-A +A

Privé detective wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

19 JULI 1991. - Wet tot regeling van het beroep van privé-detective.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-10-1991 en tekstbijwerking tot 03-06-2004)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN.OPENBAAR AMBT
Publicatie : 02-10-1991
Inwerkingtreding : 02-10-1992 (ART. 1 - ART. 22) *** 02-10-1991 (ART. 24) *** 17-04-1992 (ART. 20,§2) *** 17-04-1992 (ART. 21) *** 17-04-1992 (ART. 23) *** 29-09-1992 (ART. 3,5$)

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

Artikel 1. § 1. In de zin van deze wet wordt als privé-detective beschouwd elke natuurlijke persoon die gewoonlijk, al of niet in ondergeschikt verband, tegen betaling en voor een opdrachtgever activiteiten uitoefent bestaande uit:
1° het opsporen van verdwenen personen of verloren of gestolen goederen;
2° het inwinnen van informatie omtrent burgerlijke stand, gedrag, moraliteit en vermogenstoestand van personen;
3° het verzamelen van bewijsmateriaal voor het vaststellen van feiten die aanleiding geven of kunnen geven tot conflicten tussen personen, of die aangewend kunnen worden voor het beëindigen van die conflicten;
4° het opsporen van bedrijfsspionage;
5° elke andere activiteit bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
§ 2. De personen die de in § 1 bedoelde activiteiten uitoefenen uitsluitend in het kader van het beroep van journalist, gerechtsdeurwaarder, notaris, advocaat, genealoog, worden niet als privé-detective beschouwd. De Koning stelt de lijst van andere beroepen en activiteiten vast die niet als activiteiten van privé-detective worden beschouwd.
(§ 3. De informatie die ten gevolge van het uitoefenen van deze activiteiten wordt verkregen, moet uitsluitend bestemd zijn voor de opdrachtgever en bedoeld om in zijn voordeel te worden aangewend.) <Erratum, B.St. 11-02-1993, p. 3081>

HOOFDSTUK II. - Vergunning.

Art. 2. § 1. (Niemand mag het beroep van privé-detective uitoefenen of zich als dusdanig bekend maken, indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de Minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Veiligheid van de Staat en van de procureur des Konings van de wettige hoofdverblijfplaats van de betrokkene en, bij ontstentenis ervan, de Minister van Justitie.) <W 2004-05-07/42, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 03-06-2004>
Die vergunning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar en kan voor termijnen van tien jaar worden vernieuwd. Zij kan worden geschorst en ingetrokken overeenkomstig artikel 18. (Zij kan worden ingetrokken op verzoek van de vergunde privé-detective overeenkomstig de door de Koning bepaalde procedure.) <W 1996-12-30/37, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Onverminderd het bepaalde in artikel 6, kan de vergunning het uitoefenen van bepaalde activiteiten en het gebruik van bepaalde middelen en methoden uitsluiten of aan specifieke voorwaarden onderwerpen.
(Lid 4 opgeheven) <W 1996-12-30/37, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
De beslissing waarbij de vergunning wordt verleend of geweigerd, moet binnen zes maanden na de aanvraag ter kennis worden gebracht van de aanvrager.
Bij het verlenen van de vergunning wordt aan de privé-detective een identificatiekaart afgegeven, waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken. Alleen de houder van zodanige identificatiekaart mag de titel van privé-detective voeren.
§ 2. (Opgeheven) <W 1996-12-30/37, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 3. <W 1996-12-30/37, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997> § 1. Indien de aanvrager een vestigingsplaats in België heeft, wordt de vergunning slechts verleend indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, of tot een lagere correctionele straf wegens huisvredebreuk, schending van het briefgeheim, opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschrifte, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, inbreuk op de wapenwetgeving en de wetgeving op de verdovende middelen, misdrijven bepaald bij artikel 379 tot 386ter van het Strafwetboek, omkoping van ambtenaren, gebruikmaking van valse namen, heling, uitgifte van ongedekte cheques, meineed, valsmunterij, overtreding van de artikelen 259bis en 314bis van het Strafwetboek, overtreding van artikel 111 van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, overtreding van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, overtredingen van artikel 227 van het Strafwetboek.
Personen die wegens soortgelijke feiten in het buitenland een in kracht van gewijsde gegane veroordeling hebben opgelopen of die in het buitenland veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van tenminste zes maanden wegens enig misdrijf, worden geacht niet aan de hierboven gestelde voorwaarde te voldoen;
2° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie;
3° niet tegelijkertijd activiteiten uitoefenen in een bewakingsonderneming, een beveiligingsonderneming of een interne bewakingsdienst, activiteiten betreffende de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en de handel in munitie dan wel enige andere activiteit verrichten die, doordat ze door een privé-detective wordt uitgeoefend, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de Staat.
Wordt ambtshalve beschouwd als houdende een gevaar voor de openbare orde in de zin van het eerste lid, de gelijktijdige uitoefening van het beroep van detective en van een beroepsactiviteit die toegang geeft tot persoonsgegevens, tenzij het beroep van detective een inherent bestanddeel van de genoemde activiteit is;
4° voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en ervaring;
5° sinds vijf jaar geen lid zijn geweest van een politie- of inlichtingendienst zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, noch een militair of openbaar ambt hebben bekleed dat voorkomt op een door de Koning bepaalde lijst, met dien verstande dat die termijn op tien jaar wordt gebracht voor degenen die werden afgezet of van ambtswege ontslagen uit het ambt;
6° volle 21 jaar oud zijn.
§ 2. Indien de aanvrager geen vestigingsplaats in België heeft, wordt de vergunning slechts verleend indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° geen van de in § 1, 1°, bedoelde veroordelingen opgelopen hebben;
2° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie;
3° een vestigingsplaats hebben gekozen bij een in België gevestigde vergunde privé-detective die ervoor instaat dat de aanvrager de artikelen 5, 6 en 7 naleeft;
4° niet tegelijkertijd in België of in het buitenland een activiteit uitoefenen die gelijkwaardig is aan de in § 1, 3°, vermelde activiteiten;
5° met goed gevolg de ingevolge § 1, 4°, bepaalde opleiding beëindigd of een gelijkwaardige opleiding genoten hebben;
6° in de loop van de vijf jaar die aan de aanvraag voorafgaan, geen lid zijn geweest van een dienst of geen ambt hebben bekleed, dat gelijkgesteld kan worden met deze vermeld in § 1, 5°;
7° volle 21 jaar oud zijn.
§ 3. De privé-detective moet gedurende de gehele periode tijdens welke hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent, voldoen aan de in dit artikel opgesomde voorwaarden.
De privé-detective bij wie de in § 2 bedoelde detective zijn vestigingsplaats heeft gekozen, moet gedurende dezelfde periode over de in artikel 2, § 1, eerste lid, bepaalde vergunning beschikken en mag niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een schorsing of intrekking van deze vergunning.
§ 4. Onafhankelijk van de verificatie van de in §§ 1 tot 3 opgesomde voorwaarden, beschikt de minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid betreffende de door de detective of de kandidaat detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene.

HOOFDSTUK III. - Uitoefeningsvoorwaarden.

Art. 4. Het beroep van privé-detective mag, behoudens uitzondering toegestaan door de Ministerie van Binnenlandse Zaken, enkel als hoofdberoep worden uitgeoefend.
(De in het eerste lid bedoelde uitzondering zal kunnen worden toegekend :
- hetzij aan de privé-detective waarvan de activiteit een inherent bestanddeel uitmaakt van de hoofdactiviteit;
- hetzij aan de privé-detective die voor de eerste maal de vergunning tot uitoefening van het beroep ontvangt. In dit geval zal de vergunning tot uitoefening als bijberoep slechts worden toegekend voor de eerste termijn van vijf jaar.) <W 1996-12-30/37, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 5. (Het is de privé-detective verboden personen die zich bevinden in niet voor het publiek toegankelijke plaatsen, met behulp van enig toestel te bespieden of te doen bespieden, of opzettelijk beelden van hen op te nemen dan wel te doen opnemen, zonder dat de beheerder van die plaats en de betrokken personen daarvoor hun toestemming hebben gegeven;) <W 1996-12-30/37, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Het is de privé-detective verboden enig toestel op te stellen, te doen opstellen of ter beschikking te stellen van de opdrachtgever of van derden met het opzet een van de (in het eerste lid) omschreven handelingen te verrichten. <W 1996-12-30/37, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 6. <W 1996-12-30/37, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997> De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het gebruik van bepaalde middelen en methoden door de privé-detectives in de uitoefening van hun activiteiten, beperken of verbieden.

Art. 7. Het is de privé-detective verboden betreffende de personen die het voorwerp zijn van zijn beroepsactiviteiten, informatie in te winnen omtrent de politieke, godsdienstige, filosofische of vakbondsovertuiging en omtrent de uiting van die overtuiging (of omtrent het lidmaatschap van een ziekenfonds). <W 1996-12-30/37, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Het is de privé-detective verboden informatie in te winnen omtrent de seksuele geaardheid van de personen die het voorwerp zijn van zijn activiteiten, behalve indien het gaat om gedrag dat strijdig is met de wet of een reden tot echtscheiding kan opleveren indien hij optreedt op verzoek van een van de echtgenoten.
Het is de privé-detective verboden informatie in te winnen omtrent de gezondheid (of de raciale of etnische herkomst) van de personen die het voorwerp zijn van zijn activiteiten. <W 1996-12-30/37, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 8. (§ 1.) De privé-detective of zijn werkgever is verplicht om met de opdrachtgever een voorafgaande schriftelijke overeenkomst te sluiten die, op straffe van nietigheid, ondertekend wordt door alle partijen en de volgende vermeldingen bevat: <W 1996-12-30/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
1° naam, voornaam en woonplaats van alle partijen;
2° in voorkomend geval, naam, voornaam en woonplaats van de privé-detective(s) die voor de omschreven opdracht optreedt of optreden voor rekening van een werkgever;
3° een nauwkeurige omschrijving van de opdracht waarmee de privé-detective wordt belast en een aanwijzing omtrent de duur ervan;
4° de uurbezoldiging van de privé-detective;
5° de kostentarieven;
6° het nummer van de vergunning van de privé-detective;
7° de verplichting voor de privé-detective om het in artikel 9 bedoelde verslag over te leggen;
8° het bedrag van het gegeven voorschot;
9° de dagtekening.
De nietigheid kan alleen door de opdrachtgever worden ingeroepen.
Het door de opdrachtgever gegeven voorschot mag enkel bestaan uit:
a) de te verwachten kosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht;
b) een voorschot op de bezoldiging.
(De schriftelijke overeenkomst wordt gedurende vijf jaar door de privé-detective bijgehouden.) <W 1996-12-30/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
(§ 2. Indien de opdrachtgever terzelfdertijd de werkgever van de privé-detective is, is § 1 niet van toepassing. In dit geval houdt de privé-detective een opdrachtenregister bij. Dit register wordt aangevuld op de datum dat de privé-detective met een opdracht wordt belast. Het bevat de volgende vermeldingen : de naam van de opdrachtgever, de nauwkeurige omschrijving van de opdracht, de datum waarop de privé-detective met de opdracht wordt belast en de datum waarop de opdracht wordt beëindigd.
Het register wordt gedurende vijf jaar door de privé-detective bijgehouden.) <W 1996-12-30/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 9. (§ 1.) Na de uitvoering van zijn opdracht maakt de privé-detective ten behoeve van de opdrachtgever een verslag op dat de volgende gegevens omvat: <W 1996-12-30/37, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
1° een beschrijving van de verrichte activiteiten, met vermelding van de data, plaatsen en uren waarop die activiteiten zijn verricht;
2° een nauwkeurige berekening van de bezoldiging en de kosten.
Het verslag wordt slechts in twee exemplaren opgemaakt, waarvan het ene bestemd is voor de opdrachtgever, en het andere gedurende vijf jaar wordt bijgehouden door de privé-detective. Elk exemplaar draagt een afzonderlijk merkteken.
Het verslag bevat de overtuigingsstukken die de privé-detective in het kader van zijn opdracht heeft verzameld.
De opdrachtgever moet de bezoldiging van de privé-detective of het saldo pas betalen wanneer hij zijn exemplaar van het deel- of eindverslag ontvangen heeft.
(§ 2. Indien de opdrachtgever terzelfdertijd de werkgever van de privé-detective is, is § 1, eerste lid, 2° en vierde lid niet van toepassing.) <W 1996-12-30/37, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 10. Behoudens het bepaalde in artikel 16, § 2, mag de privé-detective de inlichtingen die hij bij het vervullen van zijn opdracht ingewonnen heeft, niet bekendmaken aan andere personen dan zijn opdrachtgever of degene die door deze behoorlijk zijn gemachtigd.
Hij mag gedurende een periode van drie jaar vanaf het eindverslag geen opdrachten aanvaarden strijdig met de belangen van de opdrachtgever.
De privé-detective mag zijn opdrachtgever enkel de informatie ter beschikking stellen die betrekking heeft op de opdracht zoals omschreven (in de overeenkomst bedoeld in artikel 8, § 1 of in het opdrachtenregister bedoeld in artikel 8, § 2.) <W 1996-12-30/37, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 11. Elk document dat van de privé-detective in het kader van zijn beroepswerkzaamheden uitgaat, maakt melding van de beroepstitel van privé-detective en van de in artikel 2 bedoelde vergunning.

Art. 12. De privé-detective moet de in artikel 2 vermelde identificatiekaart steeds bij zich dragen tijdens de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden. Hij moet deze kaart, voor de tijd nodig voor de controle, overhandigen bij elke vordering van een lid van een politiedienst of van een ambtenaar bedoeld in het eerste lid van artikel 17.

Art. 13. Het is de privé-detective verboden zijn activiteiten uit te oefenen ten behoeve van publiekrechtelijke rechtspersonen, behoudens toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken.

Art. 14. Het is de privé-detective verboden zich op enigerlei wijze voor te doen als lid van een politiedienst of een openbare inlichtingendienst.
Indien de privé-detective deel heeft uitgemaakt van een politiedienst of een openbare inlichtingendienst, mag hij in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden daarvan geen melding maken.

HOOFDSTUK IV. - Controle en sancties.

Art. 15. De Minister van Binnenlandse Zaken brengt jaarlijks, voor 31 maart, aan de Kamers schriftelijk verslag uit over de toepassing van deze wet.

Art. 16. § 1. De Minister van Binnenlandse Zaken, die aan een privé-detective een vergunning verleent, of een vergunning vernieuwt, schorst of intrekt, brengt hiervan de volgende instanties op de hoogte:
(1° a) indien de privé-detective een vestigingsplaats in België heeft :
de burgemeester van de gemeente waar de privé-detective is ingeschreven in het bevolkingsregister alsook die van de gemeente waar de detective gevestigd is;
b) indien de privé-detective geen vestigingsplaats in België heeft : de burgemeester van de gemeente waar de privé-detective in toepassing van artikel 3, § 2, 3° zijn vestigingsplaats gekozen heeft.) <W 1996-12-30/37, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
2° de territoriaal voor die gemeenten bevoegde rijkswachtoverheden;
3° de territoriaal voor die gemeenten bevoegde procureur des Konings.
§ 2. In het kader van de bescherming van de nationale veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen of opsporen van strafbare feiten kunnen de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie of de gerechtelijke overheden, in het raam van hun respectieve bevoegdheden, aan de privé-detective de inlichtingen over een uitgevoerde of lopende opdracht opvragen die noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen of opsporen van strafbare feiten. Deze is gehouden hierop zonder verwijl te antwoorden.
Op de vraag om inlichtingen over een uitgevoerde of lopende opdracht moet de privé-detective enkel antwoorden voor zover de personen die zijn belast met het inwinnen van de inlichtingen, in het bezit zijn van een specifiek mandaat hiertoe verleend door de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Justitie of de gerechtelijke overheid, elk in het raam van zijn bevoegdheden.
(Onverminderd de toepassing van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering en van artikel 1, 3° van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, moet de privé-detective die door zijn opdrachtgever wordt belast met opsporingen en onderzoeken betreffende feiten die misdaden of wanbedrijven opleveren of die, bij het vervullen van zijn opdracht, kennis krijgt van feiten die misdaden of wanbedrijven opleveren, de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd, hiervan dadelijk en schriftelijk op de hoogte stellen.) <W 1996-12-30/37, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 16bis. <Ingevoegd bij W 1996-12-30/37, art. 12, Inwerkingtreding : 14-02-1997> De privé-detective bij wie een niet in België gevestigde privé-detective zijn vestigingsplaats gekozen heeft, oefent op deze detective het toezicht uit dat noodzakelijk is voor het naleven van zijn verplichting bepaald in artikel 3, § 2, 3°.
Hij brengt driemaandelijks een verslag uit aan de Minister van Binnenlandse Zaken over de wijze waarop de privé-detective voor wie hij instaat zijn activiteiten uitoefent. Hij is verplicht, zodra hij er kennis van heeft, de bevoegde overheden op de hoogte te brengen van elke tekortkoming van de privé-detective voor wie hij instaat.

Art. 17. De Koning wijst de ambtenaren (en de agenten) aan die belast zijn met het toezicht op de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. Zij hebben het recht processen-verbaal op te stellen die bewijskracht hebben tot het bewijs van het tegendeel. <W 1996-12-30/37, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen vijftien dagen te rekenen van de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
(In de uitoefening van hun ambt kunnen de in het eerste lid bedoelde personen :
1° zich toegang verschaffen tot het agentschap van de privé-detective tijdens de gewone openings- of werkuren;
2° overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden nageleefd, en inzonderheid :
a) indien ze het nodig achten, alle personen met kennis van feiten die nuttig zijn voor het goede verloop van het toezicht, ondervragen;
b) ter plaatse de bescheiden, stukken, registers, boeken, schijven, banden of informatiedragers die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan uittreksels, afschriften of copies nemen;
c) tegen ontvangstbewijs beslag leggen op de in b) bedoelde documenten noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten;
d) indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in de bewoonde lokalen binnentreden, mits voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank. De bezoeken in de bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur gebeuren en door minstens twee ambtenaren of agenten gezamenlijk geschieden.
De in het eerste lid bedoelde personen moeten de nodige maatregelen treffen om het vertrouwelijk karakter te respecteren van de persoonlijke gegevens waarvan ze kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun opdracht en om te verzekeren dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun opdracht.
In geval een dossier betreffende de uitvoering van een opdracht door de privé-detective, in beslag wordt genomen, verwittigt deze er de betrokken opdrachtgever van.
De door de Koning aangewezen ambtenaren en agenten kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de gemeentepolitie en van de rijkswacht vorderen.) <W 1996-12-30/37, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
De door de Koning aangewezen ambtenaren (en de agenten) kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de gemeentepolitie en van de rijkswacht vorderen. <W 1996-12-30/37, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>

Art. 18. De Minister van Binnenlandse Zaken kan, overeenkomstig een procedure te bepalen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de vergunning schorsen voor een termijn van ten hoogste zes maanden, of intrekken indien de detective de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft.
De in het eerste lid bedoelde besluiten worden met redenen omkleed en worden genomen na de betrokkenen te hebben gehoord.

Art. 19. (Zij die artikel 2 overtreden, worden gestraft met een geldboete van 1 000 frank tot 10 000 frank en met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden, of met één van die straffen alleen. Zij die artikel 7 overtreden, worden gestraft met een geldboete van 1 000 frank tot 100 000 frank en met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden, of met één van die straffen alleen) <W 1996-12-30/37, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Zij die de artikelen 4, 5 en 8 van deze wet en de besluiten genomen ter uitvoering van artikel 6 van deze wet overtreden, worden gestraft met geldboete van 1 000 frank tot 10 000 frank.
Zij die de artikelen 9, 12, 13, (...), 16 en 17 van deze wet overtreden worden gestraft met geldboete van 100 frank tot 1 000 frank. <W 1996-12-30/37, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Zij die artikel 10 overtreden, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek; wanneer de bekendgemaakte inlichtingen betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer, worden zij gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van 500 frank tot 20 000 frank of met een van die straffen alleen.
(Zij die artikel 14 overtreden, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 227 van het Strafwetboek.) <W 1996-12-30/37, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
De bepalingen van boek 1 van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de strafbare feiten bedoeld (in het eerste tot het vijfde lid). <W 1996-12-30/37, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
In geval van herhaling binnen twee jaar na de veroordeling worden de minima en de maxima van de straffen verdubbeld.

HOOFDSTUK V. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen.

Art. 20. § 1. Om de kosten voor administratie, investeringen en toezicht, nodig voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan te dekken, is elke privé-detective aan wie een vergunning is verleend een jaarlijkse heffing verschuldigd. (Het bedrag van de heffing wordt vastgesteld op 15 000 frank). <W 1996-12-30/37, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
Dit bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen zoals bedoeld bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld; (daartoe worden de bedragen gekoppeld aan de spilindex 140,77). <W 1996-12-30/37, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
§ 2. In de begroting van het Minister van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt wordt een fonds voor "de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen, de interne bewakingsdiensten en de privé-detectives" voorzien.
De opbrengst van de heffing wordt geaffecteerd op de Rijksmiddelenbegroting en is bestemd voor spijzing van het fonds voor de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen, de interne bewakingsdiensten en de privé-detectives.
Het fonds wordt aangewend om de kosten voor administratie, investeringen en toezicht nodig voor de toepassing van deze wet en van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten en hun uitvoeringsbesluiten te dekken.
(§ 3. De heffing is verschuldigd vanaf het kalenderjaar tijdens hetwelk de privé-detective zijn vergunning verkrijgt en is evenredig aan het aantal maanden gedurende dewelke de uitoefening van het beroep vergund is.
De heffingsaanslag geschiedt eenmaal per jaar, in de loop van de maand maart. Bij een eerste vergunning geschiedt de heffingsaanslag onmiddellijk.
De Koning wijst de ambtenaren en de agenten aan van het ministerie van Binnenlandse Zaken die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen terzake.) <W 1996-12-30/37, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997>
§ 4. De Koning bepaalt de wijze van betaling van de heffing.
Van het bedrag van de heffing wordt kennis gegeven bij een ter post aangetekende brief en de betaling wordt gedaan binnen twee maanden na de heffingsaanslag.
Binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, kan de heffingsplichtige per aangetekende brief beroep instellen bij de Minister van Binnenlandse Zaken, die binnen dertig dagen uitspraak doet. Bij een met redenen omklede aangetekende brief, gericht aan de heffingsplichtige, kan de Minister van Binnenlandse Zaken die termijn eenmaal verlengen met een periode van dertig dagen.
Wanneer na het verstrijken van de in § 4, tweede lid, bedoelde termijn, de Minister van Binnenlandse Zaken geen uitspraak heeft gedaan, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.
§ 5. Elke heffingsplichtige die de heffing niet betaalt binnen de wettelijke termijn, is gehouden een administratieve geldboete te betalen die gelijk is aan de helft van de aanslag.
De ambtenaren bedoeld in § 3, vierde lid, kunnen de administratieve geldboete toepassen voor iedere overtreding van de bepalingen van dit artikel, evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Zij vaardigen een dwangbevel uit. De betekening ervan gebeurt bij gerechtsdeurwaardersexploot.
Op het dwangbevel zijn de bepalingen toepasselijk van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek.
De Minister van Binnenlandse Zaken doet uitspraak over de verzoekschriften die de kwijtschelding van de geldboeten tot voorwerp hebben.

Art. 21. <Wijzigingsbepaling van art. 20 van W 1990-04-10/33>

Art. 22. <W 1996-12-30/37, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 14-02-1997> § 1. De detective die zijn beroepsactiviteiten reeds uitoefende op 15 april 1991 moet niet voldoen aan de opleidingsvoorwaarde, respectievelijk bedoeld in artikel 3, § 1, 4°, en in artikel 3, § 2, 5°, indien hij de in artikel 2 bedoelde vergunning heeft aangevraagd uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze bepaling.
Hij moet niet voldoen aan de voorwaarde, respectievelijk voorzien in artikel 3, § 1, 5°, en in artikel 3, § 2, 6°, tenzij hij is afgezet of van ambtswege ontslagen uit zijn ambt.
§ 2. Het bewijs van de uitoefening van de beroepsactiviteiten op 15 april 1991 kan geleverd worden door alle schriftelijke bewijsmiddelen met uitzondering van de verklaring.

Art. 23. <Wijzigingsbepaling van de § 3 en 4 van art. 22 van W 1991-04-10/33>

Art. 23bis. <ingevoegd bij W 1997-07-18/44, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 28-08-1997> Er wordt een Adviesraad inzake Private veiligheid opgericht, wiens opdracht er in bestaat de Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren omtrent het beleid inzake de in deze wet beoogde en aanverwante aangelegenheden.
De Koning bepaalt de samenstelling, de taken en de organisatie van deze Raad.

Art. 24. Deze wet treedt in werking één jaar na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, behoudens dit artikel dat onmiddellijk in werking treedt.
De Koning kan evenwel voor iedere andere bepaling van deze wet een vroegere datum van inwerkingtreding vaststellen.

 

10 FEBRUARI 2008. - Koninklijk besluit betreffende de vereisten met betrekking tot de opleiding en de erkenning van de EG-beroepskwalificaties voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de opleidingen


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1996 en 7 mei 2004, inzonderheid op artikel 3, § 1, 4°, zoals gewijzigd bij de wet van 30 december 1996;
Gelet op het koninklijk besluit van 14 september 1992 betreffende de uitreiking van het certificaat voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de instellingen gemachtigd om dit certificaat af te leveren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 juni 1997 en 17 februari 2005;
Gelet op advies nr. 43.747/2 van de Raad van State, gegeven op 5 december 2007, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State;
Overwegende dat de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties naar Belgisch recht dient omgezet te worden;
Overwegende dat daar de activiteiten in verband met de private veiligheid expliciet van het toepassingsgebied van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt werden uitgesloten, Titel II van de voornoemde Richtlijn 2005/36/EG (artikelen 5 tot 9) betreffende de vrijheid van dienstverrichting niet van toepassing is op de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in de voornoemde wet van 19 juli 1991;
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit verzekert onder meer de omzetting van de Richtlijn 2005/36/CE van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, met uitzondering van Titel II van de voornoemde Richtlijn 2005/36/CE (artikelen 5 tot 9) betreffende de vrijheid van dienstverrichting, betreffende de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective.
TITEL I. - Definities
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
1° richtlijn : Richtlijn 2005/36/EG van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;
2° wet : de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, gewijzigd door de wetten van 30 december 1996 en 7 mei 2004;
3° lidstaat : lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of de Zwitserse Confederatie;
4° beroepskwalificaties : kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest zoals bedoeld in artikel 18, punt 1°, a), b) en c) en/of beroepservaring;
5° beroepservaring : de daadwerkelijke en geoorloofde uitoefening van het betrokken beroep in een lidstaat;
6° opleidingstitel : een diploma, certificaat of andere titel die door een overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen bevoegde autoriteit, is afgegeven ter afsluiting van een hoofdzakelijk in de Europese Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding :
7° minister : de Minister van Binnenlandse Zaken;
8° bevoegde autoriteit : iedere autoriteit of instelling die door een lidstaat specifiek wordt gemachtigd om opleidingstitels en andere documenten of informatie af te geven of te ontvangen, alsmede aanvragen te ontvangen en beslissingen te nemen als bedoeld in dit besluit;
9° bevoegde Belgische autoriteit of administratie : de Directie Private Veiligheid van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
10° gereglementeerd beroep : een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties;
11° gereglementeerde opleiding : elke opleiding die specifiek op de uitoefening van een bepaald beroep gericht is en die uit een studiecyclus bestaat die eventueel met een beroepsopleiding, een beroepsstage of beroepspraktijkervaring wordt aangevuld. De structuur en het niveau van de beroepsopleiding, de beroepsstage of de praktijkervaring worden in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat vastgesteld;
12° vakgebieden die wezenlijk verschillen : vakgebieden waarvan de kennis van essentieel belang is voor de uitoefening van het beroep en waarvoor de door de migrant ontvangen opleiding qua duur of inhoud in belangrijke mate afwijkt van de in België vereiste opleiding;
13° aanvrager : onderdaan van een lidstaat;
14° bekwaamheidsproef : een toets, uitsluitend betreffende de beroepskennis van de aanvrager, die in België wordt verricht volgens de door de minister bepaalde modaliteiten;
15° aanpassingsstage : de uitoefening van de gereglementeerde beroepsactiviteit in België onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beoefenaar, eventueel gekoppeld aan een aanvullende opleiding.
TITEL II. - Toegangsvoorwaarden tot de opleidingen, regels inzake de erkenning van de opleidingen en lesgevers, voorwaarden inzake examens en bekwaamheidsattesten, Commissie Opleiding privé-detectives en controle
HOOFDSTUK I. - Opleidingsvoorwaarden
Art. 3. Personen die zich niet kunnen beroepen op het erkenningsregime, bepaald in Titel III kunnen vergund worden om activiteiten van privé-detective uit te oefenen indien zij houder zijn van een bekwaamheidsattest voor privé-detective.
Dit attest wordt afgeleverd door een daartoe door de minister erkende opleidingsinstelling, conform de bepalingen van artikel 12.
Art. 4. In afwijking van artikel 3, eerste lid, dienen de personen voor wie de administratie vastgesteld heeft dat zij van de bepalingen van artikel 22, § 1, van de wet genieten, over geen bekwaamheidsattest voor privé-detective te beschikken.
Art. 5. Elke privé-detective dient om de vijf jaar na de eerste toekenning van het bekwaamheidsattest of na de eerste toekenning van een vergunning, als hij van de bepalingen van artikel 22, § 1, van de wet heeft genoten, zonder enige afwezigheid de bijscholing, bepaald in artikel 6, § 2, beëindigd te hebben, en permanent over het attest van bijscholing te beschikken.
Art. 6. § 1. a) De basisopleiding van de privé-detectives omvat ten minste tweehonderdvijftig uren, die zijn verdeeld over maximum twee jaar en bestaat uit :
A. Juridische vorming (zestig uren)
a) grondwettelijk recht, m.i.v. de grondwettelijke rechten en vrijheden en het Europees Verdrag ter vrijwaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
b) burgerlijk recht;
c) strafrecht;
d) gerechtelijk recht;
e) de wetgeving toepasselijk op de privé-detectives, op de politiediensten, op de bewakingsondernemingen, op de interne bewakingsdiensten en op de beveiligingsondernemingen.
B. Socio-psychologische vorming (dertig uren)
a) psychologie;
b) criminologie;
c) plichtenleer.
C. Beroepstechnische vorming (zestig uren)
a) detectivetechnieken;
b) informatieverwerking;
c) rapportering.
D. De theoretische vakken dienen aangepast te zijn aan de praktijk van het beroep van privé-detective
E. 100 uren praktische oefeningen die georganiseerd worden binnen de schoot van de opleidingsinstelling.
b) Een voor de basisopleiding erkende opleidingsinstelling kan een sectoropleiding inrichten, voor zover deze beantwoordt aan de specificiteit van een bepaald opsporingsdomein. Deze opleiding dient te voldoen aan alle bepalingen van artikel 12, § 2. Elke sectoropleiding zal erkend moeten worden door de minister, na advies van de Commissie Opleiding privé-detectives zoals bepaald in artikel 14.
§ 2. De bijscholing omvat een minimale deelname van 25 uren aan studiesessies over actuele aspecten van het beroep van privé-detective, waarvan minimum 15 uren juridische vorming.
Art. 7. De opleidingsinstelling dient de kandidaat-cursist voorafgaand aan de inschrijving tot de opleiding in kennis te stellen van :
1° de wettelijke voorwaarden tot het bekomen van een vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen;
2° de regels inzake de examens en de herexamens;
3° de verplichting van bijscholing.
Teneinde de opleidingen zoals bepaald in artikel 6, te kunnen aanvatten, dient de kandidaat-cursist aan de opleidingsinstelling de volgende documenten te hebben voorgelegd :
1° een uittreksel uit het Strafregister dat maximum 6 maanden oud is waaruit blijkt dat hij niet veroordeeld is wegens misdrijven zoals bepaald in artikel 3, § 1, 1° van de wet;
2° een identiteitsdocument waaruit blijkt dat hij aan de nationaliteitsvereiste voldoet zoals bepaald in artikel 3, § 1, 2° van de wet.
HOOFDSTUK II. - Voorwaarden inzake examens
en bekwaamheidsattesten
Art. 8. Om te slagen in de examens moet minimum vijftig percent van de punten behaald worden voor elk gedoceerd vak en minimum zestig percent van de punten voor het totaal van de geëxamineerde vakken.
Ongeacht de opleidingsinstelling mag niemand zich voor de toepassing van dit besluit georganiseerde examens meer dan viermaal aanmelden, met inbegrip van de herexamens die ten laatste twee maanden na het afleggen van het examen van een vorige examenzitting moeten georganiseerd worden.
De herexamens kunnen afgelegd worden zonder de verplichting de cursus opnieuw te volgen.
Wie, na herexamens, niet geslaagd is, dient het geheel van de cursus een tweede keer te volgen om zich voor de examens opnieuw aan te melden.
De opleidingsinstelling hanteert het examenreglement dat na advies van de Commissie opleiding privé-detectives door de Minister van Binnenlandse Zaken werd goedgekeurd.
Art. 9. In het kader van de controleopdracht belast aan de administratie :
1° de administratie mag aanwezig zijn in de verschillende examencommissies van een opleidingsinstelling;
2° de administratie mag beslissen dat een voor een theoretisch vak gepland examen dient te worden vervangen door een door de administratie opgesteld schriftelijk examen;
3° de minister mag beslissen dat een door hem erkende exameninstelling voor bepaalde vakken examens zal afnemen.
Art. 10. De bekwaamheidsattesten worden binnen de twee maanden na de datum van sluiting van de zittijd aan de cursisten gegeven.
Art. 11. Deze bekwaamheidsattesten zijn geldig voor een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van uitreiking die op de attesten dient te worden vermeld.
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden inzake de erkenningen van de opleidingen
Art. 12. § 1. Om te kunnen worden erkend voor de basisopleiding dient een opleidingsinstelling aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° de rechtspersoonlijkheid hebben;
2° een lessenprogramma verstrekken dat door de Minister goedgekeurd is en dat minstens het minimumprogramma omvat zoals voorzien in artikel 6, § 1, van dit besluit;
3° lesgevers tewerkstellen die :
a) niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, of tot een lagere correctionele straf wegens huisvredebreuk, schending van het briefgeheim, opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding op de eerbaarheid, verkrachting, de misdrijven bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, omkoping van ambtenaren, gebruikmaking van valse namen, heling, uitgifte van ongedekte cheques, meineed, valsmunterij;
b) geen strafrechterlijke veroordelingen of administratieve geldboetes, schorsing of intrekking van de vergunning van privé-detective in toepassing van de wet of haar uitvoeringsbesluiten hebben opgelopen;
c) tevens geen feiten hebben gepleegd die een tekortkoming kunnen uitmaken op de beroepsdeontologie van de privé-detective en/of deze van lesgever;
d) voor het doceren van de cursussen en de praktische oefeningen kunnen aantonen dat zij beschikken over een aangepaste opleidingstitel waarvoor de minister voor elk vak een lijst opstelt of beschikken over een relevante ervaring in de te doceren materie van minstens 5 jaar in de loop van de laatste vijftien jaren;
4° beschikken of kunnen beschikken over voldoende accommodatie voor het verstrekken van het in dit besluit geregeld onderricht;
5° voltijds een cursuscoördinator tewerkstellen, belast met de coördinatie van de cursussen en de praktische oefeningen, die door de opleidingsinstelling worden georganiseerd en die aantoont hiertoe over voldoende kennis en beroepsbekwaamheid te beschikken;
6° geen opleiding voor privé-detective organiseren per correspondentie.
§ 2. Om te kunnen worden erkend voor de bij-scholing dient een opleidingsinstelling aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° de voorwaarden voorzien in § 1;
2° gedurende twee opeenvolgende cursusjaren de opleiding, bedoeld in artikel 6, § 1 van dit besluit te hebben georganiseerd, zonder dat hierbij inbreuken werden vastgesteld op de voorwaarden opgesomd in § 1 van dit artikel;
3° jaarlijks minstens één bijscholingscyclus organiseren.
§ 3. De vakinhoud van de cursussen en de praktische oefeningen dient jaarlijks aangepast te worden rekening houdend met evoluties van de wetgeving en de technologie. De gedoceerde vakken moeten duidelijk aantonen dat de privé-detective over geen politiebevoegdheden beschikt.
Art. 13. § 1. Met de aanvraag tot erkenning zoals bedoeld in artikel 12, §§ 1 en 2, dienen de volgende gegevens en documenten meegestuurd te worden :
1° de statuten en het huishoudelijk reglement van de opleidingsinstelling;
2° de gedetailleerde programma's van de lessen;
3° de modaliteiten betreffende de organisatie van de lessen en de examens;
4° de lijst van het lerarenkorps en voor elk ervan, de persoonlijke gegevens, een uitreksel van het Strafregister, een curriculum vitae met betrekking tot de beroepsactiviteiten en ieder element dat aantoont dat de voorwaarden bedoeld in artikel 12, § 1, 3°, d) zijn voldaan;
5° de regels inzake de samenstelling van de examencommissie;
6° de bedragen van het inschrijvings- en collegegeld.
§ 2. De opleidingsinstelling stelt de minister onverwijld in kennis van elke wijziging van de in § 1 bepaalde gegevens.
HOOFDSTUK IV. - Commissie Opleiding privé-detectives
Art. 14. § 1. Een commissie genaamd « Commissie Opleiding privé-detectives » wordt bij het FOD Binnenlandse Zaken door de minister ingesteld en is als volgt samengesteld :
1° de afgevaardigde van de administratie, die het voorzitterschap waarneemt;
2° twee vertegenwoordigers van de federale politie aangewezen door de Algemene Directie van de ondersteuning en het beheer;
3° een vertegenwoordiger van de lokale politie aangewezen door de Vaste commissie van de lokale politie;
4° drie privé-detectives, die met goed gevolg de vereiste opleiding hebben gevolgd in een erkende opleidingsinstelling, over ten minste twee jaar beroepservaring beschikken en het beroep uitoefenen als hoofdberoep; ze worden gekozen door de minister op voordracht van de beroepsorganisaties van de sector;
6° twee vertegenwoordigers van de erkende opleidingsinstellingen; ze worden voorgesteld bij gezamelijke voordracht van de erkende opleidingsinstellingen privé-detective.
Voor elke vertegenwoordiger wordt een plaatsvervanger aangewezen.
§ 2. Het secretariaat van de commissie wordt waargenomen door de administratie.
§ 3. De leden worden benoemd door de minister voor een termijn van vijf jaar. Hun mandaat is vernieuwbaar. Het plaatsvervangend lid vervangt het effectief lid dat verhinderd is. Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden eindigt bij hun ontslag. Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden die benoemd zijn na de vernieuwing van de commissie eindigt bij de volgende vernieuwing ervan.
§ 4. De commissie opleiding privé-detectives heeft tot taak de minister te adviseren omtrent :
1° de nadere detaillering van de lessenprogramma's zoals bedoeld bij artikel 6;
2° de erkenning van de opleidingsinstellingen en hun lesprogramma's;
3° de toepassing van dit besluit en de voorstellen van eventuele wijzigingen ervan.
HOOFDSTUK V. - Controle
Art. 15. Elk jaar op datum van erkenning bezorgen de verantwoordelijken van de opleidingsinstellingen aan de commissie opleiding privé-detectives een verslag omtrent het programma en de organisatie van de cursussen, de organisatie en de coördinatie van de praktische oefeningen, de namen en titels van lesgevers en de cursisten.
De opleidingsinstellingen die erkend zijn om de opleiding bedoeld in artikel 6, § 2, te organiseren, vervolledigen het verslag met alle gegevens die aantonen dat het programma voldoet aan de bepaling van artikel 12, §§ 2 en 3.
Art. 16. De cursuscoördinator en de directeur lichten de minister spontaan en dadelijk in over elke onregelmatigheid inzake het verloop van de opleidingen en examens.
Art. 17. De nodige faciliteiten worden verleend aan de door de minister aangewezen agenten of ambtenaren die belast zijn met het toezicht op het naleven van de bepalingen van de wet en van dit besluit, zoals het nazicht van de gegevens van het verslag, de toegang tot de lokalen en de documenten, het contact met de inrichters, de lesgevers, de cursuscoördinator, de cursisten en hun eventueel verhoor.
TITEL III. - Algemeen stelsel
van erkenning van opleidingstitels
HOOFDSTUK I. - Kwalificatieniveau
Art. 18. Voor de toepassing van artikel 20, en teneinde de beroepskwalificaties te beoordelen van de aanvrager die de in de wet bedoelde activiteiten wenst uit te oefenen, worden deze in de hiernavolgende niveaus ingedeeld :
1° bekwaamheidsattest dat is afgegeven door een overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aangewezen bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, en waaruit blijkt dat een persoon over één van de hiernavolgende beroepskwalificaties beschikt :
a) een opleiding heeft genoten die niet wordt afgesloten met een certificaat of diploma zoals bedoeld onder punt 2°, 3°, 4° of 5°;
b) een specifiek examen zonder voorafgaande opleiding heeft afgelegd;
c) het beroep tijdens de afgelopen tien jaren voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, gedurende drie opeenvolgende jaren voltijds of gedurende een gelijkwaardige periode deeltijds in een lidstaat heeft uitgeoefend;
d) op het niveau van het lager of secundair onderwijs een algemene opleiding heeft genoten, waaruit blijkt dat de houder over algemene kennis beschikt.
2° certificaat ter afsluiting van een cyclus van secundair onderwijs :
a) hetzij van algemene aard, aangevuld met een andere dan de onder 3° bedoelde studiecyclus of beroepsopleiding en /of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus vereist is;
b) hetzij van technische of beroepsmatige aard, in voorkomend geval aangevuld met een studiecyclus of beroepsopleiding zoals bedoeld onder a), en/of met de beroepsstage of praktijkervaring die als aanvulling op deze studiecyclus vereist is;
3° een diploma ter afsluiting van
a) hetzij een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat verschilt van het onder punt 4° en 5° bedoelde niveau en ten minste 1 jaar duurt, dan wel, in geval van een deeltijdse opleiding, een daaraan gelijkwaardige duur heeft, en waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men een studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is;
b) hetzij, in het geval van een gereglementeerd beroep, een opleiding met een bijzondere structuur die gelijkwaardig is aan het onder punt a) vermelde opleidingsniveau, en die opleidt tot een vergelijkbare beroepsbekwaamheid en voorbereidt op een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken, zoals bedoeld in bijlage II van de richtlijn;
4° een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van het postsecundaire onderwijs met een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vier jaar, dan wel, in geval van een deeltijdse opleiding, een daaraan gelijkwaardige duur heeft, die wordt verstrekt aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is;
5° een diploma ter afsluiting van een postsecundaire opleiding met een duur van minstens vier jaar of, in geval van een deeltijdse opleiding, met een daaraan gelijkwaardige duur, aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, alsook eventueel ter afsluiting van de beroepsopleiding die als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is.
HOOFDSTUK II. - Gelijkgestelde opleidingen
Art. 19. Wordt gelijkgesteld met een opleidingstitel ter afsluiting van een in artikel 18 bedoelde opleiding, met inbegrip van het betrokken niveau, elke opleidingstitel die, ofwel elk geheel van opleidingstitels dat door een bevoegde autoriteit in een lidstaat is afgegeven, wanneer daarmee een in de Europese Gemeenschap gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door deze lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend en wanneer daaraan dezelfde rechten inzake de toegang tot of de uitoefening van een beroep zijn verbonden, dan wel een voorbereiding vormt op de uitoefening van dat beroep.
Onder dezelfde voorwaarden als die van het eerste lid wordt met een dergelijke opleidingstitel ook gelijkgesteld elke beroepskwalificatie die weliswaar niet voldoet aan de eisen die in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van oorsprong voor de toegang tot of uitoefening van een beroep zijn vastgesteld, maar die de houder ervan krachtens deze bepalingen verworven rechten verleent.
Dit geldt met name indien de lidstaat van oorsprong het niveau verhoogt van de opleiding die vereist is voor de toegang tot een beroep of de uitoefening ervan, en indien een persoon die vroeger een opleiding heeft genoten die niet meer voldoet aan de eisen van de nieuwe kwalificatie, verworven rechten geniet uit hoofde van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen; in dat geval wordt de vroeger genoten opleiding door de bevoegde Belgische autoriteit beschouwd, met het oog op de toepassing van artikel 20, als overeenkomend met het niveau van de nieuwe opleiding.
Worden ook gelijkgesteld met een opleidingstitel, de beroepskwalificaties verkregen door onderdanen van een lidstaat, in een land dat geen lidstaat is, voor zover het lidstaat in kwestie op haar grondgebied, met toepassing van artikel 2, § 2, van de richtlijn, de uitoefening van een gereglementeerd beroep heeft toegestaan.
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden inzake erkenning
Art. 20. Worden beschouwd aan de opleidingsvoorwaarden en aan de beroepservaring zoals bedoeld in de artikel 3, § 1, 4° of § 2, 5°, van de wet, te voldoen de personen die op de datum van de indiening van de aanvraag bedoeld om de aanvrager toestemming te verlenen tot het uitoefenen van de in de wet bedoelde activiteiten :
1° hetzij over het bekwaamheidsattest of opleidingstitel beschikt die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of de uitoefening van deze activiteit op zijn grondgebied;
2° hetzij de voltijdse uitoefening bewijzen gedurende twee jaar tijdens de tien jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, in een andere lidstaat waar dit soort van activiteiten niet is gereglementeerd en een of meer bekwaamheidattesten of een of meer opleidingstitels bezitten die aantonen dat de houder op de uitoefening van de betrokken activiteiten is voorbereid.
De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bedoeld onder punt 1° moeten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
a) zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
b) zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het door de wet vereiste niveau, zoals omschreven in artikel 18.
De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bedoeld onder punt 2° moeten aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
a) zij moeten afgegeven zijn door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
b) zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het door de wet vereiste niveau, zoals beschreven in artikel 18;
c) zij moeten aantonen dat de houder op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid.
De in het eerste lid bedoelde beroepservaring van twee jaar worden echter niet geëist wanneer de aanvrager over een diploma of certificaat beschikt van een reglementeerde opleiding dat de voorbereiding van de houder tot de uitoefening van de betrokkene activiteiten.
HOOFDSTUK IV. - Procedure
Art. 21. § 1. De aanvraag tot erkenning van de beroepskwalificaties uitgaande van de aanvrager, die de activiteiten bedoeld in de wet wil uitoefenen, moet worden ingediend volgens de volgende modaliteiten :
1° de aanvraag wordt ingediend bij de bevoegde Belgische autoriteit;
2° de aanvraag omvat het nationaliteitsbewijs van de aanvrager;
3° de aanvraag bevat een kopie van het bekwaamheidsattest en/of de opleidingstitel waarnaar de aanvrager verwijst en, in voorkomend geval, de documenten die de relevante beroepservaring aantonen;
4° de aanvraag en de bijlagen worden opgesteld in het Nederlands, het Frans of het Duits of gaan vergezeld van een voor eensluidend verklaarde vertaling van deze documenten in een van deze talen.
§ 2. In geval van gegronde twijfel kan de bevoegde Belgische autoriteit de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vragen om bevestiging van de echtheid van de in die andere lidstaat afgegeven getuigschriften en opleidingstitels.
In geval van gegronde twijfel, wanneer de opleidingstitels zoals omschreven in artikel 2, 6°, zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat en een opleiding omvatten die geheel of gedeeltelijk is gevolgd in een rechtmatig op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde instelling, mag de bevoegde Belgische autoriteit bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar het diploma vandaan komt, nagaan :
a) of de opleidingscyclus aan de instelling die de opleiding heeft verzorgd, officieel is gecertificeerd door de onderwijsinstelling die gevestigd is in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is;
b) of de opleidingstitel dezelfde is als de titel die zou zijn verleend indien de opleiding in zijn geheel was gevolgd in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is;
c) of de opleidingstitel dezelfde beroepsrechten verleent op het grondgebied van de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteit mag de aanvrager verzoeken om informatie en/of bijkomende documenten betreffende zijn opleiding of zijn relevante beroepservaring te bezorgen om het niveau en de inhoud ervan evenals het eventueel bestaan van aanzienlijke verschillen met het in België vereiste niveau van de opleiding te bepalen.
Art. 22. De bevoegde Belgische autoriteit bevestigt ontvangst van het dossier aan de aanvrager binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst en zij informeert hem, in voorkomend geval, over elk ontbrekend document.
Art. 23. De minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, neemt een beslissing met betrekking tot de aanvraag binnen de drie maanden nadat de volledigheid van het dossier is vastgesteld. Deze uiterste datum kan met één maand worden verlengd.
In deze beslissing kan de minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, eisen dat de aanvrager met vrucht een bekwaamheidsproef aflegt of met vrucht een aanpassingsstage doorloopt in een van de volgende gevallen :
a) wanneer de duur van de opleiding waarvan de aanvrager overeenkomstig artikel 18, 1° of 2°, melding maakt, ten minste één jaar korter is dan de duur van de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding;
b) wanneer de door hem gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de in België vereiste opleidingstitel;
c) wanneer het in België gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepswerkzaamheden omvat die niet bestaan in het overeenkomstige beroep in de lidstaat van oorsprong van de aanvrager in de zin van artikel 4, § 2, van de richtlijn, en dit verschil wordt gekenmerkt door een specifieke opleiding die in België vereist is en betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke vallen onder het bekwaamheidsattest of de opleidingstitel die de aanvrager overlegt.
Alvorens deze beslissing te nemen, en wanneer deze gebaseerd is op een van de wezenlijke verschillen bedoeld onder punt b) of c) van het tweede lid, gaat de minister of de ambtenaar die hij hiertoe heeft aangewezen, na of de door de aanvrager in het kader van zijn beroepservaring in een lidstaat of derde land verworven relevante kennis deze wezenlijke verschillen geheel of gedeeltelijk kan overbruggen.
Tegen deze beslissing, of het uitblijven van een beslissing binnen de opgelegde termijn, kan beroep worden aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel. Er kan geen beroep worden aangetekend tegen de beslissing van voornoemde rechtbank van eerste aanleg.
Art. 24. De bekwaamheidsproef vindt plaats volgens de door de minister bepaalde modaliteiten. De minister bepaalt de vakken waarop deze proef betrekking heeft in functie van de wezenlijke verschillen die zijn geconstateerd.
Art. 25. De aanpassingsstage, de evaluatie ervan en het statuut van de stagiaire worden bepaald door de minister.
HOOFDSTUK V. - Talenkennis
Art. 26. De begunstigden van de erkenning van beroepskwalificaties moeten beschikken over de kennis van het Nederlands, het Frans of het Duits.
HOOFDSTUK VI. - Administratieve samenwerking
Art. 27. De bevoegde Belgische autoriteiten werken nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong bij de toepassing van deze titel. Zij zien toe op de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie.
Art. 28. De bevoegde Belgische autoriteit wisselt informatie uit met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong over tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties die genomen zijn, en over alle andere specifieke ernstige feiten die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van werkzaamheden bedoeld in de wet, met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, in voorkomend geval, met inachtneming van de artikelen 122 tot 133 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
In het omgekeerde geval, op aanvraag van de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat, gaan de bevoegde Belgische autoriteiten de juistheid van deze feiten na, bepalen de aard en de omvang van het in te stellen onderzoek en stellen de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat in kennis van de consequenties die zij daaruit trekken ten aanzien van de verstrekte informatie.
TITEL III. - Overgangs- en slotbepalingen
Art. 29. Het koninklijk besluit van 14 september 1992 betreffende de uitreiking van het certificaat voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective en de erkenning van de instellingen gemachtigd om dit certificaat af te leveren, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 9 juni 1997 en 17 februari 2005, wordt opgeheven.
Art. 30. De personen die in het bezit zijn van een certificaat, afgeleverd conform het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1992 worden beschouwd als houders van het bekwaamheidsattest, die in toepassing van het huidig koninklijk besluit toegang geeft tot het beroep van privé-detective.
Art. 31. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven Brussel, 10 februari 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.