-A +A

Overlevingsrechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een overlevingsrecht is een huwelijksvoordeel dat slechts uitwerking heeft indien de begunstigde van dit voordeel de andere echtgenoot overleeft.

Overlevingsrechten zijn huwelijksvoordelen die de bevoordeling beogen van de langstlevende echtgenoot en die bestemd zijn om te worden uitgeoefend bij de ontbinding van het huwelijk door overlijden.

Volgens artikel 299 B.W. verliest de echtgenoot tegen wie de echtscheiding op grond van bepaalde feiten is uitgesproken alle voordelen die de andere echtgenoot hem, hetzij bij huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk heeft verleend. Die sanctie geldt alleen voor de echtgenoot tegen wie de echtscheiding is uitgesproken
.

Sinds de invoering van art. 1429 B.W. bij wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, wordt evenwel algemeen aangenomen dat de overlevingsrechten bij echtscheiding op grond van bepaalde feiten van rechtswege vervallen voor de beide ex-echtgenoten. 

Nog dit: 

Hof van Cassatie, 28/04/2014

Samenvatting

Artikel 5 Wetboek Successierechten kan slechts toepassing vinden wanneer aan de overlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeenschap wordt toebedeeld krachtens een huwelijksovereenkomst die op voorwaarde van overleven is bedongen (1). (1) Op dezelfde zitting heeft het Hof eenzelfde standpunt ingenomen in de zaken F.15.0036.N, F.15.0077.N, F.15.0123.N, F.15.0136.N en F.15.0138.N waarbij de gemeenschap bij de ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen 'ongeacht de oorzaak' toebedeeld werd aan de met naam aangeduide echtgenoot; onderhavige zaak F.15.0035.N betreft eveneens de problematiek van de sterfhuisclausule, maar verschilt van voormelde zaken doordat de gemeenschap hier niet bij ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen 'ongeacht de oorzaak' wordt toebedeeld aan de echtgenote, maar slechts bij ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen 'door overlijden'.

Tekst arrest

Nr. F.15.0035.N
VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,
eiser,

tegen
M V,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 4 februari 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerster werpt op dat het cassatieberoep, in zoverre de eiser optreedt in hervatting van het geding dat werd ingesteld namens de Belgische Staat, niet ontvankelijk is aangezien het cassatieberoep een nieuw geding is en niet de voor-zetting van een reeds bestaand geding.

2. Krachtens artikel 61, § 7, eerste lid, Financieringswet 1989, gewijzigd bij bijzondere wet van 13 juli 2001, nemen de gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toe-gekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke pro-cedures.

Krachtens artikel 10 van het decreet van 9 november 2012 houdende diverse be-palingen betreffende financiën en begroting, verzekert het Vlaams Gewest vanaf 1 januari 2015 de dienst van de belastingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, Financieringswet 1989, overeenkomstig artikel 5, § 3, van diezelfde wet.

3. Hieruit volgt dat het Vlaams Gewest vanaf 1 januari 2015 van rechtswege in de rechten en verplichtingen van de Belgische Staat met betrekking tot de vesti-ging en de invordering van de successierechten is getreden, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechte-lijke procedures.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

4. Artikel 5 Wetboek Successierechten, vóór de opheffing ervan, voor wat be-treft het Vlaams Gewest, bij artikel 5.0.0.0.1, 4° van het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, bepaalt dat de overlevende echtge-noot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, wordt gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

5. Uit de tekst van deze wetsbepaling blijkt dat zij slechts toepassing kan vin-den wanneer aan de overlevende echtgenoot meer dan de helft van de gemeen-schap wordt toebedeeld krachtens een huwelijksovereenkomst die op voorwaarde van overleven is bedongen.

6. Het middel dat aanvoert dat voor de toepassing van artikel 5 Wetboek Suc-cessierechten niet vereist is dat de voorwaarde van overleving in de huwelijks-overeenkomst als een contractuele voorwaarde moet zijn opgenomen en deze fic-tiebepaling automatisch toepassing vindt wanneer de langstlevende echtgenoot de feitelijke begunstigde is van de toebedeling van meer dan de helft van de huwge-meenschap bij het overlijden van de mede-echtgenoot, steunt op een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 479,31 euro en voor de verweerster op 138,22 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

VOORZIENING TOT CASSATIE

VOOR: Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse Minister van Begroting, Financiën en Energie, Koning Albert II-laan 19, te 1210 Brussel, dat het geding hervat dat namens de BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, was ingesteld,

Eiser tot cassatie

TEGEN: Mevrouw M V,
Verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 4 februari 2014 op tegenspraak werd gewezen door de vijfde kamer van het Hof van Beroep te Gent (Nr.2013/AR/926).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweerster is op 24 februari 1996 gehuwd met de heer M D onder een stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een gemeenschap beperkt tot de aanwinsten.

Bij notariële akte van 19 december 2006 hebben de echtgenoten hun huwelijkscontract gewijzigd, waarbij wijlen de heer M D bepaalde eigen onroerende en roerende goederen heeft ingebracht in de gemeenschap en waarbij bepaalde gemeenschappelijke roerende goederen naar de eigen vermogens van de echtgenoten werden overgebracht.

Bij notariële akte van 4 mei 2010 werd andermaal het huwelijkscontract gewijzigd thans met invoeging van een zogenaamde "sterfhuisclausule" in artikel 5 van het huwelijkscontract, luidend dat het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden, aan verweerster zal worden toebedeeld.

Toen de heer M D op 10 juni 2010 overleed, werd de volle eigendom van alle gemeenschapsgoederen, ingevolge de werking van voormeld sterfhuisbeding, toebedeeld aan verweerster die meende dat zij over deze goederen geen successierechten was verschuldigd nu de toebedeling van de volledige gemeenschap krachtens dat beding niet afhankelijk was gesteld van de voorwaarde van overleving zodat geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 5 van het Wetboek Successierechten.

Bij beslissing van 6 september 2011 oordeelde de BELGISCHE STAAT (federale belastingadministratie) dat de toebedeling ingevolge de sterfhuisclausule belastbaar is op basis van de artikelen 5 of 7 van het Wetboek Successierechten zodat een bedrag van 183.454,52 EUR aan successierechten werd gevorderd, te vermeerderen met de boeten en intresten of een totaal bedrag van 193.088,39 EUR.

Bij verzoekschrift, neergelegd op 29 december 2011 ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vorderde verweerster de vernietiging van voormelde beslissing.

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge oordeelde dat er geen successierechten zijn verschuldigd op de toebedeling aan verweerster in toepassing van het sterfhuisbeding en vernietigde bij vonnis van 21 november 2012 de bestreden beslissing van de federale belastingadministratie van 6 september 2011.

Bij verzoekschrift, neergelegd op 2 april 2013 ter griffie van het Hof van Beroep te Gent, tekende de federale belastingadministratie hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.

Het voorliggend arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter.

NOPENS DE GEDINGHERVATTING
Op 19 september 2011 werd door de Vlaamse Regering initieel beslist de inning van de oneigenlijke gewestbelastingen vermeld in de artikelen 3, eerste lid, 4°, 6°, 7°a), 7°b) en 8° van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, in eigen beheer te nemen met ingang van 1 januari 2015.

Die beslissing werd op 7 oktober 2011 overeenkomstig artikel 5, §3, van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten door de Vlaamse Overheid betekend aan de Eerste Minister.

Vanaf 1 januari 2015 is de BELGISCHE STAAT (FOD FINANCIEN) derhalve niet meer bevoegd voor het vestigen en het invorderen van voormelde belastingen en oefent het VLAAMS GEWEST (Vlaamse Belastingdienst - VLABEL) deze bevoegdheden voortaan uit krachtens artikel 10 van het Decreet van 9 november 2012 houdende diverse bepalingen betreffende financiën en begroting (B.S. 26 november 2012), dat luidt als volgt:

" Het Vlaamse Gewest verzekert vanaf 1 januari 2015 de dienst van de belastingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, overeenkomstig artikel 5, §3, van dezelfde bijzondere wet".

 

Overeenkomstig de artikelen 815 t.e.m. 819 van het Gerechtelijk Wetboek hervat het VLAAMS GEWEST met onderhavige voorziening tot cassatie het geding, ingesteld door de BELGISCHE STAAT, dat successierechten tot voorwerp heeft, zijnde de gewestelijke belastingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4° van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, waarvan de vestiging en invordering vanaf 1 januari 2015, ingevolge rechtsopvolging, tot de bevoegdheid behoort van het VLAAMS GEWEST.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- de artikelen 1 en 5 van het Wetboek van Successierechten, ingevoegd bij koninklijk besluit nr.308 van 31 maart 1936, bekrachtigd bij wet van 4 mei 1936 (W.Succ.).

Aangevochten beslissing:

Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter dat:
- de vordering van verweerster gegrond verklaart;
- de betwiste successierechten vernietigt, verschuldigd gesteld ten laste van verweerster ten gevolge van het overlijden van wijlen M D op 10 juni 2010, zoals weerhouden in de beslissing van 6 september 2011 van de eerstaanwezend inspecteur-ontvanger van het registratiekantoor van Torhout, Marc DE MEULENAERE, de dato 6 september 2011 voor een bedrag van 183.454,52 EUR, te vermeerderen met de boeten en intresten of een totaal bedrag van 193.088,39 EUR;
- de herberekening beveelt der successierechten;
- eiser veroordeelt tot de teruggave van de kwestieuze betaalde successierechten vermeerderd met de moratoriumintresten, meer de gedingkosten.
Het bestreden arrest oordeelt dat artikel 5 van het Wetboek Successierechten geen toepassing kan vinden ingeval van een toebedeling van de gemeenschap aan de mede-echtgenoot zonder voorwaarde van overleving zodat de toebedeling van de gemeenschap aan verweerster ingevolge de sterfhuisclausule van artikel 5 van het huwe-lijkscontract niet belastbaar is op grond van artikel 5 van het Wetboek Successierechten:

" De betwisting betreft de al dan niet belastbaarheid in de successierechten ingevolge de toebedeling van gemeenschapsgoederen aan de (verweerster) bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden. In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen een ‘sterfhuisbeding' en een ‘verblijvingsbeding' en een contractuele erfstelling. Een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op goederen in de nalatenschap van de beschikker. Het verblijvingsbeding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijke vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ‘om eender welke reden' aan de mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van die mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen. Krachtens artikel 1464, eerste lid, Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het verblijvingsbeding van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden.

" Krachtens artikel 1464, tweede lid, Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen als schenkingen beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de verdeling, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijke vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in het hu-welijkscontract.

" De bescherming die artikel 1464, tweede lid, Bur-gerlijk Wetboek biedt aan de reservataire erfgenamen, is van overeenkomstige toepassing indien in het huwelijkscontract een verblijvingsbeding werd ingelast dat uitwerking heeft, welke ook de reden van ontbinding van het huwelijksstelsel is en dat gecombineerd werd met de inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijke vermogen door de vooroverleden echtgenoot.

" De sterfhuisclausule is een beding houdende toebedeling van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen aan een met naam genoemde echtgenoot zonder overlevingsvoorwaarde.

" Inzake de sterfhuisclausule moet worden gepreci-seerd dat het successierecht geheven wordt op basis van artikel 5 W.Succ. op het gedeelte dat de helft van het gemeenschappelijk vermogen overtreft en dat aan de overlevende echtgenoot wordt toebedeeld. Art. 5 W.Succ. stelt als uitdrukkelijke toepassingsvoorwaarde expliciet de overlevingsvoorwaarde, waardoor de eerste rechter terecht in zijn besluit aannam dat de voorwaarden van art. 5 W.Succ. niet vervuld waren en er dientengevolge op basis van art. 5 geen successierechten konden worden geheven. De in artikel 5 ingeschreven overlevingsvoorwaarde is het gevolg van een fundamentele doelstelling van de wetgever. Voor de belastbaarheid op grond van art. 5 W.Succ. is vereist dat nog geen schenkingsrechten werden geheven en dat het beding is gemaakt onder voorwaarde dat de echtgenoot-verkrijger van het voordeel de andere overleeft. Bijgevolg zijn op grond, van artikel 5 W.Succ. geen successierechten verschuldigd wanneer in een huwelijkscontract bepaald wordt dat één van de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt ongeacht de oorzaak van ontbinding van het stelsel". (arrest, folio 41484-41485).

Grieven:

1. Overeenkomstig artikel 1451 B.W. mogen

" de echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben bedongen, niet afwijken van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen vermogen en het gemeenschappelijk vermogen. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 1388 en 1389 kunnen zij bij huwelijkscontract elke andere wijziging aanbrengen in het wettelijk stelsel. Zij kunnen met name overeenkomen:

" - dat het gemeenschappelijk vermogen al hun tegenwoordige en toekomstige goederen of een deel ervan zal omvatten;
" - dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn;
" - dat een van de echtgenoten recht zal hebben op een vooruitmaking;
" - dat in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden van een der echtgenoten, het gemeenschappelijk vermogen in ongelijke delen zal worden verdeeld of geheel aan een der echtgenoten zal verblijven.

" De echtgenoten blijven onderworpen aan de regels van het wettelijk stelsel waarvan hun huwelijkscontract niet afwijkt".

Wat betreft de bedingen die afwijken van de regels inzake de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, bepaalt artikel 1461 B.W. dat "de echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een hunner indien hij het langst leeft, bij de verdeling een ander deel dan de helft of zelfs het gehele vermogen, zal ontvangen".

Krachtens artikel 1464, eerste lid, B.W., worden het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden, m.a.w. als huwelijksvoordelen.

2. Een sterfhuisclausule is een beding opgenomen in een huwelijkscontract waarbij de volledige huwelijksgemeenschap wordt toebedeeld aan een van de echtgenoten, los van een voorwaarde van overleving.

Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat bij notariële akte van 4 mei 2010 een zogenaamde sterfhuisclausule werd ingevoegd in het huwelijkscontract van verweerster, luidend als volgt:

" Artikel 5: Verdeling van het gemeenschappelijk vermogen.
Bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden zal het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten toebedeeld worden aan mevrouw Martine VANDOOLAEGHE".

Hoewel de werking van deze sterfhuisclausule niet afhankelijk is gesteld van de voorwaarde van overleving (ook bij vooroverlijden van verweerster wordt het gemeenschappelijk vermogen immers aan haar (erfgenamen) toebedeeld), maakt deze clausule, op grond waarvan verweerster bij het overlijden van haar echtgenoot op 10 juni 2010 de volle eigendom van alle gemeenschapsgoederen werd toebedeeld, evenzeer een huwelijksvoordeel uit in de zin van de artikelen 1451, 1461 en 1464, eerste lid, B.W.

3. Wanneer de overlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel of -overeenkomst meer dan de helft der gemeenschap wordt toebedeeld, is het gedeelde dat die helft overstijgt taxeerbaar in de successierechten op grond van artikel 5 W.Succ., luidend dat:

" De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksover-eenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt".

Voor de toepasing van deze bepaling is niet vereist dat in de huwelijksovereenkomst een voorwaarde van overleving is bedongen. Als enige voorwaarde voor de taxatie op grond van artikel 5 W.Succ. geldt dat de overlevende echtgenoot de begunstigde is van de ongelijke verdeling, m.a.w. dat de toebedeling van meer dan de helft van de huwgemeenschap, in toepassing van de huwelijksovereenkomst, effectief aan de langstlevende echtgenoot is geschied.

De "voorwaarde van overleving" in artikel 5 W.Succ. verwijst dus niet naar een contractuele modaliteit van de huwelijksvoorwaarde, maar naar het louter feitelijk overleven van de begunstigde echtgenoot.

De overlevingsvoorwaarde van artikel 5 W.Succ. betreft derhalve slechts een feitelijke toepassingvoorwaarde voor deze fictiebepaling, los van wat in het huwelijkscontract is bedongen aangaande de oorzaak van de ontbinding van de huwgemeenschap opdat het huwelijksbeding uitwerking kan krijgen.

4. Na te hebben vastgesteld dat verweerster ingevolge het overlijden van haar echtgenoot het gemeenschappelijk vermogen heeft toebedeeld gekregen op grond van een zogenaamde "sterfhuisclausule", waarbij alle goederen van het gemeenschappelijk vermogen aan verweerster werden toegewezen zonder overlevingsvoorwaarde, was door het bestreden arrest beslist dat:

- artikel 5 W.Succ. als uitdrukkelijke toepas-singsvoorwaarde expliciet de overlevingsvoorwaarde stelt;
- voor de belastbaarheid op grond van artikel 5 W.Succ. is vereist dat nog geen schenkingsrechten werden geheven en dat het beding is gemaakt onder voorwaarde dat de echtgenoot-verkrijger van het voordeel de andere overleeft;
- er bijgevolg geen successierechten zijn ver-schuldigd wanneer in een huwelijkscontract wordt be-paald dat één van de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt ongeacht de oorzaak van de ontbinding van het stelsel;
- de eerste rechter derhalve terecht heeft aangenomen dat de voorwaarden van artikel 5 W.Succ. te dezen niet waren vervuld bij gebrek aan overlevingsvoorwaarde en er dientengevolge geen successierechten konden worden geheven (arrest, folio 41485, midden).

Anders dan de appelrechters oordelen, is voor de toepassing van artikel 5 W.Succ. niet vereist dat de voorwaarde van overleving expliciet in de huwelijksovereenkomst als een contractuele voorwaarde moet zijn opgenomen nu deze fictiebepaling automatisch toepassing vindt wanneer de langstlevende echtgenoot de feitelijke begunstigde is van de toebedeling van de huwgemeenschap bij het overlijden van de mede-echtgenoot.

Aangezien de feitelijke voorwaarde van overleven was vervuld in hoofde van verweerster was de toebedeling van meer dan de helft van de gemeenschap aan verweerster, in haar hoedanigheid van langstlevende echtgenoot, in uitvoering van de sterfhuisclausule ex artikel 5 van de huwelijksovereenkomst, bijgevolg op grond van artikel 5 W.Succ. belastbaar in de successierechten, ongeacht het feit dat in dat sterfhuisbeding geen voorwaarde van overleven was bedongen.

Verweerster diende voor de heffing van de successierechten derhalve gelijkgesteld te worden met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat artikel 5 W.Succ. te dezen geen toepassing kan vinden op grond dat aan de sterfhuisclausule geen voorwaarde van overleving was verbonden, terwijl voor de toepassing van artikel 5 W.Succ. niet is vereist dat het huwelijksvoordeel in de huwelijksovereenkomst uitdrukkelijk als een overlevingsrecht is geformuleerd, nu de voorwaarde van overleven in artikel 5 W.Succ. slechts verwijst naar het louter feitelijk overleven van de begunstigde echtgenoot dat als een feitelijke (aleatoire) toepassingsvoorwaarde is opgevat (schending van de artikelen 1 en 5 W.Succ.).

Toelichting

1. Onderhavige zaak betreft de vraag of er naar aanleiding van het overlijden van M D successierech-ten zijn verschuldigd op de helft van het gemeenschappelijk vermogen dat ingevolge de werking van artikel 5 van het huwelijkscontract volledig was toebedeeld aan zijn echtgenote, verweerster.

In artikel 5 van hun huwelijkscontract was een zogenaamde "sterfhuisclausule" opgenomen, luidend als volgt:

" Bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden zal het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten toebedeeld worden aan mevrouw Martine VANDOOLAEGHE".

Een "sterfhuisclausule" is een verdelingsbeding in het huwelijkscontract van gemeenschap van goederen waarbij het gehele gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld aan één welbepaalde echtgenoot, ongeacht of deze echtgenoot het langst leeft of niet. Een klassiek beding van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, zoals omschreven in de artikelen 1451 en 1461 B.W., is gekoppeld aan de voorwaarde van overleven zodat de volgorde van de overlijdens van de echtgenoten bepaalt aan wie de gemeenschap zal toekomen.

Hoewel een sterfhuisclausule niet gekoppeld is aan een voorwaarde van overleven, moet ook dit beding als een huwelijksvoordeel worden beschouwd in de zin van de artikelen 1451, 1461 en 1464, eerste lid, B.W (zie bijv. VERBEKE, A. en BARBAIX, R., "Het Hof van Cassatie bevestigt sterfhuisclausule", noot bij Cass., 10 december 2010, R.W., 2010-2011, 1442; GEELHAND DE MERXEM, N. en LELEU, Y.-H., "La clause dite de la ‘mortuaire' plus vivante que jamais", noot bij Cass., 10 december 2010, J.T., 2011, 92).

2. Wanneer aan de overlevende echtgenoot ingevolge een huwelijksvoordeel of -overeenkomst, zoals een sterfhuisbeding, meer dan de helft der gemeenschap wordt toebedeeld, is het gedeelde dat die helft overstijgt taxeerbaar in de successierechten op grond van artikel 5 W.Succ., dat luidt als volgt:

" De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksover-eenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt".

Anders dan de appelrechters oordelen, moet artikel 5 W.Succ. niet in die zin worden gelezen dat de bedingen van ongelijke verdeling of van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen in het huwelijkscontract effectief als overlevingsrechten zijn geformuleerd.

De "voorwaarde van overleving" in artikel 5 W.Succ. verwijst immers niet naar een contractuele modaliteit van het huwelijksbeding, maar naar de kans van overleving. Voor de belastbaarheid op grond van artikel 5 W.Succ. volstaat het bijgevolg dat de overlevende mede-echtgenoot ingevolge het overlijden van zijn echtgenoot de begunstigde wordt van de ongelijke verdeling, m.a.w. dat de toebedeling van meer dan de helft van de huwgemeenschap, in toepassing van de huwelijksovereenkomst, daadwerkelijk aan de langstlevende echtgenoot is geschied. De voorwaarde van overleving is derhalve louter een feitelijke toepassingvoorwaarde van artikel 5 W.Succ., los van wat in het verblijvingsbeding contractueel werd bedongen nopens de wijze waarop het huwelijk moet worden ontbonden opdat het beding uitwerking kan krijgen. De voorwaarde van overleving is dus geen loutere contractuele modaliteit die aan de vrije appreciatie van de echtgenoten wordt overgelaten, maar verwijst naar het louter feitelijk overleven van de begunstigde echtgenoot.

Wanneer het gemeenschappelijk vermogen voor meer dan de helft wordt toebedeeld aan de "overlevende" begunstigde echtgenoot van een sterfhuisbeding, dan zal er bijgevolg eveneens sprake zijn van de toekenning van een fictief legaat op grond van artikel 5 W.Succ., ook al was er in die sterfhuisclausule geen voorwaarde van overleven bedongen. Het feitelijk overleven van de begunstigde echtgenoot volstaat.

3. Ook uit de parlementaire werken kan worden afgeleid dat de "voorwaarde van overleving" in artikel 5 W.Succ. (voorheen artikel 7 van de Wet van 17 december 1851) werd opgevat als een aleatoire voorwaarde van overleven:

- de Heer Minister van Financiën: «La disposition ne s'applique qu'à la convention aléatoire, soumise à la condition de survie, et non à la stipulation qui serait faite dans le contrat de mariage et qui, à raison des apports inégaux faits par les conjoints, attribuerait à l'un d'eux des reprises plus importantes dans la communauté» (in die tijd betrof artikel 1525 B.W. de volledige toebedeling van de gemeenschap en liet het de terugname toe van de eigen goederen van de inbrengende echtgenoot);
- de Heer DOLEZ: «... d'après la proposition qui nous est soumise par le gouvernement, il n'y aura de soumises à l'impôt que les dispositions aléatoires»;
- de Heer D'HONT: «Quoique dans la première discussion, je me sois aussi opposé à l'adoption de l'article tel qu'il était alors rédigé, je me déclare également prêt à voter la nouvelle rédaction présentée par l'honorable ministre des finances. D'abord parce que ce nouveau texte ne se trouve plus offrir une opposition manifeste avec les principes de notre droit civil, que le texte primitif heurtait de front. En second lieu, parce que les conséquences injustes, iniques, que j'ai eu l'honneur de signaler à la chambre, lors du premier vote, viennent à tomber devant le caractère aléatoire qu'exige la rédaction actuelle» (Kamer, zitting van 1 juli 1851, p.1520).

De term "aléatoirement" werd in 1919 vervangen door de woorden "sous condition de survie" omdat een bepaalde rechtspraak in de volledige toebedeling van de gemeenschap aan een met naam genoemde echtgenoot het tenietgaan van het risico zag (zie Brussel, 12 januari 1887, Recueil général de l'enregistrement, nrs. 7404 en 10830, vermeld in de motivering van de wet van 11 oktober 1919).

In de Nederlandstalige versie van artikel 5 W.Succ. gebruikte de wetgever van 1919 de uitdrukking: "mits overleving". Vanaf 1936, n.a.v. de zogenaamde modernisering van de taal, werd de uitdrukking "onder voorwaarde van overleving" gebruikt.

Uit wat voorafgaat volgt dat de voorwaarde van overleving ex artikel 5 W.Succ. duidelijk neerkomt op de aleatoire voorwaarde van het feitelijk overleven.

Het bestreden arrest heeft bijgevolg niet wettig beslist dat artikel 5 W.Succ. te dezen geen toepassing kan vinden op grond dat aan de sterfhuisclausule geen voorwaarde van overleving was verbonden, terwijl het louter feitelijk overleven van de begunstigde echtgenoot als aleatoire toepassingsvoorwaarde geldt voor deze bepaling.

OM DEZE REDENEN,

besluiten voor eiser ondergetekende advocaten, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, eiser akte te verlenen van zijn gedinghervatting, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht

Brussel, 18 maart 2015
 

Franse term: 
droits de survie
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 13/02/2017 - 15:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.