-A +A

Parkeerretributie en rechtsmisbruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

•• Vred. Antwerpen (5de kanton), 20 februari 2007 T. Vred, 2009-221

Samenvatting:

Een parkeerretributie van 21,50 EUR voor vier uur parkeertijd is een verdoken strafbeding dat door de rechter gematigd kan worden op grond van artikel 1231 BW dan wel middels de theorie van het rechtsmisbruik, de openbare orde, de goede zeden en de goede trouw.
De regel dat een weggebruiker die niet betaalt of zijn parkeertijd met enkele minuten laat verstrijken, geacht wordt te hebben gekozen voor het tarief van lang parkeren kan niet gelden als een wettelijk vermoeden.

Tekst van het arrest

IN FEITE
Eisende partij vordert de betaling van 9 parkeerretributies aan 26,50 EUR elk
zijnde 9 x 26,50 EUR = 238,50 EUR te vermeerderen met intresten en kosten.

IN RECHTE

Aangaande de parkeerretributie, de definitie, haar voor- en tegenstanders, haar positieve en negatieve aspecten, verwijzen wij naar ons principevonnis d.d. 7 maart 2006.
Het overdreven strafbeding (contractueel dan wel wettelijk)

De tarieven die als vergoeding gelden werden oorspronkelijk vastgelegd in het toenmalige gemeenteraadsreglement d.d. 18 december 1995.
De bestuurder, die niet betaalde, werd geacht overeenkomstig artikel 5 van dit reglement te hebben gekozen voor tarief I van artikel 2 zijnde toen 500 BEF of 12,39 EUR.
In onze eerdere vonnissen hebben wij altijd gesteld dat deze sanctie op het eerste zicht geen overdreven forfaitaire schadevergoeding inhield.

Het bedrag van de retributie moet evenwel in een redelijke verhouding staan tot het belang van de verleende dienst, zo- niet is zij geen retributie meer, maar moet zij als een belasting worden beschouwd.

Bovendien kan en mag een retributie geen strafsanctie inhouden. In dit verband kan verwezen worden naar: Vred. Mol 9 november 2004, onuitg.

Een retributie mag niet bepaald worden door gegevens die geen rechtstreeks verband vertonen met de door de gemeente geleverde dienst.
De toenmalige 500 BEF per retributie ligt of lag al aan de hoge kant en eigenlijk aan de rand van een strafbeding.

Het beoordelen door de rechtbank van de omvang van de parkeerretributie houdt geen beknotting in van het recht om parkeerretributies te heffen en is evenmin een opportuniteitscontrole vanwege de rechterlijke macht.

Krachtens artikel 159 van de Grondwet kunnen de hoven en de rechtbanken alleen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.
Ook de overheid dient de wetten na te leven en desgevallend artikel 1226 BW e.v. aangaande het strafbeding zijnde een forfaitaire vergoeding van schade, die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van een overeenkomst.

Het moet gaan om een vergoeding van schade en niets meer. Dit heeft tot gevolg dat:
1. ingevolge de omvang van het bedrag de schuldeiser niet mag gaan speculeren op wanprestatie;
2. dankzij het strafbeding mag de wanprestatie de schuldeiser niet meer opleveren dan de nakoming van de verbintenis door de schuldenaar.
In deze gevallen geeft artikel 1231 BW de rechtbank zelfs ambtshalve de mogelijkheid om dit bedrag te verminderen wanneer de forfaitaire vastgestelde som een overdreven karakter heeft.
De rechter heeft een wettelijke controlerende taak ten aanzien van schuldenaars ter bescherming tegen geldzuchtige schuldeisers. Ook de overheid dient gecontroleerd te worden op haar geldzucht dit ter bescherming van de burgers.

Dit principe is een fundament van de democratische rechtsstaat, wat men nu blijkbaar wenst afgeschaft te zien.
Op relatief korte tijd heeft de stad Antwerpen en thans eisende partij de parkeerretributies verhoogd van 12,39 EUR naar 21,50 EUR zijnde dus bijna het dubbele. Dit alles voor slechts vier uur parkeertijd? Als men dit alles per maand berekent komt men aan de huur van een luxeappartement.
Worden minder begoede burgers andermaal het parkeerslachtoffer ten aanzien van kapitaalkrachtige burgers?

leiden zulke tarieven niet echt tot “straatjesmelkerij”?
Ongetwijfeld zal de stad Antwerpen/ eisende partij verwijzen naar de tarieven aangewend in andere steden en in het dure buitenland.
Dit gaat niet op: huidige dure tarieven zijn ofwel ontstaan door een spiraalreactie: de ene stad slaat op zodat de andere stad ter “rechtvaardiging” nog meer opslaat dan wel dat de steden politieke kartelprijsaf spraken zouden maken, waarbij de prijzen opzettelijk zeer kunstmatig worden opgedreven.

Gaat dit dan nog werkelijk om bevordering van de rotatie van het verkeer dan wel om straatjesmelkerij, louter en alleen ter extra financiering van de stadskas?
Eisende partij repliceert hierop enkel door te stellen dat het kwestieuze strafbeding niet van toepassing zou zijn omdat het in casu niet om een contractuele relatie zou gaan maar wel om een wettelijke verplichting.
Bijgevolg zou de matiging enkel mogelijk zijn voor contractuele strafbedingen en niet voor “wettelijke” strafbedingen.
Eisende partij wenst de wet toegepast te zien enkel wanneer het haar goed uitkomt.
Zij toont evenwel nergens in haar besluiten aan dat artikel 1231 BW in casu niet van toepassing zou zijn.

Het contractueel aspect mag zeer zeker niet uitgesloten worden.
Artikel 1101 BW bepaalt: “een contract is een overeenkomst waarbij een of meer personen zich jegens een of andere verbinden iets te geven, te doen, of niet te doen”.
In casu stelt de stad Antwerpen/eisende partij duidelijk parkeerruimtes ter beschikking (zijnde haar verbintenis) tegen betaling door de automobilist (zijnde zijn verbintenis).

Zulke rechtsverhouding krijgt dan ook een privaatrechtelijk karakter.
In dit verband kan verwezen worden naar: ch. reDant, “Wat te verstaan onder het begrip retributie”, T.F.R. 2003, 106.
Inzake parkeerretributies zijn de regels van het Burgerlijk Wetboek ons inziens wel degelijk van toepassing en meer in het bijzonder de artikelen 1226 e.v. BW.
Met betrekking tot het strafbeding verwijzen wij naar: A. GoeGebuer, “Strafbedingen”, in X, Bijzondere overeenkomsten - Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer en O. VanDen berGhe, “Het toepassingsgebied van artikel 1231 BW betreffende overdreven strafbedingen”, T.B.B.R. 2004, 62-83.

Bovendien weze het herinnerd dat speculatie in hoofde van een schuldeiser op een wanprestatie door zijn schuldenaar, strijdig is met de openbare orde en de goede zeden, wat zelfs zou moeten leiden tot absolute nietigheid.

In dit verband kan verwezen worden naar: O. VanDen berGhe, o.c., T.B.B.R. 2004, 70-71.
Hierin bevestigt deze auteur tevens terecht dat dit principe altijd blijft gelden op strafbedingen, ook diegenen die volgens eiseres niet zouden ressorteren onder artikel 1231 BW.

Buiten het contractenrecht en artikel 1231 BW blijft immers steeds het algemeen rechtsbeginsel gelden van het verbod van rechtsmisbruik.

In dit verband kan verwezen worden naar: A. GoeGebuer, o.c., 242 e.v.
Wanneer een schuldeiser uit contractuele dan wel wettelijke bepalingen rechten put en deze uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaan van de normale uitoefening van deze rechten door een redelijke en voorzichtige persoon in dezelfde concrete omstandigheden is er sprake van rechtsmisbruik.

In dat geval kan de rechter, zonder het subjectieve recht van de schuldeiser als zodanig aan te tasten, de uitoefening ervan tot normale proporties herleiden, mogelijk zelfs helemaal uitsluiten.

Aan het verbod van misbruik van contractuele rechten dan wel wettelijke bepalingen is naast de openbare orde en de goede zeden ook nog de goede trouw gekoppeld.
Zelfs buiten enige contractuele relatie is het opeisen van huidig verdoken strafbeding ook in strijd met de goede trouw:

- omwille van de hoogte van het forfait, wat dan weer leidt tot specualatie in hoofde van eiseres op wanbetaling;
- wanneer het verzuim van de schuldenaar louter kortstondig is geweest en/
of manifest weinig of geen schade heeft teweeggebracht voor de schuldeiser.
In deze gevallen, die in casu aanwezig zijn, mag de rechter het bedrag dat op basis van het verdoken strafbeding wordt gevorderd, naar billijkheid matigen of geheel nietig verklaren.
In dit verband kan verwezen worden naar: A. GoeGebeur, o.c., 242.
Wij kunnen dan ook besluiten dat in casu de rechtbank op contractuele basis of buitencontractuele basis alleszins een matigingsbevoegdheid heeft aangaande overdreven strafbedingen.

Het vermoeden
Geheel ten onrechte stelt eisende partij dat de bedragen die zij vordert geen bijkomende schadevergoeding zou zijn zoals bepaald in artikel 1226 BW omdat dit enkel de hoofdsom zou betreffen op basis van het vermoeden dat een weggebruiker, die niets betaalt of zijn parkeertijd met enkele minuten laat verstrijken, geacht wordt te hebben gekozen voor het tarief van lang parkeren.

Het is evenwel absurd te vermoeden dat men behoort te vermoeden.

Deze constructie wordt door eisende partij enkel en alleen opgezet om het hierboven vermelde overdreven strafbeding een verdoken karakter te geven door het tevergeefs legaal te trachten in te kaderen.

Vandaar dat men met zulk illegaal vermoeden geen enkele rekening mag houden.
Bovendien merken wij andermaal op dat in deze materie eisende partij opnieuw niet consequent is waar zij eerder stelde dat de regels van het Burgerlijk Wetboek niet op haar van toepassing zouden zijn, terwijl zij nu artikel 1350 e.v. van het BW over de vermoedens als bewijs inzake het verbintenissenrecht ten voordele van zichzelf wenst in te roepen.
Zelfs indien er sprake zou kunnen zijn van een wettelijk toegelaten vermoeden, dan kan dit ook niet toegepast worden.
1. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die worden afgeleid uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (art. 1349 BW).
Een wettelijk vermoeden wordt gecreëerd omdat de inductie zo waarschijnlijk zeker is dat de rechter dit niet meer hoeft te onderzoeken zodat er een algemene regel van gemaakt wordt.
In dit verband kan verwezen worden naar: R. Dekkers, Handboek burgerlijk recht, II, 411; H. De paGe, Traité, III, 960 en R. VanDeputte, De overeenkomst, 424.
In casu is evenwel deze inductie absoluut niet waarschijnlijk.
Het feit dat een chauffeur voor zijn geparkeerd voertuig steeds geacht wordt te hebben gekozen voor het langdurig parkeren wanneer hij niets betaalt of te laat terugkeert, kan onmogelijk als een algemene regel beschouwd worden, vermits in de realiteit vele bestuurders totaal andere intenties hebben dan te kiezen voor het langparkerentarief.
Vandaar dat dit vermoeden niet kan gecreëerd worden en nog veel minder toegepast.
In die zin schrijft H. De paGe (o.c., III, 960) dat de wetgever in dat opzicht zeer voorzichtig te werk dient te gaan bij het creëren van wettelijke vermoedens.

2. Bovendien kan het absoluut geen vermoeden juris et de iure zijn.
Hoogstens juris tantum zodat steeds het tegenbewijs wordt toegelaten.
In die zin kan verwezen worden naar: R. Dekkers, o.c., 411; H. De paGe, o.c., 963 en R. VanDeputte, o.c., 423.
Maar zulk vermoeden, zoals het thans door de stad Antwerpen wordt geformuleerd, maakt evenwel momenteel elk tegenbewijs onmogelijk, wat uiteraard niet kan.
Hoe kan een chauffeur nu een negatief bewijs leveren: met name dat hij niet had gekozen voor het langparkerentarief?
Dit tegenbewijs is niet mogelijk zodat dit zogenaamd vermoeden dan ook onmogelijk kan toegepast worden.

3. Het wettelijk vermoeden is “een rechtstechniek die tot doel heeft met bescheidenheid bij te dragen tot meer rechtvaardigheid” schrijft professor R. VanDeputte (o.c., 423).
Hierboven werd al aangetoond dat het vermoeden van eisende partij juist niet bijdraagt in rechtvaardigheid en slechts één doel heeft met name het verdoezelen van een overdreven strafbeding.
Vermoedens worden door de wetgever gehanteerd om de bewijslast ten voordele van partijen te verlichten.
In casu is evenwel de stad Antwerpen als “wetgever” ook een belanghebbende partij die haar eigen bewijslast veel makkelijker gaat maken wat toch een manifeste schending van de rechten van verdediging is voor de verwerende partij.

Dit is onaanvaardbaar en dient dan ook door de rechter gesanctioneerd te worden ten aanzien van een overheid, die een overdreven strafbeding tevergeefs tracht te verbergen achter een eigen gecreëerd ongeldig vermoeden.
Besluit
1. Een strafbeding kan een buiten- of contractuele aard vertonen.
2. In beide gevallen heeft de rechter een matigingsbevoegdheid op grond van artikel 1231 BW dan wel het rechtsmisbruik, openbare orde, goede zeden en goede trouw.
3. In casu is het een verdoken strafbeding dat een sterk overdreven bedrag inhoudt.
4. Van een wettelijk vermoeden kan er dan ook geen sprake zijn.
5. Bovendien is de inductie compleet onwaarschijnlijk, waarbij het tegenbewijs onmogelijk wordt gemaakt, wat niet kan in geval van juris tantum.
6. Het vermoeden schendt het gelijkheidsbeginsel en de rechten van de verdediging.
In de gegeven omstandigheden herleiden wij dan ook de gevorderde parkeerretributie naar 12,39 EUR zijnde het vroegere door de stad Antwerpen gehanteerd tarief, dat op zeer korte termijn en zonder enige gegronde reden eenzijdig bijna werd verdubbeld.
Ook de overheid heeft immers de taak om de stijging van prijzen en levensduurte tegen te gaan, wat zij in huidig geval duidelijk niet heeft gedaan.
In casu is verwerende partij dan ook 12,39 EUR x 9 verschuldigd wat een totaal geeft van 112,50 EUR.

OM DEZE REDENEN, Rechtdoende bij verstek.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond zoals hierna gezegd.
Veroordeelt verwerende partij om aan eisende partij te betalen de som van 125,90 EUR te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 4 mei 2005 tot
29 september 2005 dag der dagvaarding en vanaf deze laatste datum met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.
Begroot de gedingskosten tot heden aan de zijde van eisende partij op 89,41 EUR kosten dagvaarding en rolstelling en 60,73 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verwerende partij op nihil.
Wijst het meer gevorderde af.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: vr, 28/07/2017 - 09:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.