-A +A

pacht opzegging eigen gebruik

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 27 oktober 2005, RW 2008-2009, 607

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 25 januari 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.
...

IV. Beslissing van het Hof

Eerste middel

1.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat krachtens art. 48bis, eerste lid, van de Pachtwet de pachter zijn recht van voorkoop voor het gehele goed of voor een deel ervan indien hij het voor het overige deel zelf uitoefent, aan één of meer derden kan overdragen tegen de in die wet bepaalde voorwaarden;

Dat krachtens het vierde lid van dit artikel er alsdan van rechtswege pachtvernieuwing ten voordele van de pachter ontstaat, ingaande op de verjaardag van de ingenottreding van de pachter die volgt op de datum van aankoop door de derde;

Dat krachtens het vijfde lid van dit artikel de pachter die zijn recht van voorkoop aldus heeft overgedragen, gedurende een periode van negen jaar te rekenen vanaf het begin van de nieuwe pachtperiode, bedoeld in het derde lid, de exploitatie van het goed niet mag overdragen aan andere personen dan zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen;

Dat krachtens het laatste lid van dit artikel bij overtreding van dit verbod de pachter aan de verkoper een schadevergoeding, gelijk aan 50% van de verkoopprijs van de betrokken percelen, verschuldigd is, tenzij hij vooraf op grond van ernstige redenen machtiging van de vrederechter heeft verkregen;

Dat dit verbod en de op de overtreding ervan bepaalde sanctie ook van toepassing zijn in het geval de pachter die nieuwe pacht beëindigt binnen die bepaalde termijn van negen jaar;

Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat dit niet het geval is, faalt naar recht;

...

Noot: zie E. Stassijns, Pacht, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 1998, p. 582, nr. 552

• Hof van Cassatie 3e Kamer – 26 maart 2007

[...] III. Beslissing van het Hof

Beoordeling ...

Tweede middel

Naar luid van art. 12.6, eerste lid, van de Pachtwet gaat de rechter bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging na of de opzeggingsredenen ernstig en gegrond zijn, en met name of uit alle omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter de als opzeggingsredenen bekendgemaakte voornemens ten uitvoer zal brengen.

Art. 12.6, derde lid, van die wet bepaalt dat, in geval van betwisting over het ernstig karakter van het eigen gebruik, de verpachter moet preciseren hoe degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant is of zijn aangewezen, de persoonlijke werkelijke en voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat zij daartoe in staat zijn, alsmede dat zij aan de in art. 9 gestelde voorwaarden voldoen.

Krachtens die bepalingen moet de rechter bij het verzoek tot geldigverklaring van de opzegging rekening houden met alle feitelijke omstandigheden die de opzegging verantwoord hebben; hij moet onderzoeken of uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de verpachter het oprechte en ernstige voornemen had de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie uit te voeren; zijn beslissing is onaantastbaar.

Om te oordelen of de verpachter de exploitatie persoonlijk zal uitvoeren, kan de rechter bijgevolg rekening houden met de exploitatie door de verpachter, in het heden of in het verleden, van andere percelen dan die waarop de opzegging betrekking heeft.

Het middel, ten betoge dat de rechter het gegrond en ernstig karakter van het voornemen van de verpachter alleen mag beoordelen op grond van de exploitatie die hij zal uitvoeren op de percelen die het voorwerp van de opzegging uitmaken, faalt naar recht.[...]

• Grondwettelijk Hof 20 november 2008, RW 2008-2009, 1427

[...] B.1. De wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorverkoop ten gunste van huurders van landeigendommen staat bekend als de Pachtwet en vormt afdeling 3 («Regels betreffende de pacht in het bijzonder») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. Art. 8 van die wet bepaalt:

Ǥ 1. Gedurende elk van de opeenvolgende pachtperiodes, met uitsluiting van de eerste en de tweede, kan de verpachter, in afwijking van artikel 4, een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed geheel te exploiteren of de exploitatie ervan geheel over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad.

De bepalingen van artikel 7, 1o, tweede lid, zijn van toepassing.

§ 2. In afwijking van artikel 4 kunnen de partijen een pacht van minstens 27 jaar afsluiten.

Op het einde van deze pacht kan de verpachter een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. De bepalingen van artikel 7, 1o, tweede lid, en van artikel 9, eerste lid, zijn van toepassing.

Op het einde van deze pacht kan de verpachter eveneens geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de pacht om de goederen te vervreemden.

Onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk overeenkomstig de artikelen 30, 31, 32, 34 en 34bis zonder dat echter hierdoor de vaste duur overschreden kan worden.

Onder voorbehoud van de vorige leden zijn de bepalingen van deze wet volledig van toepassing op de pacht van minstens 27 jaar.

§ 3. In afwijking van artikel 4 kunnen de partijen een loopbaanpacht afsluiten.

De loopbaanpacht wordt afgesloten voor een vaste duur die gelijk is aan het verschil tussen het ogenblik waarop de pachter vijfenzestig jaar zal zijn en de huidige leeftijd van de kandidaat-pachter. Deze vaste periode moet minstens zevenentwintig jaar omvatten. In het geval er meerdere pachters zijn, wordt de vaste duur berekend volgens de leeftijd van de jongste medepachter.

Op het einde van een loopbaanpacht kan de verpachter van rechtswege vrij over zijn goed beschikken zonder dat de pachter zich hiertegen kan verzetten.

Onderpacht en pachtoverdracht zijn mogelijk overeenkomstig de artikelen 30, 31, 32, 34 en 34bis zonder dat echter hierdoor de vaste duur overschreden kan worden.

Wanneer de pachter in het bezit van het goed wordt gelaten na het einde van de loopbaanpacht, wordt de loopbaanpacht stilzwijgend verlengd van jaar tot jaar.

Onder voorbehoud van de vorige leden zijn de bepalingen van deze wet volledig van toepassing op de loopbaanpacht».

B.2. In een arrest van 13 oktober 2006 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de verpachter die de pachtovereenkomst wenst te beëindigen om het ver pachte goed door één van de in art. 8 vermelde familieleden te laten exploiteren, geen opzegging kan geven om de exploitatie van het verpachte goed aan een vennootschap over te dragen. De omstandigheid dat de zaakvoerder van de vennootschap de zoon is van de verpachter, doet hieraan geen afbreuk (Cass. 13 oktober 2006, C.05.0165.N).

B.3. De verwijzende rechter vraagt het Hof of art. 8 van de Pachtwet, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, art. 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een verschil in behandeling doet ontstaan naargelang de pachtovereenkomst wordt opgezegd om de exploitatie van het verpachte goed over te dragen aan een afstammeling van de verpachter, dan wel aan een rechtspersoon waarvan die afstammeling zaakvoerder en meerderheidsaandeelhouder is.

B.4. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een regeling, de pachtwetgeving, die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verpachters en de belangen van de pachters. Teneinde de bedrijfszekerheid van de pachter te waarborgen, is de mogelijkheid om de pachtovereenkomst eenzijdig op te zeggen aan strikte voorwaarden onderworpen.

B.5. De in het geding zijnde bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de verpachter om de pachtovereenkomst op te zeggen teneinde de exploitatie van het verpachte goed over te dragen aan bepaalde familieleden, onder wie zijn afstammelingen.

B.6. Het verschil in behandeling berust op een objectief onderscheidingscriterium, namelijk de juridische aard van de persoon – natuurlijke persoon of rechtspersoon – aan wie de exploitatie wordt overgedragen, en is tevens relevant ten aanzien van de bekommernis van de wetgever om de verpachter weliswaar de mogelijkheid te bieden om de pachtovereenkomst te beëindigen om aan bepaalde familieleden, met name zijn afstammelingen, de exploitatie van het verpachte goed over te dragen, maar tegelijkertijd de aantasting van de bedrijfszekerheid die daaruit voor de pachter noodzakelijkerwijze voortvloeit, zo beperkt mogelijk te houden.

B.7. Er moet worden aangenomen dat wie beslist een rechtspersoon op te richten de voor- en nadelen van een dergelijke oprichting heeft afgewogen.

Bovendien staat de oprichting van een rechtspersoon er niet aan in de weg dat de exploitatie van het verpachte goed kan worden overgedragen aan een afstammeling van de verpachter, als natuurlijke persoon.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.[..]

• Grondwettelijk Hof 23/11/2017, RW 2017-2018, 940

Samenvatting:

- Artikel 9, tweede lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek (« Regels betreffende de pacht in het bijzonder ») schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten, verbiedt de pachtovereenkomst op te zeggen voor de overdracht van de exploitatie aan een van de in artikel 7, 1°, limitatief opgesomde personen.

- Artikel 9, tweede lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek (« Regels betreffende de pacht in het bijzonder ») schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten, toestaat de pachtovereenkomst op te zeggen voor de overdracht van de exploitatie aan een van de in artikel 7, 1°, limitatief opgesomde personen.

Tekst arrest

Arrest nr. 133/2017

Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a) Bij vonnis van 17 november 2016 (...), heeft de vrederechter van het eerste kanton Ieper de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 9, tweede lid, in fine van de Pachtwet (...) de artt. 10 en 11 Gw. in die zin gelezen dat het ook niet toelaat dat een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet en nadien heeft verpacht, als reden van pachtbeëindiging de exploitatie door zijn afstammelingen en/of aanverwanten inroept, terwijl in de regel conform onder andere de artt. 7, 1o, 8 §§ 1 en 2 en art. 9 Pachtwet steeds deze categorieën tevens mede in aanmerking komen ten voordele van wie de verpachter opzegging van pacht kan geven, onverminderd specifieke uitzonderingen?»

b) Bij vonnis van 21 november 2016 (...) heeft de vrederechter van het kanton Moeskroen-Komen-Waasten de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 9, tweede lid, van de wet van 4 november 1969, die afdeling 3 van hoofdstuk II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt, de artt. 10 en 11 Gw., in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de verpachter die zijn gronden heeft verpacht en de verpachter die zijn exploitatie heeft verpacht na de stopzetting van zijn bedrijf, op basis van criteria die niet relevant zijn en die niet overeenstemmen met het voornemen van de wetgever in verband met de antecedenten van de verpachter?»

...

In rechte

...

Wat de in het geding zijnde bepaling betreft

B.1.1. De wet van 4 november 1969 «tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen», «Pachtwet» genaamd, vormt afdeling 3 («Regels betreffende de pacht in het bijzonder») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 9 van deze wet bepaalt:

«De exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van bij artikelen 7, 1o, en 8, bepaalde reden, moet een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie zijn door degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen of, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders en niet alleen door hun aangestelden.

«De opzeggingsreden bestaande in de persoonlijke exploitatie kan evenwel niet worden aangevoerd door personen noch, indien het om rechtspersonen gaat, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders die, op het ogenblik van het verstrijken van de opzeggingstermijn, de leeftijd van 65 jaar zouden hebben bereikt of de leeftijd van 60 jaar wanneer het een persoon betreft die niet gedurende ten minste drie jaar landbouwexploitant is geweest; degene die na de stopzetting van zijn landbouwbedrijf het bedrijf verpacht, kan evenmin die reden aanvoeren.

«De opzegging voor persoonlijke exploitatie kan evenmin als reden worden aangevoerd door de titularis van een vruchtgebruik gevestigd onder de levenden door de wil van de mens.

«Degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen en indien zij rechtspersonen zijn, hun verantwoordelijke organen of bestuurders moeten:

– ofwel houder zijn van een getuigschrift of diploma afgegeven na het volgen met goed gevolg van een landbouwcursus of van onderwijs aan een land- of tuinbouwschool;

– ofwel landbouwexploitant zijn of geweest zijn in de voorbije periode van vijf jaar gedurende ten minste één jaar;

– ofwel reeds effectief gedurende ten minste één jaar aan een landbouwexploitatie hebben deelgenomen.

«De rechtspersonen bedoeld in dit artikel moeten opgericht zijn overeenkomstig de wet van 12 juli 1979 «tot instelling van de landbouwvennootschap» of in de vorm van een personenvennootschap of een eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Daarenboven moeten degenen die als bestuurder of zaakvoerder de leiding hebben van de activiteit die in de vennootschap wordt gevoerd, daadwerkelijke arbeid verrichten op het landbouwbedrijf.»

Art. 7 van dezelfde wet bepaalt:

«De verpachter kan bij het verstrijken van elke pachtperiode een einde maken aan de pacht, indien hij van een ernstige reden doet blijken. Ongeacht de in artikel 6 bedoelde redenen kunnen als ernstige redenen uitsluitend worden aanvaard:

1° het door de verpachter te kennen gegeven voornemen om zelf het verpachte goed geheel of gedeeltelijk te exploiteren of de exploitatie ervan geheel of gedeeltelijk over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen.

«Ingeval het pachtgoed medeëigendom is of wordt van verscheidene personen, kan aan de pachtovereenkomst slechts een einde worden gemaakt voor de persoonlijke exploitatie ten behoeve van een medeëigenaar, zijn echtgenoot, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen, of die van zijn echtgenoot of van de echtgenoot van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, voor zover die medeëigenaar ten minste de onverdeelde helft van het pachtgoed bezit of zijn deel heeft verkregen door erfopvolging of legaat;

[...]»

Art. 8, § 1, van dezelfde wet bepaalt:

«Gedurende elk van de opeenvolgende pachtperiodes, met uitsluiting van de eerste en de tweede, kan de verpachter, in afwijking van artikel 4, een einde maken aan de pacht om zelf het verpachte goed geheel te exploiteren of de exploitatie ervan geheel over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan zijn bloedverwanten tot de vierde graad.

«De bepalingen van artikel 7, 1o, tweede lid, zijn van toepassing.»

B.1.2. In zijn oorspronkelijke versie bepaalde art. 9 van de Pachtwet:

«De exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggenomen op grond van de bij artikels 7, 1o, en 8 bepaalde reden, moet een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie zijn door degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen en, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of beheerders en niet alleen door hun aangestelden.»

De artt. 7, 1o, en 8 van de Pachtwet bepaalden reeds dat de reden van de persoonlijke exploitatie eveneens betrekking had op de overdracht van de exploitatie aan de echtgenoot, de afstammelingen van de verpachter of zijn aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot. Art. 9 verzekerde een minimum aan waarborgen voor de uitgezette pachter door een persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie door de begunstigde van de opzegging te vereisen.

B.1.3. De wet van 7 november 1988 «tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen» heeft enerzijds de lijst uitgebreid van de bloedverwanten die het voordeel van de door de verpachter aangevoerde reden van persoonlijke exploitatie kunnen genieten en, anderzijds, de terugnemingsvoorwaarden verstrengd voor de persoonlijke exploitatie door de verpachter.

Uit de parlementaire voorbereiding van deze wet blijkt dat de wetgever, met behoud van «een evenwicht [...] tussen enerzijds de belangen van de pachter met het oog op zijn bedrijfszekerheid en anderzijds die van de verpachter die in landeigendommen geïnvesteerd heeft», de positie van de pachter heeft willen verstevigen ten aanzien van de eigenaar die de pacht wil opzeggen (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 171/40, p. 7, 8, 11, 47 en 133).

...

B.3.1. Uit de feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen blijkt dat de verwijzende rechters het Hof vragen of art. 9, tweede lid in fine van de Pachtwet de artt. 10 en 11 Gw. schendt, in zoverre het een verschil in behandeling zou doen ontstaan onder kandidaten die dezelfde kwalificaties hebben voor de terugneming van een landbouwbedrijf wanneer dat artikel in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet en nadien heeft verpacht, verbiedt de pachtovereenkomst te beëindigen teneinde die over te dragen aan een persoon die voldoet aan alle voorwaarden inzake leeftijd, verwantschapsband en beroepsbekwaamheid vereist bij de artt. 7, 1o, 8 en 9 van dezelfde wet.

B.3.2. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een regeling, de pachtwetgeving, die er in essentie toe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verpachters en de belangen van de pachters. Teneinde de bedrijfszekerheid van de pachter te waarborgen, is de mogelijkheid om de pachtovereenkomst eenzijdig op te zeggen aan strikte voorwaarden onderworpen.

De wil om de pachters meer bedrijfszekerheid te bieden door stabiliteit te waarborgen voor hun investeringen op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de pachtovereenkomst, vormt over het algemeen het doel van de pachtwetgeving.

B.3.3. Wanneer de wetgever de wet van 4 november 1969 heeft gewijzigd, heeft hij uitdrukkelijk aangegeven dat hij de mogelijkheden van opzegging voor persoonlijke exploitatie wilde beperken en dat die opzegging «voortaan alleen mogelijk [is] ten voordele van personen beneden de pensioenleeftijd [...] of met voldoende beroepservaring» (Parl.St. Kamer 1988, nr. 531/3, p. 3 en 8, Parl.St. Senaat 1986-1987, nr. 586-2, p. 3).

Wat meer in het bijzonder de wil om misbruiken te voorkomen betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding: «Het gebeurt maar al te vaak dat een eigenaar-niet-landbouwer, die de opzegging betekent zogezegd met het oog op «eigen exploitatie», gelijk haalt. Het volstaat soms dat hij zelf zou kunnen exploiteren en allerhande, op het eerste gezicht aanvaardbare redenen opgeeft waarvan de appreciatie volledig in de handen ligt van de vrederechter, die niet altijd een deskundige is ter zake. Vele hectaren landbouwgrond worden zo aan hun bestemming onttrokken» (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 156/1, p. 4).

B.3.4. Door in art. 9, tweede lid Pachtwet twee specifieke uitsluitingsgronden toe te voegen aan de algemene voorwaarden waarin tot dan toe was voorzien om de opzegging van een pachtovereenkomst met het oog op de persoonlijke exploitatie te verantwoorden, wilde de wetgever voorkomen dat een te oude verpachter of een verpachter die reeds een einde heeft gemaakt aan zijn loopbaan als landbouwer, een opzegging zou kunnen doen voor zichzelf.

In beide gevallen is het de bedoeling van de wetgever dat er een grote bescherming wordt geboden aan de actieve landbouwbevolking (Parl.St. Kamer 1981-82, nr. 171/40, p. 179), door de opzegging met het oog op de persoonlijke exploitatie door de verpachter zelf, uit te sluiten wanneer vaststaat dat de verpachter zijn loopbaan als landbouwer reeds heeft beëindigd, of wanneer de leeftijd van de verpachter het mogelijk maakt redelijkerwijs te veronderstellen dat de verpachter zijn loopbaan als landbouwer zou kunnen beëindigen (art. 9, eerste lid Pachtwet).

B.3.5. In het licht van die doelstelling is het redelijk verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling de opzegging voor persoonlijke exploitatie door de verpachter zelf, uitsluit wanneer die verpachter eerder zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten.

B.4.1. Die doelstelling zou echter niet verantwoorden dat voor de verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het daarna te verpachten, de opzegging van de pacht ten voordele van zijn afstammelingen en bloedverwanten eveneens is uitgesloten.

Een interpretatie van de in het geding zijnde bepaling luidens welke de verpachter die zijn exploitatie heeft stopgezet en ze na die stopzetting heeft verpacht, de pachtovereenkomst niet kan beëindigen op grond van persoonlijke exploitatie door hemzelf of door een van de in de artt. 7, 1o, en 8, § 1 Pachtwet bedoelde personen, is dus in tegenspraak met de wil van de wetgever om de opzegging voor persoonlijke exploitatie beter te definiëren teneinde de misbruiken door de verpachters te voorkomen, waarbij een billijk evenwicht wordt behouden tussen de belangen van de verpachters en die van de pachters.

In die interpretatie is art. 9, tweede lid Pachtwet niet verenigbaar met artt. 10 en 11 Gw.

B.4.2. Een andere interpretatie van art. 9, tweede lid, in fine Pachtwet in overeenstemming met de door de wetgever nagestreefde doelstelling, is evenwel mogelijk. Zij is gebaseerd op een lezing van die bepaling in samenhang met de artt. 7, eerste lid, 1o, en 8, § 1, van dezelfde wet en geeft aan de in het geding zijnde bepaling een nuttige werking in overeenstemming met de artt. 10 en 11 Gw.

De opzegging gedaan door een verpachter die zijn landbouwbedrijf heeft stopgezet om het nadien te verpachten, om reden van persoonlijk gebruik ten voordele van zijn afstammelingen of bloedverwanten die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in art. 9 Pachtwet, handhaaft uitdrukkelijk de landbouwbestemming van de gronden en verzekert het familiale karakter van de exploitatie, welke doelstelling door de wetgever werd nagestreefd.

In die zin begrepen is de voorwaarde van art. 9, tweede lid, in fine Pachtwet slechts van toepassing wanneer de verpachter een opzegging doet met de bedoeling zijn goed zelf uit te baten en maakt zij het aldus mogelijk te voorkomen dat gronden aan hun landbouwbestemming worden onttrokken.

In die interpretatie is de in art. 9, tweede lid, in fine Pachtwet vastgestelde voorwaarde niet onverenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw.

Nog dit: 

Rechtsleer:

• E. Stassijns, Pacht, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 1998, p. 582, nr. 552

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: za, 10/02/2018 - 11:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.