-A +A

Persoonlijk onderhoudsgeld als voorlopige maatregel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het bedrag van de onderhoudsuitkering die tijdens een echtscheidingsprocedure door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van artikel 1280 (oud) Gerechtelijk Wetboek wordt toegekend, moet worden vastgesteld met inachtneming van de behoeften en de inkomsten van elk der echtgenoten; aangezien de in artikel 213 Burgerlijk Wetboek bepaalde hulpverplichting tussen echtgenoten voortduurt tijdens de echtscheidingsprocedure, moet de uitkering niet worden geraamd in verhouding tot de levensstijl van de echtgenoten tijdens het samenleven, maar wel zodanig dat de uitkeringsgerechtigde echtgenoot in staat is de levensstijl aan te houden die hij zou gehad hebben indien er geen scheiding was geweest.

Krachtens art. 1280 Ger. W. neemt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarbij de vordering tot echtscheiding aanhangig is, rechtsprekend in kort geding, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de partijen en de kinderen, en dit in iedere stand van het geding, tot de ontbinding van het huwelijk.

Aldus kan een voorlopige maatregel bestaan in het toekennen aan een van de echtgenoten van een onderhoudsbijdrage in uitvoering van de in de artikelen 213 en 221, eerste lid, B.W., bepaalde hulp- en bijdrageverplichting, die als primaire huwelijksverplichting blijft bestaan zolang het huwelijk in de persoonlijke verhouding tussen de echtgenoten niet is ontbonden, dit is tot op het ogenblik waarop de echtscheidingsuitspraak in kracht van gewijsde is getreden.

De voorzitter begroot die onderhoudsbijdrage, gelet op de relatieve behoefte van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot, derwijze dat hij in staat is de levensstandaard aan te houden als zou er geen scheiding zijn.

Hierbij moet de voorzitter rekening houden, niet alleen met de actuele inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, maar ook met diens mogelijkheden om inkomsten te verwerven.

Zodoende kan de onderhoudsgerechtigde met mogelijkheden om bijkomende inkomsten te verwerven, worden verplicht de bestaande taken- en rolverdeling te verlaten, door bijvoorbeeld redelijkerwijze bijkomend buitenshuis te gaan werken.

De voorzitter kan evenwel in feite oordelen, rekening houdende met de concrete omstandigheden van het geval, dat de onderhoudsgerechtigde voorlopig niet kan worden verplicht een bestaande taak- en rolverdeling te verlaten om zijn vroegere levensstandaard te behouden.

zie Hof van Cassatie, 1e Kamer – 29 november 2007, 1600, RW 2008-2009, 1600


 

Nog dit: 

Cassatie, 25/04/2016, RW 2016-2017, 1095

samenvatting

Het bedrag van de onderhoudsuitkering die tijdens een echtscheidingsprocedure door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van artikel 1280 (oud) Gerechtelijk Wetboek wordt toegekend, moet worden vastgesteld met inachtneming van de behoeften en de inkomsten van elk der echtgenoten; aangezien de in artikel 213 Burgerlijk Wetboek bepaalde hulpverplichting tussen echtgenoten voortduurt tijdens de echtscheidingsprocedure, moet de uitkering niet worden geraamd in verhouding tot de levensstijl van de echtgenoten tijdens het samenleven, maar wel zodanig dat de uitkeringsgerechtigde echtgenoot in staat is de levensstijl aan te houden die hij zou gehad hebben indien er geen scheiding was geweest.

Tekst arrest

AR nr. C.15.0413.N

M.G. t/ G.F.R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, familiekamer, van 22 april 2015.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het bedrag van de onderhoudsuitkering die tijdens een echtscheidingsprocedure door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van art. 1280 (oud) Ger.W. wordt toegekend, moet worden vastgesteld met inachtneming van de behoeften en de inkomsten van elk van de echtgenoten.

Aangezien de in art. 213 BW bepaalde hulpverplichting tussen echtgenoten voortduurt tijdens de echtscheidingsprocedure, moet de uitkering niet worden geraamd in verhouding tot de levensstijl van de echtgenoten tijdens het samenleven, maar wel zodanig dat de uitkeringsgerechtigde echtgenoot in staat is de levensstijl aan te houden die hij gehad zou hebben indien er geen scheiding was geweest.

2. In zoverre het middel de schending aanvoert van art. 1280 (oud) Ger.W., gaat het uit van de onjuiste rechtsopvatting dat de tijdens een echtscheidingsprocedure toe te kennen onderhoudsuitkering moet worden vastgesteld in verhouding tot de levensstandaard die tijdens het samenleven werd gevoerd.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

3. In zoverre het middel de appelrechters verwijt dat het arrest het Hof niet in staat stelt zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van art. 1280 (oud) Ger.W.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

4. De appelrechters die oordelen dat bij de begroting van het persoonlijk onderhoudsgeld rekening wordt gehouden met “de levensstandaard die de vrouw zou genoten hebben zo er geen scheiding was geweest”, dienden niet verder te antwoorden op het verweer van de eiser aangaande de tijdens het samenleven gevoerde levensstandaard dat hierdoor niet meer dienstig was.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: do, 23/03/2017 - 15:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.