-A +A

procedure tot uit onverdeeldheid treden en een gerechtelijke vereffening-verdeling vormen onsplitsbaar geschil

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een procedure tot uit onverdeeldheid treden en een gerechtelijke vereffening-verdeling in de zin van de oude artikelen 1207 en volgende Gerechtelijk Wetboek behelst een onsplitsbaar geschil, zo ook de daarmee verweven vorderingen omtrent de echtheid/valsheid van een testament.

Om die reden moeten in beginsel (alle onverdeelde elementen en) alle deelgenoten worden betrokken blijven. Het is materieel onmogelijk om onderscheidend beslissingen aangaande de vereffening-verdeling van onverdeelde elementen of aangaande de echtheid/valsheid van een testament gezamenlijk ten uitvoer te leggen.

Zie hof van beroep Gent 11 de kamer 18 juni 2015, RABG 2016/4 61, met talrijke verwijzingen en noot van Beatrice Verlooy, is het geschil over de echtheid van een eigenhandig testament onsplitsbaar en wie draagt de bewijslast.---
 

.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

ART. 31
Het geschil is enkel onsplitsbaar, in de zin van de artikelen [ 735, § 5, 747, § 2, zevende lid ], 1053, 1084 en 1135, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn.

commentaar

Wanneer het geschil onsplitsbaar is moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser of verweerder in hoger beroep.

De eiser in beroep zal bovendien alle andere niet in hoger beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken (zie artikel 1053 alinea één en twee gerechtelijk wetboek). Wanneer deze regels niet in acht worden genomen zal het hoger beroep niet worden toegelaten waarbij deze niet toelaatbaarheid de openbare orde raakt.

Het criterium van de materiële onmogelijkheid van de gezamenlijke uitvoering van twee andersluidende beslissingen, wordt door de rechtspraak zeer strikt geïnterpreteerd. Zo zijn onsplitsbaar, betwistingen inzake faillietverklaring, betwistingen inzake afstamming, revindicatie. Maar zijn niet onsplitsbaar het geschil waarbij twee slachtoffers van het zelfde ongeval schadevergoeding vorderen van dezelfde aansprakelijke dader. Dit omdat de gezamenlijke uitvoering van twee andersluidende beslissingen in dit geval niet te materieel onmogelijk zou zijn.

In de regel zijn geldsom veroordelingen splitsbaar. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij subrogatie is dit niet het geval (zie het recht op hoger beroep en het beginsel van de door de aanleg in het civiele geding, K. Broeckx, Maklu, nummer 485)

rechtspraak:

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 1 maart 2007, RW 2008-2009, 1143

Het geschil aangaande de eigendom van een schilderij en de nietigverklaring van de verkoop ervan is onsplitsbaar, zodat het cassatieberoep, met toepassing van artikel 1084 Ger. W., alle partijen moet betrekken.

R.M. e.a. t/ A.Z. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 11 maart 2004, 16 september 2004 en 19 januari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

...

II. Beslissing van het Hof

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De verweerders werpen een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op: de eisers hebben, ondanks de onsplitsbaarheid van het geschil, de overige leden van de familie R. van de prinsen de P. S. die partij waren bij de bestreden arresten, zonder reeds verweerders te zijn of opgeroepen te zijn, niet binnen de termijnen om zich in cassatie te voorzien in het geding betrokken.

Krachtens art. 1084, tweede en derde lid, Ger. W. dient de eiser, wanneer het geschil onsplitsbaar is, zijn cassatieberoep overeenkomstig het eerste lid niet alleen te richten tegen alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met het zijne, maar hij moet bovendien de andere partijen die nog geen verweerder zijn of niet opgeroepen zijn, binnen de gewone termijnen in de zaak betrekken. Bij niet-inachtneming van deze regel wordt de voorziening niet toegelaten.

De toepassing van de bepalingen van art. 1084 Ger. W., waarvan de inachtneming een vereiste is voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, kan niet in het gedrang komen wanneer één van de partijen beweert dat zij afstand zou hebben gedaan van het recht zich daarop te beroepen.

Volgens art. 31 Ger. W. is het geschil enkel onsplitsbaar, in de zin van art. 1084, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het geschil betrekking heeft op de eigendom van een schilderij, dat behoort tot de nalatenschap van de op 21 oktober 1952 overleden prinses R.d.P.S., geboren P.d.T.-P.; dat genoemd schilderij op 14 maart 1967 door V.P., die verklaarde te handelen in naam van alle erfgenamen van die prinses, is verkocht aan V.L., die het op 27 oktober 1967 heeft doorverkocht aan de rechtsvoorganger van de verweerders, en dat, naast laatstgenoemden, eisers en de Italiaanse Staat, ook de overige leden van de familie R. van de prinsen d.P.S. die rechtsopvolgers zijn van de erfgenamen van P.d.T.-P. die de vordering tot nietigverklaring hebben ingesteld van de eerste van die verkopen waarover die beslissingen uitspraak doen, partij zijn in de bestreden arresten.

Na de eerste twee bestreden arresten zegt dit van 19 januari 2005 waarbij die vordering wordt verworpen, dat de rechtsvoorganger van de verweerders de wettige eigenaar is geworden van het schilderij en beveelt het de teruggave ervan aan laatstgenoemden.

In geval van splitsing van het geschil zouden de eisers de door hen gevorderde nietigverklaring kunnen verkrijgen, terwijl de beslissing volgens welke het schilderij eigendom is van de rechtsvoorganger van de verweerders zou blijven bestaan ten aanzien van de overige prinsen R.

De gezamenlijke tenuitvoerlegging van die beslissingen zou materieel onmogelijk zijn.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.



uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

ART. 735
[ § 1. Ten aanzien van iedere verschijnende partij worden de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met redenen omkleed verzoek is gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij.

§ 2. De zaken worden in korte debatten behandeld ingeval de partijen daarmede akkoord gaan. De rechter houdt de zaak op de inleidingszitting aan of verwijst ze opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaalt.

[ Behoudens akkoord van de partijen zal het geding op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure worden behandeld in de volgende gevallen :

- de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;

- de vorderingen bedoeld in artikel 19, tweede lid;

- de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935;

- de regeling van geschillen van bevoegdheid;

- de vorderingen om uitstel van betaling. ]

(W. 26.4.2007 - art. 7,1° - B.S. 12.6.2007)

§ 3. In de zaken bedoeld in de §§ 1 en 2, kan het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen conclusies zijn neergelegd.

Wanneer de partijen conclusies nemen, moeten zij die overhandigen aan de rechter, die ze voor gezien tekent. Van deze neerlegging wordt melding gemaakt op het zittingsblad.

§ 4. De overige zaken worden naar de bijzondere rol verzonden of aan andere kamers toegewezen, zoals is bepaald in artikel 726.

§ 5. De bepalingen van dit artikel gelden onverminderd de regels inzake verstek.

[ Wanneer echter, in geval van onsplitsbaarheid van het geschil, een of meerdere partijen verstek laten gaan en ten minste een partij verschijnt, is dit artikel van toepassing op voorwaarde dat elke niet verschenen partij bij gerechtsbrief door de griffier opgeroepen wordt op een zittingsdag bepaald op een nabije datum, waarop een vonnis op tegenspraak zal kunnen worden gevorderd. De oproeping neemt de tekst van deze paragraaf over. ]

(W. 26.4.2007 - art. 7,2° - B.S. 12.6.2007)

§ 6. De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel. ]

(W. 3.8.1992 - art. 15 - B.S. 31.8.1992)

ART. 747
[ § 1. De partijen kunnen op de inleidingszitting en op elke latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken.

De rechter licht de partijen die conclusietermijnen wensen af te spreken in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.

De rechter neemt akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaalt de rechtsdag overeenkomstig § 2, derde lid. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier geeft de partijen en hun advocaten kennis van deze beschikking overeenkomstig § 2, vierde lid.

§ 2. Onverminderd de toepassing van de regels inzake het verstek, kunnen de partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, in voorkomend geval in de gedinginleidende akte, aan de rechter en aan de andere partijen hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak bezorgen, uiterlijk binnen de maand na de inleidingszitting. Deze termijn kan door de rechter worden verkort ingeval dat noodzakelijk is of de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.

Zij kunnen eveneens in onderlinge overeenstemming afwijken van deze instaatstelling van de zaak en om de verwijzing ervan naar de rol verzoeken en, als de omstandigheden het toelaten, om verdaging tot een bepaalde datum.

Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen. Afhankelijk van de datum van de pleitzitting, die, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden bepaald, uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt, bepaalt de rechter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.

Tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open. De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving in de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag, deze beschikking ambtshalve dan wel op, zelfs mondeling, verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier brengt de beschikking bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten, en bij gerechtsbrief van de niet verschenen partij.

Wanneer de zaak naar de rol is verwezen, of werd verdaagd naar een latere datum, kan iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak verzoeken, overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Dit verzoek wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten. Deze kennisgeving doet de termijnen bepaald in het eerste en het derde lid ingaan.

Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak gewezen is.

In geval van onsplitsbaarheid van het geschil en onverminderd de toepassing van artikel 735, § 5, moet deze paragraaf worden toegepast wanneer een of meer partijen verstek laten gaan, terwijl ten minste één partij verschijnt.

§ 3. Voor de rechter in kort geding, voor de voorzitter van de als in kort geding zetelende rechtbank en voor de beslagrechter bedraagt, in afwijking van de vorige paragrafen, de termijn waarover de partijen beschikken om hun opmerkingen te doen gelden ten hoogste 5 dagen, en de termijn waarbinnen de rechter het tijdsverloop dan wel de instemming daarmee van de partijen aantekent ten hoogste 8 dagen. De rechter kan die termijnen inkorten of afschaffen indien de omstandigheden zulks verantwoorden.

De griffier geeft uiterlijk de eerste werkdag volgend op die waarop de beschikking werd gewezen, bij gewone brief kennis van de beschikking aan de partijen en in voorkomend geval aan hun advocaat, alsmede bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij, tenzij de partijen hem van die kennisgeving vrijstellen. ]

 

(W. 26.4.2007 - art. 10 - B.S. 12.6.2007)

ART. 1053

Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken.

Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten.

De beslissing kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

ART. 1084£

Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet de voorziening gericht worden tegen alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met dat van de eiser.

Deze moet bovendien de andere partijen die nog geen verweerder zijn of nog niet opgeroepen zijn, binnen de gewone termijnen in de zaak betrekken.

Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt de voorziening niet toegelaten.

Het arrest kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

ART. 1135

Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet het verzoek tot herroeping van het gewijsde gericht worden tegen alle partijen wier belang strijdig is met dat van de verzoeker.

Deze moet bovendien de andere partijen, die geen verzoek hebben ingediend, in het geding betrekken uiterlijk vóór de sluiting van de debatten die voorafgaan aan de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoek.

Bij niet-nakoming van de in dit artikel gestelde regels wordt het verzoek niet toegelaten.

De beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.
 

 

 

 

 

 

Nog dit: 

GwH 16/01/2014, RW 2013-2014, 1424.

Arrest nr. 4/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 24 januari 2013 heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt, gelet op de lacune in de wet die niet voorziet in een duidelijke, betrouwbare en officiële kennisgeving aan de partijen ten aanzien van de modaliteiten en termijnen van beroep,

– art. 1053, tweede lid Ger.W., eventueel in samenhang gelezen met art. 1675/16, §§ 3 en 4, vierde lid Ger.W., in de interpretatie volgens welke alle partijen – zelfs de niet in beroep gedagvaarde of niet in beroep komende partijen – op straffe van niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep binnen de termijn van hoger beroep in de zaak dienen te worden betrokken,

– art. 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met art. 6.1 EVRM,

in zoverre:

– het ertoe leidt de partijen bij het hoger beroep zonder redelijke verantwoording verschillend te behandelen naargelang dat hoger beroep betrekking heeft op een uitspraak die een splitsbaar of onsplitsbaar karakter heeft: in het geval van een splitsbaar geschil kan de eiser in hoger beroep (of elke partij bij het hoger beroep) tot aan de sluiting van het debat de gemeenverklaring van het vonnis vorderen; in het geval van een onsplitsbaar geschil dient die vordering noodzakelijkerwijs te worden ingesteld binnen de termijn van hoger beroep;

– het op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht van toegang tot een rechtbank, zoals gewaarborgd bij art. 6.1 EVRM, ten opzichte van de doelstelling van de bepaling, terwijl de verweten tekortkoming geen nadeel berokkent en het aan de formaliteit toegewezen doel in fine bereikt is?”.

...

 

In rechte

...

B.1.1. Art. 1053 Ger.W. bepaalt:

“Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

“Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken.

“Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten.

“De beslissing kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen”.

B.1.2. Art. 31 Ger.W. bepaalt:

“Het geschil is enkel onsplitsbaar, in de zin van de artikelen 735, § 5, 747, § 2, zevende lid, 1053, 1084 en 1135, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn”.

B.1.3. Art. 812 Ger.W. bepaalt:

“Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging.

“Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep”.

B.2.1. Het Hof wordt ondervraagd over de verenigbaarheid met art. 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met art. 6.1 van het EVRM, van art. 1053, tweede lid Ger.W., in zoverre deze bepaling de partijen bij het hoger beroep verschillend behandelt naargelang dat hoger beroep betrekking heeft op een splitsbaar of onsplitsbaar geschil en in zoverre zij op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het bij art. 6 van het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter.

B.2.2. De verwijzende rechter gaat uit van de premisse dat het voor hem hangende geschil met betrekking tot een procedure van collectieve schuldenregeling een onsplitsbaar geschil in de zin van art. 31 Ger.W. is.

Hij is eveneens van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in tegenstelling tot wat art. 812 Ger.W. in verband met de splitsbare geschillen bepaalt, vereist dat in het verzoekschrift tot hoger beroep alle partijen, zelfs die welke geen belang hebben dat in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep, binnen de termijn van hoger beroep in de zaak moeten worden betrokken en dat een vordering tot gemeenverklaring van het te wijzen arrest, die na het verstrijken van de wettelijke termijn maar vóór de sluiting van het debat is ingesteld, onontvankelijk moet worden verklaard.

Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

B.2.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt bovendien dat de door de geïntimeerden voor de verwijzende rechter opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid berust op het feit dat de appellante de andere schuldeisers van de schuldenaars die schuldbemiddeling genieten, partijen in het geding voor de eerste rechter, na het verstrijken van de wettelijke termijn van hoger beroep maar vóór de sluiting van het debat in de zaak heeft betrokken.

B.3. Ter ondersteuning van zijn prejudiciële vraag vermeldt de verwijzende rechter eveneens art. 1675/16, §§ 3 en 4, vierde lid Ger.W. Zoals het op het voor de verwijzende rechter hangende geschil van toepassing is, bepaalt dat artikel:

Ҥ 1. Alle oproepingen in het raam van de procedure van de collectieve schuldenregeling worden door de griffier bij gewone brief ter kennis gebracht.

Ҥ 2. De volgende uitspraken worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht:

1o de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/6;

2o alle uitspraken die de collectieve schuldenregeling beëindigen of herroepen;

3o de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/15;

4o de uitspraken inzake het derdenverzet tegen de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in artikel 1675/6.

Ҥ 3. Alle overige uitspraken worden door de griffier bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht.

Ҥ 4. De uitspraken zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.

“Behalve wat de in artikel 1675/6 bedoelde beschikking van toelaatbaarheid betreft en zonder dat, in deze veronderstelling, artikel 1122, tweede lid, 3o, kan worden ingeroepen, zijn die uitspraken niet vatbaar voor derdenverzet.

“De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.

“De kennisgeving van de uitspraken geldt als betekening”.

B.4. De geïntimeerden voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn.

Wanneer de toegang tot een rechter voor één categorie van personen wordt belemmerd, kan die categorie van personen echter worden vergeleken met elke categorie van personen waarvoor de toegang tot een rechter niet wordt belemmerd.

B.5. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.6.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat het instellen van een rechtsmiddel betreft. Die voorwaarden mogen er echter niet toe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM 24 februari 2009, L’Érablière t/ België, § 36; EHRM 29 maart 2011, RTBF t/ België, § 69).

B.6.2. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden.

Bovendien “dienen de rechtbanken, door de procedureregels toe te passen, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden” (EHRM 26 juli 2007, Walchli t/ Frankrijk, § 29; EHRM 25 mei 2004, Kadlec en anderen t/ Tsjechische Republiek, § 26). “Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien” (EHRM 24 mei 2011, Sabri Gunes t/ Turkije, § 58; EHRM 13 januari 2011, Evaggelou t/ Griekenland, § 19).

B.7.1. Vóór de invoering van het Gerechtelijk Wetboek was de appellant in het raam van een onsplitsbaar geschil ertoe gehouden alle partijen wier belangen niet in strijd waren met de zijne, in de zaak te betrekken, maar hij was ertoe gemachtigd zulks te doen tot de sluiting van het debat (Cass. 18 september 1947, Arr.Verbr. 1947-48, 275).

B.7.2. Tijdens de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek werd de in het geding zijnde bepaling als volgt verantwoord:

“Het beginsel dat door art. 1053 wordt bevestigd, stemt overeen met wat de rechtsleer en de rechtspraak ons leren. Wanneer een geding onsplitsbaar is, moet hij die een rechtsmiddel aanwendt alle partijen die een belang hebben verdedigd dat met het zijne strijdig is, in de zaak oproepen. Hij moet bovendien diegenen die met hem samen in de zaak belang hebben en geen rechtsmiddel hebben aangewend oproepen voor gemeenverklaring van het vonnis. Die regels stemmen overeen met een vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, sedert zijn arrest van 18 september 1947.

“De rechtsleer neemt voor het overige aan dat het beroep tot gemeenverklaring van het vonnis, waarvan de uitwerking overigens beperkt is, kan worden ingesteld door de partij die het rechtsmiddel aanwendt tot bij de sluiting van de debatten. De tekst stelt dit ook uitdrukkelijk.

“De regels die worden gesteld in art. 1053 verschillen nochtans op enkele punten van het stelsel dat het Hof van Cassatie heeft gevestigd.

“Volgens dit laatste kan de niet-ontvankelijkheid die wordt afgeleid uit de niet-inachtneming van de voorgaande regels, niet ambtshalve door de rechter worden opgeworpen. Dit is een gevolg van het feit dat de exceptie van het gewijsde niet van openbare orde is en dus moet worden ingeroepen door de partij die er zich op beroept. In het stelsel van het ontworpen wetboek daarentegen vloeien de regels van de onsplitsbaarheid niet voort uit de ontleding van het begrip van het gezag van het gewijsde, maar in het bijzonder uit het begrip onsplitsbaarheid in de burgerlijke rechtspleging. Volgens de bepaling van art. 31 is het geding onsplitsbaar wanneer het voorwerp is van verschillende beslissingen en het materieel onmogelijk is deze samen uit te voeren. Het middel dat wordt afgeleid uit het niet in de zaak brengen van alle partijen in het geval van onsplitsbaarheid, zal eventueel ambtshalve worden opgeworpen, daar de partijen er in ieder geval toe in staat moeten worden gesteld hun opmerkingen te laten gelden [...].

“Krachtens art. 1053 moet beroep worden aangetekend binnen de beroepstermijn, tegen alle partijen die een belang hebben dat strijdig is met dat van de eiser in beroep; het in de zaak brengen van de andere partijen kan plaatshebben binnen de beroepstermijn en ten laatste tot aan de sluiting van de debatten. Op dit punt wijkt het ontwerp, ter vereenvoudiging, ook af van de oplossing die door het Hof van Cassatie was toegelaten. Het ligt voor de hand dat de medebelanghebbende die zo in de zaak wordt geroepen, geen rechten kan laten gelden die verschillen van die van de oorspronkelijke eiser in beroep, tenzij hij eventueel incidenteel beroep instelt” (Parl.St., Senaat 1963-64, nr. 60, p. 249).

B.7.3. Daaruit volgt dat de verplichting om de niet in beroep komende of niet in beroep gedagvaarde partijen wier belang niet in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep, binnen de wettelijke termijn van hoger beroep in de zaak te betrekken, wordt verantwoord vanuit een bekommernis om vereenvoudiging van de procedureregels.

B.8.1. Door te waken over het uitvaardigen van eenvoudige procedureregels waarvan de inachtneming gemakkelijk kan worden nagegaan door de rechtscolleges, streeft de wetgever een legitiem doel na.

Het Hof dient er evenwel over te waken dat de in het geding zijnde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, met name wegens de gevolgen die de schending ervan kan teweegbrengen voor de situatie van de gedingvoerende partijen.

B.8.2. Het staat daarentegen niet aan het Hof maar aan het verwijzende rechtscollege erover te waken dat het, rekening houdend met alle elementen die eigen zijn aan het specifieke geschil dat erbij aanhangig is gemaakt, de in het geding zijnde bepaling niet op een overdreven formalistische wijze toepast, in strijd met art. 6 van het EVRM.

In dat verband zal de verwijzende rechter rekening kunnen houden met niet alleen de ontstentenis van enige informatie betreffende de beroepstermijnen of -modaliteiten in de kennisgeving van het vonnis in eerste aanleg (zie, mutatis mutandis, EHRM 31 januari 2012, Assunçao Chaves t/ Portugal, §§ 80-88), maar ook met de informatieve rol die de griffie van het verwijzende rechtscollege in beginsel dient te vervullen bij de ontvangst van een verzoekschrift tot hoger beroep (zie, mutatis mutandis, EHRM 26 juli 2007, Walchli t/ Frankrijk, § 35).

B.9.1. De in het geding zijnde bepaling is in duidelijke en voorzienbare bewoordingen opgesteld en maakt het de rechter in hoger beroep mogelijk om vanaf de aanvang van het rechtsgeding een totaalbeeld te hebben van de inzet van het onsplitsbare geschil waarvan hij kennis moet nemen, en bijgevolg het goede verloop van de rechtspleging te bevorderen.

Daarenboven brengt de verplichting om alle niet in beroep komende of niet in beroep gedagvaarde partijen binnen de wettelijke termijn van één maand vanaf de kennisgeving van het vonnis in eerste aanleg in de zaak te betrekken, geen aanzienlijke moeilijkheden met zich mee voor de appellante voor de verwijzende rechter, aangezien die partijen haar bekend zijn, zij door een advocaat werd vertegenwoordigd en de termijn van hoger beroep niet dermate kort is dat hij de aanwending van dat rechtsmiddel buitensporig moeilijk of onmogelijk zou maken.

B.9.2. Voor het overige, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 40/2007 van 15 maart 2007 heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de in art. 1675/16 Ger.W. bedoelde kennisgeving niet de in art. 792, derde lid Ger.W. bedoelde verplichte vermeldingen bevat, geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken rechtzoekenden teweeg.

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de aard van het geschil met betrekking tot de collectieve schuldenregeling, in tegenstelling tot de geschillen waarbij sociaal verzekerden in het geding worden gebracht, kon verantwoorden dat dergelijke vermeldingen niet voorkomen in de kennisgeving van de in eerste aanleg gewezen beslissing. Op dezelfde wijze kan dat soort van geschillen, van louter vermogensrechtelijke aard, niet nuttig worden vergeleken met een geschil met betrekking tot de ontzetting uit het ouderlijk gezag en de plaatsing van een minderjarig kind met het oog op zijn adoptie, waarover het Europees Hof zich in zijn voormelde arrest Assunçao Chaves t/ Portugal heeft uitgesproken.

B.9.3. Daaruit volgt dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (zie, mutatis mutandis, EHRM 21 november 2000, Comité des quartiers Mouffetard et des bords de Seine en anderen t/ Frankrijk; EHRM 23 oktober 2007, Beauseigneur t/ Frankrijk).

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
 

Nuttige tips: 

Art. 1053 Ger.W. bepaalt in zijn eerste lid dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Commentaar: 

Verschil samenhang en onsplitsbaarheid.

Samenhang (art. 30 Ger.W) is het nauw verband tussen een vordering en minstens één andere vorderingen (B. Van den Bergh, “Over cumul van vorderingen, samenhang en de aanwijzing van de bevoegde rechter” (noot onder Cass. 7 februari 2008), RW 2009-10, (192), p. 193, nr. 2). Samenhang vereist niet meer dan 2 procespartijen (eiser en verweerder). De feitenrechter beoordeelt vrij en onaantastbaar of er sprake is van samenhangende vorderingen..Samenhang raakt de openbare orde niet en kan derhalve soepel in het belang van de rechtsbedeling worden toegepast. Samenhang is gerelateerd aan de aard van de betwisting.

Samenhang beïnvloedt niet de wijze waarop een rechtsmiddel moet worden aangewend.

Onsplitsbaarheid is de overtreffende trap van samenhang tussen minstens 3 procespartijen (K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, p. 161, nr. 122).  De onsplitsbaarheid raakt de openbare orde. De onsplitsbaarheid is een uitzondering op de grondbeginselen en de werking van het gerechtelijk recht en dient restrictief uitgelegd. (Cass. 24 februari 2005, Pas. 2005, 448; Antwerpen 21 september 2009, RHA 2010, 148; Gent 30 oktober 1990, TGR 1991, 134, noot P. Taelman; E. Krings en M. Storme, “Onsplitsbaarheid” in Jaarboek van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 1969-1970, Zwolle-Antwerpen, Tjeenk Willink-De Sikkel, 1970, (306), p. 314, nr. 17; P. Rouard, Traité élémentaire de Droit Judiciaire Privé, II, Brussel, Bruylant, 1975, p. 304, nr. 266).

Onsplitsbaarheid  is niet gerelateerd aan de aard van de betwisting. Enkel het risico op tegenstrijdige uitspraken en het  risico op materiële onmogelijkheid van gelijktijdige uitvoering van tegenstrijdige beslissingen is determinerend.

Onsplitsbaarheid beïnvloedt de wijze waarop een rechtsmiddel moet worden aangewend tegen een vonnis in eerste aanleg. Art. 1053 Ger.W., art 1084 Ger.W. ern art. 1135 Ger.W. (herroeping van het gewijsde).

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 13/06/2016 - 16:19
Laatst aangepast op: ma, 13/06/2016 - 16:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.