-A +A

Onregelmatige erfopvolging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De Staat is vandaag de enige onregelmatige "erfgenaam".

Indien er geen erfgenamen zijn, of indien alle ergenamen de nalatenschap hebben verworpen is de Staat de laatste in de rij om te erven.

De Belgische staat is een onregelmatige erfgenaam. De onregelmatige erfgenaam (vandaag is enkel de staat nog een onregelmatige "erfgenaam"), is de enige en als enige erfgenaam die de inbezitstelling moet vragen aan de rechtbank. De overheid is verplicht de schulden te betalen, in de mate dat er actief is. Indien de schulden groter zijn dan het actief, krijgt de staat niets en wordt het actief verdeeld onder de schuldeisers volgens hun aandeel in het passief, onverminderd de rechten van voorrang.

Onderscheid tussen de erfloze nalatenschap en de onbeheerde nalatenschap:

– de erfloze nalatenschap is een nalatenschap zonder bloedverwanten in erfelijke graad, zonder langstlevende echtgeno(o)t(e), en zonder een algemene legataris.
De onregelmatige erfgenaam (de Belgische staat)  vordert de inbezitstelling. Na betaling van de schulden komt het actief (eventueel na realisatie) toe aan de Belgische staat na betaling van de schulden zullen betaald worden, de goederen zullen verkocht worden. De Belgische staat zal instaan voor de aangifte van de nalatenschap. Bij de erfloze nalatenschap gaat de staat uit van de veronderstelling dat er meer actief dan passief is.

Later opduikende erfgenamen kunnen ondanks de inbezitstelling door de staat alsnog de erfenis opeisen binnen een termijn van dertig jaar. 

Een onbeheerde nalatenschap is een erfloze nalatenschap waarbij de nalatenschap door niemand en dus ook niet door de Belgische staat wordt opgeëist. Immers de Belgische staat gaat niet tot aanvaarding over wanneer de schulden hoger zijn dan de baten. Elke schuldeiser in de nalatenschap of de procureur des konings kunnen dan voor de rechtbank de aanstelling van een beheerder van de onbeheerde nalatenschap vorderen. Deze beheer heeft tot taak om die “onbeheerde” nalatenschap te vereffenen ten belopen van het actief volgens het aandeel van de schuldeisers in het passief. 

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Antwerpen, 30 juni 2015, RW 2015-2016, 787:

Samenvatting:

De Belgische staat is de enige onregelmatige erfgenaam. Zij "erft" niet maar wordt tot de nalatenschap geroepen op grond van zijn recht van haar soevereiniteit.

Tekst arrest:

Belgische Staat t/ T.

...

De cruciale vraag is of K.T. zijn eerdere verwerping van de nalatenschap van zijn broer nog kon herroepen overeenkomstig art. 790 BW nadat de Belgische Staat reeds de definitieve inbezitstelling had gevorderd.

...

Het hof sluit zich aan bij de meerderheid binnen de rechtspraak en de rechtsleer die van oordeel is dat de Staat tot erfloze nalatenschappen wordt geroepen als openbare instantie op basis van zijn soevereiniteitsrechten en zijn rechten dient op te eisen volgens de regels die op de onregelmatige erfopvolging van toepassing zijn (zie: W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal Vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 835, nr. 1583, nrs. 2122-2125; I. Vanstraelen, “Art. 768 BW” in Com.Erf., Mechelen, Kluwer, 2002; R. Dekkers en H. Casman, Handboek burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 317-318).

Deze opvatting is gebaseerd op volgende gronden:

In de tekst van het Burgerlijk Wetboek zelf wordt een onderscheid gemaakt tussen de Belgische Staat en de erfgenamen: zie art. 723 BW (“Bij gebreke van erfgenamen vervallen de goederen aan de Staat”), art. 768 BW (“Bij gebreke van erfgerechtigden vervalt de nalatenschap aan de Staat”), art. 539 BW (“De goederen van personen die zonder erfgenamen overlijden of wier erfenis is verlaten, behoren tot het openbaar domein”), art. 713 BW (“Goederen die geen eigenaar hebben behoren toe aan de Staat”). Art. 731 BW bepaalt dat de erfenis toekomt aan de opgesomde orden van erfgenamen. De Staat is daaronder niet gerangschikt.

De grondslag van het erfrecht is een vermoeden van genegenheid. In art. 731 BW dat de orden van erfgenamen opsomt, blijkt het steeds om de familieleden van de erflater te gaan.

De positie van de Staat binnen het erfrecht. De Staat is thans nog de enige onregelmatige erfgenaam. Overeenkomstig art. 724 en art. 767 e.v. BW moet de Staat de inbezitstelling van de nalatenschap vorderen, terwijl een regelmatige erfgenaam van rechtswege in het bezit treedt.

De meerderheid van de rechtsleer (zie: W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal Vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 835, nr. 1583, en de verwijzingen aldaar) sluit zich aan bij de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie dat een uitdrukkelijke stelling innam en oordeelde dat de Staat tot de nalatenschap komt op basis van zijn soevereiniteitsrecht. Ons Hof van Cassatie heeft zich over die kwestie nog niet uitgesproken. In het arrest-“Gustaffson” (Cass. 28 maart 1952, Pas. 1952, I, 483) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het recht dat van toepassing is op de vererving van de roerende goederen uit de nalatenschap wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied de nalatenschap is opengevallen en dat de Belgische rechters deze wet toepassen onder voorbehoud van de Belgische nationale en internationale openbare orde.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat een wet die de Staat aanwijst als erfgenaam indien er geen andere erfgenamen bestaan, niet strijdig is met de Belgische nationale en internationale openbare orde. Daaruit afleiden dat het Hof van Cassatie de Belgische Staat heeft aangewezen als erfgenaam is een brug te ver, omdat de zaak die ter beoordeling voorlag en aanleiding gaf tot het voormelde cassatiearrest betrekking had op een in Zweden opengevallen nalatenschap en de Zweedse wet de Staat expliciet als erfgenaam aanwijst.

Het hof sluit zich aan bij de stelling dat de Belgische Staat niet erft, maar op grond van zijn soevereiniteit onbeheerde nalatenschappen toegewezen krijgt. De andersluidende stellingen waarnaar appellant verwijst (o.a. A. Goegebuer, “Successiebelasting en heerloze nalatenschappen: Ontspringt de Staat de dans?” en “Successierechten en heerloze nalatenschappen”) doen aan dit alles geen afbreuk. Overigens kadert de analyse die voormelde auteur maakt in een fiscaalrechtelijk kader.

De klassieke rechtsleer, onder meer H. De Page, neemt aan dat een erfgenaam niet meer kan terugkomen op een eerdere verwerping wanneer de Staat definitief in bezit werd gesteld van de nalatenschap.

Dit standpunt kan niet worden bijgevallen. Art. 790 BW is een uitzondering op de regel dat de uitoefening van het keuzerecht van een erfgenaam definitief is. Uitzonderingsbepalingen moeten restrictief geïnterpreteerd worden. Art. 790 BW stelt als voorwaarde dat de nalatenschap “niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard” (eigen cursivering). De Staat is geen erfgenaam. Bijgevolg was er geen wettelijk beletsel voor K.T. om de eerdere verwerping van de nalatenschap van zijn broer te herroepen.

Het herroepen van een eerdere verwerping impliceert de aanvaarding van de nalatenschap. De aanvaarding werkt door een fictie van de wet terug tot op de dag dat de erfenis is opengevallen (art. 777 BW).

De erfgenaam wordt verondersteld steeds erfgenaam te zijn geweest en steeds de eigendom van de goederen te hebben gehad. Noodzakelijkerwijze volgt daaruit dat deze eigendom zich op een enkel moment heeft kunnen bevinden bij een andere verwant, een legataris of zoals in dit geval de Staat, ondanks het feit dat deze zich in het bezit van de nalatenschap heeft kunnen stellen (in die zin: Cass. 7 januari 1847, Pas. 1847, I, 294).

Dit sluit volledig aan bij de finaliteit van de regelgeving die voorschrijft dat onbeheerde nalatenschappen aan de Staat worden toegewezen, meer bepaald om wanorde te vermijden en te beletten dat heerloze goederen door om het even wie zouden kunnen ingepalmd worden. Nu er zich een erfgenaam manifesteerde nog vóór de definitieve inbezitstelling, is de finaliteit bereikt en is er geen enkele reden meer voor de Staat om zich daartegen te verzetten.

Het feit dat de Staat een procedure tot definitieve inbezitstelling had ingeleid, impliceert niet dat hij zijn intentie te kennen had gegeven de nalatenschap te aanvaarden, zoals appellant in zijn beroepsconclusie aanvoert. De Belgische Staat moet niet “aanvaarden”. Hij moet de inbezitstelling vorderen volgens de geëigende procedure. De fictie van art. 777 BW is dan ook niet van toepassing op de Belgische Staat en hij kon de nalatenschap zeker niet “stilzwijgend aanvaarden” door neerlegging van het verzoekschrift tot inbezitstelling zoals door appellant wordt aangevoerd.

Het argument van appellant dat “de Belgische Staat had moeten worden opgeroepen in de procedure die door de verwerpende erfgenaam werd ingesteld om terug te komen op zijn verwerping”, vindt geen enkele steun in de wet. De herroeping is volledig rechtsgeldig gebeurd en tegenwerpelijk aan de Staat.

Het hoger beroep is ongegrond.

 

 

Commentaar: 

Hof van Beroep te Brussel, 4 januari 2011, RW 2012-2013, 1543

II. Relevante feitelijke gegevens

Huidig geschil betreft een vordering tot inkorting van de schenkingen, kort vóór zijn dood gedaan door wijlen G.T., overleden op 31 juli 1971.

G.T., broer van Y.T. en van L.T. (moeder van V.S.), was in 1944 gehuwd met mevrouw F.R. In hun huwelijksakte hebben zij M.T. (voorheen M.R., geboren op 8 maart 1943) gewettigd.

De echtgenoten T.-R. zijn in 1948 uit de echt gescheiden. Na de scheiding verbleef M.T. met haar moeder en had zij geen of nauwelijks contact met haar vader.

G.T. hield nog nauwe contacten met zijn zussen en deed, kort vóór zijn dood, schenkingen aan de beide appellanten, namelijk 269.908 fr. aan deposito’s en 150.000 fr. aan kasbons, of een totaal van 419.908 fr. (10.419,25 euro) aan Y.T. en een som van 291.973 fr. (7.237,82 euro) aan L.T.

De bank (agentschap H.) bevestigde bij brief van 12 juni 1973 dat G.T. op 16 juli 1971 zijn depositoboekje volledig leeghaalde. Op die dag werden afhalingen verricht van 5.216 fr., 224.692 fr. en tweemaal 20.000 fr., zijnde een totaal van 369.908 fr. Dezelfde dag heeft de bank 150.000 fr. kasbons G.B. ter beschikking gesteld.

M.T. legde op 2 maart 1973 klacht neer en stelde bij exploot van 3 december 1975 een vordering in tot inkorting van de gedane schenkingen in de mate dat ze haar reserve, in haar hoedanigheid van enige reservataire erfgenaam van G.T., aantastten.

De eerste rechter verklaarde deze vordering gegrond en veroordeelde beide huidige appellanten tot betaling van 334.876 fr., vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 19 december 1975, de gerechtelijke interest en alle gerechtskosten.

III. Bespreking

...

2o De rechtsverwerking en het rechtsmisbruik

9. Appellanten voeren aan dat geïntimeerde met toepassing van de leer van de rechtsverwerking geen rechten meer kan uitoefenen. Zij beklemtonen dat M.T. sedert 1948 geen enkel contact meer had met haar vader, dat zij pas vier jaar en half na diens overlijden een vordering tot inkorting heeft ingesteld en dat zij het normale verloop van de procedure, zowel in eerste aanleg als voor het hof, bijzonder lang heeft laten aanslepen.

10. Rechtsverwerking, die geen algemeen rechtsbeginsel is, onderstelt concrete gedragingen van een partij, die het oordeel rechtvaardigen dat door die partij niet kan worden teruggekomen op het ingenomen standpunt.

Het wordt niet ernstig tegengesproken dat geïntimeerde, na de echtscheiding van haar ouders, geen contacten met haar vader meer had. Zij was echter in deze periode heel jong (nauwelijks vijf jaar oud). Zij blijkt weliswaar geen relatie met hem te hebben aangeknoopt, nadat zij meerderjarig was geworden, tot aan het overlijden, in 1971, van haar vader. De reden hiervoor is echter niet te achterhalen en niets bewijst dat deze toestand aan haar te wijten was.

De verwerping van de nalatenschap is een plechtige rechtshandeling. Zij kan slechts gebeuren met naleving van de wettelijk voorgeschreven vormen. Verwerping kan nooit stilzwijgend gebeuren; zij kan niet vermoed worden (art. 784 BW en art. 1185 Ger.W.).

De aanvaarding van de nalatenschap kan daarentegen uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden; zij geschiedt stilzwijgend wanneer de erfgenaam een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten (art. 778 BW). Welnu, aangezien de reservataire erfgename haar reserve opeiste en de inkorting vorderde van de schenkingen gedaan door haar vader in december 1975, wordt zij geacht aanvaardend erfgenaam te zijn vanaf dat ogenblik en kon zij op deze zuivere aanvaarding trouwens niet meer terugkomen.

11. Het verloop van de procedure tussen december 1975 (inleiding voor de eerste rechter) en de pleitzitting voor het hof op 22 november 2010 getuigt duidelijk van een verregaande nalatigheid, maar het aanslepen van de zaak, zowel voor de eerste rechter als voor het hof, is te wijten aan alle partijen, inclusief appellanten. Appellanten, die zelf ook de mogelijkheid hadden om de zaak te activeren, hebben hiertoe niet het minste initiatief genomen en kunnen vandaag niet ernstig beweren dat de houding van geïntimeerde de enige reden is voor de vertraging in de behandeling van het geding.

De nalatigheid van geïntimeerde om de zaak binnen een redelijke termijn in staat te stellen impliceert in geen geval dat zij afstand deed van haar aanspraken of dat zij deze schijn bij appellanten opwekte. Er wordt geen rechtsmisbruik van geïntimeerde bewezen. Deze nalatigheid kan daarentegen gevolgen hebben wat de toekenning van verwijlinterest betreft, zoals hierna zal blijken.

3o De schenkingen

12. Uit de bijzonder slecht leesbare kopie van het strafdossier in de stukken van partij M.T. meent het hof te kunnen afleiden dat op 16 juli 1971 al het geld van G.T. (269.908 fr.) en diens effecten (150.000 kasbons G.B.) op het bankagentschap te H. werden afgehaald en overgedragen op de rekening van zijn zuster Y.T. Deze laatste verklaarde op 25 april 1973 dat G.T. op 16 juli 1971 in het Sint-Janshospitaal te Brussel was opgenomen en dat hij verschillende malen had aangedrongen om haar deze tegoeden te schenken.

13. Y.T. verklaarde toen ook dat haar broer G. een spaarboekje bezat bij de ASLK en dat hij het bedrag dat op dat boekje stond (291.973 fr. of 7.237,82 euro), aan zijn (toen minderjarige) petekind V.S. (geboren op 25 juli 1955) heeft geschonken. Uit de inlichtingen door de rijkswacht ingewonnen bij de ASLK blijkt dat het geld op 19 juli 1971 overgeschreven werd naar een termijnrekening op naam van de minderjarige. Het overschrijvingsformulier werd in het ziekenhuis in aanwezigheid van twee getuigen opgesteld, en een bediende van de ASLK was toen aanwezig om de handtekeningen “te legaliseren”. Een kopie van het document werd aan de rijkswacht bezorgd en werd aan het strafdossier gevoegd.

14. Het betreft duidelijk schenkingen ten gunste van de beide appellanten en geen vergoedingen voor geleverde diensten aan de de cujus, zoals thans wordt beweerd. Niet alleen worden geen bewijzen naar voor gebracht van de beweerde diensten noch van de verschuldigde vergoeding ervoor, maar Y.T. heeft zelf uitdrukkelijk in haar verklaring gewag gemaakt van schenkingen aan haar en aan V.S.

15. Het staat vast dat geïntimeerde M.T. het enige kind en de einge reservataire erfgenaam is van G.T. Zij is principieel gerechtigd om, na het openvallen van de erfenis van haar vader, de inkorting te vorderen van de beschikkingen die het beschikbaar gedeelte overschrijden, en dit krachtens art. 920, 921 en 922 BW.

Het beschikbaar gedeelte is te dezen gelijk aan de helft van de fictieve massa van de goederen van G.T. in de zin van art. 922 BW (art. 913 BW).

16. De inkorting dient te geschieden overeenkomstig de principes vervat in art. 928 tot 930 BW.

Geïntimeerde berekent de massa van de nalatenschap op grond van de gegevens uit de aangifte van nalatenschap opgesteld door notaris V. te H. (activa 9.208 fr. – passiva 9.986 fr.) en voegt fictief aan deze massa de geschonken goederen aan Y.T. (269.908 fr. + 150.000 fr.) en aan V.S. (291.973 fr.), zodat de totale massa 711.881 fr. bedraagt. Het exacte resultaat is 711.103 fr. (= 9.208 fr. plus 269.908 fr. plus 150.000 fr. plus 291.973 fr. minus 9.986 fr.).

De eerste rechter heeft bij het passief de kosten toegevoegd die Y.T. voor de begrafenis en de laatste medische kosten van haar broer heeft gemaakt. In tegenstelling tot wat geïntimeerde beweert, zijn die kosten wel degelijk gestaafd (begrafenisondernemer, grafsteen, kronen, vaas blauwe steen en kliniek Sint-Jan). Deze kosten, voor de totale som van 45.513 fr., inhoudende voornamelijk zeer redelijke begrafeniskosten, maken een onderdeel uit van het passief van de nalatenschap. De massa dient bijgevolg berekend te worden op 662.590 fr. (711.103 fr. – 45.513 fr.).

Het beschikkend gedeelte bedraagt de helft van 662.590 fr. of 331.295 fr.

17. Y.T. stelt terecht dat de inkorting volgens een bepaalde volgorde dient te gebeuren, en niet proportioneel in de persoon van de beide begunstigden. Wanneer de inkorting van schenkingen onder de levenden plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen vanaf de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere (art. 923 BW). Die volgorde volgt uit het onherroepelijk karakter van de schenkingen en beschermt de begiftigde die ervan kan afzien.

Appellante V.S. betwist ten onrechte de toepassing van deze regel, stellende dat de bancaire verrichtingen bij de twee betrokken banken gelijktijdig werden aangevraagd door de de cujus. Uit bovenstaande uiteenzetting en de voorgelegde documenten van de banken moet immers worden afgeleid dat de schenking aan Y.T. op 16 juli 1971 heeft plaatsgehad, terwijl die aan V.S. op 19 juli 1971 werd uitgevoerd. De voorgelegde stukken sluiten een gelijktijdige schenking aan beide begunstigden uit.

Dit betekent dat de inkorting eerst op de schenking aan V.S. moet geschieden en vervolgens, op de schenking aan Y.T.

18. Berekening van de inkorting.

De situatie ziet eruit als volgt:

– fictieve massa van de goederen in de zin van art. 922 BW: 662.590 fr.

– eerste schenking aan Y.T.: 419.908 fr.

– tweede schenking aan V.S.: 291.973 fr.

De schenkingen overschrijden het beschikbaar gedeelte (331.295 fr.) met 380.586 fr. (zijnde 711.881 – 331.295 = 380.586 fr.).

V.S. dient het volledige bedrag van de aan haar gedane schenking terug te brengen en is 291.973 fr. (7.237,82 euro) aan geïntimeerde verschuldigd.

De inkorting ten laste van Y.T. bedraagt dan 88.613 fr. (380.586 – 291.973 fr.). Y.T. heeft echter zelf 45.513 fr. (begrafenis en laatste zorgen) betaald en blijft bijgevolg 43.100 fr. (88.613 – 45.513) of 1.068,42 euro verschuldigd aan geïntimeerde, reservataire erfgenaam.

Er bestaat geen hoofdelijkheid tussen appellanten, noch enige reden om een veroordeling in solidum uit te spreken.

19. Interest. Overeenkomstig art. 928 BW is interest pas verschuldigd vanaf de dag van de vordering (4 december 1975).

Appellanten betwisten de toekenning van verwijlinterest, gelet op de nalatigheid van geïntimeerde in het in gereedheid brengen van de zaak.

20. Hierboven (randnr. 11) werd al geoordeeld dat alle partijen, inclusief geïntimeerde, bijzonder nalatig en passief zijn geweest in de loop van de procedure die meer dan 35 jaar in beslag heeft genomen.

In de mate dat de vertraging in de betaling van de aan de geïntimeerde verschuldigde bedragen deels aan deze partij zelf te wijten is, kan haar inderdaad geen recht op de volledige verwijlinterest worden toegekend. De volledige afwijzing van verwijlinterest zou echter overdreven zijn, omdat appellanten zelf ook aan de oorsprong liggen van het aanslepen van de zaak. Om die reden zullen de aan geïntimeerde tot aan huidig arrest toekomende interesten, berekend aan de wettelijke rentevoet, beperkt worden tot de helft ervan.

...
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/02/2017 - 15:43
Laatst aangepast op: wo, 15/02/2017 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.