-A +A

Openbaarheid der terechtzittingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het publiciteitsbeginsel, zoals geformuleerd door Beccaria behelst dat de terechtzitting en de bewijsvoering openbaar moeten gebeuren, de geheime procedure moet afgeschaft worden.

Artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en artikel 14, § 1, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, verheft de openbaarheid van de terechtzittingen tot principe verheffen.

Openbaarheid der terechtzittingen is evenwel beperkt tot de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht, tenzij andere rechtscolleges die openbaarheid voorschrijven.

 

Artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en artikel 14, § 1, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, verheft de openbaarheid van de terechtzittingen tot principe verheffen.

Artikel 148 van de Grondwet luidt : "De terechtzittingen van de rechtbanken zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden; in dat geval wordt zulks door de rechtbank bij vonnis verklaard".

openbare uitspraak

Artikel 149 van de Belgische Grondwet bepaalt dat elk vonnis wordt uitgesproken in openbare terechtzitting; ook artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt dat de uitspraken in het openbaar moeten worden gewezen en dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft voor recht gezegd dat de openbaarheid van de debatten een bij artikel 6, § 1, van het EVRM verankerd fundamenteel beginsel is, dat dit beginsel het mogelijk maakt de rechtzoekenden te beschermen tegen een geheime rechtspraak die aan het toezicht van het publiek ontsnapt, alsook dat dit beginsel een van de middelen is om het vertrouwen van de burgers in de hoven en rechtbanken te behouden.

Dat beginsel draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van het voormelde artikel 6, § 1, met name dat elkeen recht heeft op een billijk proces — een zeer belangrijk principe van elke democratische samenleving.

De verplichting om het vonnis in openbare terechtzitting uit te spreken, strekt ertoe een voor het publiek toegankelijk toezicht op rechterlijke beslissingen mogelijk te maken.

Die doelstelling vereist in de regel de voorlezing op de openbare terechtzitting van zowel de motieven als het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing.

Zij kan echter ook worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing met in elk geval het beschikkend gedeelte. Het Hof van Cassatie oordeelde: "Het middel dat ervan uitgaat dat aan de door artikel 149 Grondwet bepaalde publiciteitsverplichting slechts is voldaan indien de rechterlijke beslissing integraal op de openbare terechtzitting wordt voorgelezen, faalt in zoverre naar recht.”

Met dit arrest kan de wetgever de uitspraak van een rechterlijke beslissing dus soepel doen toepassen, om te voorkomen dat kostbare tijd wordt verloren door een integrale voorlezing.


Edoch

Openbaarheid der terechtzittingen is evenwel beperkt tot de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht, tenzij andere rechtscolleges die openbaarheid voorschrijven.

Hof van Cassatie 10/04/2008, AR D.07.0006.N, juridat

samenvatting

Artikel 148, Grondwet, dat de openbaarheid van de terechtzittingen voorschrijft, en artikel 149, Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, zijn rechtens alleen toepasselijk op de rechtbanken, in de zin die aan dat woord is gegeven in de voormelde artikelen, dat is op de rechtbanken van de rechterlijke macht (1); ze zijn enkel op andere rechtscolleges toepasselijk als een bijzondere rechtsbepaling zulks voorschrijft. (1) Cass., 5 nov. 1987, A.R. 5835, A.C., 1987-1988, nr 148 (beide artikelen); zie Cass., 21 sept. 1995, A.R. D.94.0020.N, A.C., 1996, nr 396, (enkel voor art. 149).

Arrest

Nr. D.07.0006.N
E.L,
eiser,

tegen
INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTING-CONSULENTEN, met zetel te 1050 Elsene, Livornostraat 41,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 20 november 2006 gewezen door de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, zetelend te Brussel.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in een verzoekschrift middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;
- de artikelen 148 en 149 van de Grondwet;
- artikel 5, §4, van de Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor Accountants en Belastingsconsulenten.

Aangevochten beslissingen
De bestreden beslissing bevestigt de beslissing opgelegd door de Nederlandstalige kamer van de Tuchtcommissie bij het Instituut van de Accountants en de

Belastingconsulenten van 24 januari 2006, waarbij ten laste van de eiser de deontologische inbreuk wordt bewezen verklaard dat hij in strijd met zijn beroepsverplichting van onafhankelijkheid en waardigheid als accountant-belastingconsulent op zijn facturen en op zijn website reclame zou hebben gemaakt voor verschillende commerciële bedrijven, en herleidt de door de Nederlandstalige kamer opgelegde schorsing van drie maanden tot een schorsing van twee maanden.

Grieven

Overeenkomstig artikel 148 van de Grondwet zijn de terechtzittingen van de rechtbanken openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden. In dat geval wordt zulks door de rechtbank bij vonnis verklaard.

Naar luid van artikel 149 van de Grondwet, dient elk vonnis in openbare terechtzitting te worden uitgesproken. Deze waarborg vloeit eveneens voort uit artikel 6, §1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het principe van de openbaarheid van de terechtzitting wordt eveneens vastgelegd door artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor Accountants en Belastingconsulten en voorziet op dit principe slechts in uitzonderingen ingeval het belang van minderjarigen, de bescherming van het privéleven of het belang van de rechtspraak of de geheimhoudingsplicht dit vereist.

De beslissing van de kamer van de Tuchtcommissie bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, of de Commissie van Beroep dienen uitdrukkelijk de redenen vast te stellen waarom in voorkomend geval beslist wordt dat de deuren moeten worden gesloten.

Deze redenen kunnen slechts de redenen zijn die worden opgesomd in artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de Tuchtcommissie in eerste aanleg van 6 december 2005, datum waarop de zaak behandeld werd, blijkt dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren.

Noch op dit proces-verbaal van de terechtzitting, noch in de beslissing van de Tuchtcommissie, noch op enig ander stuk wordt evenwel vastgesteld om welke reden tot de sluiting van de deuren werd overgegaan. Aldus kan uit de stukken van de rechtspleging voor de Nederlandstalige kamer van de Tuchtcommissie niet worden afgeleid dat het sluiten van de deuren regelmatig werd bevolen, en zijn de rechtspleging en de uitspraak van dit rechtscollege nietig.

Nu de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat de Commissie van Beroep zich aansluit bij de overwegingen van de Tuchtcommissie om de tenlasteleggingen bewezen te verklaren, neemt zij de nietigheid van de uitspraak van de Nederlandstalige kamer van de Tuchtcommissie over.

De bestreden beslissing schendt aldus artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de artikelen 148 en 149 van de Grondwet en artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor Accountants en Belastingsconsulenten.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De eiser voert aan dat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten de nietigheid overnam van de beslissing van de Tuchtcommissie, die zonder vermelding van enig motief de zaak met gesloten deuren behandelde en aldus de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, het artikel 6.1. van het EVRM en het artikel 5, §4, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belasting-consulenten heeft geschonden.

2. Voormeld artikel 148, dat de openbaarheid van de terechtzitting voorschrijft, en artikel 149, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken, zijn rechtens alleen toepasselijk op de rechtbanken, in de zin die aan dat woord is gegeven in de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, dat is op de rechtbanken van de rechterlijke macht.

De artikelen 148 en 149 van de Grondwet zijn enkel op andere rechtscolleges toepasselijk als een bijzondere bepaling zulks voorschrijft.
In zoverre het middel ervan uitgaat dat de beslissing van de Tuchtcommissie nietig is wegens schending van de artikelen 148 en 149 van de Grondwet, faalt het naar recht.

3. Het middel dat niet aan de feitenrechter is voorgelegd en waarover deze evenmin op eigen initiatief uitspraak heeft gedaan, ook als is het gegrond op een wettelijke bepaling of verdragsbepaling, die de openbare orde raakt of van dwingend recht is, kan niet voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, door de feitenrechter niet worden vastgesteld of niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

4. Uit de beroepen beslissing waarvan de redenen door de bestreden beslissing worden overgenomen, blijkt dat de behandeling geschiedde met gesloten deuren.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kan niet worden uitgemaakt of de eiser voor de Tuchtcommissie al dan niet een behandeling met gesloten deuren heeft gevraagd.

De eiser heeft de wijze van behandeling voor de Tuchtcommissie niet betwist en is hiertegen evenmin opgekomen voor de Commissie van beroep.

Het middel is in zoverre nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
De kosten begroot op de som van 446,43 euro jegens de eisende partij en op de som van 174,15 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: ma, 25/07/2016 - 13:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.