-A +A

Over materiële bevoegdheid van de rechter kunnen partijen geen overeenkomst afsluiten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Partijen kunnen overeenkomen dat een rechter van een bepaalde plaats bevoegd zal zijn om vanhet geschil kennis te nemen. Maar zij kunnen geen overeenkomst sluiten over de soort rechtbank (bv. rechtbank van koophandel of rechtbank van eerste aanleg. Over de materiële bevoegdheid kunnen partijen geen overeenkomsten sluiten.
Indien eiser en verweerder voor een onbevoegde rechter verschijnen vragen zij vaak beiden om de zaak door te sturen naar de bevoegde rechter. Maar als de rechter doorverwijst naar een materieel onbevoegde rechter kan de onbevoegde rechter zijn onbevoegdheid opwerpen. Hij is dus niet gebonden door het verwijzingsvonnis, laat staan door een bevoegdheidsovereenkomst over de materiële bevoegdheid.

 

NV A. t/ NV P.

Gelet op het vonnis van de eerste kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 5 november 2014 waarbij de vordering werd verzonden naar de Arrondissementsrechtbank te Antwerpen, aangezien de rechtbank eerst de bevoegdheid wenst uit te klaren alvorens een vaststelling met toepassing van art. 747 Ger.W. wordt verleend.

In zijn vonnis oordeelt de afdelingsvoorzitter het volgende:

“Overwegende dat de vordering betrekking heeft op, zo blijkt toch uit de bewoordingen van de dagvaarding, de eenzijdige beëindiging van een huurovereenkomst m.b.t. het onroerend goed hoger omschreven;

“Dat de vrederechter uitsluitend bevoegd is voor geschillen die betrekking hebben op de huur van onroerende goederen (art. 591, 1o Ger.W.); dat deze uitsluitende bevoegdheid voorrang heeft op de algemene bevoegdheid van de rechtbank van koophandel zoals bepaald in art. 573 Ger.W.;

“Dat partijen niet rechtsgeldig een overeenkomst kunnen sluiten aangaande de materiële bevoegdheid tussen de onderscheiden rechtscolleges;

“Dat naar de mening van de rechtbank dan ook ten onrechte een vonnis van verwijzing werd geveld door de vrederechter van het kanton Geel;

“Dat alleszins deze rechtbank niet gebonden is door een dergelijk verwijzingsvonnis, dat geen gezag van gewijsde heeft omdat het geen uitspraak doet over de bevoegdheid (Cass. 1 februari 2008, NJW 2008, 685, noot, Pas. 2008, 315, RGAR 2009, nr. 14527);

“Overwegende dat derhalve vragen kunnen worden gesteld wat de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel betreft, zodat een verzending naar de arrondissementsrechtbank dient te geschieden;

“Dat het raadzaam voorkomt dat eerst de bevoegdheid is uitgeklaard alvorens een vaststelling met toepassing van art. 747 Ger.W. wordt verleend”.

Voor geen van de partijen is iemand verschenen op de openbare terechtzitting van 9 december 2014.

De arrondissementsrechtbank werd op toelaatbare en ontvankelijke wijze geadieerd.

Opdat de rechtbank ambtshalve een middel van materiële onbevoegdheid zou kunnen opwerpen, dient aan de volgende voorwaarden cumulatief voldaan te zijn: 1. het middel mag niet door één van de procespartijen opgeworpen zijn; 2. het middel van onbevoegdheid raakt de openbare orde of moet in een bijzondere wettekst vermeld staan; 3. het middel van onbevoegdheid wordt opgeworpen in het eerste vonnis dat in de zaak werd gewezen (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 315, nr. 743).

Aan deze voorwaarden is voldaan:

Bij vonnis van de vrederechter van het kanton Geel werd de zaak met het akkoord van beide partijen verzonden naar de Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Turnhout.

De vrederechter deed echter geen uitspraak over haar bevoegdheid, zodat deze beslissing tot verzending geen gezag van gewijsde heeft en de rechtsmacht over de bevoegdheid nog niet is uitgeput.

Wanneer een zaak op verzoek van partijen naar een andere rechtbank wordt verzonden, is dit geen bindende verwijzing in de zin van art. 660, tweed lid Ger.W. Het gaat immers niet om een rechterlijke beslissing en partijen kunnen over de materiële bevoegdheid geen overeenkomsten sluiten. De zaak kan dan ook terugverzonden worden (Rb. Antwerpen 25 oktober 2012, RW 2013-14, 33).

De rechter naar wie de zaak op akkoord van partijen werd bewezen, dient ambtshalve zijn bevoegdheid te onderzoeken.

Geen van de gedingvoerende partijen wierp een exceptie van onbevoegdheid op.

De verwijzende rechter oordeelt dat de vordering betrekking heeft op schade veroorzaakt door de eenzijdige beëindiging van een huurovereenkomst door verwerende partij en dat geschillen betreffende de verhuur van onroerende goederen een bijzondere bevoegdheid van de vrederechter is die primeert op haar algemene bevoegdheid.

Aangezien de materiële bevoegdheid de openbare orde raakt, is ook aan de tweede toepassingsvoorwaarde van art. 640 Ger.W. voldaan.

Het verwijzend vonnis van 5 november 2014 is het eerste vonnis dat in deze zaak werd gewezen.

Bijgevolg werd de arrondissementsrechtbank op toelaatbare en ontvankelijke wijze geadieerd.

Het door de rechtbank van koophandel opgeworpen middel van materiële onbevoegdheid is gegrond.

Eisende partij vordert van verwerende partij vergoeding van schade ten bedrag van 600.000 euro, vermeerderd met de interesten en de gedingkosten. Oorzaak van de vordering is de voortijdige beëindiging van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende een gebouw in oprichting, bestaande uit magazijnen, kantoren en parking.

Op grond van art. 591, 1o Ger.W. neemt de vrederechter kennis van huurgeschillen. Deze bevoegdheid is een bijzondere bevoegdheid die primeert op algemene bevoegdheden van een ander rechtscollege.

Bijgevolg is de vrederechter ratione materiae bevoegd om van onderhavige zaak kennis te nemen.

...

Nog dit: 

Krachtens art. 9 Ger.W. is de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. Zij kan niet worden uitgebreid, tenzij de wet anders bepaalt.

De regels betreffende de volstrekte bevoegdheid zijn van openbare orde, zodat de rechter ambtshalve moet nagaan of hij bevoegd is (Cass. 13 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 966, JTT 1997, 483; Cass. 2 november 1994, Arr.Cass. 1994, 911).

Ook de rechter in hoger beroep moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan, ook al is het hoger beroep beperkt tot de grondslag van de vorderingen die bij de eerste rechter aanhangig waren gemaakt (Cass. 4 november 2002, RW 2004-05, 100; Cass. 19 april 2002, C.01.0014.F, met conclusie advocaat-generaal Henkes, www.cass.be, op datum).

De materiële bevoegdheid van een rechtscollege wordt niet beoordeeld op het tijdstip waarop het uitspraak moet doen, maar op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld (Cass. 22 oktober 1981, RW 1982-83, 2457, JT 1982, 295).

De wil van de wetgever is duidelijk: de wettelijke rechter is degene die in de wet inzake de rechterlijke organisatie wordt aangegeven en, behoudens uitzondering, kunnen de partijen niet over die organisatie beschikken.

(Arbeidshof Antwerpen 5 juli 2001, RW 2012-2013, 432
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 10/12/2015 - 20:51
Laatst aangepast op: do, 10/12/2015 - 20:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.