-A +A

Potpourri VI en het taalgebruik in gerechtszaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 5 van de Potpourri VI wet stelt: 

"In artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij de wet van 8 maart 1948, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt:

"Onverminderd de toepassing van de artikelen 794, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de vorenstaande regels voorgeschreven op straffe van nietigheid.".

Concreet wordt aldus de nietigheidsregeling van artikel 40 Taalwet Gerechtszaken gelijkgesteld  met de algemene nietigheidsregeling van het gemeen recht.

Let wel, deze nietigheidsregeling van gemeen recht werd aangepast door de Potpourri I-wet en wordt dan nog eens omwille van de duidelijkheid in artikel 40 van de Potpourri VI-wet verfijnd door de toevoeging van een herstelmogelijkheid.

Wanneer een proceshandelingen de Taalwet Gerechtszaken schendt, kan de onregelmatigheid worden rechtgezet op de wijze zoals voorzien in artikel 794 Ger.W.

Ten overvloede is op de onregelmatigheid de relatieve nietigheidsleer voorzien in de artikelen 861 en 864 Ger.W. hierop van toepassing, waardoor de nietigheid verdwijnt bij gebrek aan belangenschade én voor zover de nietigheid niet n limine litis (dus voor elk verweer) wordt ingeroepen.

Parlementaire vraag 13 juni 2018 over de nietigheidsregeling Taalwet in Gerechtszaken:

Kristien Van Vaerenbergh (N-VA):

"Mijnheer de minister, op 17 mei 2018 werd de wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde goedgekeurd in de plenaire vergadering. Deze wet bevat onder andere bepalingen met betrekking tot de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Deze bepalingen beroerden intussen de gemoederen in Vlaanderen. Onder andere de woordvoerder van de OVB schreef zelfs een opiniestuk met de titel "Nederlands hoeft niet meer bij de Vlaamse rechtbanken". Tijdens de behandeling van deze wet in de commissie stelde de N-VA-fractie hierover een aantal vragen, maar misschien is het toch nuttig om een aantal verduidelijkingen te geven.

Ten eerste, welke overtredingen op de wet van 15 juni 1935 zullen ambtshalve door de rechter nietig kunnen worden verklaard? Welke overtredingen zullen door een van de partijen ingeroepen moeten worden?

Ten tweede, klopt het dat de schending van de wet slechts tot sancties kan leiden indien belangenschade kan worden aangetoond? Klopt het dat een persoon in Vlaams-Brabant in het Frans gedagvaard kan worden en dat daar niets aan kan worden gedaan indien de betrokkene dit niet zelf inroept?

Ten derde, tijdens de bespreking van het wetsontwerp werd ons, naar aanleiding van een opmerking van collega Uyttersprot, verzekerd dat de wijzigingen enkel betrekking hebben op louter formele schendingen. Het wetsontwerp wilde de wet niet wijzigen op vlak van materiële schendingen. Kan u die interpretatie, zoals terug te vinden in het verslag op pagina 30, bevestigen?

Ten vierde, wat moet in het nieuwe artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek verstaan worden onder "louter formele miskenning"? Gaat het dan ook over dagvaarden? Voor ons kan dit alleszins niet het geval zijn. Of hebt u het over kleine woorden? Wat verstaat u met andere woorden onder "louter formele miskenning"?

Ten vijfde, was er in de praktijk een probleem in de rechtspraak, dat door deze bepalingen rond de wet van 15 juni 1935 wordt opgelost?

Zult u overgaan tot een reparatie die meer duidelijkheid verschaft over deze bepalingen? "


Minister Koen Geens:

"Mevrouw Van Vaerenbergh, de technische aard van uw vragen noopt mij tot een ongebruikelijk lang antwoord.

Op uw eerste twee vragen, voor een goed begrip moet eraan worden herinnerd dat bij de wet van 19 oktober 2015 de eerste Potpourriwet, de sanctionering van de vormvoorschriften werd geharmoniseerd in die zin dat de vormgebreken die voordien met zogenaamde absolute nietigheid werden gesanctioneerd voortaan op dezelfde wijze worden behandeld als de vormgebreken die slechts tot relatieve nietigheid leiden.

Uit de aangepaste artikelen 860, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de nietigheid van de procedurehandeling of de sanctie van de niet-naleving van een op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn niet kan worden uitgesproken indien het gebrek of de onregelmatigheid geen afbreuk heeft gedaan aan de belangen van de partij die zich daarop beroept, artikel 861, en dat die nietigheid wordt gedekt indien zij niet in limine litis wordt voorgedragen voor enig ander middel volgens artikel 864.

Deze belangrijke hervorming wordt goedgekeurd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 62/2018 van 31 mei 2018, randnummers B58 tot B68.

In de wet van 25 mei 2018, de zogenaamde werklastverminderingswet, is die deformalisering voortgezet, mede aan de hand van voorstellen van een commissie van advies.

Overeenkomstig de suggesties van die commissie werd meer bepaald voorzien in, enerzijds, het herstel van vormgebreken op bevel van de rechter, ook wanneer zich alsnog belangenschade voordoet – aanvulling van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek – en anderzijds, om discriminatie te vermijden, de gelijkschakeling van de schending van de taalvoorschriften met andere vormgebreken, in gevolge een wijziging van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Uit dit alles volgt dat voortaan de sanctionnering van vormfouten inzake taalwetgeving is onderworpen aan de beginselen die gelden voor de andere procedurevoorschriften. Die beginselen worden doorgaans onder woorden gebracht met: "pas de nullité sans texte", artikel 860 Gerechtelijk Wetboek, "pas de nullité sans grief", artikel 861, eerste lid Gerechtelijk Wetboek en "ius est vigilantibus", artikel 864 Gerechtelijk Wetboek.

De wet van 25 mei 2018 voegt daarbij nog het mogelijke bevel tot herstel door de rechter van de eventuele belangenschade toe, zie artikel 861, tweede lid Gerechtelijk Wetboek.

Op het onderdeel van uw tweede vraag over een mogelijk misschien wat theoretisch scenario kan ik u antwoorden dat het evident is dat het voorgespiegelde scenario waarbij een eiser moedwillig in de verkeerde taal dagvaardt of conclusie neemt en rekent op de medeplichtigheid van de verweerder om dit te laten passeren – lees niet te protesteren en de rechter op die manier te verplichten te doen alsof zijn neus bloedt en het geschil alsnog te beslechten – uitgaat van kwade trouw en overigens onrealistisch is. Partijen die hun proces willen winnen zullen een dergelijk gebrek aan respect voor de rechtbank niet durven opbrengen. Zij zouden zich overigens allicht schuldig maken aan misbruik dat krachtens artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek met een burgerlijke boete kan worden beteugeld. De rechter zowel als de griffier, zelfs als zij meertalig zijn, hebben er immers evenveel belang bij als de verweerder om in de juiste proceduretaal te worden aangesproken.

Dit neemt niet weg dat dit weliswaar irrealistische scenario louter theoretisch denkbaar is op grond van een restrictieve interpretatie van artikel 861, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Ook al heeft het daar verwoorde adagium "pas de nullité sans grief" uiteraard een ruimere draagwijdte, in die bepaling wordt de belangenschade tekstueel beperkt tot schade aan de belangen van de partij die de exceptie opwerpt. A contrario geldt dat dus niet voor de belangen van de andere betrokkenen bij de procedure. Vervolgens geven zowel de woorden "die de exceptie opwerpt" als de afschaffing van de absolute nietigheden die de rechter tot ambtshalve ingrijpen verplichtten de indruk dat de rechter bij gebrek aan protest van minstens een van de partijen machteloos is en dus evenmin de benadeling van zijn eigen belangen kan verhelpen of, ruimer nog, kan verhinderen dat een vormfout de rechtsbedeling in het gedrang brengt.

Omdat ik vrees dat in die interpretatie zal worden volhard lijkt het mij aangewezen om dit theoretisch scenario te remediëren en zal ik een wetgevend initiatief nemen. Ik kom er zo dadelijk op terug.

Over de derde en de vierde vraag kan ik u het volgende antwoorden en verduidelijken. Deze vragen lijken te berusten op een misverstand.

De toevoeging van louter formele miskenning aan artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, waarmee gevolg werd gegeven aan het advies van de Raad van State en de door u vermelde bespreking daarvan in de commissie voor de Justitie heeft uitsluitend betrekking op artikel 794, dat het heeft over verbeteringen van het vonnis en dus uitsluitend op het herstel van vormfouten die door de rechter zijn begaan.

Als gevolg daarvan kan dezelfde of een andere rechter voortaan bijvoorbeeld een citaat of een adresvermelding in de verkeerde taal verbeteren, dat wil zeggen alsnog vertalen, maar niet een vonnis dat in een verkeerde taal is gewezen als zodanig overdoen, wat met het onderscheid tussen formele en materiële miskenning van de gerechtstaalwet onder woorden is gebracht.

Hier gaat het echter over bovendien moedwillige schending van de gerechtstaalwet door een van de partijen, waarop de gewone nietigheidsregeling toepasselijk is. Het processtuk is onwettig, overeenkomstig artikel 40, eerste lid, van de wet van 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Die laatste mogelijkheid bestaat overigens van oudsher onder het regime van de wet van 1935 omdat in een verkeerde taal gestelde akten, ook al worden zij nietig verklaard, de verjaring en de op straffe van verval opgelegde termijnen stuiten, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van de gerechtstaalwet. Met andere woorden, die akten kunnen worden overgedaan.
 
Op uw vijfde vraag of er een probleem diende te worden opgelost, antwoord ik dat, zoals is uiteengezet in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de wet van 25 mei 2018 heeft geleid en zoals mevrouw Uyttersprot in de Kamercommissie heeft erkend, het na de afschaffing van de absolute nietigheden van het Gerechtelijk Wetboek niet langer houdbaar was om op straffe van schending van de beginselen van gelijkheid en discriminatie elke mogelijke schending van de taalwetgeving mordicus met absolute nietigheid te sanctioneren, ook als de betrokken vormfout geen belangenschade meebrengt en in geval van belangenschade zonder de mogelijkheid die schade te laten herstellen.
 
Dat was de uitsluitende bedoeling die aan de grondslag lag van artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, zoals gezegd op unaniem voorstel van een adviescommissie van experts. Daarbij is niet uitgegaan van de mogelijke kwade trouw van procespartijen die, niet om een proces te winnen maar om andere redenen, de taalwetgeving moedwillig zouden overtreden.
 
Uw zesde vraag luidde of een reparatiewet eventueel meer duidelijkheid kan brengen. Dat spreekt vanzelf. Indien wordt gevreesd dat zal worden volhard in het beschreven irrealistische scenario, dat overigens misbruik van procesrecht uitmaakt – ik vrees dat ook –, zal het volstaan artikelen 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek te preciseren, teneinde geen enkele twijfel over het ambtshalve ingrijpen van de rechter te laten bestaan als de rechtsbedeling in het gedrang wordt gebracht.
 
Dat is uiteraard het geval wanneer een van de partijen de rechter a fortiori moedwillig in een
andere dan de proceduretaal aanspreekt. "
 
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Van Vaerenbergh, ik dank u. "

 
Kristien Van Vaerenbergh (N-VA):

"Mijnheer de minister, ik dank u voor uw erg omstandige antwoord op mijn vraag. Ik zal het antwoord nauwkeurig nakijken.
 
Voor mij dringt een aanpassing zich alleszins op. Ik kan in eigen naam spreken. Naar mijn mening moeten wij het volledig ongedaan maken. Het is immers heel raar dat wij hier stellen dat niet langer kan worden vastgehouden aan de taalwet, zoals hij was. In de praktijk hoor ik daarover immers weinig problemen. Het is ook een speciale wet hier bij ons.
 
Ik kijk uit naar de oplossingen die wetgevend zullen worden geboden. Wij zullen ze uiteraard nauwkeurig in de gaten houden. "

 
"L'incident est clos. Het incident is gesloten. "

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 15/06/2018 - 18:53
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 18:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.