-A +A

onteigening bij hoogdringendheid uitzonderingsprocedure wet 26 juli 1962

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Naar luid van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtsple¬ging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, kan de onteigening volgens de regels van die wet slechts geschieden “wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. De aanwending van de uitzonde-ringsprocedure vastgesteld in de wet van 26 juli 1962, uitsluitend verantwoord door redenen van algemeen belang, is dan ook slechts toegestaan wanneer de “onmiddel-lijke inbezitneming” van het goed door de onteigenende overheid “onontbeerlijk is”.

Rechtsleer: Hoogdringendheid niet langer de regel bij onteigeningen, of hoe een uitzondering terug een uitzondering werd, noot van G. Jacobs en C. Van Den Bergh, onder RvS 12/10/2009, RABG, 2010, 6, p. 355. lees de noot met paswoord jurisquare

Rechtspraak: 

• RvS 12/10/2009, RABG, 2010, 6, p. 355.

Gezien het verzoekschrift dat W. N., Y.en N. op 31 maart 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 januari 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Land-bouw waarbij de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening wordt gemachtigd over te gaan tot onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen gelegen in de gemeente Huldenberg bestemd voor de uitvoering van drinkwatervoorzie-ningswerken;
(...)

OVERWEEGT WAT VOLGT:

1. De feiten
1.1. Bij het bestreden besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 5 januari 2001 wordt de tussenkomende partij gemachtigd over te gaan tot ont-eigening ten algemenen nutte van onroerende goederen gelegen in de gemeente Huldenberg, deelgemeente Neerijse, bestemd voor de uitvoering van drinkwatervoorzie-ningswerken.
Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd:
“Overwegende dat om de drinkwatervoorziening in Vlaams-Brabant in de nabije toekomst veilig te stellen een oppervlaktewaterwinning van 36.000 m3/dag uitbreid-baar tot 50.000 m3/dag wordt opgezet, omdat het hydrologisch moeilijk te verant-woorden is steeds dezelfde grondwaterlagen meer te belasten en volgens de progno-ses in 2007 een verhoging van de drinkwaterproductiecapaciteit met 29.000 m3 noodzakelijk is;
Overwegende dat de Dijle opwaarts Leuven over een basisdebiet beschikt waarvan het zwaartepunt van dit gebied in de bestaande drinkwaterinfrastructuur van win-ningen en toevoerleidingen van Vlaams-Brabant ligt waardoor vooralsnog geen grootse toevoersystemen moeten aangelegd worden;
Overwegende dat dit drinkwaterproject, L.I.J.N.-project genoemd gerealiseerd wordt binnen de bepalingen van het gewestplan Leuven, zoals het bij besluit van 23 juni 1998 door de Vlaamse regering is vastgesteld;
Overwegende dat de aankoop van sommige onroerende goederen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van genoemde maatschappij;
Overwegende dat de onmiddellijke inbezitneming van bedoelde onroerende goederen onontbeerlijk is voor het algemene nut.”
1.2. De eerste verzoeker is mede-eigenaar van een perceel grond gelegen te Hulden-berg, kadastraal bekend sectie B, nr. 327/e. Een gedeelte van dit perceel vormt de inneming nr. 92.
1.3. De tweede verzoeker heeft verscheidene percelen grond in eigendom en in huur die binnen het gebied van de onteigeningsmachtiging zijn gelegen. De percelen gelegen te Huldenberg, kadastraal bekend sectie B, nrs. 375/a en 376 die de tweede verzoeker in eigendom heeft, vormen de innemingen nrs. 97 en 96 op het onteige-ningsplan.
1.4. De derde verzoeker is mede-eigenaar van een perceel grond gelegen te Hulden-berg, kadastraal bekend sectie B, nr. 327/d. Een gedeelte van dit perceel vormt de inneming nr. 91.
1.5. De vierde verzoeker is mede-eigenaar van een perceel grond gelegen te Hulden-berg, kadastraal bekend sectie B, nr. 327/c. Een gedeelte van dit perceel vormt de inneming nr. 93.

2. Ten gronde
2.1.1. Een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.
De verzoekers stellen dat er geen sprake is van hoogdringendheid. Uit de tijdstabel voor de uitvoering van de werken blijkt dat de werken aan het oostelijk bekken waarop de onteigeningen die de verzoekers treffen, betrekking hebben, worden aan-gevat in 2008, hetgeen de hoogdringendheid tegenspreekt. De overweging in het bestreden besluit “dat de onmiddellijke inbezitneming van bedoelde goederen onontbeerlijk is voor het algemene nut” houdt geen concrete verantwoording in waaruit de noodzaak van de onmiddellijke inbezitneming blijkt.
2.1.2. De verwerende partij repliceert dat de onmiddellijke inbezitneming noodzake-lijk is omdat de werken reeds ter voorbereiding van de verhoging van de drinkwa-terproductiecapaciteit moeten worden aangevat. Nog voor het uitgraven ervan zou het oostelijk bekken dienen als terrein voor een tijdelijke ophoging. Daarenboven moeten er voor het westelijk en het oostelijk bekken gemeenschappelijke leidingen aangelegd worden die tevens over het terrein van het oostelijk bekken lopen.
De verwerende partij verwijst verder nog naar de stavingnota van de Vlaamse Maat-schappij voor Watervoorziening bij de aanvraag om een besluit tot onteigenings-machtiging.
2.1.3. De tussenkomende partij stelt dat de hoogdringendheid in voldoende mate valt af te leiden uit het bestreden besluit. Om de noodzakelijke verhoging van de drinkwaterproductiecapaciteit te kunnen bereiken is een strikt tijdschema nodig waardoor de onmiddellijke inbezitneming van het oostelijk bekken noodzakelijk is.
2.1.4. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekers dat de hoogdrin-gendheid niet met concrete gegevens gestaafd wordt. Uit de verklaringen van de bevoegde Vlaamse minister in het Vlaams parlement blijkt dat er geen noodzaak bestaat tot bijkomende waterwinning en zeker niet dat er sprake is van hoogdrin-gendheid.
2.2.1. Naar luid van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtsple-ging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, kan de onteigening volgens de regels van die wet slechts geschieden “wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. De aanwending van de uitzonderingsprocedure vastgesteld in de wet van 26 juli 1962, uitsluitend verantwoord door redenen van algemeen belang, is dan ook slechts toegestaan wanneer de “onmiddel-lijke inbezitneming” van het goed door de onteigenende overheid “onontbeerlijk is”.
2.2.2. Het onteigeningsbesluit zelf toont de dringende noodzakelijkheid niet aan. Het overweegt wel dat de inbezitneming van de bedoelde onroerende goederen onontbeerlijk is voor het algemene nut, met name het veilig stellen van de drinkwa-tervoorziening in Vlaams-Brabant in de nabije toekomst, maar daarmee is de nood-zakelijkheid van een onmiddellijke inbezitneming niet aangetoond.

2.2.3. Ook de stavingnota van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening bij de aanvraag om een besluit tot onteigeningsmachtiging beperkt zich tot de noodzaak tot onteigening en toont niet aan dat de onmiddellijke inbezitneming van de betrok-ken onroerende goederen door de overheid onontbeerlijk is, zoals vereist is om toe-passing te kunnen maken van de procedure bedoeld in de wet van 26 juli 1962.
Bovendien wordt in de aanhef van de beslissing van 29 september 2000 van de raad van bestuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening waarmee om een machtiging tot onteigening volgens de procedure bij hoogdringende omstandigheden werd verzocht, vermeld “dat de plannen voor de realisatie van dit project stilaan in concrete vorm dienen te worden gegoten (...)”.
Hieruit blijkt duidelijk dat het project op dat moment nog niet zover was gevorderd dat de onmiddellijke inbezitneming van de goederen noodzakelijk was.
Uit het bestreden besluit kan voorts evenmin worden opgemaakt dat de situatie sinds de voormelde beslissing zodanig was geëvolueerd dat de onmiddellijke inbezitneming noodzakelijk was.
2.2.4. Het bestreden besluit miskent bijgevolg artikel 1 van de wet van 26 juli 1962. 2.3. Het tweede middel is gegrond.
OM DIE REDENEN
BESLIST DE RAAD VAN STATE:
(...)
Waar aanwezig waren: R. Stevens, kamervoorzitter; J. Bovin en J. Van Nieuwen-hove, staatsraden
 

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: vr, 07/05/2010 - 11:21
Laatst aangepast op: vr, 07/05/2010 - 11:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.