-A +A

Ontbinding van de vennootschap door niet neerlegging van de jaarrekening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Indien u of uw boekhouder nalatig bent of u indien u gelooft in het sprookje van de slapende vennootschappen, zal u vroeg of laat geconfronteerd worden met een vordering tot ontbinding van uw vennootschappen wegens het niet neerleggen van uw balans.

Een ramp? Niet onmiddellijk indien u tenminste tijdig alsnog uw balans neerlegt. Een aantal hardnekkige nalatige kwibussen laten het zover komen dat zij eerst veroordeeld worden om dan pas hun balansen in orde te brengen en dan beroep aan te tekenen. Sinds een recent cassatiearrest wordt zelfs dit nog aanvaard:

Rechtspraak: Cass. 23/06/2006

1. Luidens artikel 182, §1, van het Wetboek van Vennootschappen, kan de rechtbank, op vraag van iedere belanghebbende of van het openbaar ministerie, de ontbinding uitspreken van een vennootschap die gedurende drie opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen overeenkomstig de artikelen 98 en 100 van hetzelfde wetboek, tenzij een  regularisatie van de toestand mogelijk is en plaatsvindt vooraleer uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak.

2. Deze bepaling stelt niet als voorwaarde dat de regularisatie dient plaats te vinden voor het tijdstip van de uitspraak door de eerste rechter wanneer tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

3. Het hof van beroep te Antwerpen stelde vast dat de “ontbinding van de vennootschap werd uitgesproken door de eerste rechter wegens verzuim gedurende drie opeenvolgende boekjaren (2000, 2001 en 2002) de jaarrekeningen neer te leggen” en dat “uit de stukken blijkt dat deze jaarrekeningen thans werden neergelegd bij de Nationale Bank van België” en oordeelt vervolgens, om reden dat “geen regularisatietermijn voor de eerste rechter werd gevraagd en er ten gronde uitspraak werd gedaan”, dat een “latere regularisatie de ontbinding niet meer ongedaan kan maken”. Het verklaart dienvolgens het hoger beroep van de eisers tegen het vonnis van de eerste rechter, waarbij de ontbinding van de NV werd uitgesproken, ongegrond.

4. Het Hof van cassatie oordeelde dat de beslissing van het hof van beroep diende vernietigd te worden omdat het hof van beroep door aldus te oordelen, een voorwaarde toevoegde aan artikel 182, §1, van het Wetboek van Vennootschappen.

 5. Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het uitspraak doet over het hoger beroep ingesteld door Koster en de daaraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent.


Hof van Beroep te Gent, 7e Kamer – 20 juni 2016, RW 2016-2017, 422

De gerechtelijke ontbinding van een vennootschap op grond van art. 182, § 1 W.Venn. idient afgewezen wanneer
(1) het niet neerleggen van de jaarrekeningen had kunnen en nog steeds kan worden geregulariseerd vooraleer uitspraak wordt gedaan over de grond van de zaak;
(2) niet alle mogelijkheden om de jaarrekeningen te doen goedkeuren en neer te leggen zijn uitgeput.

Het gebrek aan wil van de aandeelhouders om de vennootschap verder te zetten hoeft niet noodzakelijk te leiden tot de ontbinding en vereffening. De afwezigheid van affectio societatis is ook niet opgenomen in art. 182, § 1 W.Venn

De L. t/ T. en BVBA K. in vereffening...

II. Situering van de betwisting

3. De BVBA K. is een managementsvennootschap die op 29 januari 2010 werd opgericht (...). Mevr. De L. is eigenaar van 49 aandelen. De h. T. heeft 51 aandelen in eigendom.

Zowel de h. T. als mevr. De L. zijn zaakvoerders. Krachtens art. 11, tweede en derde lid van de oprichtingsakte moeten zij in een college van zaakvoerders handelen, behalve wat de verrichtingen van dagelijks bestuur betreft.

4. De h. T. en mevr. De L. zijn onder wettelijk stelsel gehuwd op 27 april 1996. Begin 2012 zijn de partijen feitelijk gescheiden. Op 4 oktober 2013 leidt de h. T. de echtscheidingsprocedure in. Deze wordt op 4 maart 2014 uitgesproken en is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 25 juli 2014.

Tijdens de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap zijn er discussies tussen de partijen over de rekening-courant van de h. T. in de vennootschap.

Het is niet betwist dat de h. T. aanvankelijk aangeboden heeft de aandelen van mevr. De L. over te nemen. Mevr. De L. is daar principieel mee akkoord gegaan. Ter zitting van 30 mei 2016 bevestigde zij dat zij daar nog steeds mee akkoord ging. Over de prijs van de aandelen is nog geen overeenstemming bereikt.

5. De h. T. dagvaardt op 23 november 2015 in ontbinding en vereffening van de BVBA K.

De eerste rechter ontbond de BVBA K. en stelde mr. P.D. aan als vereffenaar met als opdracht te handelen overeenkomstig art. 183 e.v. W.Venn. en met de aldaar bepaalde bevoegdheden. Zij verklaarde het vonnis tegenwerpelijk aan de vennootschap.

De tegeneisen werden ongegrond verklaard. Zij strekten tot:

(1) aanzuivering van de rekening-courant door de h. T.;
(2) aanstelling van een gerechtsdeskundige om de hoogte van de rekening-courant te bepalen en na te gaan welke transacties de heer T. in naam van de vennootschap is aangegaan;
(3) het betalen van een nog niet nader bepaalde vergoeding voor het overdragen van het cliënteel van de vennootschap aan een nieuw opgerichte vennootschap zonder het betalen van een vergoeding; (
4) aanstelling van een lasthebber ad hoc met een welbepaalde opdracht (subsidiair);
5) aanstelling van een voorlopige bewindvoerder (subsidiair).

6. De vereffenaar werd op 6 april 2015 geïnstalleerd. Op de dag van de pleitzitting in hoger beroep (30 mei 2016) bevestigde de vereffenaar nog niets ondernomen te hebben.

III. Grieven – Voorwerp van het hoger beroep

7. Mevr. De L. tekent hoger beroep aan met – samengevat – twee grieven: (1) de h. T. heeft geen belang bij de vordering tot ontbinding en vereffening; (2) de vordering tot ontbinding kan slechts worden ingesteld als ultieme vordering, terwijl er in deze zaak nog andere mogelijkheden voorhanden zijn.

Voorts herneemt mevr. De L. de argumentatie met betrekking tot haar oorspronkelijke tegenvorderingen.

...

8. De h. T. vordert het hoger beroep als ongegrond af te wijzen.

Hij tekent voorts incidenteel beroep aan en vordert het bestreden vonnis te hervormen in zoverre het de tegeneis tot betaling van 150.000 euro provisioneel aan de vennootschap en de aanstelling van een gerechtsdeskundige om de rekening-courantschuld te onderzoeken heeft afgewezen als ongegrond. De h. T. vordert deze tegeneis ontoelaatbaar te verklaren.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

De exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang is ongegrond

9. De eerste betwisting in hoger beroep betreft de kwestie of de h. T. het wettelijk vereiste belang van art. 17 Ger.W. heeft om zijn vordering in te stellen.

De h. T. heeft het geding ingeleid op grond van art. 182, § 1 W.Venn. Dit artikel geeft de rechter de mogelijkheid de ontbinding uit te spreken van de vennootschap die gedurende drie opeenvolgende boekjaren in strijd met de wettelijke voorschriften de jaarrekening niet heeft neergelegd. De rechter kan krachtens hetzelfde artikel de regularisatie toestaan

Het belangvereiste van artikel 17 Ger.W. is ieder voordeel, hetzij materieel, hetzij moreel, dat de eiser door middel van zijn vordering in rechte daadwerkelijk en niet op theoretische wijze kan verkrijgen. Het is niets anders dan de mogelijkheid om een voordeel te halen uit het eventuele gegrondheidsoordeel dat de rechter zal vellen (zie o.a. Cass. 26 februari 2004, RW 2006-07, 133; Cass. 5 maart 1982, JT 1983, (309), 133; C. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 41; S. Beerbaert, “

Het belang als ontvankelijkheidsvereiste bij de gewone rechter, de Raad van State en het Arbitragehof

”, P&B 2000, 157-158 en 164, met referenties; J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 83, nr. 131; M.E. Storme, “
Procesrechtelijke knelpunten bij de geldend making van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtspleging

” in Postuniversitaire cyclus Delva 1992-1993, Gent, Mys & Breesch, 1993, (189), p. 204, nr. 14).
De heer T. heeft een procesrechtelijk belang bij zijn vordering tot ontbinding en vereffening. In geval van gegrondverklaring beïnvloedt dit de vordering tot overname van de aandelen en de vereffening en verdeling van de voormalige huwgemeenschap. Om die reden wordt de exceptie als ongegrond verworpen.

De vordering tot ontbinding en vereffening is ongegrond

10. De tweede betwisting in hoger beroep heeft betrekking op de gegrondheid van de vordering tot ontbinding en vereffening.

Op de volgende gronden oordeelt het hof dat er thans geen grond bestaat om de vennootschap te ontbinden en te vereffenen met toepassing van art. 182, § 1 W.Venn.

(1) Het niet neerleggen van de jaarrekeningen had geregulariseerd kunnen worden en kan nog steeds geregulariseerd worden. Art. 182, § 1 W.Venn. bepaalt dat de toestand geregulariseerd mag worden vooraleer uitspraak gedaan wordt over de grond van de zaak.

(2) In tegenstelling tot wat de h. T. argumenteert, zijn niet alle mogelijkheden om de jaarrekening te doen goedkeuren en neer te leggen uitgeput. Er is niet alleen een college van zaakvoerders, samengesteld uit de h. T. en mevr. De L., beiden zijn ook aandeelhouders. De h. T. had de algemene vergadering kunnen bijeenroepen en de jaarrekening kunnen doen goedkeuren, aangezien hij een meerderheid van de aandelen bezit. De dossiers bevatten geen uitnodiging tot de algemene vergadering, laat staan een rechtsgeldige uitnodiging. In zijn e-mailbericht van 26 september 2014 bevestigt de h. T. aan mevrouw De L. dat er geen aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden. Er kan bijgevolg niet besloten worden dat de h. T. er alles aan gedaan heeft om de jaarrekeningen te doen goedkeuren, dat mevr. De L. elke medewerking weigert en dat er geen andere optie meer blijft dan de vennootschap te ontbinden en te vereffenen.

Voor zoveel als nodig wordt vastgesteld dat een gedeelte van de vertraging in de neerlegging van de jaarrekeningen, die uiteindelijk uitliep op het niet neerleggen ervan, een gevolg is van het feit dat de boekhouder niet de nodige stukken van de heer T. ontving.

(3) De h. T. had zijn eigen voorstel tot overname van de aandelen ook verder kunnen uitvoeren en desnoods via een gerechtelijke procedure de waarde kunnen doen bepalen, zodat hij als enige aandeelhouder-zaakvoerder alsnog de jaarrekeningen had kunnen goedkeuren. Mevr. De L. had een procedure tot gedwongen overdracht met waardebepaling kunnen instellen, zij het dat zij een voorstel met een bepaalde waarde geformuleerd heeft in het kader van de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap, waarop de heer T. gerepliceerd heeft geen enkele opleg te willen betalen.

De afwezigheid van affectio societatis vanaf een bepaald ogenbik had door de overname van de aandelen door de h. T. ondervangen kunnen worden. Het gebrek aan wil van de aandeelhouders om de vennootschap verder te zetten hoeft niet noodzakelijk te leiden tot de ontbinding en vereffening. De afwezigheid van affectio societatis is ook niet opgenomen in art. 182, § 1 W.Venn., welke rechtsgrond de heer T. inroept in de gedinginleidende dagvaarding.

Om deze redenen is de oorspronkelijke hoofdvordering ongegrond. Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 05/11/2016 - 17:08
Laatst aangepast op: za, 05/11/2016 - 17:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.