-A +A

Onpartijdige rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Justice must not only be done, but must be seen to be done

Het recht op rechtsbedeling door een onpartijdige rechter is een essentieel rechtsbeginsel. Het instellen van een rechtsmiddel wegens partijdigheid van de rechter dient aldus onderscheidden te worden van de wraking van de rechter.

Deze partijdigheid kan blijken uit uitspraken van de rechter tijdens of voorafgaandelijk de debatten. Zie Cass. 17/02/2003, met noot, RABG, 2004/3 p. 137 en volgende.

"Attendu que, statuant sur cette demande de récusation, l'arrêt de la Cour du 22 mars 2002 constate que le procès-verbal de l'audience du 3 janvier 2002 énonce que " lors de l'appel du rôle et dans le cadre de la gestion de nombreux dossiers relatifs à des demandeurs d'aide sociale qui le sont au seul motif qu'ils sont également demandeurs de régularisation, la présidente, par référence à l'arrêt de la Cour d'arbitrage du 30 octobre 2001, a considéré qu'il était souhaitable que ces dossiers soient traités dans la mesure du possible à la même audience ou à des audiences rapprochées puisque, à suivre la jurisprudence de la Cour d'arbitrage, les aides octroyées avant la date de régularisation l'ont été indûment " ;
Attendu qu'il résulte de ces énonciations que le président de chambre R. s'est prononcé avant l'ouverture des débats sur la solution de toutes les demandes d'aide sociale introduites par des étrangers, demandeurs de régularisation, dont la cour du travail était saisie ;
Que, parmi ces demandes, figurait celle du demandeur, dont la cause a été plaidée à l'audience du 12 février 2002 ;
Qu'il apparaît ainsi que cette cause n'a pas été jugée par un tribunal présentant les garanties d'impartialité requises par les articles 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales et 14 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques ;
Qu'il s'ensuit que l'arrêt attaqué est entaché de nullité"

art 6.1 EVRM en 14.1 BUPO verdrag.

De onpartijdigheid en de onafhankelijkhedi van de rechter houden in dat de rechter onbevooroordeeld en niet vooringenomen de behandeling van de zaak waarneemt.

De rechter moet niet alleen onpartijdig zijn, maar moet ook vreemd zijn aan elke schijn van partijdigheid.

De rechter die zijn beslissing grondt op zijn persoonlijke kennis, of op feitelijke gegevens en inlichtingen ingewonnen buiten het onderzoek en buiten de debatten, en waarover de partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren,  miskent het recht van verdediging (Cass. 14 februari 2001, A.C. 2001, nr. 92; 25 september 2002, P.02.0954.F; Cass. 6 november 2002, P.02.0755.F; Cass. 20 november 2002, P.02.0708.F).

Maar uit dit enkel feit volgt niet noodzakelijk dat hij zich heeft gebaseerd op feiten die hem
persoonlijk bekend zijn; die gegevens kunnen ook blijken uit andere bestanddelen van het dossier of uit het onderzoek ter zitting (Cass. 13 maart 1990, A.C. 1989-90, nr. 423).

Die regel geldt uiteraard in strafzaken, maar ook in civiele zaken (Cass. 15 oktober 1992, J.T.
1993, 226; 11 januari 2001, A.C. 2001, nr. 19; 14 november 2002, C.01.0125 F).

Uitzondering
wordt gemaakt aan de regel t.a.v. als algemeen bekend of algemeen ervaren beschouwde feiten (Cass. 25 januari 1995, A.C. 1995, nr. 39; 23 september 1997, A.C. 1997, nr. 364; 26 juni 1998, A.C. 1998, nr. 346; 25 oktober 2000, A.C. 2000, nr. 575; 6 november 2002, C.01.0152.F en C.01.0138.F en 19 juni 2003, C.01.0383.F)

Rechtspraak:

•Miskent het vermoeden van onschuld de rechter die reeds voor de behandeling van de zaak zijn mening over de handelwijze van de beklaagde heeft gevormd, wat kan blijken uit de vermelding dat het herhaald uitstel van de zaak was bedoeld om de beklaagde tot betere inzichten te brengen (Cass. 8 december 1998, A.C. 1998, nr. 509).

•• Cassatie 19 april 2007 (zie ook noot: RW 2006-07, nr. 42, 1724, Gunter Maes 'De samenstelling van de zetel van de rechtbank in het licht van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de strafrechter'):

"De artikelen 6.1, E.V.R.M. en 14.1, I.V.B.P.R. vereisen niet enkel dat de rechterlijke instantie onafhankelijk en onpartijdig is, maar tevens dat er geen schijn van afhankelijkheid of partijdigheid bestaat (1). (1) Hof Mensenrechten, arrest Borgers van 30 okt. 1991, Publ. Eur. Court H.R., Serie A, nr 214-B; VERSTRAETEN R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave 2005, p. 756, nr 1608.

Artikel 98, eerste, tweede en vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, staan niet eraan in de weg dat de erin bedoelde tijdelijke aanwijzing van een rechter gebeurt voor een welbepaalde zaak, aangezien het feit dat een rechter wettig verhinderd is of dat een plaats van rechter openstaat of de behoeften van de dienst dit kunnen rechtvaardigen.

Voor de in artikel 98, Gerechtelijk Wetboek bedoelde tijdelijke aanwijzing van een rechter is vereist dat de beschikking van de eerste voorzitter vaststelt dat een rechter wettig verhinderd is, dat een plaats van rechter openstaat of dat de behoeften van de dienst de ordemaatregel rechtvaardigen, alsmede dat de gedelegeerde rechter zijn toestemming geeft; het oordeel of die omstandigheden gezamenlijk of afzonderlijk de aanwijzing in feite rechtvaardigen komt uitsluitend de eerste voorzitter toe.

Noch de omstandigheid dat de aanwijzing van een rechter van een rechtbank in een andere rechtbank per definitie een bepaalde rechter betreft, noch de enkele omstandigheid dat de beschikking ter zake krachtens artikel 98, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek gebeurt op vordering of op advies van de procureur-generaal, kan een verdenking van partijdigheid doen rijzen in hoofde van een gedelegeerd rechter; tot aanwijzing van het tegendeel moet de eerste voorzitter van het hof van beroep, aan wie het behoort ervoor te waken dat de delegatie geen ander doeleinde nastreeft dan de behoeften van de dienst, geacht worden ter zake enkel de goede werking van de dienst op het oog te hebben gehad en worden ook alle rechters geacht onpartijdig te oordelen (1). (1) Zie Cass., 10 dec. 1996, AR P.96.0925.N, nr 496; Cass., 24 april 2001, AR P.96.1117.N, nr 222.

De aanwijzing van een rechter met toepassing van artikel 98, Gerechtelijk Wetboek mag geen middel zijn om de samenstelling van de zetel voor de behandeling van een welbepaalde zaak te beïnvloeden; evenmin mogen de omstandigheden waarin de aanwijzing gebeurt, van aard zijn bij de partijen en bij derden een schijn van partijdigheid of van afhankelijkheid te doen rijzen.

Wanneer de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de samenstelling van de zetel die het beroepen vonnis heeft gewezen, regelmatig is in de zin van de artikelen 6.1, E.V.R.M. en 14.1, I.V.B.P.R. en aldus ten onrechte het beroepen vonnis niet uitdrukkelijk hebben vernietigd, zodat dit bij de beklaagden een schijn van partijdigheid en van afhankelijkheid van de appelrechters zelf kan doen rijzen, schenden zij voormelde verdragsbepalingen en vernietigt het Hof het veroordelend arrest en al hetgeen op onregelmatige wijze eraan is voorafgegaan vanaf de oudste nietige akte Zie Cass., 6 jan. 1998, AR C.95.0467.N, nr 2.  Het Hof vernietigt uitdrukkelijk ook de beschikking van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent waarbij toepassing gemaakt wordt van artikel 98, Gerechtelijk Wetboek. In de overwegingen van randnummer 8 van het geannoteerde arrest, kwalificeert het Hof deze beschikking als een 'ordemaatregel'. Tegen een dergelijke ordemaatregel is geen cassatieberoep toegelaten (zie Cass., 11 dec. 1991, AR 9385, nr 195). Het Hof had bijgevolg kunnen volstaan met de vaststelling dat deze beschikking, ingevolge de vernietiging met verwijzing naar het hof van beroep te Antwerpen zonder bestaansreden was geworden.

In de overweging van randnummer 11 van het geannoteerde arrest oordeelt het Hof dat de appelrechters ten onrechte het beroepen vonnis niet uitdrukkelijk hebben vernietigd. Het Hof lijkt aldus te oordelen dat de appelrechters, na de vernietiging van het beroepen vonnis, in toepassing van artikel 215, Wetboek van Strafvordering, de zaak hadden moeten evoceren. Indien dit de juiste draagwijdte is van deze overweging, zou men zich, voortbouwend op dezelfde logica, verwachten aan een vernietiging die beperkt bleef tot het bestreden arrest, met verwijzing naar een ander hof van beroep. Hier vernietigt het Hof evenwel niet enkel het veroordelend arrest, maar tevens, in toepassing van artikel 408, Wetboek van Strafvordering, al hetgeen op onregelmatige wijze eraan is voorafgegaan vanaf de oudste nietige akte. Aangezien de cassatie met verwijzing de partijen, binnen de perken van de vernietiging, herstelt in de toestand waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing is vernietigd (zie Cass., 13 dec. 1988, AR 2075, nr 221) bevinden de eisers zich opnieuw in het stadium dat onmiddellijk volgt op hun verwijzing naar de correctionele rechtbank door de raadkamer, zodat men zich, in dit geval, eerder diende te verwachten aan een verwijzing naar een rechtbank van eerste aanleg (zie Cass., 6 jan. 1998, AR P.96.0145.N, nr 2)".

Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter:

• Cass. 28 februari 2003, C.01.0221.N (uit het enkele feit dat een rechter een voorlopige maatregel heeft bevolen alvorens een geschilpunt te beslechten, volgt niet dat hij niet meer objectief onpartijdig is wanneer hij het geschilpunt definitief beslecht); Cass. 19 december 2002, C.02.0285.F; 7 augustus 2001, P.01.0816.N (de loutere omstandigheid dat het verzoek tot vervanging als hoofdman van de rechtsprekende jury is ingegeven door de emotionele toestand van de betrokkene, wijst nog niet op enige vooringenomenheid of partijdigheid die haar ongeschikt maakt om verder als gezworene aan de beraadslaging deel te nemen); Cass. 30 mei 2001, P.01.0803.F (De wrakingsgronden worden beperkend opgesomd door de wet, zodat een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter geen grond tot wraking kan opleveren. Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest, inzake tucht, van 24 november 1994 (A.C. 1994, nr. 513).

De wettige verdenking is een wrakingsgrond geworden sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 2001 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, inzake onttrekking en wraking, B.S. 22 september 2001. Het is aldus bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.); Cass. 31 mei 2000, A.C. 2000, nr. 338 (Rechters worden vermoed onpartijdig te zijn en het bewijs van hun partijdigheid kan niet blijken uit het feit alleen dat zij in hun beslissing melding maken van gegevens die voor eiser ongunstig zijn.

Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin op 24 december 1999 (A.C. 1999, nr. 705)); 19 januari 2000, A.C. 2000, nr. 48; 1 juni 1999,
A.C. 1999, nr. 323 (de rechter die zich reeds voor de opening van het debat over de oplossing van het geschil heeft uitgesproken is niet meer gerechtigd om de zaak te beslissen); Cass. 25 februari 1999, A.C. 1999, nr. 117; 7 mei 1997, A.C. 1997, nr. 220 (het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter wordt geschonden door het veroordelend vonnis van de krijgsraad die, inzonderheid, samengesteld is uit een magistraat die, nu hij de uitspraak over de voorlopige hechtenis heeft gewezen, zitting heeft gehouden in de zaak om de voorlopige invrijheidstelling van de beklaagde te weigeren); 21 november 1996, A.C. 1996, nr. 448 (het algemeen beginsel van het recht op een onpartijdige rechter wordt miskend door het arrest dat de exceptie van nietigheid verwerpt die is opgeworpen tegen de beslissing van de door de directeur van de belastingen gedelegeerde ambtenaar die uitspraak doet over het bezwaar van een belastingplichtige, terwijl hij vroeger, als inspecteur die belast was met de behandeling van het bezwaar, de directeur een desbetreffend schriftelijk verslag heeft bezorgd); 19 januari 1994, A.C. 1994, nr. 33; Cass. 21 november 1989, A.C. 1989-90, nr. 178 (de draagwijdte van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter wordt miskend door het hof van beroep dat, op grond alleen dat een deskundige niet meer de vereiste waarborgen van objectiviteit biedt, beslist het verslag van die deskundige uit de debatten te weren);
Claeys Boúúaert, P., o.c., 977.

• Cass. 18 november 1993, A.C. 1993, nr. 470: het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter onpartijdig moet zijn, vindt op alle rechtscolleges toepassing en dus ook op de directeur der belastingen of op de door hem gedelegeerde ambtenaar, wanneer hij uitspraak doet over de bezwaarschriften van een belastingplichtige tegen de te zijnen name gevestigde aanslag); 23 maart 1990, A.C. 1989-90, nr. 446 (Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een rechter onpartijdig moet zijn, geldt voor alle gerechten, en derhalve ook ten aanzien van de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar die uitspraak doet over de door de belastingplichtige ingediende bezwaren tegen het van de te zijnen name vastgestelde aanslag.

Dit algemeen rechtsbeginsel is met name geschonden wanneer de beslissing is gewezen door een rechter van wie op objectieve gronden kan worden gevreesd dat hij niet de waarborg van onpartijdigheid biedt waarop de justitiabele recht heeft. Inzake directe belastingen op de inkomsten is zulks het geval wanneer de taxatieambtenaar die de betwiste aanslag heeft vastgesteld, later, in de hoedanigheid van door de directeur der belastingen gedelegeerd ambtenaar, met toepassing van artikel 276 W.I.B. uitspraak doet over de bezwaren die de belastingplichtige tegen de door hem vastgestelde aanslag heeft ingediend.

onafhankelijkheid en de de tuchtrechter:

• Cass. 7 mei 1999, A.C. 1999, nr. 269: het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter is op alle rechtscolleges toepasselijk en met name op de Raad van beroep van de Orde der geneesheren; dit beginsel wordt miskend wanneer de beslissing mede wordt gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd dat hij niet de waarborgen van onpartijdigheid biedt waarop de rechtzoekende recht heeft; zulks is het geval wanneer een lid van die Raad van beroep mede een tuchtsanctie uitspreekt terwijl dat lid tevens deel uitmaakt van het controleorgaan, het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering, dat het onderzoek heeft gevoerd op grond waarvan die tuchtsanctie is genomen);

• Cass. 25 februari 1999, A.C. 1999, nr. 117: uit de omstandigheid dat de geneesheer, die kennis heeft genomen van de zaak als lid van de provinciale raad na beraadslaging mede beslist heeft over de verwijzing naar een onderzoekscommissie, zelf deelnam aan de behandeling, de beraadslaging en de uitspraak over de zaak door de raad van beroep, valt af te leiden dat de beslissing van de raad van beroep gewezen is met schending van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter ;

Zie ook de cassatierechtspraak van 20 juni 1997, A.C. 1997, nr. 289; 9 december 1994, A.C. 1994, nr. 547; 22 april 1994, A.C. 1994, nr. 194; 24 december 1993, A.C. 1993- 94, nr. 550 met conclusie van advocaat-generaal De Swaef; 26 november 1993, A.C. 1993, nr. 489; 4 maart 1993, A.C. 1993, nr. 178; 4 februari 1993, A.C. 1993, nr. 74

Het algemeen rechtsbeginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter dat op alle rechtscolleges en met name op de provinciale raden van de Orde van Geneesheren van toepassing is, wordt miskend wanneer de beslissing mede wordt gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd dat hij niet de waarborgen van onpartijdigheid biedt waarop de justitiabele recht heeft; zulks is het geval, wanneer een of meer leden die hebben deelgenomen aan de beslissing van een provinciale raad, waarbij aan een geneesheer een tuchtsanctie is opgelegd, vóór de beslissing om die geneesheer voor de raad te doen verschijnen, de zaak mede hebben onderzocht; een miskenning van dat beginsel kan echter niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat leden van een provinciale raad die mede de beslissing hebben gewezen waarbij tegen een geneesheer een tuchtsanctie is uitgesproken, hebben deelgenomen aan de beslissing alvorens recht te doen om die geneesheer voor die raad te doen verschijnen; Zie ook Cass. 15 januari 1993, A.C. 1993, nr. 28; 17 oktober 1991, A.C. 1991- 92, nr. 95; 30 mei 1991, A.C. 1990-91, nr. 502 (in tuchtzaken van de beroepsorden strekt het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn tot bescherming van de rechten van de vervolgde persoon en niet van de rechten van de beroepsorde die aan de basis ligt van de vervolging); 12 november 1990, A.C. 1990-91, nr. 141 (In tuchtzaken is het beginsel inzake de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter, als zodanig enkel toepasselijk op de rechtscolleges die uitspraak doen over tuchtmaatregelen en op de leden ervan. Het bureau van de raad, wanneer het onderzoekingen inzake het deontologisch gedrag van leden van de Orde instelt, handelt niet als rechtscollege en zijn leden vervullen alsdan geen rechtersfunctie); 22 maart 1990, A.C. 1989-90, nr. 439;

• Cassatie 3 november 1988, A.C. 1988- 89, nr. 134 geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie is de assessor van de tuchtraad van beroep die, als stafhouder van de balie van de vervolgde advocaat en vóór de behandeling van de tuchtzaak in eerste aanleg, bij een ter post aangetekende brief, de tuchtrechtelijk vervolgde advocaat heeft gedagvaard om voor de raad van zijn orde te verschijnen, en in die dagvaarding als zijn mening te kennen heeft gegeven dat het ging om "zaken (die) een ernstige inbreuk vaststellen op deontologische regels en tuchtsancties kunnen medebrengen.

onpartijdigheid en onderzoeksrechter:

• Cass. 2 oktober 2001, de omstandigheid dat de samenstelling van de kamer van inbeschuldigingstelling die in de loop van het gerechtelijk onderzoek reeds geoordeeld heeft over een hoger beroep tegen de beslissing van de onderzoeksrechter betreffende bijkomende onderzoeksverrichtingen, dezelfde is als deze die ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging over bijkomende onderzoekshandelingen met hetzelfde voorwerp oordeelt, kan geen objectief gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan betreffende de onpartijdigheid van de rechters);
 

• Cassatie 2 oktober 2001 de rechter die eerder als onderzoeksrechter is opgetreden neemt geen kennis van de zaak doordat hij als feitenrechter zetelt op een zitting waarop een voordien in beraad genomen zaak wegens verder beraad voor uitspraak op een latere datum wordt uitgesteld, zodat er geen gewettigde twijfel kan bestaan omtrent de onpartijdigheid van de rechters die later over de zaak uitspraak doen); 23 januari 1996, A.C. 1996, nr. 49 (de rechter die als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan over de voorlopige hechtenis, kan zitting nemen in de correctionele kamer die uitspraak doet over een door de beklaagde ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling); 13 mei 1992, A.C. 1991-92, nr. 472.

•• nemo iudex in causa sua (verbod rechter en partij in dezelfde zaak te zijn):

• Cass. 19 december 2002, C.02.0285.F;
13 januari 1986, A.C. 1985-86, nr. 308 voor de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand in dezelfde zaak rechter en partij mag zijn, wordt onder ‘dezelfde zaak’ hetzelfde geschil verstaan);

• Cassatie 6 mei 1982, A.C. 1981-82, nr. 526: Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand tegelijk rechter en partij mag zijn in een zelfde zaak of in een zaak waarin tussen dezelfde partijen identieke verweermiddelen kunnen worden opgeworpen, is een essentiële regel voor de rechtsbedeling en raakt de openbare orde. De advocaat die in een bepaalde zaak een partij heeft vertegenwoordigd, mag het ambt van rechter niet waarnemen in dezelfde zaak en evenmin in een zaak die, hoewel zij niet identiek is als de eerste, dezelfde partijen tegenover elkaar stelt met betrekking tot een geschil waarin dezelfde verweermiddelen kunnen worden opgeworpen;

Cassatie 13 oktober 1975, A.C. 1976, 191. Het is tevens verboden tegelijk rechter en deskundige te zijn in een zelfde zaak. Dit werd door het Hof geoordeeld in de arresten van 14 februari en 21 juni 1977, A.C. 1977, 657 en 1089.
 

• Cassatie 20 september 2006, R.W. 2007-2008, 982:

Een onderzoeksrechter die publiekelijk een standpunt heeft ingenomen over de schuld van een inverdenkinggestelde verliest zijn vermogen om op onpartijdige wijze de verantwoordelijkheid te dragen voor het onderzoek à charge en à décharge; hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat alle door die magistraat verrichte handelingen noodzakelijk nietig zijn. Zie Cass., 7 april 2004, AR P.03.1670.F, nr 189.

Wanneer het onderzoeksgerecht een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid van een onderzoekshandeling of van de bewijsverkrijging vaststelt, spreekt het, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging.
Behoudens het geval van de miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, moet het onregelmatige stuk uit het dossier verwijderd worden wanneer de onregelmatigheid aan het bewijs zijn geloofwaardigheid of betrouwbaarheid ontneemt, of wanneer zij het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

• Cassatie 19 februari 2008, NJW, 179,256:

De onpartijdigheid waarvan de rechter blijk moet geven, is in de regel bereikt door de houding van die rechter bij de behandeling van de zaak. Meer bepaald moet de rechter vooraleer hij bij vonnis over de zaak uitspraak doet, erover waken dat hij geen standpunten inneemt waardoor hij laat verstaan dat hij reeds een mening heeft over de hem voorgelegde geschilpunten.

onpartijdigheid recht op eerlijk proces en hoger beroep

• Cass. 17/09/2015, C.14.0332.N, juridat

samenvatting
Een miskenning van het recht van een partij op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd kan in burgerlijke zaken dan ook niet aangenomen worden wanneer enkel een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de eerste rechter wordt aangevoerd en blijkt dat de appelrechters, waarvan de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid niet in vraag worden gesteld, het geschil algemeen opnieuw hebben beslecht (1). (1) Cass. 21 januari 1983, AR nr. 3621, AC 1982-83, nr. 294.

Tekst arrest
Nr. C.14.0332.N
A.-M. V., .
eiseres,
tegen INDUVER GENT nv, met zetel te 9070 Destelbergen, Meersstraat 162,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 maart 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat:
- het wettig geregeld oogmerk van de wraking ertoe strekt de geviseerde rechter te onttrekken van de verdere behandeling van de zaak;
- waar aan de wraking aldus geen terugwerkende kracht toekomt, deze dan ook geen effect vermag te hebben op de voorgaande handelingen die door deze rechter werden gesteld op een ogenblik dat zijn wraking niet aan de orde was;
- het door de eiseres voor het eerst op 14 november 2012 ingediende verzoek tot wraking niet tot gevolg kon hebben dat de eerder gewezen vonnissen van 22 januari 2007 en 4 juni 2009 onvermijdelijk nietig dienden te worden bevonden, minstens volledig buiten beschouwing dienden te blijven.

2. Gelet op dit oordeel dienden de appelrechters niet meer te antwoorden op het in het onderdeel bedoeld verweer, dat niet meer dienstig was.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
Tweede subonderdeel

3. Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Hieruit volgt dat door het hoger beroep het geschil op de rechter in hoger beroep overgaat met alle feitelijke en juri-dische vragen die daarmee samenhangen.

Een miskenning van het recht van een partij op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd kan in burgerlijke zaken dan ook niet aangenomen worden wanneer enkel een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de eerste rechter wordt aangevoerd en blijkt dat de appelrechters, waarvan de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid niet in vraag worden gesteld, het geschil algeheel opnieuw hebben beslecht.

4. De appelrechters stellen niet-betwist vast dat:
- zoals de eiseres overigens zelf uitdrukkelijk erkent, het hof van beroep in de op 18 juni 2007 en 13 december 2010 gewezen arresten in alle onafhankelijkheid en onpartijdigheid geoordeeld heeft over het door de eiseres zowel tegen het vonnis van 22 januari 2007 als tegen het vonnis van 4 juni 2009 ingesteld hoger beroep waarmee de tussen partijen bestaande betwisting aan de beoordeling van de rechter in hoger beroep werd voorgelegd;
- anders dan de eiseres voorhoudt, de voormelde beroepsprocedures dan ook niet hebben voortgebouwd op de bestreden vonnissen;
- het hof van beroep op basis van de voorliggende objectieve gegevens en van de eigen en van de bestreden vonnissen losstaande beoordelingen en overwegin-gen, als onafhankelijke en onpartijdige beroepsinstantie, de door de eiseres in-gestelde hoger beroepen als ongegrond heeft afgewezen;
- uit niets blijkt dat het door de eiseres ingeroepen gebrek aan onpartijdigheid van de eerste rechter enige ontoelaatbare invloed heeft gehad op het hof van beroep;
- dit aangevoerd gebrek aan onpartijdigheid van de eerste rechter een eerlijk pro-ces niet onmogelijk heeft gemaakt voor het hof van beroep, dat zich geenszins gehouden achtte door de door de eerste rechter al gemaakte beoordeling en in alle onafhankelijkheid de door de eiseres ingestelde hoger beroepen heeft beoordeeld.

5. Uit deze niet-betwiste vaststellingen blijkt dat de appelrechters, waarvan de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid niet in vraag werden gesteld, de zaken algeheel opnieuw hebben beslecht, zodat het aangevoerde gebrek aan onpartijdig-heid van de eerste rechter geen miskenning van het recht van de eiseres op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, noch van haar recht van verdediging tot gevolg kan hebben.

Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.

Eerste subonderdeel

6. Uit het antwoord op het tweede subonderdeel volgt dat het subonderdeel dat uitsluitend betrekking heeft op de aangevoerde nietigheid van de vonnissen in eerste aanleg geen belang vertoont en mitsdien niet ontvankelijk is.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 706,49 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,

Kunst van het recht en kunst over het recht 

De onpartijdigheid en de onkreukbaarheid van de rechters is en thema dat in de schilderkunst meermaals aan bod kwam. De schilderijen werden in opdracht besteld om boven het hoofd van de rechters te hangen in de schepenzalen om hen tot nederigheid te dwingen en hen te wijzen op het verschrikkelijke lot dat hen kon te wachten staan in geval zij hun plichten verzuimden of zich lieten omkopen. Hiertoe werd zeer vaak het thema van de kuise Suzanna gehanterd. Hieronder het oordeel van van Cambyses van Gerard David. Sisamnes werd op bevel van de koning van Cambyses aangehouden wegens corruptie (eerste schilderij. Op het tweede panneel werd hij levend gevild, waarna ijn zoon diende plaats te nemen op zijn rechtersstoel bekled met de ode huid van zijn vader. Dit schilderij hing tot de Franse revolutie in de Brugse schepenzaal. In latere justitiepaleizen werd juist het omgekeerde gedaan. De macht van de rechter werd benadrukt door afbeeldingen van godinnen die de justitie, de wet, de charitas en de billijkheid voorstelden. Zij flankeerden het kruisbeeld n waren alle bedoeld om de autoriteit van de rechter te benadrukken En de bron van de autoriteit van de rechten te duiden. Door deze symbolen werd benadrukt dat hij de Gods vertegenwoordiger van het aardse recht was, hierin bijgestaan en begiftigd met een onuitputtelijke wijsheid die terugging op de godinnen of muzes van wijsheid en gerechtigheid.  



 


Roland Freisler is het toonbeeld van de (nazi)rechter met de meest afschuwelijke houding en minachting voor het recht. Hij was het toonbeeld van de verkrachting van het vermoeden van onschuld, ontzegde elk recht van verdediging en liet van bij de aanvang van het proces reeds verstaan dat elke verdediging zinloos was.

afbeelding van Freisler in rode Nazi toga
 

 

Nog dit: 

 Het Pipo arrest, Cass. 28 FEBRUARI 2008 (NJW 179,258 met noot en RW 2008-2009, 237 met noot)

1. Krachtens artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, kan iedere rechter worden gewraakt wegens gewettigde verdenking. Dit geldt ook voor de voorzitter van het Hof van Assisen.

2. Het verzoek tot wraking wordt vooreerst gebaseerd op het feit dat de voorzitter van het Hof van Assisen tot tweemaal toe de beschuldigde een “pipo” heeft genoemd, waarbij de tweede keer deze benaming voorafgegaan werd door de kwalificatie: “onrustig en zenuwachtig”. Volgens verzoeker stelt de door de voorzitter gebruikte terminologie verzoeker voor als een “clownesk figuur, wars van enige persoonlijkheidsproblematiek met medische verklaring”.

De verzoeker voert ook aan dat de voorzitter van het Assisenhof tijdens het verhoor van verzoeker herhaaldelijk openlijk en overtuigend blijk gegeven heeft geen enkel geloof te hechten aan de stelling die verzoeker aangekondigd had te zullen verdedigen.

Het verzoek wordt tenslotte gebaseerd op de omstandigheid dat de voorzitter tijdens het verhoor van de beschuldigde gezegd heeft dat hij hem niet geloofde en dat hij feitelijke omstandigheden heeft opgesomd “die hij wel of niet kon bewijzen” zodat de voorzitter aldus de indruk wekte dat hij als voorzitter de bewijslast droeg van de feiten.

3. De gewraakte magistraat bevestigt in zijn verklaring dat hij tot tweemaal toe het woord “pipo” heeft gebruikt om het gedrag te kwalificeren dat de beschuldigde, volgens derden, had nadat de feiten waarvoor hij vervolgd werd, gepleegd waren en dat dit zijn onpartijdigheid niet kan aantasten.

Dezelfde magistraat verklaart dat hij verplicht was te zeggen, in aanwezigheid van de jury, dat hij geen geloof kon hechten aan bepaalde verklaringen van de  beschuldigde over wat gebeurd was na de feiten en dit teneinde te vermijden dat “bij de jury de indruk (wordt gewekt) dat wat de beschuldigde ook antwoordt de waarheid is”.

Tenslotte ontkent de voorzitter dat hij de bewijslast verlegde maar vermeldt dat hij, in het begin van de zitting de beschuldigde ondervroeg over de mogelijke omstandigheden bij de doodslag, daarbij verschillende hypothesen formuleerde waarop de beschuldigde kon reageren zodat de jury precies zou worden ingelicht.

4. De commentaren van de voorzitter waarin hij, bij de ondervraging van de beschuldigde, uiting geeft van zijn overtuiging dat de verklaringen van de beschuldigde niet overeenstemmen met de werkelijkheid, gaan de grenzen te buiten van wat toegelaten is aan de actieve rechter en aan de voorzitter van een assisenhof in het bijzonder.

Het feit dat de verdediging in een latere fase nog de mogelijkheid had hierop te reageren verandert hier niets aan. Het feit dat de beschuldigde in de akte van verdediging geen preciese verweermiddelen naar voor schoof, is eveneens zonder belang voor de gepercipieerde onpartijdigheid van de rechter.

De door de voorzitter gegeven commentaren waren van die aard dat ze bij de verzoeker en bij derden gewettigde verdenking kunnen doen ontstaan over de geschiktheid van die magistraat om met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid uitspraak te doen.

Het verzoek is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Beveelt dat de voorzitter van het hof van assisen Erik Van de Sijpe zich zal onthouden van kennisname van de zaak die het voorwerp uitmaakt van de op 18 februari 2008 geopende zitting van het Hof van Assisen van de provincie West- Vlaanderen.

Wijst gerechtsdeurwaarder Jacques Lambert, Renier Chalonstraat 46, 1050 Brussel, aan, om het arrest binnen achtenveertig uren aan de partijen en aan raadsheer Eric Van de Sijpe te betekenen.
Gelet op artikel 841, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt Eric Van de Sijpe in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van nul euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 28 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal,

Commentaar: 

• Hof van Cassatie,  2e Kamer – 13 maart 2012, RW 2012-2013, 1255 met noot

 

AR nr. P.11.1750.N

C.S. t/ P.B. en M.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, eerste kamer, rechtsprekend in correctionele zaken, van 14 september 2011.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Exceptie gebaseerd op de algemene rechtsbeginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter

1. De eiseres voert aan dat zij in het raam van de thans voor dit Hof gevoerde procedure niet de garantie heeft dat over haar zaak kan worden geoordeeld door een onafhankelijke en onpartijdige instantie. Er bestaat bij de eiseres en bij de publieke opinie ten aanzien van dit Hof een objectieve schijn van vooringenomenheid en partijdigheid, die een verdere afhandeling van deze zaak door dit Hof onmogelijk maakt. De eiseres grondt die aanvoering op de bewering dat dit Hof bij monde van haar eerste voorzitter G.L. de eiseres vóór enige uitspraak ten gronde en dus ook vóór de behandeling van deze zaak door dit Hof, herhaaldelijk en publiekelijk als schuldig aan een beweerde schending van beroepsgeheim heeft bestempeld en zo het vermoeden van onschuld heeft miskend.

Aangezien geen enkel lid van dit Hof kan oordelen over een eventueel wrakingsverzoek en de bepalingen met betrekking tot de procedure van verwijzing van de ene naar de andere rechtbank niet van toepassing zijn op dit Hof, kan het Hof per definitie de schending van art. 6 EVRM en de miskenning van het beginsel van objectieve onpartijdigheid niet herstellen. De eiseres verzoekt dan ook het Hof vast te stellen dat het onmogelijk met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid en overeenkomstig art. 6 EVRM over deze zaak kan oordelen en dat het de zaak zou overzenden aan het parket-generaal om te handelen als naar recht.

...

2. Art. 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige rechter.

De vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter zijn nauw met elkaar verbonden. Bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van de rechter kunnen de waarborgen van diens individuele onafhankelijkheid in aanmerking worden genomen.

3. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen.

4. Bij de beoordeling of er wettige redenen zijn om te twijfelen aan de objectieve onpartijdigheid van een rechtscollege of zijn leden, kan rekening worden gehouden met de overtuiging die een partij op dit punt zegt te hebben. Die overtuiging vormt evenwel geen exclusief criterium. Bepalend is of de vrees voor een partijdige behandeling van de zaak objectief gerechtvaardigd is.

5. Krachtens art. 151, § 1 Gw. is de rechter onafhankelijk in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie.

Magistraten van een rechtscollege zijn dan ook in de uitoefening van hun rechtsprekende functie niet onderworpen aan het hiërarchisch gezag van hun korpschef, maar oordelen in alle onafhankelijkheid.

6. De omstandigheid dat de toenmalige eerste voorzitter van het Hof met een brief aan de Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en door het afleggen van verklaringen tegenover een parlementaire onderzoekscommissie het onschuldvermoeden van de eiseres zou hebben miskend en dat hij zich daarbij zou hebben uitgegeven als vertegenwoordiger van de rechterlijke macht en van het Hof, houdt dan ook niet in dat daardoor objectief gezien bij de eiseres, zelf magistrate, en bij de publieke opinie, de schijn is ontstaan dat de leden van de kamer van dit Hof die haar cassatieberoep moeten beoordelen, niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk kunnen beslissen.

De exceptie van de eiseres wordt verworpen.

...

Eerste middel

8. Het middel voert schending aan van art. 6 EVRM, art. 14 IVBPR en art. 149 Gw., evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het recht op de behandeling van zijn zaak door een onpartijdige en onafhankelijke rechter en het vermoeden van onschuld; met het oordeel dat:

– de eiseres niet de geijkte wrakingsprocedures heeft aangewend;

– zij niet heeft opgeworpen dat het hof van beroep het vermoeden van onschuld heeft miskend;

– eventuele miskenningen van het vermoeden van onschuld tot schadevergoeding aanleiding kunnen geven;

– een eventuele miskenning van het vermoeden van onschuld door anderen dan het hof van beroep in beginsel niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering dient te leiden;

– dit enkel het geval zou zijn indien de miskenning een ontoelaatbare invloed op het hof van beroep zou hebben gehad, waardoor dit hof van beroep bij de beoordeling van het ten laste gelegde niet anders zou kunnen besluiten dan tot een schuldigverklaring;

– het hof van beroep zich geenszins gehouden acht door de verklaringen, uitlatingen en geschriften van de eerste voorzitter van het Hof naar aanleiding van de zogenaamde Fortis-zaak;

– moet worden uitgegaan van het principe dat magistraten moeten worden geacht bestand te zijn tegen de beeldvorming door publieke verklaringen van partijen, betrokken derden, loutere derden of de media,

miskent het arrest de betekenis en de draagwijdte van het beginsel van objectieve onpartijdigheid; in de persoon van de strafrechter mag, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, zelfs geen schijn van objectieve partijdigheid bestaan (eerste onderdeel); het arrest beantwoordt het in de conclusie van de eiseres aangevoerde verweer betreffende de miskenning van de objectieve onpartijdigheid niet, maar beperkt zich tot het weerleggen van de criteria die eigen zijn aan het beginsel van subjectieve onpartijdigheid (tweede onderdeel).

9. Bij de beoordeling of er wettige redenen zijn om te twijfelen aan de objectieve onpartijdigheid van een rechtscollege en zijn leden, kan rekening worden gehouden met de overtuiging die de beklaagde op dit punt zegt te hebben. Die overtuiging vormt evenwel geen exclusief criterium. Bepalend is of de vrees voor een partijdige behandeling van de zaak objectief gerechtvaardigd is.

Bij het onderzoek naar het objectief gerechtvaardigd zijn van de ingeroepen schijn van partijdigheid kan de invloed op het verloop van het strafproces van de omstandigheden waaruit die schijn wordt afgeleid, mee in overweging worden genomen.

10. Met de redenen dat:

– de door de eiseres aangevoerde miskenning van het vermoeden van onschuld geen ontoelaatbare invloed heeft gehad op het hof van beroep;

– het hof van beroep zich geenszins gehouden acht door de verklaringen, uitlatingen en geschriften van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;

– magistraten principieel bestand moeten zijn tegen de in deze zaak publieke verklaringen van partijen, betrokken derden, derden of de van de media uitgaande beeldvorming;

– een miskenning van het onschuldvermoeden van de eiseres door anderen dan het hof van beroep, een eerlijk proces door dit hof van beroep niet onmogelijk maakt,

geeft het arrest te kennen dat de door de eiseres aangevoerde schijn van partijdigheid in de persoon van de appelrechters niet bestaat, miskent het niet de betekenis en de draagwijdte van het beginsel van de objectieve onpartijdigheid en beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres op dit punt.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

11. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

...

Derde middel

Eerste en tweede onderdeel

18. De onderdelen voeren schending aan van art. 149 Gw. en art. 458 Sw.: het arrest oordeelt ten onrechte dat het toezenden, met het oog op een taalkundige nalezing van een ontwerptekst van een deel van een arrest aan een eremagistrate uit zijn aard onder het beroepsgeheim van de eiseres valt; aldus miskent het arrest de draagwijdte van het strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim; een ontwerptekst van een niet door rechters ondertekend en uitgesproken arrest is niets meer dan een vrijblijvend en privaat werkdocument zonder enige relevantie (eerste onderdeel); het arrest oordeelt ten onrechte dat het toezenden van een ontwerptekst van een deel van een arrest aan een eremagistrate, waardoor deze kon kennisnemen van het persoonlijk standpunt betreffende de te beoordelen zaak, uit zijn aard onder het beroepsgeheim van de eiseres valt; aldus miskent het arrest de draagwijdte van het strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim; dit beroepsgeheim strekt zich enkel uit tot de geheimen die aan de houder ervan zijn toevertrouwd, maar slaat niet op een persoonlijk standpunt van een rechter tijdens een beraad (tweede onderdeel).

19. Art. 458 Sw. bestraft personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hen zijn toevertrouwd en die deze geheimen bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken.

Behalve in de wettelijk bepaalde uitzonderingen moeten rechters het geheim bewaren over het beraad waaraan zij hebben deelgenomen. De niet-naleving van deze geheimhoudingsplicht wordt bestraft volgens art. 458 Sw.

Tot het geheim van het beraad behoren de opgestelde ontwerpen van beslissing en de standpunten die de rechters over de te nemen beslissing hebben ingenomen, ook als over die ontwerpen of standpunten nog niet collegiaal werd beraadslaagd.

De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen in zoverre naar recht.

20. Het arrest dat oordeelt dat het toezenden aan een eremagistrate met het oog op een taalkundige nalezing van een door de eiseres opgestelde ontwerptekst van een deel van een arrest en het meedelen aan die eremagistrate van een tijdens het beraad door de eiseres ingenomen persoonlijk standpunt onder haar beroepsgeheim vallen, is naar recht verantwoord.

De onderdelen kunnen in zoverre niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 458 Sw.: het arrest oordeelt ten onrechte dat de overdracht van gegevens van de Fortis-zaak door de eiseres aan een eremagistrate helemaal niet noodzakelijk was voor de uitoefening van een vertrouwensopdracht en dat de mededeling van de ontwerptekst een schending van het beroepsgeheim inhield; de tussenkomst van andere personen moet niet noodzakelijk zijn; het is voldoende dat die tussenkomst enkel van aard is om het doel, namelijk het uitspreken van een arrest, mede te helpen bereiken; aldus miskent het arrest de begrippen beroepsgeheim en gedeeld beroepsgeheim.

22. Hij die tot het beroepsgeheim is gehouden, overtreedt art. 458 Sw. niet indien hij onder het beroepsgeheim vallende informatie meedeelt aan anderen die optreden met eenzelfde doelstelling en ten aanzien van dezelfde opdrachtgever en indien die mededeling bovendien noodzakelijk en pertinent is voor de opdracht van de geheimhouder.

23. De rechter oordeelt onaantastbaar of het mededelen van onder het beroepsgeheim vallende informatie pertinent en noodzakelijk is voor de opdracht van de geheimhouder.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

24. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling in feite door het hof van beroep betreffende het noodzakelijk karakter van de mededeling aan een derde, of van het Hof een beoordeling van feiten vraagt, is het niet ontvankelijk.

25. Het arrest dat oordeelt dat er geen sprake kan zijn van een zogenaamd gedeeld of toevertrouwd beroepsgeheim omdat de overdracht van gegevens van de Fortis-zaak door de eiseres helemaal niet noodzakelijk was voor de uitoefening van de vertrouwensopdracht, namelijk de behandeling, het beraad en het maken van een ontwerparrest, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

..

Noot onder dit arrest in het RW, Frederic Blockx, Het geheim van het beraad, het beroepsgeheim van de magistraat en het delen van informatie die onder het beroepsgeheim valt

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: do, 09/02/2017 - 11:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.