-A +A

provocatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een onderscheid dient gemaakt tussen

I. provocatie van misdrijven door parket of poltiediensten die resulteert in onontvankjelijkheid van de strafvordering.

De provocatie van een misdrijf door de politie of een andere overheid is de handeling waarbij het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.

II. provocatie als strafverminderende verschoninigsgrond 

De verschoningsgrond van uitlokking berust op de gedachte van de morele dwang die de dader ondergaan heeft op het ogenblik van de feiten. De zwaarwichtigheid van de gewelddaden wordt derhalve niet gemeten volgens hun materiële hevigheid, maar wel volgens de hevigheid van de reactie die zij veroorzaakt hebben. De zwaarte van de in art. 411 Sw. bedoelde gewelddaden moet dus subjectief beoordeeld worden (zie en vgl. Corr.Turnhout, 14 oktober 1961, R.W., 1961-1962,896).

De in art. 411 Sw. bedoelde uitlokking kan het gevolg zijn van geestelijke gewelddaden, voor zover het gaat om zware gewelddaden, waarvan ieder redelijke mens zo sterk onder de indruk kan komen dat hij zich bedreigd voelt, dat zijn veiligheid in gevaar komt en dat er in zijn hoofde een sterkere en diepere verontwaardiging rijst dan die als gevolg van lichamelijke gewelddaden (zie en vgl. Corr. Aarlen, 8 februari 1990, J.L.M.B., 1991, 1185).

I. provocatie van misdrijven door parket of poltiediensten die resulteert in onontvankjelijkheid van de strafvordering.

Niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens provocatie
Art. 30. Voorafgaande titel wetboek van strafvordering

Provocatie van misdrijven is verboden.
Er is provocatie wanneer in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.
In geval van provocatie is de strafvordering onontvankelijk wat deze feiten betreft.

In het arrest nr. 202/2004 stelde het grondwettellijk Hof vast dat de oorspronkelijke  bepaling aan het begrip provocatie een restrictieve interpretatie gaf, waardoor onder vervolgde personen een discriminatie in het leven werd geroepen naargelang ten aanzien van hen al dan niet de wet betreffende de bijzondere opsporingsmethoden was toegepast. Om die reden vernietigde het Hof de bepaling.

Om tegemoet te komen aan dat bezwaar voegde de BOM reparatiewet in  artikel 2 van de bestreden wet in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering een nieuw hoofdstuk V in met als opschrift « Niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens provocatie ».

Het hoofdstuk omvat een nieuw artikel 30, dat bepaalt :
« Provocatie van misdrijven is verboden.
Er is provocatie wanneer in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.
In geval van provocatie is de strafvordering onontvankelijk wat deze feiten betreft ».
Nu het verbod van provocatie en de wettelijke omschrijving ervan in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering zijn opgenomen, zijn zij voortaan van toepassing op alle misdrijven en niet langer enkel op de misdrijven die in het raam van de aanwending van een bijzondere opsporingsmethode zijn uitgelokt.

Voor het grondwettelijk hof (arrest 105/2007 van 19 juli 2007, zie www.grondwettelijkhof.be  en RABG 2008/1, p.4) werd aangevoerd dat deze bepaling een schending uitmaakt van van het recht op een eerlijk proces, alsook van de beginselen van wettigheid en van voorzienbaarheid in strafzaken, in zoverre het derde lid van artikel 30, de onontvankelijkheid van de strafvordering beperkt tot de uitgelokte feiten en niet uitbreidt tot de gehele strafvordering.

Het grondwettelijk hof verwerpt dit bezwaar onder verwijzing naar het EVRM.  Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt de rechten van de verdediging van elke beklaagde. Hoewel die bepaling in beginsel niet eraan in de weg staat dat het bewijs van een misdrijf wordt verkregen door de infiltratie van politieambtenaren, verzet zij zich tegen elke vorm van uitlokking van het misdrijf.

Er is sprake van uitlokking wanneer niets erop wijst dat het misdrijf zonder het optreden van de politie ook zou zijn gepleegd (EHRM, 9 juni 1998, Teixeira de Castro t. Portugal, § 39;24 april 2007, V. t. Finland, § 69).

Wanneer een onwettige handeling aan de oorsprong ligt van het plegen van de inbreuk, doet de strafvervolging ten aanzien van die feiten op fundamentele wijze afbreuk aan het recht op een eerlijk proces, in zoverre ze betrekking heeft op die inbreuk.
De strafvervolging ten aanzien van andere feiten, daarentegen, die van vóór de provocatie dateren of geen verband ermee houden en die op wettige wijze zijn vastgesteld, schendt niet het recht op een eerlijk proces.

Het kan enkel aan de rechter worden overgelaten om, op grond van alle feitelijke omstandigheden en gegevens van de zaak, te oordelen welke feiten een verband vertonen met de uitgelokte feiten en te beslissen of de onontvankelijkheid van de strafvordering zich tot andere dan de rechtstreeks geprovoceerde feiten dient uit te strekken. Een dergelijke
beoordelingsbevoegdheid van de rechter is volgens het grondwettelijk hof niet strijdig met de beginselen van wettigheid en van voorzienbaarheid in strafzaken.

Toepassing: Het Lokautoarrest , Brussel 14 maart 2007 RABG/1 , 63 met noot, Lokauto's mogen maar op welke grond.

De provocatie impliceert een handeling gesteld door politiediensten of door derden op verzoek van politiediensten die bij de dader de idee en de wil om het misdrijf te plegen doet ontstaan dan wel een reeds aanwezige wil dermate versterkt zodat de dader daadwerkelijk overgaat tot het plegen van de feiten. Deze delicate beoordeling is de taak van de feitenrechters.

Door het plaatsen van een lokauto, waarbij op de achterbank op zichtbare wijze een laptop wordt geplaatst, heeft de politie zich beperkt tot het louter scheppen van een mogelijkheid tot diefstal, zonder afbreuk te doen aan de vrijheid voor de verdachte om af te zien van het plegen van het misdrijf.

Rechtspraak:

• Cassatie 04/03/2014, AR P.14.0333.N, juridat

Samenvatting:

Wanneer het opzet om het misdrijf te plegen is ontstaan buiten enig optreden van de politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, deze zich heeft beperkt tot het scheppen van de gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en aan de dader ruimte gelaten wordt om vrij met zijn misdadig voornemen te breken, is er geen sprake van provocatie (1). (1) Zie: Cass. 5 feb. 1985, AR 9277, AC 1984-1985, nr. 337; Cass. 17 dec. 2002, AR P.02.0027.N, nr. 675; Cass. 1 okt. 2008, AR P.08.0743.F, AC 2008, nr. 516.

Tekst arrest

Nr. P.14.0333.N
M B,
inverdenkinggestelde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 februari 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van een actieve tussenkomst van de politie in de zin van het voormelde wetsartikel; ook een bewust niet-ingrijpen kan evenwel beschouwd worden als een actieve tussenkomst en een situatie creëren in de zin van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

2. Artikel 30, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering be-paalt dat er sprake is van provocatie wanneer door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde, handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan, versterkt of bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen.

Wanneer het opzet om het misdrijf te plegen is ontstaan buiten enig optreden van de politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, deze zich heeft beperkt tot het scheppen van de gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en aan de dader ruimte gelaten wordt om vrij met zijn mis-dadig voornemen te breken, is er geen sprake van provocatie.

3. De rechter oordeelt onaantastbaar of het optreden van de politieambtenaar aan de oorsprong ligt van het misdadige voornemen van de dader of deze heeft aangemoedigd, dan wel slechts de gelegenheid was om vrij een strafbaar feit te plegen in omstandigheden waar de dader steeds vrij met dit voornemen kon bre-ken.

4. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat:
- de verbalisanten op 27 januari 2014 op een parking te Sint-Agatha-Berchem een Citroën C5 hebben aangetroffen die gestolen bleek;
- zij dit voertuig vervolgens enkel op de openbare weg hebben laten staan en onder observatie hebben geplaatst zonder verdere tussenkomst.

Op grond van die vaststellingen oordelen de appelrechters dat de politie:
- "niets meer deed dan het nabootsen van een dagelijkse situatie die de dader ook had kunnen tegenkomen indien eender welke burger zijn voertuig op de openbare weg had achtergelaten";
- zich beperkte "tot het louter creëren van een gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de vrijheid van de eiser om af te zien van het plegen van enig misdrijf met dit voertuig";
- enkel beoogde de uitvoering van het misdrijf vast te stellen.

Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel van de appel-rechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het bewust niet-optreden door de politie of gerechtelijke diensten met betrekking tot het gestolen voertuig dat onder observatie stond, kan in deze gelijkgesteld worden met een bewuste handeling van de politie die uiteindelijk aanleiding gaf tot de aan de eiser ten laste gelegde feiten, minstens wat de heling van het gestolen voertuig betreft.

7. Het middel dat geen enkele concrete kritiek op het arrest bevat, is niet ont-vankelijk.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, evenals miskenning van het recht op wapengelijkheid: door de toepassing van de BOM-wet wordt de wapengelijkheid tussen de partijen miskend; in tegenstelling tot de eiser heeft het openbaar ministerie hier wel toegang tot het volledige dossier om haar vordering op te stellen.

9. Het middel dat geen enkele concrete kritiek op het arrest bevat, is niet ont-vankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 74,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,en op de openbare rechtszitting van 4 maart 2014 uitgesproken

Noot

• Nullum Crimen [NC] BERKMOES, Henri; Noot 'Uitlokking versus uitgestelde vatting van daders en uitgestelde inbeslagneming' 2015, nr. 1, p. 35-39.
• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] VEREECKE, Vincent; Noot 'Een lokauto mag niet te aantrekkelijk zijn' 2014, nr. 14, p. 936-944.

II. provocatie als strafverminderende verschoninigsgrond

Rechtspraak met betrekking tot de strafverminderende uitlokking (provocatie)

Corr. Oudenaarde, Achtste kamer, 2013/NT/1125, 19/04/2016):
...
2.1.De beklaagde wordt vervolgd wegens het te Ronse op 26 oktober 2011
toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen aan AL (tenlastelegging B) en wegens AL door gebaren of zinnebeelden te hebben bedreigd met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld (tenlastelegging C).

Hij wordt tevens vervolgd wegens een inbreuk op de wapenwetgeving van 8 juni 2006 door een breekmes te hebben gedragen, zijnde een voorwerp dat niet als wapen is ontworpen maar waarvan het in de gegeven concrete omstandigheden duidelijk is dat hij dit wenste te gebruiken voor het toebrengen van een lichamelijk letsel of voor het bedreigen van personen (tenlastelegging A).

2.2.Wat betreft de tenlasteleggingen B en C

-Op 26 oktober 2011 om 17.56 uur werd de lokale politie van de politiezone Ronse in kennis gesteld van een agressiedelict dat werd gepleegd met gebruik van een mes ter hoogte van het nummer X van de plaats te Ronse.

Ter plaatse aangekomen stelden de verbalisanten vast dat er zich een 20-tal personen op de openbare weg bevonden.
Het slachtoffer AL had een bebloed gezicht en de verbalisanten stelden vast dat ook zijn rechterhand aan het bloeden was. Hij verhaalde dat hij voor de woning van zijn vriendin door de beklaagde was aangevallen met een mes.

De beklaagde, aangeduid als de dader, had de plaats reeds verlaten in het bijzijn van zijn vader.

Gemeld werd dat AL en de beklaagde al enige tijd in onmin leefden en uit de door de verbalisanten verstrekte inlichtingen blijkt dat de politie reeds eerder verschillende keren diende tussen te komen wegens onenigheid tussen de betrokkenen. Beide partijen bevonden zich afwisselend in de rol van slachtoffer of dader.

-Zoals voor de eerste rechter betwist de beklaagde niet dat hij met het breekmes heeft uitgehaald naar AL waardoor deze verwondingen heeft opgelopen.

Hij beroept zich evenwel opnieuw op de in artikel 411 Sw. voorziene verschoningsgrond ‘uitlokking', daarbij stellende dat hij pas nadat hij zélf slagen had gekregen van AL, bij wijze van verdediging, het breekmes heeft genomen.

Er werd in die zin geconcludeerd zodat de beklaagde zich eigenlijk tevens beroept op de in het artikel 416 Sw. voorziene rechtvaardigingsgrond ‘wettige verdediging'.

De strafverminderende verschoningsgrond van de uitlokking komt slechts ter sprake voor zover de feiten bewezen zouden worden verklaard. Dit aspect dient desgevallend te worden onderzocht onder de rubriek straftoemeting.

-Net als de eerste rechter is het hof van oordeel dat door de voorliggende beoordelingsgegevens van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting van het hof, de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C, zoals omschreven in de dagvaarding, in hoofde van de beklaagde bewezen blijven.

-De hamvraag die dient te worden gesteld is te weten wie er als eerste het agressiedelict heeft gepleegd en wie zich daarop heeft verweerd.

Volgens de beklaagde was hij als eerste het slachtoffer van de aanval door AL waarbij hij in zijn persoonlijke fysieke integriteit werd geraakt doordat hij eerst door AL tegen de muur werd geduwd en vervolgens werd geslagen en hij zich enkel heeft verweerd en daarbij het breekmes heeft gebruikt.

Volgens AL werd hij door de beklaagde op een agressieve wijze aangesproken en haalde deze uit met een cuttermes dat hij uit zijn werkkledij haalde.

Geen van de ondervraagde derden-getuigen (JYP, DB, NDR) hebben de aanleiding tot het incident en het incident op zich gezien.

JYP verklaarde : "...Ik hoorde plots veel geroep en getier. Dit bleef enige tijd aanhouden waarop ik eens ben gaan kijken wat er aan de hand was. Ik zag lager in de straat A staan en ik zag dat hij aan het bloeden was in zijn aangezicht. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat er een hevige discussie aan de gang was tussen A en K. Ik zag dat K een cuttermes in zijn hand had en voor mij was het duidelijk dat hij hiermee A had aangevallen gezien er bloed aan het cuttermes hing. Ik heb zelf niet gezien dat K met het cuttermes heeft uitgehaald naar A. De vader van K stond er ook bij en de vader zei herhaaldelijk tegen zijn zoon dat hij het cuttermes moest afgeven maar K ging hier niet direct op in...Volgens hetgeen dat ik gezien heb heeft A niet uitgehaald naar K...".

DB verklaarde : "...Ik ben inderdaad gestopt en gevraagd aan die mensen om zich normaal te gedragen. Ik kan echter niet meer vertellen wie wat heeft gedaan...
Ik heb geen mes of andere wapens gezien... Ik weet wel nog dat er een personenauto BMW te midden van de straat stond...".

De verklaring van NDR, afgelegd op 2 december 2015, is waardeloos nu zij wenst te benadrukken dat AL al aan het bloeden was voor K hem vastgepakt heeft en dat die verwondingen zeker niet afkomstig zijn van K. Dit druist in tegen alle elementen van het strafdossier en zelfs tegen de verklaring van de beklaagde in die wel degelijk toegeeft dat hij met het cuttermes heeft uitgehaald naar AL.

De verklaringen van LY, de vader van de beklaagde, dienen met de nodige omzichtigheid te worden benaderd. Vooreerst kan LY bezwaarlijk als een onafhankelijke getuige worden beschouwd, doch bovendien wijkt zijn handgeschreven verklaring van 15 mei 2013 (neergelegd voor de eerste rechter) in meerdere opzichten af van zijn op 26 oktober 2011 aan de politie afgelegde verklaring.
In de handgeschreven verklaring worden de feiten duidelijk aangedikt.

De handgeschreven en niet ondertekende noch gedagtekende verklaring van de niet nader geïdentificeerde oma van de beklaagde kan bezwaarlijk als bewijsstuk worden gehanteerd.

Het hof is van oordeel dat de beklaagde wel degelijk de agressor was.

De geweldpleging op AL blijkt uit de opgelopen verwondingen die geattesteerd werden door dokter E (stukken 12-13 strafdossier).
Hij had snijwonden aan het voorhoofd, aan het rechter ooglid, aan de vinger en hij had een wonde ter hoogte van de linker testes.

De beklaagde had geen verwondingen opgelopen, minstens legt hij daaromtrent geen stuk van voor. Na de feiten heeft hij zich trouwens onmiddellijk verwijderd.

*Er is sprake van wettige verdediging of noodweer wanneer een persoon ter verdediging van zichzelf of van een ander, een onrechtmatige aanval afweert door middel van slagen, verwondingen of doodslag.

De in artikel 416 Sw. voorziene rechtvaardigingsgrond "wettige verdediging" veronderstelt het bestaan van een ernstige en onmiddellijke bedreiging waartegen een vrijwillige en noodzakelijke tegenaanval wordt geplaatst, die evenredig is met de reikwijdte van de aanranding.

De feitenrechter oordeelt soeverein over de ernst en de actualiteit van de onrechtmatige aanranding, alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer, zulks op grond van de feitelijke omstandigheden en rekening houdend met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon of moest hebben (Cass., 28 februari 1989, Arr.Cass., 1988-1989, 738).

De wettige verdediging kan worden omschreven als de toestand die aan iemand het recht verleent geweld te gebruiken als noodzakelijk afweermiddel tegen een actuele en onrechtmatige aanranding gericht op zijn eigen persoon of op andermans persoon
(zie A. De Nauw, Inleiding tot het algemeen strafrecht, Die Keure 2010 - 3e editie, nr. 155).

De voorliggende gegevens van het strafdossier tonen niet op een objectieve wijze aan dat AL initieel enige fysieke uithaal naar de beklaagde toe heeft ondernomen.

Maar er is meer. Zélfs indien de beklaagde zich bedreigd zou hebben gevoeld door de handelwijze van AL en er een zekere noodzaak bestond om zich hiertegen te verdedigen, staat de wijze waarop de beklaagde te keer is gegaan, namelijk met een mes uithalen naar het aangezicht en naar de lies, duidelijk niet in evenredigheid met het eventueel af te weren gevaar.

De beklaagde beroept zich derhalve ten onrechte op de rechtvaardigingsgrond van de wettige verdediging.
Door de voorliggende beoordelingsgegevens van het strafdossier en het onderzoek op de terechtzitting van het hof zijn de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C, bewezen gebleven.

2.3.Wat betreft de tenlastelegging A

Zoals voor de eerste rechter wordt deze tenlastelegging betwist.
De beklaagde stelt dat het breekmes in één van zijn zakken van zijn werkbroek stak nu hij dit tijdens zijn werk steeds bij zich heeft om de verpakking van wisselstukken te kunnen lossnijden.
Hij had het breekmes dus niet bij zich om zich te verdedigen, iemand te verwonden of te bedreigen.

In het artikel 3 §1,17e van de Wapenwet wordt als een verboden wapen beschouwd, de voorwerpen en stoffen die niet als een wapen zijn ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die ze voorhanden heeft, draagt of vervoert, ze wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan of het bedreigen van personen.

Een breekmes is op zich geen wapen doch de beklaagde heeft het breekmes gebruikt om AL te verwonden.
Door dit oneigenlijk gebruik van het breekmes dient het in de gegeven context wel als een verboden wapen te worden beschouwd.

Ook de tenlastelegging A blijft bewezen.

2.4.Alle overige feitelijke beschouwingen en argumentaties van de beklaagde, zoals verwoord in termen van pleidooi en in de ter terechtzitting van dit hof op 18 februari 2015 neergelegde conclusie kunnen het hof niet tot een andere beslissing met betrekking tot de schuld van de beklaagde aan alle hem ten laste gelegde feiten brengen.

3. Nopens de straftoemeting

De eerste rechter heeft de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A, B en C samen, bij toepassing van het artikel 65 Sw., wetmatig beteugeld met een werkstraf van 60 uur of een werkstraf vervangende gevangenisstraf van twee maanden.

De beklaagde pleit de strafverminderende verschoningsgrond uitlokking.

De verschoningsgrond van uitlokking berust op de gedachte van de morele dwang die de dader ondergaan heeft op het ogenblik van de feiten. De zwaarwichtigheid van de gewelddaden wordt derhalve niet gemeten volgens hun materiële hevigheid, maar wel volgens de hevigheid van de reactie die zij veroorzaakt hebben. De zwaarte van de in art. 411 Sw. bedoelde gewelddaden moet dus subjectief beoordeeld worden (zie en vgl. Corr.Turnhout, 14 oktober 1961, R.W., 1961-1962,896).

De in art. 411 Sw. bedoelde uitlokking kan het gevolg zijn van geestelijke gewelddaden, voor zover het gaat om zware gewelddaden, waarvan ieder redelijke mens zo sterk onder de indruk kan komen dat hij zich bedreigd voelt, dat zijn veiligheid in gevaar komt en dat er in zijn hoofde een sterkere en diepere verontwaardiging rijst dan die als gevolg van lichamelijke gewelddaden (zie en vgl. Corr. Aarlen, 8 februari 1990, J.L.M.B., 1991, 1185).

De beklaagde verklaarde dat, toen hij met zijn vader te voet stapte in de plaats te Ronse, AL alleen met zijn voertuig BMW kwam aangereden waarbij de wagen plots versnelde met piepende banden, wellicht nadat hij de beklaagde had opgemerkt.

LY verklaarde in zijn eerste verhoor : "Toen we van bij mijn moeder te voet de straat naar beneden gingen kwam A met zijn voertuig in volle snelheid afgereden richting ons. Ter hoogte van zijn deur trok hij de handrem van zijn voertuig (aan) en stapte A uit zijn voertuig. Hierop riep hij naar mijn zoon dat hij zo niet moest kijken en kwam in onze richting gestapt. Er is onmiddellijk een hevige verbale discussie ontstaan tussen mijn zoon en A...".

De onafhankelijke getuige DB herinnerde zich meer dan vier jaar na de feiten nog dat er een personenwagen BMW te midden van de straat stond wat dus eerder strookt met de verklaringen van K en LY.

Het hof is er dan ook van overtuigd dat AL zich voorafgaandelijk aan de messteken evenmin onbetuigd heeft gelaten tegenover de beklaagde met wie hij duidelijk in onmin leefde en dit door zijn bedreigend gedrag aan boord van zijn voertuig BMW.

Zoals hierboven reeds aangehaald blijkt uit de door de verbalisanten verstrekte inlichtingen dat de politie reeds eerder verschillende malen diende tussen te komen wegens onenigheid tussen de betrokkenen. Beide partijen bevonden zich afwisselend in de rol van slachtoffer of dader.

De gedragingen van AL hadden dan ook zeker tot gevolg dat de beklaagde zich bedreigd moet hebben gevoeld en dat hij vreesde voor zijn fysieke veiligheid.
Het hof aanvaardt dan ook de uitlokking in de zin van het artikel 411 Sw..

Ook het Openbaar Ministerie was van oordeel dat de feiten werden uitgelokt in de zin van het artikel 411 Sw..

De beklaagde verzocht de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te gelasten. Ondergeschikt wordt een werkstraf gevraagd of een straf omkleed met de gunst van het uitstel van de tenuitvoerlegging.

Het Openbaar Ministerie adviseerde negatief omtrent de gevraagde opschorting van de uitspraak van de veroordeling en vorderde de bevestiging van het bestreden vonnis.

Het hof stelt vast dat de beklaagde nog geen veroordelingen heeft opgelopen door de correctionele rechtbank. Hij kreeg wel reeds een berisping door de jeugdrechtbank en hij werd vier maal veroordeeld door de politierechtbank.
Op het ogenblik van de feiten was de beklaagde nog geen 19 jaar oud.

Teneinde de toekomst van de nog jeugdige beklaagde niet te hypothekeren, is het hof van oordeel dat - mede gelet op het tijdsverloop sedert de gepleegde feiten en de aanvaarde uitlokking van de feiten - aan de thans 24- jarige beklaagde de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan worden verleend, dit gedurende een termijn van drie jaar vanaf heden.

De beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden zoals bepaald in art.3 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zoals gewijzigd bij art. 36 van de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie.

De openbare orde en de maatschappij zullen voldoende gevrijwaard worden door deze maatregel.
Onderhavige beslissing staat een latere toepassing van een straf ingeval van nieuwe delinquentie trouwens niet in de weg.
Het hof verwacht dat de strafvervolging op zich en de gunstmaatregel van de opschorting zullen volstaan om de beklaagde ervan te weerhouden in de toekomst nog dergelijke feiten te plegen.

... 
 


 

Nog dit: 

• KI Gent 3 maart 2011 T.Strafr. 2011, afl. 3, 210, noot SCHUERMANS, F.

Samenvatting

Er is sprake van provocatie wanneer in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.

In geval van provocatie is de strafvordering onontvankelijk wat deze feiten betreft. De verdachte begaf zich op eigen initiatief naar een internetkanaal, wat al getuigt van een zekere ingesteldheid in zijnen hoofde. Het is enkel nadien dat aan verdachte door een Amerikaanse undercoveragent aangeboden werd om naar de Verenigde Staten te komen om er met kinderen seks te hebben, doch niet om kinder porno op te sturen. De verdachte deed dit op eigen initiatief en vrijwillig.

Bovendien is het aannemelijk dat verdachte reeds voorafgaand aan de contacten met de undercoveragent kinderporno in zijn bezit had. Er is aldus geen causale relatie tussen het algemeen contact tussen de undercoveragent en verdachte enerzijds en het bezit/verzenden van kinderporno door verdachte anderzijds.

• Cass 22 juni 2011, RW 2012-2013, 984

AR nr. P.11.0988.F

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik t/ F.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het motiverend en het strafrechtelijk veroordelend arrest, op 6 mei 2011 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Luik.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen de verweerder wegens doodslag

1. De eiser verwijt het hof van assisen dat het de misdaad heeft verschoond op grond van een redengeving die art. 411 Sw. schendt.

2. Art. 411 Sw. meet de ernst van de gewelddaden waarvoor een verschoningsgrond wordt aangenomen, ongeacht of dat geweld fysiek of verbaal is, niet alleen af aan de hevigheid van de reactie die de gewelddaden hebben veroorzaakt, maar ook aan de zwaarte van de concrete feiten, in verhouding tot de ernst van het uitgelokte misdrijf. Wanneer art. 422 Sw. vermeldt dat doodslag, verwondingen en slagen in afnemende graad van ernst “verschoonbaar” zijn maar niet “verschoond” worden, voert het eigenlijk een verhouding van evenredigheid in tussen de ernst van de uitgelokte misdaad of het uitgelokte wanbedrijf en de ernst van het geweld dat daardoor wordt uitgelokt. Met andere woorden, de daad die een slag verschoont, zal niet noodzakelijk de moord verschonen.

3. De ernst van de uitlokking kan evenmin uitsluitend beoordeeld worden in het licht van de gemoedsgesteldheid van de uitgelokte dader, zo niet ontstaat er ongelijkheid tussen de burgers voor de strafwet. De bij art. 411 Sw. vereiste zware gewelddaden zijn die welke de vrije wil van een normaal en redelijk persoon in het gedrang brengen en niet die welke dat alleen maar tot gevolg hadden wegens de bijzondere gevoeligheid van de uitgelokte dader.

4. De bodemrechter beoordeelt in feite of de gewelddaden het bij art. 411 Sw. vereiste ernstig karakter hebben. Het staat evenwel aan het Hof om na te gaan of de rechter uit zijn feitelijke vaststellingen de verschoningsgrond naar recht heeft kunnen afleiden.

5. De verweerder werd schuldig verklaard aan doodslag. Het veroordelend arrest wijst hierbij op de barbaarsheid waarmee die is gepleegd, omdat een kwetsbaar slachtoffer, de moeder van zijn kind, talrijke messteken werden toegebracht.

Het hof van assisen zegt dat die doodslag verschoonbaar is wegens de beledigingen die het slachtoffer haar partner tijdens een twist naar het hoofd heeft geslingerd, beledigingen die eventueel bij hem een hevige emotie hebben losgemaakt wegens zijn onvolwassen persoonlijkheid, het feit dat hij erg opgewonden was en erg aan zijn moeder was gehecht.

Het hof van assisen, dat alleen verwijst naar de intensiteit van de reactie die de beledigingen bij de moordenaar hebben uitgelokt, wegens de aard van zijn persoonlijkheid, zonder dat het acht slaat op de objectieve ernst van het morele geweld dat het slachtoffer van de doodslag ten laste wordt gelegd of de ernst ervan vergeleken met die van de gepleegde feiten, en evenmin op de uitwerking die de beledigende uitlatingen op een normaal en redelijk persoon hadden kunnen hebben, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: do, 07/06/2018 - 14:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.