-A +A

Overeenkomsten erelonen tussen advocaten en cliënten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het kan nuttig zijn om vooraf met een advocaat afspraken te maken inzake onkosten en erelonen en deze op papier te zetten in een overeenkomst.

De Vlaamse orde heeft de advocaten hiertoe zelfs een modelovereenkomst voorgesteld die evenwel niet verplicht dient gebruikt te worden. Ook de wet voorziet in de mogelijkheid van deze overeenkomsten al dient benadrukt dat het niet gebruiken van de deze overeenkomsten geen inbreuk op de wet kan uitmaken.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Antwerpen, 1e Kamer – 12 februari 2007

De feiten

Samengevoegd vordert de geïntimeerde bij brieven van 21 juni 2004 en 27 juli 2004 in drie dossiers de betaling van zijn staten van kosten en ereloon, die door de appellanten worden betwist.

Het geschil werd voorgelegd aan de taxatiecommissie van de orde van advocaten te Turnhout.

Op 27 oktober 2004 keurt de raad van de orde de staten goed, behalve in het dossier 00/505. Wat de strafzaak betreft, wordt de staat verminderd met 135,50 euro tot 5.098,65 euro wegens een dubbel aangerekende dagvaarding.

De geïntimeerde kreeg van de stafhouder de toelating tot dagvaarding.

Beoordeling

...

Toepasselijke wetgeving

1. De geïntimeerde als vorige raadsman van de appellanten, heeft binnen die contractuele verhouding met de appellanten, zijn ereloon bij wijze van partijbeslissing bepaald en aan het toezicht van de raad van de orde van advocaten onderworpen.

De appellanten menen dat de geïntimeerde de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen heeft geschonden om volgende redenen:

– het ontbreken van een overeenkomst met betrekking tot het te verwachten ereloon is op grond van art. 7, § 2, van de wet van 2 augustus 2002 aan de advocaat toerekenbaar en houdt een schending in van de onrechtmatige bedingenleer, die van openbare orde is en die primeert op eventuele andersluidende deontologische regels of gebruiken;

– geen prijstransparantie in overeenstemming met art. 8, tweede lid, van dezelfde wet;

– een geschreven bewijs van voor de cliënt te verwachten ereloon is noodzakelijk;

– volgens art. 7, § 4, zijn de bedingen opgesomd in de bijlage bij deze wet verboden en nietig, zelfs als er over onderhandeld werd, inzonderheid de bedingen onder i, l en m.

Die schending leidt volgens de appellanten tot de nietigheid van de bedingen, omdat de geïntimeerde prestaties levert zonder vooraf duidelijke en transparante ereloonafspraken te maken.

2.1. De ereloonstaten werden opgesteld in de loop van 2004, maar sommige prestaties werden door de geïntimeerde reeds in de loop van 2001 verricht. De partijen refereren aan de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen die in 2001 nog niet van toepassing was. Met de eerste rechter wordt aangenomen dat één van de wetten chronologisch van toepassing was.

De appellanten concluderen terecht dat de wet van 2 augustus 2002 met betrekking tot de onrechtmatige bedingen aan de wet van 3 april 1997 geen wijzigingen heeft aangebracht.

Die wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, is, wat de onrechtmatige bedingen betreft, in de plaats gekomen van de wet van 3 april 1997 betreffende de oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten tussen titularissen van vrije beroepen en hun cliënten, waarvan hij de inhoud heeft overgenomen. Voormelde wetten van 3 april 1997 en 2 augustus 2002 worden hierna verder als beide wetten aangeduid, waarbij inzonderheid naar de bepalingen van de laatste wet van 2 augustus 2002 wordt verwezen.

2.2. Die beide wetten werden uitgevaardigd tot omzetting van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna «Richtlijn Oneerlijke bedingen» genoemd.

2.3. Het staat eveneens vast dat in de zin van de wet van 2 augustus 2002 de geïntimeerde als advocaat een vrije beroepsbeoefenaar is (art. 2.1o) en de appellanten cliënt (art. 2.2o). Als cliënt wordt immers beschouwd «iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij door deze wet bedoelde overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn beroepsactiviteit vallen» (art. 2.2o). De appellanten hebben de geïntimeerde geraadpleegd voor doeleinden die buiten hun beroepsactiviteit vallen.

2.4. Uit het bovenstaande volgt dat op de contractuele relatie tussen de appellanten en de geïntimeerde als hun voormalige raadsman de wet van 2 augustus 2002 (en de wet van 3 april 1997) van toepassing is.

3. De appellanten tonen niet aan dat met toepassing van de Richtlijn Oneerlijke bedingen en de beide wetten de overeenkomst tussen advocaat - cliënt aan vormvereisten is onderworpen. De wetgever beoogt de consument te beschermen zowel bij het aangaan van een mondelinge als bij het sluiten van een schriftelijke overeenkomst.

De wet van 2 augustus 2002 in overeenstemming met de wet van 3 april 1997 is zowel op schriftelijke als op mondelinge bedingen van toepassing. In hoofdstuk III onder art. 9, eerste lid, wordt als volgt verwezen naar de schriftelijk opgestelde overeenkomst, zonder de mondelinge overeenkomst uit te sluiten: «Indien alle of bepaalde bedingen van een in artikel 7, § 1 bedoelde overeenkomst schriftelijk zijn, moeten ze duidelijk of begrijpelijk zijn opgesteld».

Duidelijkheid en begrijpelijkheid zijn ook belangrijke criteria voor mondelinge bedingen. Alleen is dit transparantievereiste bij een mondeling beding minder controleerbaar.

4. Art. 7, § 1, van de voormelde wet van 2 augustus 2002 bepaalt dat een onrechtmatig beding verboden is, maar dat de overeenkomst bindend blijft voor de partijen indien zij zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan.

Art. 7, § 2, van dezelfde wet luidt: «Een onrechtmatig beding is elk beding of elke voorwaarde waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de cliënt aanzienlijk verstoort, met uitzondering van bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij België of de Europese Unie partij is, zijn overgenomen».

Die uitsluiting heeft tot gevolg dat volgende bedingen ontoetsbaar zijn:

– bedingen in overeenstemming met de wet (dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen);

– bedingen in overeenstemming met de voormelde internationale overeenkomsten waarbij België of de Europese Unie partner zijn.

Een clausule die conform de wettelijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek is geformuleerd kan bijgevolg niet strijdig zijn met de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 (en van de wet van 3 april 1997) en kan niet worden gecontroleerd op zijn rechtmatigheid.

Art. 459 Ger. W. is van dwingend recht, omdat elke afwijking naar intern recht hiervan is uitgesloten.

In de preambule van de Richtlijn Oneerlijke bedingen wordt zelfs overwogen «dat in dat verband onder de term «dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen» tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen». Volgens die considerans zou «dwingend» zelfs op suppletiefrechtelijke wetsbepalingen slaan.

5. De appellanten verwijzen naar art. 7, § 4, van de wet van 2 augustus 2002 dat luidt: «De bedingen opgesomd in de bijlage bij deze wet zijn verboden en nietig, zelfs als erover onderhandeld werd».

Het gaat om een bijzondere categorie van bedingen die verboden en nietig zijn, ongeacht de vraag naar de aanzienlijke verstoring van het evenwicht en de vraag of erover werd onderhandeld. Art. 7, § 4, heeft niets te maken met een wetsconform beding en kan bijgevolg niet slaan op de toepassing van art. 459 Ger. W.

6. De appellanten menen dat uit de afwezigheid van een afspraak omtrent de tarifering enkel kan worden afgeleid dat de geïntimeerde een partijbeslissing over zijn ereloon beoogde, wat precies door de richtlijn is verboden en als nietig wordt gekwalificeerd. Hierdoor zou niet zijn voldaan aan de vereiste transparantie over het te verwachten ereloon.

Bij gebrek aan een specifiek beding over het honorarium, hebben de partijen overeenkomstig art. 1135 B.W. zich verbonden tot de toepassing van art. 459, eerste en tweede lid, Ger. W.

Of die toepassing van art. 459 Ger. W. al dan niet uitdrukkelijk wordt overeengekomen, doet er niet toe. Die toepassing maakt deel uit van de overeenkomst tussen appellanten en de geïntimeerde.

Als behorend tot die overeenkomst kan de toepassing van art. 459 Ger. W. volgens de wet van 2 augustus 2002 in geen enkele omstandigheid op haar regelmatigheid worden getoetst, zelfs indien hierdoor voor de appellanten de nodige transparantie zou ontbreken over het te verwachten ereloon. Art. 459 Ger. W. wordt bijgevolg niet buiten toepassing gesteld door de wet van 2 augustus 2002 (en de wet van 3 april 1997). De geïntimeerde is gerechtigd zijn ereloon overeenkomstig art. 459 Ger. W. te bepalen.

7. Het tussen de partijen gevoerde debat over de kwalificatie van de beide wetten enerzijds en art. 459 Ger. W. anderzijds als lex specialis of als lex generalis, over het primeren van de lex specialis op de lex generalis, over het primeren van het Europees recht op het Belgisch recht en over het primeren van de beide wetten van recentere datum op art. 459 Ger. W. is verder irrelevant, omdat de toepassing van de beide wetten enerzijds en van art. 459 Ger. W. anderzijds elkaar niet uitsluiten. De beide wetten laten de toepassing van art. 459 Ger. W. als van toepassing op de overeenkomst toe.

...

De ereloonstaten

De appellanten betwisten de door de geïntimeerde gevorderde ereloonstaten.

De advocaat dient zijn ereloon te begroten met een billijke gematigdheid. De cliënt behoudt het recht om zich tot de rechtbank te wenden. Het advies van de taxatiecommissie van de raad van de orde van advocaten is voor de rechtbank niet bindend. De raad heeft geen rechtsmacht ten aanzien van de advocaten.

De rechter kan de staat van kosten en erelonen aanpassen indien de vastgestelde erelonen kennelijk onredelijk zijn.

De eerste rechter heeft alvorens verder te beslissen, met toepassing van art. 877 Ger. W. aan de geïntimeerde bevolen voormelde stukken neer te leggen ter griffie van de rechtbank. Aan de stafhouder van de orde van advocaten te Turnhout werd verzocht een door hem voor eensluidend verklaard afschrift van het reglement van de orde van advocaten te Turnhout van 7 september 1999 betreffende de begroting van de erelonen neer te leggen ter griffie van de rechtbank.

Wanneer de rechter de overlegging van stukken beveelt, beveelt hij een onderzoeksmaatregel in de zin van art. 1068, tweede lid, Ger. W. Het Hof vermag geen kennis te nemen van de stukken die in uitvoering van het bestreden vonnis voor de eerste rechter werden ingediend en die onontbeerlijk zijn om het marginaal toetsingsrecht uit te oefenen.

De door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel wordt bevestigd.

P.S. Dit vonnis is de bevestiging in graad van beroep van het vonnis gewezen door  Rb. Turnhout 24 oktober 2005, R.W. 2006-07, 29.
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 20:58
Laatst aangepast op: di, 27/06/2017 - 13:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.