-A +A

Partijverklaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een getuigeverklaring is een mondelinge of schriftelijke verklaring afgelegd door een onafhankelijke derde die geen partij is in het geschil en die als bewijsbemiidel kan aangewend.

Partijen kunnen in een geschil ook zelf verklaringen afleggen. Doch deze verklaringen hebben geen enkele bewijskracht. Zij vormen het verhalend bindmiddel van haar stelling, hoogstens de maizena van haar feitelijke uiteenzetting. Partijen kunnen de eed niet afleggen. Zij kunnen immers niet verplicht worden om de waarheid te vertellen. Zij dienen wel te weten (zelfs zonder dat hen dit gezegd is) dat alles wat ze zeggen tegen hen gebruikt kan worden en in de regel ook gebruikt wordt Het is daarom zeer onverstandig voor een partij om zelf het woord te nemen of zelf verklaringen af te leggen, tenzij zij hiertoe door de rechter verzocht wordt en tenzij in overleg met de eigen advocaat.

Meer dan één partij heeft reeds gemeend haar eis nog meer te kunnen staven middels een door haar afgelegde verklaring voor een gerechtsdeurwaarder. Nochtans wordt de bewijsonwaarde hiervan algemeen aanvaard. Een partij kan niet verboden worden haar eigen verhaal in eigen woorden uit te schrijven, maar hiervoor beroep doen op een gerechtsdeurwaarder om als het ware waarheid en feiten te scheppen en bewijskrachtig te maken en aldus een bewijs te fabriceren, met stempels, opschriften en titels – zoals deze van een gerechtsdeurwaarder – maken van een eenzijdige verklaring geen bewijs.

Let wel partijen hebben het recht ter zitting aanwezig te zijn en aldaar gehoord te worden. De rechter kan de persoonlijke verschijning van partijen opleggen. Partijen hebben in beide gevallen het recht om zich te laten bijstaan door een advocaat die ervoor kan zorgen dat hun cliënten zich gemakkelijk voelen (waarvoor de rechter die in alle omstandigheden de leiding houdt over het debat ook instaat). Het debat ter zitting en het horen van een partij gebeurt op tegenspraak met respect voor de rechten van verdediging.

Wanneer een partij een eigen schriftelijke verklaring als stuk neerlegt of ter zitting verschijnt en een verklaring aflegt is dit naar Belgisch recht geen bewijs. Een partij kan, noch mag de eed afleggen en de partijverklaring wordt niet erkend als bewijs naar Belgisch recht. Het neerleggen van een handgeschreven brief uitgaande van een partij kan evenwel nuttig zijn om de rechter in de gelegenheid te stellen de feiten gepresenteerd te zien in de woordenschat en de taal van een partij om in functie daarvan de persoonlijke verschijning van een partij te horen, dan wel op basis hiervan specifieke getuigen op te roepen. Maar op zichzelf staand bewijst een partijverklaring niets.

Een partijverklaring opgenomen op tegenspraak geakteerd in een proces-verbaal van een gerechtsdeurwaarder waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de partijen zich bereid verklaren ter zitting verdere uitleg te geven en er te antwoorden op de vragen van de rechter kan daarentegen in een beperkt aantal gevallen een begin van bewijs uitmaken.

Partijen kunnen ook Escrow verklaringen afleggen,, zijnde verklaringen die slechts bij vervulling va bepaalde voorwaaarden (bv. het overlijden van een partij) moegen kenbaar gemaakt. De bewijswaarde van dit soort verklaringen is zeer relatief en het feit dat de gegevens slechts kenbaar mochten gemaakt worden na een overlijden maakt ze nog verdachter en juist minder bewijskrachtiger. Het aanwenden van deze verklaringen tegen de Escrowvoorwaarden in, bv. tijdens het leven, terwijl de gegevens werden opgesteld om pas na de dood kenbaar werden gemaakt, ontneemt deze stukken elke bewijskracht en hij die ze aanwendt elk geloofwaardigheid. Deze geloofwaardigheid bereikt zelfs de grenzen van de ridiculiteit wanneer het stuk wordt aangewend door de persoon die het stuk heeft opgesteld en die het tijdens het leven aanwendt daar waar het werd opgesteld om pas na de dood bekend te worden gemaakt, zoals dit het geval zou zijn met een legaat in een eigenhandig testament.

Nemo in propria causa testis esse debet duidt zowel de regel dat niemand in zijn eigen zaak kan gedwongen worden te getuigen als de regel dat niemand zijn eigen stelling in rechte kracht kan bijzetten door een eigen getuigenis.

De regel wordt in het Belgisch recht algemeen aanvaard, doch werd zoals vele andere algemeen aanvaarde rechtsregels niet in een wet ingeschreven. De regel wordt algemeen erkend in rechtsleer en rechtspraak (Cass. 22 september 1947, Pas. 1947, I, 371). In strafzaken J. De Peuter, “Valse getuigenis in correctionele en politiezaken” in L. Dupont en B. Spriet (eds.), Strafrecht voor rechtspractici – IV, Leuven, Acco, 1991, 15).

Een partijverklaring brengt overigens een procespartij in de tweestrijd tussen haar eigen belang en de waarheidsplicht die op een getuige rust.

Een partij heeft het recht geen verklaring af te leggen die voor haar nadelig is en kan nooit verplicht te worden zichzelf te beschuldigen. Dit wringt met de waarheidsplicht van de getuige, de plicht tot het onthullen van de volledige verklaring, de verplichting tot aflegging van de een het verbod tot meineed en vanzelsprekend het uitgangspunt dat een partij niet in de verleiding moet worden gebracht om een meinedige verklaring af te leggen (G.R. Rutgers, “Het EVRM en de partij-getuige”, Ars Aequi 1994, (758) 760).

Overigens van zodra een eenzijdige partijverklaring, wordt betwist en tegengesproken verliest zij de facto en de iure alle bewijswaarde.

Immers dient verwezen naar het algemeen rechtsbeginsel dat betwiste feiten door de rechter slechts als juridische waarheid kunnen worden beschouwd indien deze aannemelijk zijn op deugdelijke gronden. De eenzijdige partijverklaring waarvan de inhoud wordt tegengesproken verliest immers elke deugdelijke bewijsgrond (G.W. Star Busmann, Hoofdstukken van burgerlijke rechtsvordering, Haarlem, De erven F. Bohn, 1972, 241).

Een onafhankelijke getuige is een neutrale instantie die aan de zijlijn staat van de processtrijd staat, anders dan de partijgetuige die midden in de processtrijd staat en belang heeft bij de uitkomst van het geschil.

Een partijverklaring overstijgt niet de waarde van een loutere bewering pro domo (Redenering waarin het eigen belang vooropstaat. Genoemd naar de gelijknamige rede van Cicero , waarin deze pleit voor teruggave van zijn in beslag genomen bezit.)

Cass. 14 januari 2000, RW 2002-03, 276

samenvatting:

De door een partij in haar eigen zaak afgelegde verklaringen zijn loutere beweringen waarop de rechter zijn beslissing niet kan gronden, als zij niet door andere gegevens of enig vermoeden zijn gestaafd.

tekst arrest

HET HOF,

Gelet op het bestreden vonnis, op 18 september 1998 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel;

Over het middel : schending van de artikelen 1315, 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 12.6, en meer bepaald tweede en derde lid, van de wet van 4 november 1969 - gewijzigd bij de wet van 7 november 1988 - tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, vervat in boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling III van het Burgerlijk Wetboek, en artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet,

doordat het bestreden vonnis herinnert aan de tekst van artikel 12.6, tweede lid, van de pachtwet die luidt als volgt : "wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, kan de opzegging voor persoonlijke exploitatie door de rechter slechts geldig worden verklaard indien het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de betrokken landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken"; dat het bestreden vonnis vervolgens, met bevestiging van het gehele beroepen vonnis, de op 24 januari 1994 aan de eisers ter kennis gebrachte opzegging voor persoonlijke exploitatie van de litigieuze percelen geldig verklaart tegen 8 maart 1997 en de eisers veroordeelt om de vrije en volledige beschikkingsmacht over de gepachte gronden aan de verweerders terug te geven; dat voornoemd vonnis, na te hebben geoordeeld dat de verweerders schade hebben geleden omdat de opzeggingstermijn overschreden was, de tussenvordering van de verweerders toewijst, de eisers veroordeelt om hun het provisionele bedrag van 1 frank te betalen

en, alvorens uitspraak te doen over hun overige schadeposten, een heropening van het debat beveelt, op grond dat "voor het begrip overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant niet de inkomsten van belang zijn - welke inkomsten meer zouden moeten bedragen dan die welke uit een andere beroepsactiviteit worden gehaald - dan wel de tijd die eraan besteed wordt (in die zin burg. rechtb. Nijvel 1.1.1994, aangehaald in JT 17.2.96); dat overigens, ingeval in de opzegging verschillende begunstigden worden aangewezen, ieders toestand moet worden nagegaan, waarbij het voldoende is dat de landbouwactiviteit voor één van hen overwegend is (in die zin J.P. Fexhe-Slins, 30.5.94, eveneens aangehaald in JT 17.2.96); dat in dit welbepaalde geval uit de gegevens van het dossier en het deskundigenverslag blijkt dat (verweerster) verklaart zich voltijds te wijden aan de landbouw, dat (verweerder) verklaart drie vierde van zijn tijd daaraan te besteden (ook al vindt de deskundige die verhouding overdreven); dat het deskundigenonderzoek hoe dan ook lijkt uit te wijzen dat bij de aanstaande exploitatie, zoals ze wordt voorgesteld, de landbouwactiviteit van de (verweerders) noodzakelijkerwijze in de categorie van hoofdberoep en niet van bijberoep zal vallen; dat het deskundigenonderzoek van mevrouw Walravens onder meer de volgende bijzonderheden aan het licht heeft gebracht : de landbouwexploitatie vormt voor de (eisers) hun hoofdberoep en zij halen hun inkomsten alleen uit die exploitatie, de (verweerders) hebben een landbouwbedrijf te Graty dat zij te klein vinden, wat problemen oplevert voor de premies per melkkoe (verband met de oppervlakte) en het dierlijk afval. Bovendien wordt van de 19 ha 97 a geëxploiteerde grond een oppervlakte van 11 ha 61 a ter bede geëxploiteerd (zonder pacht), (verweerder) heeft nooit ontkend het bijberoep van veehandelaar te hebben uitgeoefend.

Die activiteit brengt meer op dan de landbouwexploitatie, ook al gaan de inkomsten uit laatstgeno
emde activiteit in stijgende lijn, het echtpaar is zinnens zich toe te leggen op de kweek van melkkoeien door de geëxploiteerde gronden uit te breiden en samen te brengen.

Volgens de deskundige strookt dat plan 'met de bestemming van het goed' (p. 20), zonder dat bijzondere zware investeringen vereist zijn; de opzegging moet onder die voorwaarden geldig worden verklaard ...",

terwijl, eerste onderdeel, wanneer de landbouwexploitatie voor de pachter zijn hoofdberoep is, hij door de in de opzegging aangewezen aanstaande exploitant slechts uit het goed kan worden gezet, als diens landbouwactiviteit een overwegend deel van zijn beroepsactiviteit vormt; wanneer in de opzegging verschillende aanstaande exploitanten worden aangewezen, ieder van hen moet voldoen aan de voorwaarde dat het om een overwegend deel moet gaan; het bewijs van de feiten waaruit blijkt dat de beroepsactiviteit die wordt besteed aan de exploitatie van het landbouwbedrijf waarin de landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, dient te worden geleverd door de verpachters die opzegging doen om het goed persoonlijk te exploiteren (artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 12.6, tweede en derde lid, van de in het middel vermelde pachtwet); de loutere verklaring die de verpachters dienaangaande in hun eigen zaak hebben afgelegd en door de pachters wordt tegengesproken, geen vaststaand en bekend feit is waaruit een gevolgtrekking zou kunnen worden gemaakt met de bij de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek vereiste mate van zekerheid en derhalve niet als het wettelijk bewijs van dat feit kan worden aangemerkt; de eisers in hun appèlconclusie aanvoerden dat "de (verweerders) samen werken; dat overigens het onderzoek van de overgelegde fiscale stukken verheldering brengt; dat daaruit een toewijzing aan de echtgenoot blijkt wat wel degelijk wijst op een gemeenschappelijke activiteit van beiden; dat het betoog van (de verweerders) als zou de echtgenote zich inlaten met alles wat de landbouwexploitatie betreft en als zou de echtgenoot zijn volledige tijd aan de handel besteden, elke grond mist; dat de beide echtgenoten volledig samenwerken en dat wat geldt voor de ene ook geldt voor de andere;... dat de (verweerders) helemaal geen boeren maar veehandelaars zijn"; het bestreden vonnis, nu het derhalve uit de vaststelling dat verweerster "verklaart zich voltijds te wijden aan de landbouw en dat (verweerder) verklaart drie vierde van zijn tijd daaraan te besteden" afleidt dat de door de verweerders voor persoonlijke exploitatie gedane opzegging in overeenstemming was met het bepaalde in artikel 12.6, tweede lid, van de wet op de landpacht en derhalve geldig was, en nu het de beslissing dienaangaande uitsluitend grondt op de verklaringen van de verweerders, ofschoon die door de eisers in hun conclusie worden tegengesproken, de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 12.6, tweede en derde lid, van de in het middel vermelde pachtwet schendt door aldus de verweerders in feite te ontslaan van de verplichting het bewijs te leveren van de door hen aangevoerde feiten, en het wettelijk begrip bewijs door vermoedens miskent (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek);

tweede onderdeel, de omstandigheid dat de rechter blijkens artikel 12.6, tweede lid, van de pachtwet de opzegging de opzegging slechts geldig kan verklaren indien de exploitatie een overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant "zal uitmaken" geenszins uitsluit dat de verpachter, aanstaande exploitant, dient te bewijzen niet dat de aanstaande landbouwactiviteit eventueel of mogelijk een overwegend deel van de activiteit zal zijn, maar wel dat er dienaangaande zekerheid bestaat; de eisers in dat verband in hun aanvullende conclusie in hoger beroep aanvoerden dat "de (verweerders) weliswaar intentieverklaringen afleggen, maar dat dergelijke verklaringen uiteraard zeer gemakkelijk worden afgelegd; dat er voor de toepassing van artikel 12.6.2 van de wet meer vereist is dan eenvoudige intentieverklaringen; de voorgenomen exploitatie te dezen een overwegend deel van de aanstaande activiteit moet zijn; ... dat het niet voldoende is dat ze waarschijnlijk is;; dat ze zeker moet zijn"; het bestreden vonnis, nu het derhalve oordeelt dat het deskundigenonderzoek "lijkt uit te wijzen dat bij de aanstaande exploitatie, zoals ze wordt voorgesteld, de landbouwactiviteit van de (verweerders) noodzakelijkerwijs in de categorie van hoofdberoep en niet van bijberoep zal vallen", op dat punt een twijfel uitdrukt en aldus niet vaststelt dat het bewijs met zekerheid is geleverd dat de aanstaande landbouwactiviteit van de verweerders met zekerheid het overwegend deel van hun beroepsactiviteit zal zijn, in feite de verweerders ontslaat van de verplichting het bewijs te leveren van het door hen aangevoerde feit en derhalve de beslissing waarbij de door de verweerders om redenen van persoonlijke exploitatie gedane opzegging geldig wordt verklaard, niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 12.6, inzonderheid tweede en derde lid, van de in het middel vermelde pachtwet, alsook van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek) en hoe dan ook niet antwoordt op de conclusie waarin de eisers aanvoerden dat de waarschijnlijkheid alleen dat de landbouwactiviteit van de aanstaande exploitanten het overwegend deel van hun beroepsactiviteit zou uitmaken niet voldoende was, zodat het wat dat betreft niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet); de bovenaangehaalde overweging van het bestreden vonnis althans dubbelzinnig is, in zoverre daaruit niet kan worden opgemaakt of de rechter daarin twijfel uitdrukt, in welk geval zijn beslissing onwettig is, dan wel of hij daarin een zekerheid te kennen geeft; het bestreden vonnis, nu het derhalve de beslissing volgens welke de door de verweerders gedane opzegging geldig is op die overweging grondt, niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet);

Wat het eerste onderdeel betreft :

Overwegende dat, in het in artikel 12.6, tweede lid, van de pachtwet bedoelde geval, de verpachter die een verzoek indient tot geldigverklaring van de door hem met het oog op de persoonlijke exploitatie van de landeigendom gedane opzegging dient te bewijzen dat die exploitatie het overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken, wanneer de pachter betwist dat aan die voorwaarde is voldaan;

Overwegende dat de door een partij in haar eigen zaak afgelegde verklaringen loutere beweringen zijn waarop de rechter zijn beslissing niet kan gronden, als ze niet gestaafd worden door andere gegevens of enig vermoeden;

Overwegende derhalve dat het bestreden vonnis, gelet op de conclusie van de eisers, de door de verweerders gedane opzegging niet heeft kunnen geldigverklaren op grond van de loutere vaststelling dat verweerster "verklaart zich voltijds te wijden aan de landbouw, en dat (verweerder) verklaart drie vierde van zijn tijd daaraan te besteden";

Dat het onderdeel gegrond is;

Wat het tweede onderdeel betreft :

Overwegende dat de eisers in hun conclusie aanvoerden dat het krachtens artikel 12.6, tweede lid, van de pachtwet vereist is dat de persoonlijke exploitatie van het landbouwbedrijf door de verpachter met zekerheid vaststaat, "dat het niet voldoende is dat ze waarschijnlijk is; dat ze zeker moet zijn";

Overwegende dat het bestreden vonnis na de hierboven weergegeven vaststelling overweegt "dat het deskundigenonderzoek hoe dan ook lijkt uit te wijzen dat bij de aanstaande exploitatie, zoals ze wordt voorgesteld, de landbouwactiviteit van de (verweerders) noodzakelijkerwijs in de categorie van hoofdberoep en niet van bijberoep zal vallen; dat het deskundigenonderzoek (...) onder meer de volgende bijzonderheden aan het licht heeft gebracht : (...) dat de verpachters een landbouwbedrijf hebben te Graty dat ze te klein vinden (...); dat het echtpaar zinnens is zich toe te leggen op de kweek van melkkoeien door de geëxploiteerde gronden uit te breiden en samen te brengen (...);

Dat die gronden, waaruit blijkt dat de appèlrechters hebben overwogen dat de in het deskundigenverslag opgesomde gegevens erop schijnen te wijzen dat de landbouwactiviteit het hoofdberoep is van de verweerders, in het ongewisse laten of uit die gegevens met zekerheid blijkt dat die activiteit het overwegend deel van hun beroepsactiviteit zal zijn dan wel of ze dat alleen maar waarschijnlijk maken; dat ze lijden aan de in het onderdeel aangeklaagde dubbelzinnigheid;

Dat het onderdeel gegrond is;

Overwegende dat de vernietiging van het bestreden vonnis leidt tot de vernietiging van het vonnis van 8 januari 1999, dat het gevolg ervan is;

OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis en doet het op 8 januari 1999 gewezen vonnis teniet;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis en het tenietgedane vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de bodemrechter over;
Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep.

 

Quod gratis asseritur, gratis negatur (ook quod gratis affirmatur, gratis negatur): Een loutere bewering heeft geen bewijswaarde. Wat men louter beweert, kan met eenvoudige zefs niet gestaafde bewering worden weerlegd.

Non esse, et non probari idem est: (wat [louter beweerd] niet gestaafd gestaafd is, komt op het zelfde neer als iets wat naar het recjht niet bestaat.

Ogelet Een partijverklaring is een bekentenis

Een partijverklaring kan evenwel steeds gelden als een buitengerechtelijke en vaak zelfs als een gerechtelijke bekentenis:

Partijverklaringen worden opgesteld vanuit het oogpunt van de partij die ze opstelt, zonder dat het die partij opvalt dat hij terzelfdertijd de ene bekentenis na de andere aflegt. Wanneer de partijverklaring geen bewijswaarde heeft om de stelling van de partij die ze aflegt te bewijzen, heeft ze alle bewijswaarde voor de nadelige feiten voor de partij die de partijverklaring aflegt en kan aldus de partijverklaring onmiddellijk en zonder beperking worden gebruikt als bekentenis tegen de partij die ze heeft afgelegd.

Meer zelfs de rechter is gebonden door de bewijswaarde van deze deze verklaringen, waarbij de bekentenis wordt aanzien als een absoluut of afdoend bewijsmiddel met volle bewijskracht behoudens als bewijsmiddel mbt vorderingen die de openbare orde raken zoals de staat van de personen. Aldus kan een partijverklaring in burgerlijke zaken afgelegd ook de strafrechtelijke verantwoordelijkheid met zich meebrengen van de persoon die de verklaring heeft afgelegd en aldus gelet op de verhoogde bewijswaarde tegen de persoon die de verklaring heeft afgelegd zelfs resulteren in zware bestraffingen indien hierdoor ernstige misdrijven aan het licht komen die door de persoon die de verklaring heeft afgelegd komen vast te staan, onverminderd de vorderingen wegens valsheid.

Rechtsleer: 

• B. Van den Bergh, (Voorlopig) geen «partij-getuige» naar Belgisch recht, RW 2016-2017, 655, noot onder Cass. 11/01/2016)

• D. Matray, “Même en arbitrage, il n’y a pas de témoin sous la robe” in Pourquoi Antigone? Liber amicorum Edouard Jakhian, Brussel, Bruylant, 2010, (365), p. 371, nr. 29; Brussel 31 maart 2011, IRDI 2012, 223).

• B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs, Gent, Story Publishers, 2012, nr. 445

Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 09/08/2017 - 11:09
Laatst aangepast op: wo, 09/08/2017 - 11:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.