-A +A

Personen die de verkwisting kunnen laten vaststellen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. heeft de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel
de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Vred. Westerlo 01/02/2016, RW 2016-2017, 1233, met noot, I. Boone en Katrin De Vos, De onderhoudsgerechtigde ex-echtgenoot: familie van de verkwister of niet?

Tekst vonnis

G.E. t/ V.F.

Overwegende dat verzoekende partij een rechterlijke beschermingsmaatregel vordert in de zin van art. 488/2 BW, zulks voor haar ex-echtgenoot de h. F.V.

Overwegende dat verzoekende partij en de h. F.V. verklaren dat zij in de loop van 2010 uit de echt gescheiden zijn. Het echtscheidingsvonnis wordt niet aan Ons Ambt voorgelegd, noch wordt zelfs maar de precieze datum van dit vonnis meegedeeld.

Overwegende dat er reeds in de beschikking van 21 december 2015 op gewezen werd dat art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, heeft beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Overwegende dat de voormelde beschikking van 21 december 2015 aan de beide ex-echtgenoten de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunt uiteen te zetten met betrekking tot art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. Verzoekende partij stelt daarop in algemene termen dat zij “binnen verschillende” van de categorieën van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. valt, zonder echter precies aan te duiden onder wélke categorie. De h. F.V. verklaart in even algemene termen dat hij tot geen enkele van de bedoelde categorieën van personen behoort.

Overwegende dat Ons Ambt allereerst vaststelt:

1. dat in de onderhavige procedure geen perso(o)n(en) is/zijn tussengekomen die onbetwistbaar wél behoren tot de bovenbedoelde kring van personen;

2. dat verzoekende partij in de loop van onderhavige procedure evenmin is overgegaan tot wijziging van de hoedanigheid waarin zij haar verzoek stelt (bv. eigen naam versus qualitate qua), wat een juiste interpretatie van art. 807 en 1042 Ger.W. mogelijk maakt, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Cassatie (van 17 november 2014, AR nr. C.13.0210.F, Arr.Cass. 2014, nr. 698, p. 2624).

Overwegende dat derhalve thans dient beoordeeld te worden of verzoekende partij al dan niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen

1. Het is allereerst van belang te wijzen op navolgende “tegenstrijdigheden”, ook al heeft deze verwijzing misschien slechts een “lege ferenda”-waarde.

A. Uit het huwelijk van partijen werden twee kinderen geboren, namelijk T. en C. Bij beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 18 oktober 2010 werd de heer F.V. veroordeeld tot betaling aan mevrouw E.G. van een maandelijkse onderhoudsbijdrage in het voordeel van de kinderen ten bedrage van 200 euro per kind, met ingang van 1 december 2009, jaarlijks te indexeren en te vermeerderen met de bijzondere kosten. Mevr. E.G. verklaart dat de achterstand in de betaling van deze onderhoudsbijdrage thans ongeveer 50.000 euro bedraagt. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Turnhout van 10 maart 2015, werd de h. F.V. op strafgebied veroordeeld wegens bedrieglijk onvermogen en familieverlating en werd hij op burgerlijk gebied veroordeeld tot betaling aan mevr. E.G. van een bedrag van 1.500 euro uit hoofde van morele schadevergoeding.

B. Uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de wet tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen blijkt dat het huidige art. 488/2 BW als bedoeling heeft:

a) om de reeds onder het oude recht (art. 513 BW) geldende bescherming die werd geboden aan personen in staat van verkwisting (toevoeging van een gerechtelijk raadsman) te hernemen (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 34). Nochtans kon het verzoek tot toevoeging van een gerechtelijk raadsman aan een verkwister voorheen ook – in bepaalde gevallen – uitgaan van de procureur des Konings (oud art. 1239 Ger.W.), mogelijkheid die thans niet meer bestaat;

b) om zeker aan de onderhoudsgerechtigden (zonder onderscheid) de mogelijkheid te bieden, een beschermingsmaatregel wegens verkwisting in te leiden (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 35). Nochtans werden ex-echtgenoten (zoals huidige verzoekende partij) niet opgenomen in de kring van personen die thans de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen. De status van “ex-echtgenote” is toch vaak gekoppeld aan de status van “onderhoudsgerechtigde”?

2. Nu actueel noch de Procureur des Konings noch de ex-echtgenote de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, dient te worden nagegaan of huidige verzoekende partij zich binnen de kring van personen van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. eventueel zou kunnen beroepen op de kwalificatie “lid van de naaste familie”, de enig mogelijke overblijvende. P. Senaeve wijst erop dat de term “familie” geen eenduidige betekenis heeft maar in feite zeer verschillende fenomenen dekt (P. Senaeve, Compendium van het Personen- en Familierecht, Boekdeel 3, Leuven, Acco 2006, nr. 2109, p. 259).

a) Allereerst wordt met familie soms het “gezin” bedoeld (P. Senaeve, o.c., nr. 2110, p. 259). De term gezin betekent de groep personen bestaande uit één man en één vrouw die met elkaar samenleven, in voorkomend geval aangevuld met de kinderen die (nog) van hen afhankelijk zijn (P. Senaeve, o.c., nr. 2113, p. 260). Deze laatste wijst er aldaar op dat in het Nederlands de notie familie minder en minder in deze betekenis wordt gebruikt en dat het Burgerlijk Wetboek hier slechts één voorbeeld van kent (art. 19, 5o Hypotheekwet).

Verzoekende partij is in die zin geen familielid, aangezien zij en de h. F.V. niet meer samenleven.

b) Vervolgens wordt met familie soms de uitgebreide familie bedoeld, dit is een geheel van gezinsgroepen tussen wie een zeer hechte band bestaat, in de regel van residentiële aard (P. Senaeve, o.c., nr. 2111, p. 259). Deze laatste wijst er aldaar op dat de uitgebreide familie in het Westen nagenoeg is verdwenen ten voordele van het gezin, en dat in ons recht de grote familie dan ook niet als geconstitueerde groep bestaat. Om dezelfde reden als sub a (geen band van residentiële aard) is verzoekende partij geen familielid in die zin.

c) Ten slotte spreekt men van familie in de zin van het geheel van personen met wie een bepaald individu verbonden is door huwelijk, verwantschap en aanverwantschap (P. Senaeve, o.c., nr. 2112, p. 260). Mevr. E.G. en de h. F.V. zijn noch door huwelijk met elkaar verbonden, noch door verwantschap (= de juridische band tussen personen die de een van de ander afstammen, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2125, p. 264), noch door aanverwantschap (= de juridische band tussen een gehuwd persoon en de verwanten van de mede-echtgenoot, een combinatie dus van echtelijke band en verwantschap, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2133, p. 266).

Overwegende dat uit al wat voorafgaat blijkt dat verzoekende partij niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, zodat haar vordering onontvankelijk is.


Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 1238.[1 § 1. Op verzoek van de te beschermen persoon, van elke belanghebbende of van de procureur des Konings kan een rechterlijke beschermingsmaatregel worden bevolen als bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek.
In afwijking van het eerste lid kunnen enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, of de lasthebber bedoeld in artikel 490 of 490/1 van het Burgerlijk Wetboek, om een rechterlijke beschermingsmaatregel verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in artikel 488/2 van het Burgerlijk Wetboek.
[2 De vrederechter die gevat is overeenkomstig het eerste lid, kan uitspraak doen over alle maatregelen bedoeld in de artikelen 490/1, 490/2 en 492/1 van het Burgerlijk Wetboek.]2
§ 2. Eenzelfde persoon mag ten hoogste twee van de in § 1 bedoelde verzoeken hebben ingediend tijdens de tien jaar die de indiening van het laatste verzoek voorafgaan, indien de vrederechter tijdens dezelfde periode heeft geweigerd in te gaan op een verzoek dat gegrond was op dezelfde redenen.]1

(1)<W 2013-03-17/14, art. 180, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 205, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>


Uittreksel uit het burgerlijk wetboek


Art. 488/1.[1 De meerderjarige die wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan onder bescherming worden geplaatst, indien en voor zover de bescherming van zijn belangen dit vereist.
[2 Voor een minderjarige kan vanaf de volle leeftijd van zeventien jaar een verzoek tot plaatsing onder bescherming ingediend worden indien vaststaat dat hij bij zijn meerderjarigheid in de toestand zal verkeren als bedoeld in het eerste lid. De bescherming treedt in werking op het tijdstip waarop de beschermde persoon meerderjarig wordt.]2 ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 30, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 183, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 488/2. [1 Een beschermingsmaatregel over de goederen kan worden bevolen voor meerderjarige personen die zich in staat van verkwisting bevinden, indien en voor zover de bescherming van hun belangen dit vereist.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 31, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Afdeling 2. - [1 Buitengerechtelijke bescherming]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 32, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 489.[1 De bepalingen van deze afdeling zijn uitsluitend van toepassing op daden van vertegenwoordiging die betrekking hebben op de goederen.]1
----------
(1)<W 2013-03-17/14, art. 33, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 490.[1 De bijzondere of algemene lastgeving verleend door een wilsbekwame meerderjarige of ontvoogde minderjarige persoon waarvoor geen enkele beschermingsmaatregel werd getroffen als bedoeld in artikel 492/1, en die in het bijzonder tot doel heeft om voor hem een buitenrechterlijke bescherming te regelen, wordt geregistreerd in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
Het verzoek tot registratie gebeurt door de neerlegging van een voor eensluidend verklaard afschrift van de overeenkomst ter griffie van het vredegerecht van de verblijfplaats van de lastgever en subsidiair van zijn woonplaats, of door tussenkomst van de notaris die de lastgevingsovereenkomst heeft opgesteld.
In deze overeenkomst kunnen een aantal beginselen worden opgenomen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen.
Binnen vijftien dagen na het verzoek tot registratie van de lastgevingsovereenkomst laat de griffier of de notaris deze opnemen in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat. De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. Hij bepaalt welke overheden gratis toegang hebben tot het centraal register en bepaalt het tarief van de kosten voor de registratie van de overeenkomsten.
De lasthebber en de meerderjarige of ontvoogde minderjarige lastgever die wilsbekwaam is en voor wie geen beschermingsmaatregel werd getroffen als bedoeld in artikel 492/1 kunnen op ieder ogenblik hun beslissing om de overeenkomst te beëindigen schriftelijk ter kennis brengen van de in het tweede lid bedoelde griffie of notaris, met opgave van de redenen voor deze beslissing. De lastgever kan op dezelfde wijze ook de beginselen wijzigen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen en die zijn opgenomen in die overeenkomst. De griffier of de notaris die in kennis is gesteld van de beslissing om de overeenkomst te beëindigen, brengt de griffier of notaris door wiens tussenkomst de overeenkomst werd geregistreerd hiervan op de hoogte. Deze laatste vermeldt de wijziging op de oorspronkelijke akte of op het afschrift. Er wordt voorts gehandeld overeenkomstig het vierde lid.]1
----------
(1)<W 2013-03-17/14, art. 34, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 490/1.[1 § 1. § 1. De in artikel 490 bedoelde bijzondere of algemene lastgeving eindigt niet van rechtswege wanneer de lastgever verkeert in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 en 488/2.
In afwijking van het eerste lid kunnen in dat geval niet als lasthebber optreden :
1° de personen op wie een in afdeling 3 bedoelde rechterlijke beschermingsmaatregel van toepassing is;
2° de personen die krachtens artikel 496/6 geen bewindvoerder mogen zijn.
§ 2. De vrederechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de lastgever, de lasthebber, iedere belanghebbende evenals de procureur des Konings, een beslissing treffen omtrent de uitvoering van de lastgeving. De artikelen 1241 [2 en 1246]2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Ingeval de vrederechter vaststelt dat de lastgever zich bevindt in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2, dat de lastgeving beantwoordt aan het belang van de lastgever en dat de lasthebber zijn opdracht heeft aanvaard, beveelt hij dat de lastgeving geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 490/2. De beslissing wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de verzoeker, de lastgever en de lasthebber.
In het tegenovergestelde geval kan de vrederechter, bij een met bijzondere redenen omklede beschikking, met toepassing van artikel 492/1 een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen die de lastgeving geheel of gedeeltelijk beëindigt, of daarbovenop komt. De bepalingen van deel IV, boek IV, hoofdstuk X, afdeling I van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
§ 3. [2 De lasthebber beoordeelt het tijdstip waarop de lastgever komt te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2, in voorkomend geval, overeenkomstig hetgeen wordt bepaald in de lastgevingsovereenkomst bedoeld in artikel 490. Deze beoordeling is tegenstelbaar aan een derde te goeder trouw.]2
De handelingen die de lasthebber in naam en voor rekening van de lastgever heeft verricht, kunnen, ingeval de lastgevingsovereenkomst niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 1, nietig worden verklaard in geval van benadeling, als de lasthebber wist of had moeten weten dat de lastgever zich op dat tijdstip kennelijk bevond in een toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2. De rechter beoordeelt de nietigheid van de handelingen, met inachtneming van de rechten van de derden die te goeder trouw zijn. De nietigheid doet geen afbreuk aan eventuele aansprakelijkheidsvorderingen die de lastgever tegen de lasthebber kan instellen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 35, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 184, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 490/2. [1 § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling is de in artikel 490 bedoelde lastgeving onderworpen aan de artikelen 1984 tot 2010.
Bij de uitvoering van zijn opdracht neemt de lasthebber, voor zover mogelijk, de door de lastgever overeenkomstig artikel 490, derde lid, opgegeven beginselen in acht.
De lasthebber pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen overleg met de lastgever. Hij brengt de lastgever alsook, in voorkomend geval, de in de lastgevingsovereenkomst aangewezen derden op de hoogte van de handelingen die hij verricht.
Wanneer de belangen van de lasthebber in strijd zijn met die van de lastgever, stelt de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de lastgever of iedere belanghebbende, een lasthebber ad hoc aan. De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van toepassing.
De gelden en de goederen van de lastgever worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijke vermogen van de lasthebber. De banktegoeden van de lastgever worden op zijn naam ingeschreven.
Heeft de lastgever meerdere lasthebbers aangewezen, dan worden geschillen tussen hen door de vrederechter op verzoek beslecht in het belang van de lastgever. De in artikel 1252 bedoelde procedure van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
§ 2. De vrederechter kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de lastgeving, ingeval de uitvoering ervan van die aard is dat de belangen van de lastgever in gevaar worden gebracht of de lastgeving geheel of gedeeltelijk vervangen moet worden door een rechterlijke beschermingsmaatregel die de belangen van de lastgever beter dient. Hij kan tevens de uitvoering van de lastgeving onderwerpen aan dezelfde vormvereisten als die welke gelden bij een rechterlijke beschermingsmaatregel. De vrederechter kan zich hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van elke belanghebbende evenals de procureur des Konings, uitspreken over de voorwaarden en nadere regels tot uitvoering van de lastgeving. Op de niet-naleving van de opgelegde voorwaarden met betrekking tot de lastgeving staan dezelfde sancties als die welke gelden voor een rechterlijke beschermingsmaatregel.
Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
§ 3. De buitengerechtelijke beschermingsmaatregel neemt een einde :
1° ingeval de lastgever zich niet meer bevindt in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2;
2° door de kennisgeving van de opzegging van de lastgeving door de lasthebber overeenkomstig artikel 490, vijfde lid;
3° door de kennisgeving van de herroeping van de lastgeving door de lastgever overeenkomstig artikel 490, vijfde lid;
4° door het overlijden van de lastgever of van de lasthebber of door diens plaatsing onder een rechterlijke beschermingsmaatregel, overeenkomstig artikel 492/1;
5° door een beslissing van de vrederechter genomen overeenkomstig § 2 of artikel 490/1, § 2, derde lid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 36, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Afdeling 3. - [1 Rechterlijke bescherming]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 37, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Onderafdeling 1. [1 Definities]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 38, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 491.[1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
a) beschermde persoon : een meerderjarige persoon die door een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om één of meer handelingen te stellen;
b) [2 ...]2
c) [2 ...]2
d) [2 ...]2
e) bekwaamheid : de bevoegdheid om rechten en plichten zelf en zelfstandig uit te oefenen;
f) bijstand : wijze waarop de in hoofdstuk II/1, afdeling 4, onderafdeling 2, bedoelde onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon zelf, maar niet zelfstandig een bepaalde handeling mag stellen;
g) vertegenwoordiging : wijze waarop de in hoofdstuk II/1, afdeling 4, onderafdeling 3, bedoelde onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon niet zelfstandig, noch zelf een bepaalde handeling mag stellen.]1
----------
(1)<W 2013-03-17/14, art. 39, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 185, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Onderafdeling 2. - [1 De onbekwaamheid]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 40, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 492.[1 De vrederechter kan ten aanzien van de persoon bedoeld in de artikelen 488/1 en 488/2 een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen wanneer en in de mate hij vaststelt dat dit noodzakelijk is en dat de bestaande wettelijke of buitengerechtelijke bescherming niet volstaat.
Vooraleer de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt, gaat de griffier na of in het centraal register, bijgehouden door de Koninklijke federatie van het Belgisch notariaat, een lastgevingsovereenkomst of beslissing tot beëindiging van de overeenkomst als bedoeld in artikel 490 werd geregistreerd. Als dit het geval is, laat hij door de notaris of de griffier van het vredegerecht waar de lastgevingsovereenkomst werd neergelegd, een eensluidend verklaard afschrift overzenden.
De buitengerechtelijke beschermingsmaatregel blijft van toepassing in de mate dat hij verenigbaar is met de rechterlijke beschermingsmaatregel. In voorkomend geval bepaalt de vrederechter de voorwaarden waaronder de lastgeving verder kan worden uitgevoerd.]1
----------
(1)<W 2014-04-25/23, art. 186, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 492/1.[1 § 1. De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon beveelt, bepaalt de handelingen in verband met de persoon waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en zijn gezondheidstoestand. Hij somt deze handelingen uitdrukkelijk op in zijn beschikking.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking blijft de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen in verband met zijn persoon.
De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot :
1° de keuze van zijn verblijfplaats;
2° het geven van de toestemming tot huwen bedoeld in artikel 75 en 146;
3° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot nietigverklaring van het huwelijk, bedoeld in de artikelen 180, 184 en 192;
4° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229;
5° het indienen van een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming bedoeld in artikel 230;
6° het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot scheiding van tafel en bed bedoeld in artikel 311bis;
7° het erkennen van een kind overeenkomstig [2 artikel 328]2 ;
8° het voeren van gedingen als eiser of als verweerder betreffende zijn afstamming bedoeld in boek I, titel VII;
9° de uitoefening van het ouderlijk gezag over de persoon van de minderjarige, bedoeld in boek I, titel IX [2 en van de ouderlijke prerogatieven]2 ;
10° de aflegging van een verklaring van wettelijke samenwoning bedoeld in artikel 1476, § 1, alsook de beëindiging van de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 2;
11° in voorkomend geval, het afleggen van een verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit, bedoeld in hoofdstuk III van het Wetboek van de Belgische nationaliteit van 28 juni 1984;
12° de uitoefening van de rechten bedoeld in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens;
13° de uitoefening van het recht bedoeld in de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord;
14° het richten van een verzoek tot naams- of voornaamswijziging, bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen;
15° de uitoefening van de rechten van de patiënt, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt;
16° het verlenen van de toestemming om een experiment op de menselijke persoon uit te voeren overeenkomstig artikel 6 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon;
17° het verlenen van de toestemming tot het wegnemen van organen zoals bedoeld in artikel 5 of artikel 10 van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen;
18° de uitoefening van het recht op weigering om een autopsie uit te voeren op zijn kind van minder dan achttien maanden, bedoeld in artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden;
[2 19° het verlenen van de toestemming tot het wegnemen van lichaamsmateriaal bij levenden als bedoeld in artikel 10 van de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek.]2
[2 De onbekwaamheid om het ouderlijk gezag bedoeld in het derde lid, 9° uit te oefenen, heeft de onbekwaamheid voor de uitoefening van het wettelijk bewind bedoeld in § 2, derde lid, 17° tot gevolg.]2
§ 2. De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden, van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen en van de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de handelingen of categorieën van handelingen in verband met de goederen waarvoor deze onbekwaam is.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking is de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen met betrekking tot de goederen.
De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot :
1° het vervreemden van zijn goederen;
2° het aangaan van een lening;
3° het in pand geven of hypothekeren van zijn goederen alsook het geven van de toestemming tot doorhaling van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
4° het afsluiten van een pachtcontract, een handelshuurovereenkomst of een gewone huurovereenkomst van meer dan negen jaar;
5° het aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel;
6° het aanvaarden van een schenking of een legaat onder bijzondere titel;
7° het optreden in rechte als eiser en verweerder;
8° het afsluiten van een overeenkomst van onverdeeldheid;
9° het aankopen van een onroerend goed;
10° het aangaan van een dading of het afsluiten van een arbitrageovereenkomst;
11° het voortzetten van een handelszaak;
12° het berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
13° het schenken onder levenden;
14° het aangaan of wijzigen van een huwelijkscontract;
[2 14/1° een overeenkomst als bedoeld in artikel 1478, vierde lid, af te sluiten en te wijzigen;]2
15° het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking;
16° het stellen van handelingen met betrekking tot het dagelijkse beheer;
17° de uitoefening van het wettelijk bewind over de goederen van de minderjarige bedoeld in boek I, titel IX.
In voorkomend geval verduidelijkt de vrederechter in zijn beschikking welke de in het derde lid, 16°, bedoelde handelingen zijn die betrekking hebben op het dagelijkse beheer.
§ 3. Ingeval de vrederechter zowel een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon als een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt hij in twee onderscheiden delen van zijn beschikking de handelingen met betrekking tot de persoon en de handelingen met betrekking tot de goederen waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 42, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 187, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 492/2. [1 De vrederechter kan de vertegenwoordiging bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling slechts bevelen ingeval de bijstand bij het verrichten van die handeling niet volstaat.
Indien de beschikking geen andersluidende aanwijzing bevat, wordt de beschermde persoon alleen bijgestaan bij het verrichten van de handelingen waarvoor hij onbekwaam is verklaard.
Ten aanzien van een in artikel 488/2 bedoelde persoon kan de vrederechter enkel de bijstand bevelen bij bepaalde of alle handelingen die betrekking hebben op de goederen van de beschermde persoon.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 43, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 492/3.[1 De rechterlijke beschermingsmaatregel heeft gevolgen vanaf de bekendmaking van de beschikking in het Belgisch Staatsblad wat betreft de handelingen bedoeld in [2 de artikelen 499/7, §§ 1 en 2, 905, 1397/1 en 1478, vierde lid]2. Voor de andere handelingen heeft de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een bewindvoerder.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 44, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-05-12/02, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 492/4.[1 De vrederechter kan te allen tijde hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon of bewindvoerder of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan de rechterlijke beschermingsmaatregel of de inhoud ervan wijzigen. [2 Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek en, ingeval het een verzoek tot beëindiging van de rechterlijke beschermingsmaatregel betreft, artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn van toepassing.]2 In voorkomend geval eindigt de rechterlijke beschermingsmaatregel op de dag van de beschikking.
Uiterlijk twee jaar na het uitspreken van de in artikel 492/1 bedoelde beschikking wordt de rechterlijke beschermingsmaatregel geëvalueerd overeenkomstig het eerste lid.
De rechterlijke beschermingsmaatregel eindigt van rechtswege in geval van overlijden van de beschermde persoon, door het verstrijken van de duur waarvoor hij is genomen of in geval van toekenning van de definitieve invrijheidstelling aan de geïnterneerde. Het openbaar ministerie geeft de vrederechter kennis van de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 45, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 188, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 492/5. [1 De Koning stelt, op eensluidend advies van de Orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten.
Ingeval uit de in artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde geneeskundige verklaring blijkt dat de te beschermen persoon in een gezondheidstoestand is die voorkomt in de in het eerste lid bedoelde lijst, dan zijn de artikelen 492/1, § 2, derde en vierde lid, en 492/4, tweede lid, niet van toepassing en wordt, in afwijking van artikel 492/1, § 3, en bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, de te beschermen persoon vertegenwoordigd bij het stellen van alle rechtshandelingen of proceshandelingen met betrekking tot diens goederen.
De vrederechter kan alsnog tot een beoordeling op maat overgaan, ingeval hij dit noodzakelijk acht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 46, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Onderafdeling 3. - [1 Sanctionering]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 47, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 493.[1 § 1. De handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn overeenkomstig artikel 492/1, § 1, vastgestelde onbekwaamheid met betrekking tot zijn persoon, zijn rechtens nietig.
Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter maar door de beschermde persoon werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, kan de nietigheid van die handelingen worden ingeroepen.
§ 2. De in [2 de artikelen 499/7, § 2, 905, 1397/1 en 1478, vierde lid bedoelde voorwaarden,]2, bedoelde handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn overeenkomstig artikel 492/1, § 2, vastgestelde onbekwaamheid met betrekking tot zijn goederen, zijn rechtens nietig.
Onder voorbehoud van het eerste lid, zijn de handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn onbekwaamheid met betrekking tot zijn goederen, vastgesteld overeenkomstig artikel 492/1, § 2, nietig in geval van benadeling. De nietigheid wordt door de rechter beoordeeld rekening houdend met de rechten van derden te goeder trouw. De rechter kan echter de verbintenissen die de beschermde persoon door aankopen of op een andere wijze mocht hebben aangegaan ook verminderen, ingeval zij buitensporig zijn; de rechter houdt daarbij rekening met het vermogen van de beschermde persoon, de goede trouw van de personen die met hem hebben gehandeld en het nut of de nutteloosheid van de uitgaven.
Indien handelingen bedoeld in de artikelen 905 [2 , 1397/1 en 1478, vierde lid]2 voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter, maar door de beschermde persoon werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, zijn deze handelingen rechtens nietig. [2 Hetzelfde geldt indien de gestelde handeling een testament is dat niet voldoet aan de in artikel 905, derde lid, of, in voorkomend geval, artikel 905, vierde lid.]2
§ 3. De nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon en zijn bewindvoerder worden ingeroepen. [2 De nietige handeling kan tijdens de duur van de beschermingsmaatregel bevestigd worden door zijn bewindvoerder of, ingeval het een handeling betreft bedoeld in de artikelen 905, 1397/1 en 1478, vierde lid, door de beschermde persoon. Als het om een in de artikelen 499/7, 905, 1397/1 en 1478, vierde lid, bedoelde handeling gaat, verleent de vrederechter een bijzondere machtiging aan de bewindvoerder of, in voorkomend geval, aan de beschermde persoon.]2 De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van toepassing.
Wanneer de beschermde persoon als zodanig wordt toegelaten tot herstel in zijn recht tegen zijn verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de bescherming van hem niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde hem tot voordeel heeft gestrekt.
§ 4. Dit artikel is van toepassing op de handelingen die de beschermde persoon die zich laat bijstaan, heeft gesteld in strijd met artikel 498/1.]1
----------
(1)<W 2013-03-17/14, art. 48, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-05-12/02, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 493/1. [1 De vordering tot nietigverklaring verjaart door verloop van vijf jaren.
Deze termijn loopt tegen de beschermde persoon vanaf het tijdstip waarop hij van de betwiste handeling kennis heeft gekregen, of vanaf de betekening die hem ervan is gedaan na afloop van de opdracht van de bewindvoerder.
De termijn loopt tegen zijn erfgenamen vanaf het tijdstip waarop zij kennis ervan hebben gekregen of vanaf de betekening die hun ervan is gedaan na het overlijden van hun rechtsvoorganger.
De verjaring die tegen de beschermde persoon is beginnen lopen, loopt verder tegen de erfgenamen.
De beschermde persoon of zijn erfgenamen kunnen echter, ook na verloop van die termijn, vergoeding voor geleden schade vorderen van de medecontractant die te kwader trouw was.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 49, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

Art. 493/2.[1 Elke handeling die is verricht voordat de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen had, kan worden vernietigd, indien [2 de oorzaak van de beschermingsmaatregel getroffen op grond van artikel 488/1]2 kennelijk bestond ten tijde van het verrichten van die handelingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 50, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
(2)<W 2014-04-25/23, art. 189, 062; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 493/3. [1 Na het overlijden van de beschermde persoon kunnen de door hem ten bezwarende titel verrichte handelingen niet worden betwist op grond van zijn gezondheidstoestand, dan voor zover de rechterlijke bescherming was uitgesproken of gevorderd voor zijn overlijden, tenzij het bewijs van wilsonbekwaamheid uit de betwiste handeling zelf voortvloeit.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 51, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
 

Nog dit: 

Vred. Westerlo 01/02/2016, RW 2016-2017, 1233, met noot, I. Boone en Katrin De Vos, De onderhoudsgerechtigde ex-echtgenoot: familie van de verkwister of niet?

Samenvatting:

art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. heeft de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Tekst vonnis

G.E. t/ V.F.

Overwegende dat verzoekende partij een rechterlijke beschermingsmaatregel vordert in de zin van art. 488/2 BW, zulks voor haar ex-echtgenoot de h. F.V.

Overwegende dat verzoekende partij en de h. F.V. verklaren dat zij in de loop van 2010 uit de echt gescheiden zijn. Het echtscheidingsvonnis wordt niet aan Ons Ambt voorgelegd, noch wordt zelfs maar de precieze datum van dit vonnis meegedeeld.

Overwegende dat er reeds in de beschikking van 21 december 2015 op gewezen werd dat art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, heeft beperkt. Daar wordt immers bepaald dat enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of de lasthebber bedoeld in art. 490 of 490/1 BW, om een rechterlijke beschermingsmaatregel kunnen verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in art. 488/2 BW.

Overwegende dat de voormelde beschikking van 21 december 2015 aan de beide ex-echtgenoten de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunt uiteen te zetten met betrekking tot art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. Verzoekende partij stelt daarop in algemene termen dat zij “binnen verschillende” van de categorieën van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. valt, zonder echter precies aan te duiden onder wélke categorie. De h. F.V. verklaart in even algemene termen dat hij tot geen enkele van de bedoelde categorieën van personen behoort.

Overwegende dat Ons Ambt allereerst vaststelt:

1. dat in de onderhavige procedure geen perso(o)n(en) is/zijn tussengekomen die onbetwistbaar wél behoren tot de bovenbedoelde kring van personen;

2. dat verzoekende partij in de loop van onderhavige procedure evenmin is overgegaan tot wijziging van de hoedanigheid waarin zij haar verzoek stelt (bv. eigen naam versus qualitate qua), wat een juiste interpretatie van art. 807 en 1042 Ger.W. mogelijk maakt, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Cassatie (van 17 november 2014, AR nr. C.13.0210.F, Arr.Cass. 2014, nr. 698, p. 2624).

Overwegende dat derhalve thans dient beoordeeld te worden of verzoekende partij al dan niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen

1. Het is allereerst van belang te wijzen op navolgende “tegenstrijdigheden”, ook al heeft deze verwijzing misschien slechts een “lege ferenda”-waarde.

A. Uit het huwelijk van partijen werden twee kinderen geboren, namelijk T. en C. Bij beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout van 18 oktober 2010 werd de heer F.V. veroordeeld tot betaling aan mevrouw E.G. van een maandelijkse onderhoudsbijdrage in het voordeel van de kinderen ten bedrage van 200 euro per kind, met ingang van 1 december 2009, jaarlijks te indexeren en te vermeerderen met de bijzondere kosten. Mevr. E.G. verklaart dat de achterstand in de betaling van deze onderhoudsbijdrage thans ongeveer 50.000 euro bedraagt. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Turnhout van 10 maart 2015, werd de h. F.V. op strafgebied veroordeeld wegens bedrieglijk onvermogen en familieverlating en werd hij op burgerlijk gebied veroordeeld tot betaling aan mevr. E.G. van een bedrag van 1.500 euro uit hoofde van morele schadevergoeding.

B. Uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de wet tot invoering van een globaal beschermingsstatuut voor meerderjarige wilsonbekwame personen blijkt dat het huidige art. 488/2 BW als bedoeling heeft:

a) om de reeds onder het oude recht (art. 513 BW) geldende bescherming die werd geboden aan personen in staat van verkwisting (toevoeging van een gerechtelijk raadsman) te hernemen (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 34). Nochtans kon het verzoek tot toevoeging van een gerechtelijk raadsman aan een verkwister voorheen ook – in bepaalde gevallen – uitgaan van de procureur des Konings (oud art. 1239 Ger.W.), mogelijkheid die thans niet meer bestaat;

b) om zeker aan de onderhoudsgerechtigden (zonder onderscheid) de mogelijkheid te bieden, een beschermingsmaatregel wegens verkwisting in te leiden (Parl.St. Kamer, nr. 53-1009/001, p. 35). Nochtans werden ex-echtgenoten (zoals huidige verzoekende partij) niet opgenomen in de kring van personen die thans de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen. De status van “ex-echtgenote” is toch vaak gekoppeld aan de status van “onderhoudsgerechtigde”?

2. Nu actueel noch de Procureur des Konings noch de ex-echtgenote de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, dient te worden nagegaan of huidige verzoekende partij zich binnen de kring van personen van art. 1238, § 1, tweede lid Ger.W. eventueel zou kunnen beroepen op de kwalificatie “lid van de naaste familie”, de enig mogelijke overblijvende. P. Senaeve wijst erop dat de term “familie” geen eenduidige betekenis heeft maar in feite zeer verschillende fenomenen dekt (P. Senaeve, Compendium van het Personen- en Familierecht, Boekdeel 3, Leuven, Acco 2006, nr. 2109, p. 259).

a) Allereerst wordt met familie soms het “gezin” bedoeld (P. Senaeve, o.c., nr. 2110, p. 259). De term gezin betekent de groep personen bestaande uit één man en één vrouw die met elkaar samenleven, in voorkomend geval aangevuld met de kinderen die (nog) van hen afhankelijk zijn (P. Senaeve, o.c., nr. 2113, p. 260). Deze laatste wijst er aldaar op dat in het Nederlands de notie familie minder en minder in deze betekenis wordt gebruikt en dat het Burgerlijk Wetboek hier slechts één voorbeeld van kent (art. 19, 5o Hypotheekwet).

Verzoekende partij is in die zin geen familielid, aangezien zij en de h. F.V. niet meer samenleven.

b) Vervolgens wordt met familie soms de uitgebreide familie bedoeld, dit is een geheel van gezinsgroepen tussen wie een zeer hechte band bestaat, in de regel van residentiële aard (P. Senaeve, o.c., nr. 2111, p. 259). Deze laatste wijst er aldaar op dat de uitgebreide familie in het Westen nagenoeg is verdwenen ten voordele van het gezin, en dat in ons recht de grote familie dan ook niet als geconstitueerde groep bestaat. Om dezelfde reden als sub a (geen band van residentiële aard) is verzoekende partij geen familielid in die zin.

c) Ten slotte spreekt men van familie in de zin van het geheel van personen met wie een bepaald individu verbonden is door huwelijk, verwantschap en aanverwantschap (P. Senaeve, o.c., nr. 2112, p. 260). Mevr. E.G. en de h. F.V. zijn noch door huwelijk met elkaar verbonden, noch door verwantschap (= de juridische band tussen personen die de een van de ander afstammen, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2125, p. 264), noch door aanverwantschap (= de juridische band tussen een gehuwd persoon en de verwanten van de mede-echtgenoot, een combinatie dus van echtelijke band en verwantschap, aldus P. Senaeve, o.c., nr. 2133, p. 266).

Overwegende dat uit al wat voorafgaat blijkt dat verzoekende partij niet behoort tot de kring van personen die de staat van verkwisting kunnen laten vaststellen, zodat haar vordering onontvankelijk is.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 05/05/2017 - 16:46
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 16:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.