). De wis-seling van vennoten binnen een vennootschap onder firma dient dus te worden bekendgemaakt om de overdracht tegenwerpelijk te maken aan derden. Pas vanaf de publicatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad kunnen de schuldeisers van de vennootschap de cederende vennoot niet langer aanspreken voor nieuw aangegane verbintenissen van de vennootschap (F. DEVYLDER, "Art. 209", in X, Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, losbl., art. 209-2/3).

3.1. Artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven, aan derden niet kunnen worden tegengeworpen dan vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekend-gemaakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevoren kennis van droegen.

In geval van niet-bekendmaking van akten of gegevens die de wijziging betreffen van een eerder bekendgemaakte rechtstoestand, heeft de niet-tegenwerpelijkheid tot gevolg dat de derde zich op de bekendgemaakte rechtstoestand mag blijven beroepen en de rechtsgevolgen van de nog niet-bekendgemaakte akte of gegevens mag negeren (S. RUTTEN "Art. 76", Vennootschappen en verenigingen. Arti-kelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, losbl., "Art. 76-10).

3.2. De niet-openbaar gemaakte akten en gegevens kunnen volgens bepaalde rechtsleer slechts aan bepaalde derden niet worden tegengeworpen.

Het begrip "derde" heeft volgens die auteurs in de wettelijke terminologie niet al-tijd dezelfde betekenis, maar verschilt naargelang van de inhoud en de strekking van de wettelijke bepaling waarin de term wordt gebruikt. Als partij bij de over-eenkomst van vennootschap wordt beschouwd: diegenen die bij de oprichtingsak-te partij zijn geweest in eigen naam of door vertegenwoordiging, hun algemene rechtverkrijgenden of hun rechtverkrijgenden onder algemene titel, de vennoten of aandeelhouders (ook de later toetredende), de organen en de leden van collegiale organen van de vennootschap. Alle overigen zijn derden in de zin van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

3.2.1. Maar de omschrijving van het begrip "derde" in het kader van artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen werd wel eens beperkter omschreven ge-worden, waardoor niet alle derden in de zin van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek zich kunnen beroepen op de wettelijk voorgeschreven bekendmaking als tegenwerpelijkheidsvereiste. Dat gebeurt onder verwijzing naar een arrest van uw Hof van 17 september 1965 (RW 1965-66, 898) waarin uw Hof oordeelde dat de bekendmakingsvereiste vervat in artikel 12 van de bij koninklijk besluit van 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen tot voor-werp heeft de rechten van de derden in hun betrekkingen met de vennootschap en de vertegenwoordigers ervan te vrijwaren, en dat met "derden" in dat artikel be-doeld worden zij die met de vennootschap wegens haar bestaan gehandeld heb-ben. De beperking tot derden die handelen met, d.w.z. een rechtshandeling stellen ten aanzien van de vennootschap, wordt in de rechtsleer die een beperkte invulling van het begrip "derde" voorstaat, verantwoord doordat de rechtsgevolgen die voor alle derden voortvloeien uit de openbaar te maken akten en gegevens, slechts van invloed zijn op het doen of laten van deze derden. Alleen voor derden die handelen met de vennootschap, is de voorafgaandelijke mogelijkheid kennis te nemen van die akten en gegevens van belang, zo wordt geredeneerd, zodat enkel zij door het openbaarmakingsvereiste van artikel 76 worden beschermd. Derden wier vordering uit de wet of uit een onrechtmatige daad is ontstaan, worden dan niet beschouwd als derden in de zin van artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen, en het bestaan en de rechtsgevolgen tussen partijen van de akten en gegevens bedoeld in artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen zijn overeenkomstig het gemeen recht aan deze derden tegenwerpelijk vanaf hun bestaan (S. RUTTEN, o.c., "Art. 76-5/6).

Aldus wordt door bepaalde rechtsleer gezegd dat de openbaarmaking vereist is opdat de akte en haar externe gevolgen tegenwerpelijk zouden zijn aan derden die handelen met de rechtspersoon (D. VAN GERVEN, Rechtspersonen, in Beginse-len van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Kluwer, 2007, 94; zie ook B. TILLE-MAN, Bestuur van vennootschappen, in Recht en onderneming, Brugge, Die Keu-re, 2005, 424).

3.2.2. Het klassieke standpunt dat niet alle derden behoren tot de door artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde derden, kent - volgens de eiser terecht - kritiek. Zo verwerpt Dominique De Marez het standpunt dat het begrip derden in artikel 76 van het Wetboek van Vennootschappen enkel zou slaan op wier beslissingsproces kan worden beïnvloed door de inhoud van de openbaar te maken akte en niet op derden wier rechten gebaseerd zijn op een door de vennoot-schap gepleegde onrechtmatige daad of een wettelijke bepaling (D. DE MAREZ, "Een derde is een derde. Over de tegenwerpelijkheid aan derden van akten betref-fende rechtspersonen.", TRV 2005, 530 e.v.).

Terecht.

Zoals al werd gezegd, wordt voor het klassieke standpunt verwezen naar een cas-satiearrest van 17 september 1965 (RW 1965-66, 898), waarin uw Hof overwoog:

"Overwegende, aan de ene zijde, dat zo, krachtens artikel 12 van de bij ko-ninklijk besluit van 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de han-delsvennootschappen, het ontslag van de beheerders van de handelsven-nootschappen overeenkomstig de door deze wetten bepaalde vormen be-kendgemaakt moet worden op straffe van aan derden niet te kunnen worden tegengeworpen, die bepaling tot voorwerp heeft de rechten van de derden in hun betrekkingen met de vennootschap en de vertegenwoordigers ervan te vrijwaren; dat door "derden" in dit artikel bedoeld worden zij die met de vennootschap wegens haar bestaan gehandeld hebben;
Overwegende dat zo de benoemingen, ontslagnemingen en afzettingen van beheerders van de naamloze vennootschappen bekendgemaakt moeten wor-den, dit voorschrift zijn reden vindt in de hoedanigheid van vertegenwoor-diger van de vennootschap die de beheerder kenmerkt; dat de ontstentenis van bekendmaking het regelmatig aan de vennootschap betekende ontslag van de beheerder niet ongeldig maakt, doch enkel ten gevolge heeft dat dit ontslag aan derden, in de zin van gezegd artikel 12, niet kan worden tegen-geworpen."

Die overwegingen van uw Hof moeten uiteraard in hun context worden gelezen. In het arrest van 17 september 1965 ging het over de vraag of de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor de Zelfstandigen zich inzake het regime van de kindertoesla-gen voor werkgevers en niet-loontrekkende arbeiders op de niet-bekendmaking kan beroepen van een nochtans regelmatig gegeven ontslag van een beheerder. De oplossing van de rechtsvraag die uw Hof in dat arrest geeft, vloeit voort uit het feit dat een beheerder wegens zijn persoonlijke hoedanigheid van beheerder valt onder het tot de werkgevers en tot de niet-loontrekkende arbeiders uitgebreide regime van de kindertoeslagen, en hij die persoonlijke hoedanigheid verliest wanneer hij regelmatig zijn ontslag aan de vennootschap heeft betekend. Het ging dus niet om enige rechtsverhouding met de vennootschap.

Bovendien merkt de eiser op dat uw Hof in een arrest van 25 september 1969 (Arr. Cass. 1970, 94, onderstreping toegevoegd) overwoog: "[...], de sanctie die bij artikel 12 van de [gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen] is bepaald in de gevallen van niet-bekendmaking van de akten die het opsomt, onder meer de ontslagnemingen van de beheerders, erin bestaat dat ze niet kunnen wor-den tegengeworpen aan derden, zonder onderscheid."

De eiser is dan ook van mening dat hem in de voorliggende zaak de aandelen-overdracht door de verweerster pas kan worden tegengeworpen vanaf de wettelij-ke voorgeschreven bekendmaking ervan.

OM DEZE REDENEN

Concludeert de eiser dat het uw Hof behage
- de bestreden beslissing te vernietigen,
- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,
- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Gent, 16 juni 2015

Voor de eiser,

Willy van Eeckhoutte,
advocaat bij het Hof van Cassatie.

Inventaris van de bij deze voorziening gevoegde stukken

1. Pro-fiscoverklaring overeenkomstig artikel 269 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

F.15.0104.N

Conclusie van advocaat-generaal D. Thijs:

1. Op 30 juni 2002 werd de V.O.F. AMBU-NURSE opgericht met verweerster als één van de oprichters. Op 21 april 2009 nam verweerster ontslag als bestuurster en droeg zij haar aandelen over aan de medeoprichter. Het ontslag als bestuurster werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 januari 2010.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 24 januari 2012 werd de V.O.F. AMBU-NURSE failliet verklaard, wat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 februari 2012. Op dezelfde datum werd in het Belgisch Staatsblad eveneens gepubliceerd dat verweerster op 21 april 2009 haar aandelen had overgedragen.

De V.O.F. was bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de aanslagjaren 2009-2011. Op 26 januari 2012 werd onder nummer 720493238 een teruggave ingekohierd op naam van verweerster voor een bedrag van 1.742,84 euro. In de loop van de maand maart 2012 werd de verweerster ervan in kennis gesteld dat de teruggave werd ingehouden en aangewend ter betaling van de fiscale schulden van de V.O.F.

Op 22 juni 2012 liet verweerster eiser dagvaarden voor de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Zij vorderde te horen zeggen voor recht dat zij niet hoofdelijk aansprakelijk was voor de belastingschulden van de V.O.F. daterend van na haar ontslag als bestuurder en haar aandelenoverdracht, en eiser te veroordelen tot betaling van het belastingtegoed in haar voordeel van 1.742,84 euro, meer de interest.

De rechtbank van eerste aanleg verklaarde in een vonnis van 15 oktober 2013 de vordering van de verweerster ontvankelijk maar ongegrond.

In graad van beroep hervormde het hof van beroep te Antwerpen bij het thans voor Uw Hof bestreden arrest van 11 juni 2014 het eerste vonnis en oordeelde dat de aanwending door eiser van de teruggave ingekohierd op naam van verweerster onder artikel 720493238 onrechtmatig was. Het hof van beroep veroordeelde eiser tot betaling aan verweerster van het belastingtegoed in haar voordeel, meer de interest, en veroordeelde de eiser tot betaling van de kosten van de beide instanties.

De vraag of eiser jegens verweerster over een schuldvordering beschikt, en meer bepaald of hij zich tegenover haar kan beroepen op artikel 204 Wetboek van Vennootschappen, op basis waarvan de vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap, werd door het hof van beroep ontkennend beantwoord. Het hof van beroep oordeelde dat "de [eiser] zich in casu niet kan beroepen op de openbaarmakingsverplichting van artikel 209 W.Venn. De openbaarmakingsverplichting werd immers precies ingesteld ten behoeve van derden die "handelen met" - dit wil zeggen een rechtshandeling stellen ten aanzien van - de vennootschap. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de openbaar te maken akten en gegevens zijn immers slechts van invloed op het doen of laten van deze derden. In casu is er echter geen sprake van een vordering uitgaande van [de eiser] die gebaseerd is op een vrijwillige rechtshandeling. De vordering van [de eiser] vloeit daarentegen voort uit de wet. Vermits de voorafgaande mogelijkheid om kennis te nemen van de akten en gegevens van AMBU-NURSE vof alleen van belang was voor derden die "handelden" met de vennootschap en [de eiser] zulks niet deed, wordt [h]ij door de openbaarmakingsvereiste niet beschermd". Daaruit leidde het hof van beroep af dat "de [eiser] bijgevolg hoofdens de achterstallige belastingschulden van AMBU-NURSE vof geenszins over een schuldvordering op grond van artikel 204 W.Venn. opzichtens [de verweerster] [beschikt], die in aanmerking zou kunnen komen voor schuldvergelijking (...)".

2. In het enig middel komt eiser op tegen dit oordeel en voert daarbij de schending aan van de artikelen 67, §1, eerste lid, 68, eerste lid, 69, eerste lid, 4°, 74, 1° en 5°, 76, 201, 204 en 209 Wetboek van Vennootschappen, artikel 393, §2, WIB92 en, voor zoveel als nodig, artikel 1289 BW.

In wezen voert eiser aan dat de appelrechters het begrip "derde" van artikel 76, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen hebben miskend, meer bepaald door dat begrip te beperken tot die derden die met de vennootschap wegens haar bestaan gehandeld hebben.

3. De vennootschap onder firma is een vennootschap die wordt aangegaan tussen hoofdelijk aansprakelijke vennoten en die tot doel heeft een burgerlijke activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen (artikel 201 Wetboek van Vennootschappen). Haar vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen van de vennootschap, ook al heeft een enkele vennoot getekend, mits dit namens de vennootschap geschied is (artikel 204 Wetboek van Vennootschappen). Deze hoofdelijkheid geldt enkel ten aanzien van vennootschapsschuldeisers.

Een vennoot onder firma kan de vennootschap verlaten en zijn deelneming overdragen. Overeenkomstig artikel 209 Wetboek van Vennootschappen kan de overdracht van deelneming, onverminderd artikel 38, wanneer zij door het vennootschapscontract is toegelaten, slechts geschieden met inachtneming van de vormen van het burgerlijk recht; zij kan geen gevolg hebben ten aanzien van de verbintenissen die vóór haar openbaarmaking zijn aangegaan.

In een arrest van 7 november 2013 oordeelde uw Hof dat uit de artikelen 204 en 209 Wetboek van Vennootschappen volgt de vennoten onder firma die hun deelneming hebben overgedragen, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap die vóór de overdracht zijn aangegaan. De schuldeiser wiens schuldvorderingen zijn ontstaan nadat een vennoot zijn deelneming heeft overgedragen, kan deze niet aanspreken (Cass. 7 november 2013, AR C.12.0570.N, AC 2013, nr. 593, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL).

4. Het uittreksel uit de oprichtingsakte van vennootschappen bevat onder meer de nauwkeurige opgave van de identiteit van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten (artikel 69, eerste lid, 4°, Wetboek van Vennootschappen). De categorie "hoofdelijk aansprakelijke vennoten" slaat onder meer op de vennoten in een vennootschap onder firma (alsook op de beherende vennoten in een commanditaire vennootschap).

Voor deze vennootschapsvormen is de identiteit van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten zeer belangrijk voor derden, aangezien zij, wegens hun persoonlijke aansprakelijkheid, de maatstaf zullen zijn van het krediet dat derden aan de vennootschap mogen geven (B. WAÛTERS, "Commentaar bij art. 69 W.Venn.", in Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2010, p. 6, nr. 8).

De akten die bepalingen wijzigen waarvoor het Wetboek van Vennootschappen de bekendmaking voorschrijft, moeten eveneens worden neergelegd en bekendgemaakt (artikel 74, 1°, Wetboek van Vennootschappen).

Dit betekent dat het verlies van de hoedanigheid van vennoot onder firma moet worden bekendgemaakt. Derden hebben er immers alle belang bij de hoofdelijk aansprakelijke vennoten te kennen op het ogenblik dat zij met de vennootschap contracteren (zie B. VAN BRUYSTEGEM, "Enkele aspecten van de vennootschap onder firma", in J. VAN BAEL (ed.) Miskende vennootschapsvormen, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 10).

5. Bij gebreke aan bekendmaking blijft de uitgetreden vennoot gehouden voor de vennootschapsschulden die na zijn uittreden ontstaan ten aanzien van de door artikel 76 Wetboek van Vennootschappen beschermde schuldeisers (F. PARREIN, "Commentaar bij artikel 204 W.Venn.", in Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2015, p. 6).

In casu is de vraag aan de orde hoe het begrip "derde" in artikel 76 Wetboek van Vennootschappen moet worden geïnterpreteerd.

6. Overeenkomstig artikel 76 Wetboek van Vennootschappen kunnen de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven, aan derden niet worden tegengeworpen dan vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevoren kennis van droegen.

In een arrest van 17 september 1965 sprak uw Hof zich uit over de interpretatie van het begrip "derde" in deze bepaling. Uw Hof omschreef dit begrip als "zij die met de vennootschap wegens haar bestaan gehandeld hebben" (Cass. 17 september 1965, Pas. 1966, I, 78, RW 1965-66, 990).

Met dit arrest sloot uw Hof zich aan bij de meerderheidsopvatting in de rechtspraak en rechtsleer.

Personen die behoren tot wat auteur RONSE omschreef als de "vennootschappelijke rechtsbetrekking" zijn uitgesloten van de bescherming van artikel 76 Wetboek van Vennootschappen. Te denken valt onder meer aan de oprichters, vennoten of aandeelhouders en de leden van de bestuurs- en controleorganen (J. RONSE en K. VAN HULLE, "Overzicht van de rechtspraak (1968-1977). Vennootschappen", TPR 1978, p. 726, nr. 53; K. GEENS en M. WYCKAERT, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. IV. Verenigingen en Vennootschappen, Deel II. De vennootschap. A. Algemeen deel, Mechelen, Kluwer, 2011, nr. 207, p. 383).

Daarnaast beschermt artikel 76 Wetboek van Vennootschappen volgens een grote meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer enkel die derden die met de vennootschap wegens haar bestaan hebben gehandeld. Aldus worden derden die op de vennootschap een vordering uit onrechtmatige daad of uit kracht van wet hebben uitgesloten van de bescherming geboden door deze bepaling (zie o.m. K. GEENS en M. WYCKAERT, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. IV. Verenigingen en Vennootschappen, Deel II. De vennootschap. A. Algemeen deel, Mechelen, Kluwer, 2011, nr. 207, p. 383).

Het bestaan en de rechtsgevolgen van de akten en gegevens bedoeld in artikel 76 Wetboek van Vennootschappen zijn tegenover de derden die door deze bepaling niet worden beschermd, tegenwerpelijk overeenkomstig het gemeen recht.

7. Eiser verwerpt deze klassieke beperking van het begrip "derde" in artikel 76 Wetboek van Vennootschappen en beroept zich onder meer op een arrest van uw Hof van 25 september 1969 (Cass. 25 september 1969, AC 1970, 94). In dit arrest oordeelde uw Hof dat "hoewel artikel 11 van de wetten betreffende de handelsvennootschappen vermeldt dat de vennoten de akten van de vennootschap niet kunnen inroepen tegen derden die vóór de bekendmaking hebben gehandeld, daarentegen, de sanctie die bij artikel 12 van genoemde wetten is bepaald in de gevallen van niet-bekendmaking van de akten die het opsomt, onder meer de ontslagnemingen van de beheerders, erin bestaat dat ze niet kunnen worden tegengeworpen aan derden, zonder onderscheid".

In dit arrest bouwt uw Hof verder op het onderscheid in bewoordingen tussen het (oud) artikel 11, 3°, Venn.W. (m.b.t. de tegenstelbaarheid van de oprichtingsakte) en artikel 12, 2°, Venn.W. (m.b.t. de tegenstelbaarheid van openbaar te maken latere akten en gegevens).

Auteur SIMONT stelt in deze context: "Aux termes de l'article 11 3° alinéa in fine ancien, les associés ne pouvaient se prévaloir des actes constitutifs à l'égard des tiers qui auront traité avant la publication alors que l'article 12 2° alinéa ancien sanctionnait le défaut de publication des actes ultérieurs par leur inopposabilité aux tiers" (L. SIMONT, "La loi du 6 mars 1973 modifiant la législation relative aux sociétés commerciales", RPS 1974, p. 24) en dat "La Cour de Cassation en avait déduit que l'inopposabilité prévue par l'article 12 pouvait, à la différence de celle prévue par l'article 11, être invoquée par tous les tiers sans distinction" (ibid, p. 25).

In de doctrine werd verdedigd dat dit onderscheid niet meer relevant is, met name na de hervorming van het vennootschapsrecht in 1973 (Zo voerde SIMONT aan dat "Une telle dualité de sanction, déjà contestable à notre avis sous l'empire de la loi ancienne (...), est en tout cas exclue par la loi nouvelle puisque l'article 12 § 4 règle l'opposabilité des actes et indications postérieurs à l'acte constitutif dont l'article 12 § 1 à § 3 prescrit la publicité par un simple renvoi à l'article 10 § 4, lequel fixe, conformément au prescrit de l'article 3.5 de la directive, les conditions auxquelles les actes constitutifs sont opposables aux tiers, ce sans plus préciser que ce sont les tiers qui ont traité avec la société avant la publication " (ibid, p. 24). Dezelfde auteur wijst er bovendien op, met verwijzing naar het hierboven vermelde arrest van uw Hof van 17 september 1965, op dat "l'arrêt précité du 25 septembre 1969, établissant une distinction entre la sanction qu'attachaient les articles 11 et 12 anciens à l'inaccomplissement de ces mesures de la publicité, paraît d'ailleurs être un arrêt isolé" (ibid, p. 25), zodat "doivent être considérés comme des tiers au sens des articles 10 et 12 nouveaux ceux qui ont traité avec la société ou les associés à l'exclusion de ceux dont le droit trouve sa source dans un quasi délit ou dans la loi (...)" (ibid, p. 25)).

De kritiek van SIMONT werd gedeeld door de auteurs RONSE en VAN HULLE die menen dat "tot een onderscheid zoals in het besproken arrest van 1969 gemaakt is kan zeker geen aanleiding meer bestaan. Zowel m.b.t. de tegenstelbaarheid van de oprichtingsakte als van openbaar te maken latere akten en gegevens, zijn slechts derden diegenen die geen vennoten zijn noch hun algemene rechtsverkrijgende of rechtsverkrijgende onder algemene titel, geen organen of leden van collegiale organen en die bovendien met de vennootschap of haar vennoten dan wel haar organen in die hoedanigheid in een rechtsbetrekking zijn geweest, terwijl het kennis dragen van de openbaar te maken akten, feiten of gegevens van betekenis kon zijn voor hun doen en laten" (J. RONSE en K. VAN HULLE, "Overzicht van de rechtspraak (1968-1977) Vennootschappen", TPR 1978, p. 726, nr. 53).

Ik meen dan ook dat het argument van eiser gesteund op het arrest van uw Hof van 25 september 1969, niet overtuigt.

8. Auteur DE MAREZ neemt een van de meerdersheidsopvatting afwijkend standpunt in waar hij stelt dat artikel 76 W.Venn. geen onderscheid maakt tussen derden die wél en derden die niet beschermd worden. (D. DE MAREZ, "Een derde is een derde. Over de tegenwerpelijkheid aan derden van akten betreffende rechtspersonen", TRV 2005, 530-545)

Hij baseert zijn stelling op een arrest van het Hof van Justitie (HvJ 4 december 1997, C-97/96 VERBAND DEUTSCHER DAIHATSU-HÄNDLER eV en DAIHATSU DEUTSCHLAND GmbH).

De prejudiciële vraag die het Hof van Justitie in die zaak diende te beantwoorden, betrof artikel 6 Eerste Richtlijn (68/151/EEG), dat bepaalt dat de lidstaten passende sancties vaststellen ingeval de in artikel 2 lid 1 sub f) voorgeschreven openbaarmaking van de balans en van de winst- en verliesrekening wordt nagelaten.

In de eerste plaats vroeg de nationale rechter in wezen, of artikel 6 Eerste Richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat waarin slechts aan vennoten, schuldeisers en de centrale ondernemingsraad of de ondernemingsraad van een vennootschap een vorderingsrecht wordt toegekend ter zake van de naar dit nationale recht voorziene sanctie ingeval van niet-nakoming door een vennootschap van de verplichtingen van de Eerste richtlijn tot openbaarmaking van de jaarrekening.

Het Hof van Justitie beantwoordde deze vraag bevestigend (r.o. 23), en benadrukte onder meer dat het begrip derde in artikel 54, lid 3, sub g, van het EG-Verdrag, op grond waarvan de coördinatie van het nationale vennootschapsrecht tot doel heeft de belangen van vennoten en van derden te beschermen, niet kan worden beperkt tot enkel de schuldeisers van de vennootschap (r.o. 20).

Dit oordeel strookt met de conclusie van advocaat-generaal COSMAS, die stelde dat de "beperking van de kring van belanghebbenden voor wie die transparantie nut kan hebben, dan ook in strijd [is] met de letter en de geest van die bepalingen" (Conclusie van advocaat-generaal G. COSMAS van 3 juli 1997, nr. 15).

Auteur DE MAREZ verdedigt dat wat het Hof van Justitie in het Daihatsu-arrest beslist heeft met betrekking tot artikel 6 Eerste Richtlijn ook geldt voor wat betreft artikel 3 Eerste Richtlijn, dat een regeling m.b.t. de tegenwerpelijkheid aan derden van bekend te maken gegevens bevat: "Al na het Daihatsu-arrest kon er maar weinig twijfel meer over bestaan dat hetgeen het Hof in dat arrest heeft uiteengezet met betrekking tot de interpretatie van artikel 6 van de Eerste vennootschapsrichtlijn, ook geldt voor artikel 3 van diezelfde richtlijn" (D. DE MAREZ, ibid, 543), aangezien "het volstrekt onlogisch [zou] zijn indien men bij de interpretatie van een andere bepaling van dezelfde richtlijn voor een andere benadering zou opteren" (ibid, p. 544).

Dat de Daihatsu-rechtspraak van toepassing is op artikel 3 Eerste Richtlijn, wordt trouwens, zoals benadrukt door DE MAREZ, door het Hof van Justitie zelf bevestigd in de zogenaamde Springer-beschikking van 23 september 2004 (Beschikking van het Hof (Tweede kamer) 23 september 2004 in de gevoegde zaken C-435/02 en C-103/03).

Deze zaak betreft de Vierde Richtlijn (m.b.t. de coördinatie van het recht van de lidstaten met betrekking tot de jaarrekening). Het Hof van Justitie oordeelde dat "uit het arrest Daihatsu Deutschland (...) dus duidelijk [kan] worden afgeleid dat de door artikel 3 van de eerste vennootschapsrichtlijn voorgeschreven openbaarmakingsverplichtingen (...) impliceren dat een ieder de mogelijkheid heeft om de jaarrekening en het jaarverslag in te zien van vennootschappen als bedoeld in de richtlijn, zonder een beschermenswaardig recht of belang te hoeven aantonen" (r.o. 33).

Uit deze beschikking blijkt volgens DE MAREZ dat "ook artikel 3 van de Eerste Vennootschapsrichtlijn moet worden uitgelegd in het licht van artikel 44 lid 2 sub G van het E.G-Verdrag (voorheen artikel 54, lid 3 sub g E.G.-Verdrag)" (D. DE MAREZ, ibid, p. 544). Hij concludeert: "Uit hetgeen voorafgaat, blijkt duidelijk dat alle derden door artikel 76 W.Venn. worden beschermd, ongeacht de aard of de oorsprong van het recht waarop zij zich beroepen. Een derde is een derde. Alleen personen die niet als "derde" kunnen worden gekwalificeerd, vallen derhalve buiten het beschermingsbereik van dit artikel" (ibid, p. 544, nr. 20).

9. Ondanks deze door DE MAREZ geformuleerde kritiek op de traditionele leer, moet worden vastgesteld dat een absolute meerderheid van de doctrine blijft verdedigen dat artikel 76 Wetboek van Vennootschappen enkel die derden die met de vennootschap wegens haar bestaan hebben gehandeld, beschermt. Derden die op de vennootschap een vordering uit onrechtmatige daad of uit kracht van wet hebben, worden van deze bescherming uitgesloten (K. GEENS en M. WYCKAERT, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. IV. Verenigingen en Vennootschappen, Deel II. De vennootschap. A. Algemeen deel, Mechelen, Kluwer, 2011, nr. 207, p. 383; E. JANSSENS, "Wanneer is het ontslag van een bestuurder van een NV tegenstelbaar aan derden?", noot onder Antwerpen 10 januari 2013, RABG 2013, p. 549, nr. 4; J. RONSE, De vennootschapswetgeving 1973, Gent-Leuven, Story-Scientia, 1973, p. 21, nr. 40; J. RONSE en K. VAN HULLE, "Overzicht van de rechtspraak (1968-1977). Vennootschappen", TPR 1978, p. 726, nr. 53; S. RUTTEN, "Commentaar bij art. 76 W. Venn.", in Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2003, p. 5-6, nr. 3; D. VAN GERVEN, Beginselen van Belgisch Privaatrecht. IV. Rechtspersonen, Deel I. Rechtspersonen in het algemeen. Verenigingen, stichtingen & publiekrechtelijke rechtspersonen, Mechelen, Kluwer, 2007, nr. 44, p. 94-95; D. VAN GERVEN, "Kroniek vennootschapsrecht 2011-2012", TRV 2012, p. 593, nr. 75; D. VAN GERVEN, "Kroniek vennootschapsrecht 2013-2014", TRV 2014, p. 587, nr. 99; M. VAN GILS, "Derdentegenwerpelijkheid van akten van een NV", TRV 2004, 707).

Ik meen dat deze traditionele visie, die door een absolute meerderheid van de auteurs wordt gevolgd, overtuigt. Auteur DE DIER stelt in deze context terecht dat artikel 76 Wetboek van Vennootschappen een derdenbeschermende maatregel is: "door de tegenwerpelijkheid aan derden uit te stellen tot het moment van publicatie, heeft een derde niet te vrezen dat hem bepaalde gegevens worden tegengeworpen waarvan hij het bestaan nauwelijks kon verifiëren" (S. DE DIER, "Enkele opmerkingen over de aansprakelijkheid van bestuurders of zaakvoerders van vennootschappen-rechtspersonen voor fouten begaan na hun ontslag, maar vóór de publicatie daarvan", noot onder Brussel 11 september 2012, TRV 2014, p. 187, nr. 3).

Artikel 76 wil aldus "vermijden dat derden weigeren te handelen met vennootschappen-rechtspersonen" (ibid, p. 188, nr. 4).

Auteur DE DIER leidt daaruit af dat "de bescherming die eruit voortvloeit, dan ook enkel [moet] spelen in situaties waarin derden kunnen beslissen om tot dergelijke weigering over te gaan - situaties waarin derden kiezen om al dan niet te handelen met een vennootschap-rechtspersoon, en waarin hun bewustzijn dus een rol speelt. Dat is in beginsel enkel zo indien derden rechtshandelingen stellen met de vennootschap-rechtspersoon (...). Omgekeerd: indien een derde op onvrijwillige wijze in een rechtsband met de vennootschap-rechtspersoon wordt betrokken, zal de regel van art. 76 W.Venn. niet spelen. De derde heeft dan immers geen bewuste keuze gemaakt om met die vennootschap-rechtspersoon te handelen. Zijn bewustzijn speelt dan geen rol en verdient geen bescherming door art. 76 W.Venn. Van een onvrijwillige rechtsband is bijvoorbeeld sprake bij een onrechtmatige daad" (ibid, p. 188, nr. 4).

10. Vermits de verschuldigdheid van de bedrijfsvoorheffing voortvloeit uit de wet, is de fiscale administratie een niet-contractuele schuldeiser die niet wordt beschermd door artikel 76 Wetboek van Vennootschappen.

Verweerster voert m.i. terecht aan dat het hof van beroep op wettige wijze heeft beslist dat eiser zich niet kon beroepen op de afwezigheid van openbaarmaking van de overdracht van de aandelen door verweerster bij overeenkomst van 21 april 2009, die een einde maakte aan haar hoedanigheid van vennoot onder firma. Het bestaan en de rechtsgevolgen van deze overeenkomst waren ten aanzien van eiser overeenkomstig het gemeen recht tegenwerpelijk.

Als een niet door artikel 76 Wetboek van Vennootschappen beschermde schuldeiser, diende eiser te erkennen dat verweerster vanaf 21 april 2009 niet langer vennoot onder firma was.

Het middel dat aanvoert dat eiser wél door artikel 76 Wetboek van Vennootschappen wordt beschermd, berust m.i. dan ook op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.

Besluit: VERWERPING.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: ma, 12/03/2018 - 20:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.