-A +A

Prostitutie gemeentelijke reglementeringen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De gemeenteraden kunnen, ter aanvulling van de Wet 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële reglementering van de prostitutie, verordeningen vaststellen indien deze tot doel hebben de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren. De door die verordeningen bepaalde misdrijven worden met politiestraffen gestraft.
 (art. 121 Nieuwe Gemeentewet).

Deze reglementeringen slaan veelal op het verbod of de modaliteiten van raamprostitutie, gedoogzones, belastingen.

In een aantal gemeenten zones wordt een taks geheven op de prostituees die als dienster zijn ingeschreven in een bar. Zo wordt er in Sint-Martens-Latem een taks geheven die per dienster momenteel in 2002 500 € bedroeg en opgetrokken werd naar 1500 € per dienster. Sint-Truiden hanteert drie tarieven, naar gelang van het aantal diensters werkzaam in de bar.

De strafrechter dient zich te beperken tot het toezicht op de overeenstemming met de wet van een aanvullende gemeenteverordering op de uitoefening van de prostitutie, maar mag niet de de gepastheid en de doelmatigheid van deze reglementering beoordelen.

In praktijk voeren de gemeenten:

- een verjaagbeleid;
- een belastingsbeleid
- een concentratiebeleid
- een overlastbeleid.

Bbepaalde gemeenten voeren zelfs ook een registratiebeleid voeren, met het afnemen van vingerafdrukken, foto's, identiteitsgegevens. Doordat België het verdrag van New York van 21 maart 1950 ondertekend heeft is een dergelijke registratie onwettelijk.

Ook zijn volgens de zelfde auteur dezelfde geschiktheidverklaringen van panden voor prostitutie zoals toegepast in Antwerpen strijdig met de wet, zeker wanneer vastgesteld dat deze geschiktheidverklaringen enkel voor bepaalde wijken worden verleend. Bovendien maken deze verklaringen bordeelvergunningen uit hetgeen volgens de letter van de wet niet kan. Men kan geen vergunning verlenen voor het houden van een huis van ontucht wanneer zulks door de wet verboden is, ondanks het gedoogbeleid.

Volgens G. Vermeulen (opus citaat) maakt de heffing van een belasting op barpersoneel de gemeente tot pooier en zou een dergelijke belasting onwettelijk zijn.

•• Antwerpen (burg. k.) nr. 2001/RK/209, 11 februari 2002, Juristenkrant 2002, afl. 54, 14.

De door prostituees ingeroepen subjectieve rechten van vrijheid op handel en recht op werk houden niet in dat hun positie onaantastbaar is. Rekening moet worden gehouden met de belangen van andere subjecten en het algemeen belang, voor de behartiging waarvan de overheid moet instaan. Te dezen kan de overheid aan de ingeroepen rechten beperkingen opleggen zonder de rechten in hun kern aan te tasten. Er is immers geen algemeen verbod tot raamprostitutie. Overeenkomstig art. 121 Nieuwe Gemeentewet mag de Stad Antwerpen maatregelen nemen om de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren. Conform het verslag Seinpost heeft de stad een verordening opgesteld die gericht is op het beschermen van de openbare rust en openbare veiligheid in vrijwel al haar wijken, uitgezonderd in o.m. een concentratiegebied in het Schippersgebied. Zij kan op grond van art. 119bis, par. 2, 4 Nieuwe Gemeentewet bij schending van haar reglement tot administratieve sluiting overgaan.

Belastingen op ontuchthuizen:

De gemeentelijke overheid kan op grond van artikel 170, § 4 G.W. belastingen invoeren en het komt haar toe in het kader van haar fiscale autonomie om de basis en de grondslag van de belastingen te bepalen waarvan zij de noodzaak beoordeelt gelet op de behoeften waarin zij meent te moeten voorzien, onder het enkele voorbehoud opgelegd door de G.W., te weten de bevoegdheid van de wetgever tot het verbieden aan de gemeenten van het heffen van bepaalde belastingen. Hieruit volgt dat onder voorbehoud van de door de wet bepaalde uitzonderingen de gemeenteraden onder de controle van de toezichthoudende overheid de basis van de door hen geheven belastingen kiezen. Geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling verbiedt een gemeente, wanneer zij een belasting vestigt die gerechtvaardigd is door de staat van haar financiën, dit bij voorrang te doen t.a.v. activiteiten die zij meer laakbaar acht dan andere of waarvan zij de ontwikkeling schadelijk acht.

Wanneer de hoofddoelstelling van een gemeentelijk reglement tot vestiging van een maandelijkse belasting op "sex-shops" en "peepshows" van budgettaire aard is, verzet niets zich er tegen dat de gemeentelijke overheid bijkomstige, niet financiële doelstellingen nastreeft tot aansporing of ontrading (terzake het bestrijden van de ontwikkeling, die zij fiscaal wenst te bestraffen, van inrichtingen genaamd "peepshows" en "sex-shops"). Een belastingreglement dat dergelijke bijkomende doelstellingen nastreeft, blijft binnen de grenzen van de algemene bevoegdheid van de gemeenteraad tot regeling van alles wat valt onder het gemeentelijke belang, zodanig dat in dergelijk geval niet zou kunnen worden voorgehouden dat de gemeente de litigieuze belasting zou hebben geheven met een ander doel dan de begunstiging van haar financiën en in werkelijkheid middels haar fiscale bevoegdheid het waken over de openbare zeden als doel zou nastreven. zie R.v.St. (15e k.) nr. 129.174, 12 maart 2004 http://www.raadvst-consetat.be; , J.L.M.B. 2006, afl. 6, 234

• Cassatie 28/02/1995 AR P940488N juridat

samenvatting

Door de gemeenteraden kunnen verordeningen tot aanvulling van de wet van 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële reglementering van de prostitutie worden vastgesteld, indien zij tot doel hebben de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren.

tekst arrest

HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis nr. 1061 op 1 maart 1994 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Gent;


Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 2 en 3 van het gemeentereglement van 17 mei 1993 van de Stad Gent en van artikel 121 van de nieuwe Gemeentewet waarbij het aan de gemeenteraden toegelaten wordt aanvullende verordeningen op de strafwetten uit te vaardigen voor zover deze verordeningen tot doel hebben de openbare zedelijkheid en openbare rust te verzekeren, doordat de appelrechters uit hun consideransen over de werking van het gemeentereglement van 17 mei 1993 van de Stad Gent niet wettig kunnen afleiden dat dit gemeentereglement niet toepasbaar is gezien dit gemeentereglement uitsluitend een verordening beoogt tot aanvulling der wettelijke bepalingen inzake de reglementering van de prostitutie ten einde de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren :


Overwegende dat naar luid van artikel 121 van de Gemeentewet door de gemeenteraden verordeningen tot aanvulling van de wet van 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële reglementering van de prostitutie kunnen worden vastgesteld, indien zij tot doel hebben de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren;


Overwegende dat de rechters het reglement van 17 mei 1993 van de Stad Gent niet toepasbaar verklaren en die beslissing laten steunen op de consideransen : "Een aanvullend (gemeentelijk) reglement mag niet strijdig zijn met de algemene wetten en reglementen die dezelfde stof behandelen" en "Waar artikel 2 van het bestreden reglement de voorwaarden oplegt, waaraan de huizen, gehouden door personen die zich aan ontucht overleveren, dienen te voldoen, gaat dit artikel ervan uit dat het vaststaat dat in bepaalde huizen, blijkbaar exact gekend door de gemeentelijke overheid, personen zich overleveren aan ontucht ; het aanzetten tot ontucht wordt door artikel 380quater van het Strafwetboek uitdrukkelijk gesanctioneerd, zodat een gemeentelijke overheid, veeleer dan bijkomende reglementeringen te ontwikkelen, gehouden is de bevoegde gerechtelijke instanties hiervan op de hoogte te brengen, zodat de betrokkenen kunnen worden gesanctioneerd" en nog "Het bestreden gemeentelijk reglement beoogt geen aanvullende maatregelen te nemen met het oog op de bestrijding van de ontucht en de prostitutie, doch regelt integendeel een materie die uitdrukkelijk door het Strafwetboek (artikel 380quater) is geregeld";


Overwegende dat uit die consideransen blijkt dat de rechters ervan uitgaan, eensdeels, dat het "zich overleveren aan ontucht" gelijk te stellen is met het "aanzetten tot ontucht (door woorden, gebaren of tekens)", wat zowel in feite als naar recht verschillend is, anderdeels, dat het reglement van 17 mei 1993 van de Stad Gent geen aanvullende verordening is omdat het betrekking heeft op een materie die geregeld is door het artikel 380quater van het strafwetboek en het niet de bestrijding van de ontucht en de prostitutie beoogt, hetgeen niet vereist is door het artikel 121 van de Gemeentewet dat de verzekering van de openbare zedelijkheid en de openbare rust tot doel heeft;

Overwegende dat de rechters met hun motivering hun beslissing dat het reglement van 17 mei 1993 van de Stad Gent niet toepasbaar is, niet naar recht verantwoorden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Laat de kosten ten laste van de Staat;
Verwijst de zaak naar de Correctionele Rechtbank te Dendermonde, zitting houdende in hoger beroep.

Rechtsleer:

• G. Vermeulen Betaalseksrecht, Maklu

• G. Vermeulen: Prostitutie moet een knelpuntberoep worden, Juristenkrant , 167, 10

 

Nog dit: 

Is de gemeenteregelementering van de prostitutie al dan niet strijdig het het Decreet D'Allarde?

Het Decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791 betreffende de vrijheid van handel en nijverheid waarborgt niet de uitoefening van een handel of een beroep in omstandigheden die strijdig zijn met de openbare zedelijkheid en de openbare rust. De vrijheid van uitoefening ivan een handelsactiviteit kan beperkt worden door de bevoegdheid van de gemeenteraad om, in de bij de wet bepaalde gevallen, aanvullende politieverordeningen uit te vaardigen ter verzekering van o.m. de openbare zedelijkheid en de openbare rust.

De vraag of een gemeentereglement strijdig is met de wet heeft niets vandoen met de omstandigheid dat een handel of een beroep wegens dit reglement niet op dezelfde wijze als voorheen kan worden uitgeoefend of dat de mogelijkheid om dit te doen aan bepaalde voorwaarden wordt onderworpen.

Arrest Hof van Cassatie 09/01/1996, RW 1996-1997, 356, met noot onder Cass., 9 januari 1996: Opportuniteitsbeoordeling en motivering M. Gelders

Procureur des Konings te Dendermonde t/ J. e.a.

Gelet op het bestreden vonnis, op 22 juni 1995 in hoger beroep op verwijzing gewezen door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde;

Gelet op het arrest van het Hof van 28 februari 1995;

Overwegende dat naar luid van artikel 121 van de Gemeentewet door de gemeenteraden verordeningen tot aanvulling van de wet van 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële reglementering van de prostitutie kunnen worden vastgesteld, indien zij tot doel hebben de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren;

Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de gemeenteraad van de Stad Gent met toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet, op 17 mei 1993 een «Aanvullende politieverordening op de uitoefening van de prostitutie» heeft uitgevaardigd waarvan de artikelen 2 en 3 luiden: «Artikel 2. In de huizen gehouden door personen die zich aan ontucht overleveren, moeten de ramen en deuren van de plaatsen waarin die personen zich bevinden bestaan uit of afgesloten zijn met ondoorzichtige materialen indien deze lokalen rechtstreeks grenzen aan de openbare weg en zich bevinden op minder dan 8 meter van de rand van de rijbaan; artikel 3. Het is aan personen die zich aan ontucht overgeven, verboden zich op de openbare weg te vertonen met de bedoeling zich als dusdanig bekend te maken»;

Overwegende dat, wat artikel 2 van het vermelde reglement betreft, de appelrechters hun oordeel dat dit artikel «te dezen niet toepasselijk is» omdat het «voorziet in een ernstige arbitraire en nodeloos discriminerende beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, die niet in verhouding staat met de noodzaak tot handhaving van de openbare zedelijkheid en rust», laten steunen op de overwegingen dat «mogelijk bepaalde preventieve politiemaatregelen nuttig en nodig (zijn), doch zij aangepast moeten zijn aan de ernst van de verstoring van de openbare orde die zij willen verhelpen en wel dusdanig dat er evenredigheid is tussen enerzijds de beperking van de vrijheid, in voorliggend geval de vrijheid van handel en nijverheid, door een administratieve politiemaatregel en anderzijds de stoornis die moet worden vermeden», en «de wet laat niet toe dat de politieoverheid louter arbitrair deze vrijheid bevestigd door een norm met kracht van wet vervat in artikel 7, Decreet van 2 - 17 maart 1791, het zogenaamde Decreet Allarde, opheft, gebruik makend van een willekeurig criterium ter aanduiding van de woningen die ramen en deuren moeten afsluiten»;

Overwegende dat het decreet van 2-17 maart 1791 geenszins de uitoefening van een handel of een beroep waarborgt in omstandigheden die strijdig zouden zijn met de openbare zedelijkheid en de openbare rust; dat de vrijheid van uitoefening noodzakelijk beperkt is door de bevoegdheid van de gemeenteraad om, in de bij de wet bepaalde gevallen, aanvullende politieverordeningen uit te vaardigen ter verzekering van onder meer de openbare zedelijkheid en de openbare rust;

Overwegende dat uit de tekst van het vermelde artikel 2 van de aanvullende politieverordening van de Stad Gent van 17 mei 1993 noch uit de aan dat besluit van de gemeenteraad voorafgaande toelichting blijkt dat de gemeentelijke overheid de uitoefening van een handel, een beroep, een bedrijf of een ambacht heeft willen belemmeren onder het voorwendsel, op grond van een willekeurig criterium, de openbare zedelijkheid of de openbare rust te verzekeren; dat de wettelijkheid van een gemeentereglement niet afhangt van de omstandigheid dat een handel of een beroep wegens dit reglement niet op dezelfde wijze als voorheen kan worden uitgeoefend of dat de mogelijkheid om dit te doen aan bepaalde voorwaarden wordt onderworpen;

Dat de appelrechters door hun motivering oordelen dat de vermelde maatregel nutteloos en onnodig is omdat er geen actuele en voldoende ernstige verstoring van de openbare orde is bewezen, hetgeen evenwel de mogelijke verstoring van de openbare zedelijkheid en de openbare rust en de noodzaak van reglementering met het oog op de verzekering ervan niet uitsluit;

Overwegende dat, wat artikel 3 van het vermelde reglement betreft, de appelrechters ervan utigaan dat «het verrichten van ontuchtige handelingen op de openbare weg», hetgeen zowel in feite als naar recht verschillend is, mitsdien uit de daarop stoelende overwegingen niet wettig vermogen af te leiden dat het vermelde artikel 3 «meer dan nodig de vrijheid van hetprivéleven beperkt dan vereist is om de wettelijke doelstellingen van het reglement te realiseren»;

Dat de rechters door hun redengeving zich niet tot het toezicht op de overeenstemming met de wet van de artikelen 2 en 3 van de vermelde gemeenteverordening beperken, maar de gepastheid en de doelmatigheid ervan beoordelen, mitsdien de beslissing dat de artikelen 2 en 3 niet toepasselijk zijn niet naar recht verantwoorden;

...

 

 

Commentaar: 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: wo, 04/10/2017 - 16:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.