-A +A

ontslagregeling beschermde werknemers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer:

 •Bert Mergits, De bijzondere ontslagregeling van de personeelsafgevaardigden, Kluwer 2008, met draaiboeken en modellen
 

Ontslagbescherming van de werknemersvertegenwoordigers die zetelen in de OR of het CPBW (FOD)

19 MAART 1991. - Wet houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. (link naar de geconsolideerde versie van de wet op juridat)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 29-03-1991 nummer : 1991012215 bladzijde : 06412

Inwerkingtreding : 01-05-1991

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.

Artikel 1. § 1. Deze wet is van toepassing :

1° op de gewone en plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen vertegenwoordigen;

2° op de kandidaten voor de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel in diezelfde organen;

3° op de werkgevers welke voormelde personen tewerkstellen.

§ 2. Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder :

1° personeelsafgevaardigde : het gewoon of het plaatsvervangend lid als bedoeld in § 1;

2° kandidaat-personeelsafgevaardigde : de kandidaat als bedoeld in § 1, 2°;

3° raad : de ondernemingsraad;

4° comité : het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen;

5° onderneming of technische bedrijfseenheid : de technische bedrijfseenheid in de zin van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers alsmede de salubriteit van de werkplaatsen.

6° sluiting : elke definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming of van een afdeling ervan.

Art. 2. § 1. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden kunnen slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend.

Voor de toepassing van dit artikel geldt als ontslag :

1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in de §§ 2 of 3;

2° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wegens feiten die een reden uitmaken die ten laste van de werkgever kan gelegd worden;

3° het niet in acht nemen door de werkgever van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, genomen met toepassing van artikel 5, § 3 en waarin besloten wordt tot de voortzetting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten.

§ 2. De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalingen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.

Wanneer de minimumpersoneelsbezetting voorzien voor de oprichting van een raad of een comité niet meer is bereikt en er bijgevolg geen aanleiding is tot hernieuwing van deze organen, genieten de bij de vorige verkiezingen verkozen kandidaten verder het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de door de Koning vastgestelde periode der verkiezingen. Dit is eveneens het geval wanneer er geen nieuwe verkiezingen moeten georganiseerd worden bij ontstentenis van de vereiste kandidaturen.

Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van vijfenzestig jaar bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren in dienst te houden.

§ 3. De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 zo het hun eerste kandidatuur betreft.

De kandidaat-personeelsafgevaardigden als bedoeld in het eerste lid genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen.

Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt eveneens toegekend aan de kandidaten voorgedragen bij verkiezingen die nietig werden verklaard.

§ 4. Het mandaat van de personeelsafgevaardigden, of de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde mag voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen tot gevolg hebben.

§ 5. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden mogen niet worden overgeplaatst van een technische bedrijfseenheid naar een andere van een zelfde juridische entiteit, tenzij zij schriftelijk hun instemming betuigen op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen of indien er economische of technische redenen aanwezig zijn die vooraf door het bevoegd paritair orgaan in de zin van artikel 3, § 1, eerste lid, werden erkend.

De overplaatsing van één afdeling van een technische bedrijfseenheid naar een andere van dezelfde technische bedrijfseenheid wordt beschouwd als niet bestaande voor de toepassing van deze wet indien zij gebeurd is binnen de zes maanden die de sluiting van deze nieuwe afdeling voorafgaan.

§ 6. Geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan die bepaald in § 1, mag ingeroepen worden, met uitzondering van :

- de afloop van de termijn;

- de voltooiing van het werk waarvoor de overeenkomst werd gesloten;

- de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de werknemer;

- het overlijden van de werknemer;

- overmacht;

- het akkoord tussen de werkgever en de werknemer.

HOOFDSTUK II. - Ontslag om economische of technische redenen.

Art. 3. § 1. De werkgever die een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde wil ontslaan om economische of technische redenen, moet vooraf de zaak bij een ter post aangetekende brief aanhangig maken bij het bevoegd paritair comité. Bij ontstentenis van een paritair comité of zo het paritair comité niet werkt, moet hij de zaak bij de Nationale Arbeidsraad aanhangig maken.

Het paritair comité of, in voorkomend geval, de Nationale Arbeidsraad moet zich uitspreken over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen binnen twee maanden vanaf de datum van de aanvraag die hiertoe door de werkgever werd gedaan.

Bij ontstentenis van beslissing van het paritair orgaan binnen de termijn, vastgesteld in het vorige lid, mag de werkgever de personeelsafgevaardigde of de kandidaat-personeelsafgevaardigde enkel ontslaan in geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling van de onderneming of in geval van het ontslag van een welbepaalde personeelsgroep.

Behalve in het geval van sluiting van de onderneming of van een afdeling hiervan, mag de werkgever niet tot ontslag overgaan alvorens de arbeidsgerechten het bestaan van de economische of technische redenen erkend hebben. Om deze erkenning te verkrijgen, moet de werkgever, bij dagvaarding, een verzoek tot erkenning van de economische of technische redenen die het ontslag van een personeelsafgevaardigde of van een kandidaat-personeelsafgevaardigde, rechtvaardigt, bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig maken.

De procedure wordt geregeld door de bepalingen die zijn vastgesteld door de artikelen 8, 10 en 11 van deze wet. De werkgever moet de uitvoering van de arbeidsovereenkomst verzekeren tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten. Hij mag, in geval het vonnis de economische of technische redenen erkent, het ontslag enkel ter kennis brengen vanaf de derde werkdag na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of, indien er hoger beroep is ingesteld, de derde werkdag na de kennisgeving van het arrest dat de economische of technische redenen erkent.

§ 2. Het feit dat de werknemer een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde is of dat zijn kandidatuur ingediend is door een welbepaalde representatieve werknemersorganisatie mag in geen geval de beslissing van de werkgever om hem te ontslaan beïnvloeden.

§ 3. De werkgever behoort het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen technische en economische redenen evenals van het feit dat het ontslag niet indruist tegen het bepaalde in § 2.

HOOFDSTUK III. - Ontslag om een dringende reden.

Art. 4. § 1. De werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, moet hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover inlichten bij een ter post aangetekende brief, die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens, binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.

§ 2. Het verzoekschrift wordt gericht naar de griffie bij een ter post aangetekende brief en vermeldt :

1° de aanduiding van de dag, maand en jaar;

2° de naam, voornaam, beroep, woonplaats van de verzoeker evenals, in voorkomend geval, zijn hoedanigheden en inschrijving in het handelsregister of in het ambachtsregister of, indien het een rechtspersoon betreft, de aanduiding van zijn benaming, van zijn juridische aard en van zijn maatschappelijke zetel;

3° de naam, voornaam, woonplaats en hoedanigheid van de op te roepen personen;

4° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
De werkgever voegt bij zijn verzoek een afschrift van de brieven, bedoeld in § 1.

§ 3. In de bij § 1 bedoelde brieven moet de werkgever alle feiten vermelden die naar zijn oordeel elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaarwichtig zouden beoordeeld worden. In geen geval mogen deze feiten verband houden met de uitoefening van het mandaat van de personeelsafgevaardigde.

§ 4. De modaliteiten, de termijnen van kennisgeving en de vermeldingen die dit artikel oplegt, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Art. 5. § 1. Een onderhandelingsperiode van vijf werkdagen begint de derde werkdag na de dag waarop de bij artikel 4 bedoelde aangetekende brieven werden verzonden.

De werknemer en de organisatie die hem heeft voorgedragen, nemen contact met de werkgever om hem in kennis te stellen van hun standpunt over de ingeroepen feiten.

§ 2. De partijen worden opgeroepen door de griffier om afzonderlijk en in persoon te verschijnen voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank, teneinde ingelicht te worden over de draagwijdte van de te volgen procedure, op een rechtsdag die wordt vastgesteld tijdens de periode bedoeld in § 1. Een afschrift van het verzoekschrift wordt bij de oproeping gevoegd.

§ 3. De voorzitter legt een nieuwe rechtsdag vast die onmiddellijk na de onderhandelingsperiode valt en waarop hij de partijen tracht te verzoenen.

Indien een akkoord bereikt wordt, legt de voorzitter de bepalingen hiervan vast in het proces-verbaal dat hij opmaakt en de uitgifte wordt bekleed met het formulier van tenuitvoerlegging.

Indien de partijen niet kunnen verzoend worden, maakt de voorzitter hiervan melding in de beschikking die hij dezelfde dag neemt en waarbij hij zich uitspreekt over de eventuele schorsing van de arbeidsovereenkomst van de personeelsafgevaardigde tijdens de duur van de procedure betreffende de erkenning van de dringende reden.

De beslissing wordt gesteund op de overweging dat de ingeroepen redenen vreemd zijn aan de hoedanigheid van personeelsafgevaardigde en aan vakbondsactiviteiten en heeft gevolg vanaf de datum van de aanhangigmaking bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank door de werkgever met toepassing van artikel 6.

Zij is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. Zij wordt aan de partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief uiterlijk de derde werkdag na de uitspraak.

§ 4. De schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst houdt tevens de schorsing in van de uitoefening van het mandaat van personeelsafgevaardigde.

§ 5. Voor de kandidaat-personeelsafgevaardigde, beslist de werkgever zelf of de arbeidsovereenkomst tijdens de gerechtelijke procedure zal worden geschorst. Deze schorsing kan geen aanvang nemen voor de datum van de dagvaarding, bedoeld in artikel 6.

§ 6. Onder partijen wordt verstaan de werkgever, de werknemer en de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen.

Art. 6. De werkgever die na verloop van de bij artikel 5, paragraaf 1, vastgestelde onderhandelingsperiode bij zijn voornemen blijft om te ontslaan, moet de zaak bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank volgens de vormen van het kort geding aanhangig maken binnen drie werkdagen na verloop van de onderhandelingsperiode zo het om een kandidaat-personeelsafgevaardigde gaat en binnen drie werkdagen na de dag waarop de voorzitter van de arbeidsrechtbank de bij artikel 5, paragraaf 3, bedoelde beslissing heeft genomen zo het om een personeelsafgevaardigde gaat.

Art. 7. De dagvaarding vermeldt de dringende reden die het verzoek rechtvaardigt. De ingeroepen feiten mogen niet verschillen van die welke met toepassing van artikel 4, paragraaf 1, ter kennis werden gebracht. Tijdens de procedure mag geen enkele andere reden aan het arbeidsgerecht worden voorgelegd. Een afschrift van de brief, die, zoals geregeld in artikel 4, paragraaf 1, moet worden verstuurd naar de werknemer en de organisatie die hem heeft voorgedragen, moet bij het dossier worden neergelegd.

Art. 8. De zaak wordt bij de eerstvolgende nuttige zitting ingeleid en in behandeling genomen teneinde de partijen te verzoenen.
Indien de partijen niet verzoend kunnen worden, maakt de voorzitter hiervan melding in de beschikking die hij dezelfde dag neemt en waarbij hij de zaak naar een kamer van de rechtbank verwijst. Deze beschikking wordt ter kennis gebracht van de partijen ten laatste de derde werkdag na de uitspraak en is niet vatbaar voor hoger beroep of voor verzet.

De terechtzitting van de arbeidsrechtbank tijdens welke de zaak wordt gepleit, vindt plaats binnen een termijn van dertig werkdagen. De rechter kan deze termijn nochtans verlengen tot vijfenveertig dagen met de instemming van de partijen.

Hij bepaalt eveneens de termijnen voor het neerleggen van de stukken en de conclusies.
Deze beslissingen van de voorzitter worden aan de partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief uiterlijk de derde werkdag na de uitspraak. Zij zijn niet vatbaar voor hoger beroep of voor verzet.

Art. 9. Indien de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij wijze van voorlopige maatregel voor een personeelsafgevaardigde beslist of indien de werkgever voor een kandidaat-personeelsafgevaardigde beslist dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet geschorst blijven tot hem de in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de ernst van de door de werkgever ingeroepen redenen wordt betekend of, indien er geen hoger beroep geweest is, tot bij het verstrijken van de termijn voor hoger beroep moet de werkgever op het einde van elke gewone betaalperiode een vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkeringen betalen, waardoor aan de personeelsafgevaardigde of aan de kandidaat-personeelsafgevaardigde een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon.

De Koning bepaalt de wijze van berekening van deze bijkomende vergoeding. Het referteloon dat als basis dient voor de berekening van de bijkomende vergoeding is gebonden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de formule geregeld bij de collectieve arbeidsovereenkomst die op de werknemer van toepassing is of, bij ontstentenis van dergelijke overeenkomst, volgens de formule die normaal van toepassing is op het loon van deze werknemer.

De bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn van toepassing op de betaling door de werkgever van de bij dit artikel bedoelde bijkomende vergoeding.

De bijkomende vergoeding bedoeld in het eerste lid blijft verworven voor de personeelsafgevaardigde (en aan de kandidaat-personeelsafgevaardigde), ongeacht de beslissing van het arbeidsgerecht over de door de werkgever ingeroepen redenen. <W 1991-07-20/31, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 1991-08-11>
(Lid 5 opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2007>

Art. 10. Nadat de rechter met toepassing van artikel 8, vierde lid, zijn beslissing heeft gewezen, neemt de werkgever als eerste conclusie.

De beslissing wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten opzichte van de niet-verschenen partij of de partij die geen conclusies heeft genomen binnen de termijnen vastgesteld overeenkomstig artikel 8, vierde lid. Zij wordt uitgesproken binnen de acht dagen die volgen op de sluiting van de debatten.

Uitstel kan slechts één keer worden verleend. Het kan worden toegekend op grond van een met redenen omkleed verzoek en kan maximum acht dagen bedragen.

Het door middel van conclusies geformuleerde verzoek om getuigenverhoor bevat de naam, voornamen, woonplaats of, bij ontstentenis daarvan, de plaats van tewerkstelling van de getuigen. Voor het overige gelden de desbetreffende bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

De rechter bepaalt bij tussenvonnis de termijnen waarbinnen de onderzoeksmaatregelen worden uitgevoerd. Hiertegen is geen hoger beroep mogelijk. Die termijnen gelden voor de partijen op straffe van verval.

De rechter doet uitspraak binnen acht dagen na de sluiting van de debatten.

Indien het openbaar ministerie mededeling krijgt van de zaak, moet het zijn advies neerleggen binnen vijf dagen na het sluiten van de debatten. In dat geval wordt de beraadslagingstermijn met vijf dagen verlengd.

Alle vonnissen worden aan de partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief uiterlijk de derde werkdag na de uitspraak. Ze zijn niet vatbaar voor verzet en, behalve het eindvonnis, zijn ze niet vatbaar voor hoger beroep.

Art. 11. § 1. Tegen het eindvonnis van de arbeidsrechtbank kan met een verzoekschrift hoger beroep aangetekend worden binnen tien werkdagen vanaf de betekening. Dit verzoekschrift wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief en wordt door de griffie aan alle partijen toegezonden. De zaak wordt geacht aanhangig te zijn gemaakt bij het arbeidshof de dag dat de brief ter post werd neergelegd.
In afwijking van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek, vermeldt het verzoekschrift de opgave van de middelen in hoger beroep; enkel de middelen in het verzoekschrift zijn ontvankelijk.

Het volledige dossier van de eiser in hoger beroep moet bij de griffie neergelegd worden binnen drie werkdagen na de verzending van het verzoekschrift.

§ 2. De eerste voorzitter van het arbeidshof die in een enkele zitting zetelt, neemt een beschikking waarbij de zaak toebedeeld wordt aan een kamer van het arbeidshof die hij aanwijst. Deze beschikking wordt ter kennis gebracht van de partijen ten laatste de derde werkdag na de uitspraak en is niet vatbaar voor hoger beroep of voor verzet.

De terechtzitting van het arbeidshof tijdens welke de zaak wordt gepleit, vindt plaats binnen een termijn van maximum dertig werkdagen vanaf de dag van de uitspraak van de in het vorige lid bedoelde beschikking. Deze termijn kan nochtans verlengd worden tot vijfenveertig werkdagen met instemming van de partijen.

De rechter bepaalt eveneens de termijnen voor het neerleggen van de stukken en de conclusies.

De beslissing van het hof wordt aan de partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief uiterlijk de derde werkdag na de uitspraak.

Uitstel kan slechts één keer worden toegekend. Het wordt toegekend op grond van een met redenen omkleed verzoek en kan maximum acht dagen bedragen.

Het hof bepaalt bij tussenarrest de termijnen waarbinnen de onderzoeksmaatregelen worden uitgevoerd. Hiertegen staat geen voorziening open. Die termijnen gelden voor de partijen op straffe van verval.

§ 3. Het hof doet uitspraak binnen acht dagen na de sluiting van de debatten.

Als de partijen de termijnen voor de neerlegging van de conclusies en de stukken vastgesteld door de eerste voorzitter met toepassing van § 2 niet naleven, wordt een arrest bij verstek gewezen dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen.

Indien het openbaar ministerie mededeling krijgt van de zaak, moet het zijn advies geven binnen vijf dagen na het sluiten van de debatten. In dat geval wordt de beraadslagingstermijn met vijf dagen verlengd.

Alle arresten worden aan de partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief uiterlijk de derde werkdag na de uitspraak. Ze zijn niet vatbaar voor verzet.

Art. 12. Wanneer de arbeidsrechtbank of het arbeidshof de dringende reden erkent, gaat de termijn van drie werkdagen bepaald in artikel 35, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in op de derde werkdag na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of, indien er hoger beroep is ingesteld, de derde werkdag na de kennisgeving van het arrest.

Art. 13. De werknemer van wie de arbeidsovereenkomst in haar uitvoering is geschorst tijdens de duur van het geding betreffende de erkenning van de dringende reden, kan aan de overeenkomst een einde maken zonder opzeggingstermijn of -vergoeding.

Wanneer de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst niet geschorst is, moet hij de wettelijke opzeggingstermijn in acht nemen. Gaat het om een arbeidsovereenkomst voor bedienden, dan geldt de verkorte opzeggingstermijn overeenkomstig artikel 84 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 14. Wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de bij de artikelen 2 tot 11 bedoelde voorwaarden en procedures na te leven, kan de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie in de onderneming aanvragen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor de beëindiging van de overeenkomst genoot, op voorwaarde dat bij een ter post aangetekende brief hiertoe een aanvraag wordt ingediend binnen dertig dagen volgend op :

- de datum van de betekening van de opzegging of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegging;

- of de dag van de voordracht van de kandidaturen zo deze na de datum van de betekening van de opzegging of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegging geschiedt.

Art. 15. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 14, moet de werkgever, die de werknemer reïntegreert, het gederfde loon uitbetalen en de uit hoofde van dat loon verschuldigde werkgevers- en werknemersbijdragen voor sociale zekerheid storten.

Art. 16. Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn reïntegratie niet heeft aangevraagd binnen de bij artikel 14 vastgestelde termijnen, moet de werkgever hem, uitgezonderd in het geval dat de verbreking heeft plaatsgehad voor de indiening van de kandidaturen, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade, een vergoeding betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van :

- twee jaar zo hij minder dan tien dienstjaren in de onderneming telt;

- drie jaar zo hij tien doch minder dan twintig dienstjaren in de onderneming telt;

- vier jaar zo hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt.

Art. 17. § 1. Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, moet deze werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 bedoelde vergoeding betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest.

§ 2. In geval van betwisting moet de werkgever het bewijs leveren dat hij de reïntegratie, die hem gevraagd werd, aanvaard heeft.

Art. 18. Diezelfde vergoedingen zijn eveneens verschuldigd wanneer de arbeidsovereenkomst door de werknemer werd beëindigd wegens feiten die een dringende reden uitmaken in hoofde van de werkgever of wanneer de werkgever de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, genomen met toepassing van artikel 5 en waarin besloten wordt dat de voortzetting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten, niet in acht neemt.

Art. 19. Het lid dat het personeel vertegenwoordigt en dat ontslagen wordt in strijd met de bepalingen van deze wet en in de onderneming gereïntegreerd wordt, neemt zijn mandaat opnieuw op.

HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

Art. 20. De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen, om ze aan te passen aan de bepalingen van deze wet.

Art. 21. <invoeging van een artikel 587bis in het Gerechtelijk Wetboek>

Art. 22. Worden opgeheven :
1° artikel 21, §§ 2 tot 8, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, gewijzigd bij de wetten van 16 januari 1967, 17 februari 1971 en 23 januari 1975, het koninklijk besluit nr. 4 van 11 oktober 1978 en de wet van 22 januari 1985;
2° artikel 1bis, §§ 2 tot 8, van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, gewijzigd bij de wetten van 16 januari 1967, 17 februari 1971 en 23 januari 1975 en het koninklijk besluit nr. 4 van 11 oktober 1978."Die bepalingen blijven evenwel van toepassing met betrekking tot de dringende redenen waarvan de werkgever kennis had voor of op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, alsmede met betrekking tot de aanvragen tot erkenning van redenen van economische of technische aard die op voormelde dag reeds bij het bevoegd paritair orgaan aanhangig zijn gemaakt."

Art. 23. Deze wet treedt in werking de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Zij is enkel van toepassing op de dringende redenen waarvan de werkgever kennis heeft gekregen na de dag van haar inwerkingtreding en op de erkenning van redenen van economische of technische aard die nog niet bij het bevoegde paritair comité aanhangig is gemaakt.
 

Nog dit: 

• Arbeidshof Antwerpen, 14 december 2009, RW 2010-2011, 1059

G. t/ NV S.P.

...

V. Ten gronde

1. De feiten

Met een geschreven arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur van 2 april 1998 kwam mevrouw G. als bediende in dienst van de NV S.P. en was tewerkgesteld in het kantoor te Dendermonde als «office manager».

Bij de sociale verkiezingen van 2000 werd mevrouw C. verkozen als personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad en in het comité voor bescherming en preventie op het werk.

Tussen partijen wordt niet betwist dat op 2 oktober 2003 zich in chronologische volgorde volgende gebeurtenissen voordeden.

De NV S.P. deelde aan mevrouw G. mondeling mee dat zij zinnens was om de bijzondere procedure voor ontslag wegens dringende reden in te stellen.

Vervolgens ondertekende mevrouw G. een eigenhandig geschreven verklaring waarin zij met ingang van 2 oktober 2003 ontslag nam uit haar mandaten als personeelsafgevaardigde van de ondernemingsraad en van het comité voor bescherming en preventie op het werk.

Vervolgens bevestigde de NV S.P. de mondeling meegedeelde beslissing om de arbeidsovereenkomst met mevrouw G. te verbreken met onmiddellijke ingang.

Ten slotte sloten partijen een geschreven overeenkomst waarin de hiervoor geschetste gang van zaken was vermeld en waarin tevens het volgende was bepaald:

«Art. 1

«De arbeidsovereenkomst komt ten einde door de verbreking door C. met onmiddellijke ingang op 2 oktober 2003.

«C. betaalt mevrouw G. het loon tot en met 2 oktober 2003, evenals de pro rata dertiende maand.

«C. betaalt mevrouw G. een opzeggingsvergoeding ten belope van 8.864 euro bruto, overeenstemmende met een opzeggingstermijn van drie maanden. Partijen komen overeen dat de bedrijfswagen ten laatste wordt ingeleverd op 31 december 2003. Indien de bedrijfswagen voortijdig wordt ingeleverd, wordt dit voordeel verrekend.

...

«Art. 3

«Mevrouw G. erkent dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door C. haar geen recht geeft op de bescherming, de vergoedingen en/of enige vorderingsrechten op grond van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden, gelet op haar eerdere ontslagname als lid van de ondernemingsraad en van het comité preventie en bescherming.

...

«Art. 6

«Mevrouw G. doet afstand van het recht om betaling te eisen van enige andere som, schadeloosstelling of vergoeding die C. en/of enige andere entiteit van de groep waartoe C. behoort, haar nog verschuldigd zou zijn op grond van en/of met betrekking tot de arbeidsrelatie en/ of met betrekking tot de beëindiging ervan.

«Mevrouw G. doet in het bijzonder afstand van rechten die zij zou kunnen putten uit de wet van 19 maart 1991 en/of uit de wet van 3 juli 1978.

«Mevrouw G. doet eveneens afstand van het recht enig voordeel te halen uit enige feitelijke of juridische dwaling omtrent het bestaan of de omvang van haar rechten».

Met een aangetekende brief van 16 oktober 2003 vroeg de vakorganisatie de re-integratie van mevrouw G. en de betaling van het gederfde loon.

Met een aangetekende brief van 31 oktober 2003 deelde de NV S.P. aan de vakorganisatie van mevrouw G. mee dat zij mevrouw G. niet zou re-integreren en het gederfde loon niet zou betalen.

Met een brief van 11 december 2003 vorderde de vakorganisatie van mevrouw G. de betaling van een beschermingsvergoeding gelijk aan twee jaar loon, vermeerderd met het loon overeenstemmend met het resterend gedeelte van de duur van het mandaat, zijnde een som van 102.523,52 euro.

Op 10 maart 2004 dagvaardde mevrouw G. de NV S.P. voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van 102.523,52 euro, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten.

Met een vonnis van 23 februari 2006 verklaarden de eerste rechters de eis van mevrouw G. ontvankelijk maar ongegrond.

Tegen dit vonnis tekende mevrouw G. hoger beroep aan.

2. De beoordeling

2.1. Geniet de personeelsafgevaardigde die ontslag neemt uit zijn mandaat nog steeds een bijzondere bescherming?

Verwijzend naar het arrest nr. 167/2006 van het Grondwettelijk Hof van 8 november 2006, voert mevrouw G. aan dat zij als beschermde werknemer die haar mandaat heeft neergelegd nog steeds de in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde bescherming bleef genieten, zij het dan als gewezen kandidaat. Aldus kon zij, gelet op het openbare-orde- karakter van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, geen afstand doen van de rechten die aan die bescherming gekoppeld waren en kon zij in de gesloten overeenkomst dus ook geen afstand doen van de bijzondere beschermingsvergoeding.

Het arbeidshof is ter zake van oordeel dat een grondwetconforme interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen inderdaad tot gevolg heeft dat de personeelsafgevaardigde die zijn mandaat neerlegt niettemin de bescherming van een gewezen kandidaat- personeelsafgevaardigde behoudt (L. Eliaerts, «Personeelsafgevaardigde blijft na einde mandaat beschermd als kandidaat», commentaar op Arbitragehof 8 november 2006, Soc.Kron. 2008, 129-131). Meer bepaald verwijst het arbeidshof hiervoor naar volgende rechtsoverwegingen die het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 167/2006 daarover maakte:

«(...) B.3. De ontslagbescherming die is gewaarborgd bij de voormelde wet van 19 maart 1991 geldt voor een periode die langer duurt dan de verkiezingen en gedurende welke de begunstigden die in de wet brevitatis causa «kandidaten» worden genoemd strikt genomen geen kandidaten meer zijn. Hieruit volgt dat in de terminologie van de wet het woord «kandidaat» niet alleen de eigenlijke kandidaat aanduidt maar ook de werknemer die is beschermd omdat hij kandidaat is geweest.

«B.4. In de interpretatie van de verwijzende rechter zou de personeelsafgevaardigde, door de verkiezing, de bescherming verliezen die hij als kandidaat genoot. Die interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen heeft tot gevolg dat de personeelsafgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, waardoor hij de bescherming verliest die is verbonden aan het uitgeoefende mandaat van gewoon of plaatsvervangend afgevaardigde, elke bescherming tegen ontslag verliest.

«B.5. Een dergelijk effect, dat de personeelsafgevaardigde in een situatie plaatst die minder gunstig is dan die van de kandidaat bij de sociale verkiezingen die niet is verkozen, leidt ertoe dat het neerleggen van het mandaat onevenredige gevolgen heeft wat de bescherming van de betrokken persoon tegen ontslag betreft. Het neerleggen van het mandaat van personeelsafgevaardigde, dat om zeer uiteenlopende redenen kan worden gemotiveerd, zou immers niet kunnen worden beschouwd als een aanwijzing dat de afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt, de bescherming tegen ontslag die de personen genieten die kandidaat bij de sociale verkiezingen zijn geweest, niet langer nodig zou hebben.

«De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden dus zijn geschonden indien het neerleggen van zijn mandaat de afgevaardigde het voordeel van elke bescherming tegen ontslag zou ontnemen, terwijl de niet- verkozen kandidaat die bescherming niet kan worden ontnomen.

«B.6. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

«B.7. Het Hof merkt evenwel op dat de ontslagbescherming waarop een gewezen kandidaat recht heeft, door geen enkele bepaling wordt voorbehouden aan de kandidaat die niet is verkozen. Binnen de logica van het systeem is er weliswaar geen reden om bijzondere bescherming toe te kennen aan een gewezen kandidaat zolang deze die bescherming geniet in zijn hoedanigheid van afgevaardigde; uit geen enkele tekst, noch uit de logica van het systeem kan echter worden afgeleid dat een kandidaat, door zijn verkiezing tot afgevaardigde, definitief, wat er ook gebeurt, de bescherming zou verliezen die is gerechtvaardigd door de risico‘s die een kandidaat bij de sociale verkiezingen gedurende een bepaalde periode loopt.

«De in het geding zijnde bepalingen kunnen dus in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt, de daarin geregelde bescherming niet ontnemen.

«B.8. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord».

Uit het bovenstaande volgt dat een grondwetconforme interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen ertoe leidt dat mevrouw G. op het ogenblik dat zij werd ontslagen nog steeds de bijzondere bescherming van een gewezen kandidaat genoot.

2.2. Kan de beschermde werknemer een overeenkomst sluiten over de bijzondere beschermingsvergoeding zoals bedoeld in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden?

Mevrouw G. voert aan dat, gelet op het openbare- orde-karakter van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, de overeenkomst van 2 oktober 2003 nietig is wegens een ongeoorloofde oorzaak, omdat de werknemer niet rechtsgeldig kan beschikken over de ontslagbescherming en er dus ook geen afstand van kan doen. Mevrouw G. kon bij overeenkomst evenmin regelmatig afstand doen van de bijzondere beschermingsvergoeding die verworven was ingevolge het onregelmatig ontslag.

Naar het oordeel van het arbeidshof rijst in eerste instantie de vraag of het gehele beschermingssysteem, dat verleend is aan de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden, al dan niet de openbare orde raakt.

Wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust, is van openbare orde (Cass. 10 maart 1994, RW 1994-95, 431; Cass. 13 december 2002, Arr.Cass. 2002, 2755).

Met zijn arrest van 4 september 1995 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de bijzondere bescherming verleend aan de personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden in het algemeen belang werd ingesteld en aldus van openbare orde is (Cass. 4 september 1995, JTT 1995, 493, noot C. Wantiez). Ook dit arbeidshof deelt die visie.

In een ander – recent – arrest overweegt het Hof van Cassatie: «(...) De omstandigheid dat de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden van openbare orde is brengt niet mee dat de door de werkgever op regelmatige wijze gegeven opzegging, ter kennis gebracht gedurende de beschermingsperiodes bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van art. 2 van deze wet, nietig is, maar heeft tot gevolg dat de in de art. 16 en 17 van deze wet bepaalde vergoedingen verschuldigd zijn van zodra de arbeidsovereenkomst effectief ten einde komt ingevolge die opzegging van de werkgever» (Cass. 22 juni 2009, S.09.0003.N, www.juridat.be, op datum).

Het arbeidshof is evenwel van oordeel dat het Hof van Cassatie met voornoemde arresten enkel een uitspraak heeft gedaan over de juridische aard van de ontslagbeschermingsregeling op zich, maar niet over de juridische aard van de bepalingen die de omvang van de wettelijke beschermingsvergoedingen vastleggen (Arbh. Antwerpen 20 februari 2007, Soc.Kron. 2007, 293).

Het arbeidshof kwalificeert de bepalingen die de bijzondere ontslagvergoedingen vastleggen, eens dat vaststaat dat op die vergoedingen aanspraak kan worden gemaakt en dat zij individueel verworven zijn, als bepalingen van dwingend recht, omdat zij op dat ogenblik louter private belangen beschermen en niet langer door het algemeen belang zijn ingegeven (V. Vannes, «Le conseil d‘entreprise ou comité de sécurité et d‘hygiène conventionnels – protection des travailleurs – ordre public», JTT 1995, 489; H.-F. Lenaerts, Het ontslag van beschermde werknemers, in reeks Sociale praktijkstudies 6, Diegem, Ced Samsom, 2000, 97).

De omstandigheid dat het bijzonder beschermingssysteem van openbare orde is, heeft niet tot gevolg dat alle daaruit vloeiende rechten automatisch een openbare-orde-karakter meedragen, aangezien het openbare- orde-karakter van een bepaling wordt gerechtvaardigd door de aard van de belangen die zij wil beschermen.

Het arbeidshof is van oordeel dat het feit dat een personeelsafgevaardigde niet geldig afstand kan doen van zijn ontslagbescherming, omdat deze wettelijke bescherming in het algemeen belang werd ingesteld en daardoor de openbare orde raakt, nochtans niet verhindert dat hij rechtsgeldig afstand kan doen van de vergoeding vanaf het ogenblik dat hij werd ontslagen en het vaststaat dat zijn rechten op deze vergoeding definitief verworven zijn en deel uitmaken van zijn vermogen. Vanaf dan kan het recht op die vergoeding worden beschouwd als voortvloeiend uit een wetsbepaling die niet langer van openbare orde is, maar van dwingend recht ter bescherming van particuliere belangen (A. Van Regenmortel, «Aard van de bepalingen: van openbare orde of dwingend recht?», in J. Goemans (red.), Het statuut van de beschermde werknemer: een stand van zaken in het nieuwe millennium, Antwerpen, Intersentia, 2001, 45-46).

Een wettelijke bepaling van dwingend recht verhindert dat de toepasselijkheid van het recht dat uit die bepaling voortvloeit, kan worden uitgesloten zolang die bepaling niet opgehouden heeft dwingend te zijn ten behoeve van de begunstigde (Cass. 16 november 1990, RW 1990-91, 1092).

De vraag rijst echter op welk tijdstip die bepaling opgehouden heeft dwingend te zijn ten behoeve van de begunstigde en het vaststaat dat de bijzondere beschermingsvergoeding definitief verworven is en deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer.

Art. 14 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt:

«Wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de bij de artikelen 2 tot 11 bedoelde voorwaarden en procedures na te leven, kan de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie in de onderneming aanvragen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor de beëindiging van de overeenkomst genoot, op voorwaarde dat bij een ter post aangetekende brief hiertoe een aanvraag wordt ingediend binnen dertig dagen volgend op:

– de datum van de betekening van de opzegging of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegging;

– of de dag van de voordracht van de kandidaturen zo deze na de datum van de betekening van de opzegging of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegging geschiedt».

Art. 16 van deze wet bepaalt:

«Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn reïntegratie niet heeft aangevraagd binnen de bij artikel 14 vastgestelde termijnen, moet de werkgever hem, uitgezonderd in het geval dat de verbreking heeft plaatsgehad voor de indiening van de kandidaturen, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade, een vergoeding betalen gelijk aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van:

– twee jaar zo hij minder dan tien dienstjaren in de onderneming telt;

– drie jaar zo hij tien doch minder dan twintig dienstjaren in de onderneming telt;

– vier jaar zo hij twintig of meer dienstjaren in de onderneming telt».

Art. 17, § 1, van die wet bepaalt:

«Wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, moet deze werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 bedoelde vergoeding betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest».

Naar het oordeel van het arbeidshof volgt uit voornoemde bepalingen dat de in art. 17 bedoelde vergoeding die de werkgever verschuldigd is wegens een onregelmatige beëindiging in de zin van art. 14, eerste gedachtestreepje, door de werknemer slechts definitief verworven is wanneer het vaststaat dat hij niet zal worden gere-integreerd, hetzij omdat geen re-integratie is gevraagd binnen de in art. 14 bepaalde termijn, hetzij omdat de werkgever een tijdig gevraagde re-integratie niet tijdig aanvaardt, hetzij omdat de werkgever binnen de termijn waarbinnen de re-integratie kan worden gevraagd reeds uitdrukkelijk de wil heeft geuit niet tot re-integratie te zullen overgaan.

De procedure tot re-integratie is er immers in eerste instantie op gericht om, in geval van een ontslag in strijd met de bijzondere voorschriften van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, de werknemers-personeelsafgevaardigden nog de mogelijkheid te bieden om hun mandaat opnieuw op te nemen en hen in de gelegenheid te stellen hun opdracht in de onderneming verder te vervullen.

Het arbeidshof stelt vast dat, in chronologische volgorde, het volgende zich heeft voorgedaan:

– mevrouw G. heeft op 2 oktober 2003 ontslag genomen uit haar mandaat in de ondernemingsraad en in het comité voor bescherming en preventie op het werk;

– mevrouw G. werd vervolgens door de NV S.P. ontslagen;

– onmiddellijk daaropvolgend werd een overeenkomst gesloten waarin mevrouw G. afstand heeft gedaan van de vergoeding die op grond van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden verschuldigd was;

– mevrouw G. en haar vakorganisatie hebben binnen een termijn van dertig dagen volgend op de beëindiging zonder opzegging, namelijk op 16 oktober 2003, bij aangetekende brief een verzoek tot re-integratie ingediend, wat door de NV S.P. op 7 oktober 2003 werd geweigerd.

De afstand van de bijzondere beschermingsvergoeding werd derhalve gedaan op een tijdstip waarop die vergoeding nog niet definitief en onherroepelijk verworven was en nog geen deel uitmaakte van het vermogen van mevrouw G., zodat die afstand niet regelmatig werd gedaan.

Mevrouw G. kan dan ook aanspraak maken op de betaling van de haar toekomende bijzondere beschermingsvergoeding die, ingevolge het onregelmatig ontslag zoals bedoeld in art. 2, § 1, 1o, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, verworven was en waarvan zij niet regelmatig afstand heeft gedaan.

De NV S.P. is bijgevolg gehouden tot betaling van de door mevrouw G. in haar laatste conclusie herleide vergoeding van 93.659,52 euro, waarvan de becijfering niet langer wordt betwist.

De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk.

Onder dit arrest werd in het RW 2010-2011, 2062 een noot gepubliceerd van Jan Buelens en Ilse van Puyvelde: Het moment van opeisbaarheid bij afstand van de beschermingsvergoeding van beschermde werknemers

• Hof van Cassatie 3e Kamer – 26 juni 2017, RW 2017-2018, 1260

samenvatting

Het arrest dat oordeelt dat de aankoopverantwoordelijken van de diverse vestigingen van Tech Data in Europa zonder de goedkeuring van de eiser geen aankopen mochten doen, kon op die grond wettig oordelen dat de eiser te aanzien is als een persoon die onder zijn verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kan verbinden zoals bedoeld in artikel 2, I. 3, van het KB van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur; de omstandigheid dat de bestellingen niet door de eiser zelf werden geplaatst en de aankoopverantwoordelijken van de diverse vestigingen nog ervan konden afzien een goedgekeurde bestelling te plaatsen, doet daaraan niet af.

arrest:

AR nr. S.15.0036.N

Vennootschappen naar Italiaans recht SpA A.L.A.I. en A.-C.A.I. t/ E.D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Arbeidshof te Brussel van 14 februari 2014 en 24 oktober 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 3, § 1 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden kan de werkgever een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde slechts om economische of technische redenen ontslaan wanneer die redenen vooraf door het bevoegde paritair comité zijn erkend.

Het doel van de bescherming vervat in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bestaat erin nadelige discriminatie van de personeelsafgevaardigden te voorkomen en de goede werking van de overlegorganen te vrijwaren.

2. Zolang niet vaststaat dat de betreffende overlegorganen in een bepaalde onderneming binnen een zeer korte termijn niet langer hun wettelijke opdracht zullen kunnen vervullen, is er, behalve in het geval van een afwijkende bijzondere wetsbepaling, zoals art. 46, § 2, eerste lid Faillissementswet, geen enkele grond die toelaat een personeelsafgevaardigde om technische of economische redenen te ontslaan zonder het bevoegde paritair comité te raadplegen.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

– de procedure van buitengewone bewindvoering zoals deze uiteindelijk werd uitgevoerd via de overeenkomst tot overdracht van een geheel van goederen en overeenkomsten van 12 december 2008 niet enkel tot doel had de stopzetting van de activiteiten van de eerste eiseres te regelen, maar wel bestond in het organiseren van een «doorstart» van de luchtvaartmaatschappij via de tweede eiseres;

– bij de voormelde overeenkomst van 12 december 2008 tussen de eerste en de tweede eiseres werd bepaald dat met ingang van 12 januari 2009 om 23 uur minstens een zeer belangrijk gedeelte van de materiële en immateriële activa en zelfs een gedeelte van de passiva van de eerste eiseres werden overgedragen naar de tweede eiseres;

– op de doorstart van de eerste eiseres naar de tweede eiseres de bepalingen van hoofdstuk II van de cao nr. 32bis van toepassing zijn;

– art. 46, § 2 Faillissementswet niet geldt voor de vereffenaar van een gerechtelijk akkoord;

– uit het decreet van 29 augustus 2008, genomen ter uitvoering van de Italiaanse decreetwetten nr. 347 van 23 december 2003 en nr. 134 van 28 augustus 2008, geenszins blijkt dat de taak van de met het decreet van 29 augustus 2008 aangestelde voorlopige bewindvoerder F. noodzakelijk inhoudt dat alle werknemers van de eerste eiseres ontslagen dienden te worden;

– in de aanstelling van de h. F. enkel wordt aangegeven dat deze belast wordt met het beheer van de onderneming en de administratie van haar goederen;

– de verweerder als lid van de vakbondsafvaardiging ermee belast was de opdrachten van het comité voor preventie en bescherming op het werk uit te oefenen en hij dezelfde bescherming genoot als de personeelsafgevaardigden in deze comités.

4. Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de eerste eiseres wel degelijk de procedure tot ontslag om economische of technische redenen, zoals vervat in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, had moeten naleven naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. Blijkens bovenstaande feitelijke beoordeling van de appelrechters heeft de eerste eiseres niet alle activiteiten stopgezet, maar zijn de activiteiten voortgezet als gevolg van de gevoerde procedure van buitengewone bewindvoering.

6. De door de eiseressen voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de hier niet voorhanden zijnde hypothese dat is vastgesteld dat de werkgever alle activiteiten heeft stopgezet als gevolg van de gevoerde procedure van buitengewone bewindvoering.

Er is geen reden deze vraag, die niet aan de orde is en aldus niet dienstig is voor de oplossing van het geschil, aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 19:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.