-A +A

Onontvankelijkheid en ontoelaatbaarheid van de vordering zijn synoniemen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De niet toelaatbaarheid van de vordering dient onderscheiden van de nietige proceshandeling. Het gebrek aan toelaatbaarheid wordt vastgesteld wanneer de vordering blijkt teloorgegaan,

bijvoorbeeld door

- een gebrekkig geïdentificeerde rechtspersoon (Cass. 16 feb. 2006, P&B, 2006, 121, met noot S. Mosselmans;
- verjaring (Cass 6 maart 2006 en noot onder Cass. 27 mùei 1994, RCJB, 1995, 650;
- gezag van gewijsde;
- dading (2052 eerste lid BW)
De begrippen ontvankelijkheid en toelaatbaarheid zijn in het gerechtelijk recht synoniemen. Deze begrippen kunnen dus door mekaar worden gebruikt en dekken mekaar inhoudelijk volledig.

Alvorens over een vordering te oordelen zal de rechter de rechtmatigheid van de uitoefening van de rechtsvordering nagaan en ingeval van vaststelling van rechtmatigheid van de vordering, deze toelaatbaar verklaren en een afwezigheid daarvan ze ontoelaatbaar of onontvankelijk verklaren.

De term "onontvankelijkheid" of "ontvankelijkheid" wordt evenwel verkozen boven de term "toelaatbaarheid" of "ontoelaatbaarheid". De term ontoelaatbaarheid heeft een bijklank alsof de vordering onkies, onduldbaar of ongeoorloofd zou zijn, en nochtans is de toelaatbaarheid onontvankelijkheid een louter technische kwestie.

Een middel van niet ontvankelijkheid is een van de mogelijkheden van verweer in het burgerlijk procesrecht, naast de excepties en de verweermiddelen ten gronde. Wanneer men correct taalgebruik wenst te hanteren spreekt men dus niet over de exceptie van niet- toelaatbaarheid maar wel over het middel van niet toelaatbaarheid.

Het middel van niet ontvankelijkheid laat de aanspraken van de eiser als dusdanig bestaan maar verhindert de eiser in de uitoefening ervan, en aldus in de uitoefening in rechte van de aanspraak.

Wie een vordering in rechte instelt teneinde een subjectief recht af te dwingen waarvan hij of zij, of degene voor wie hij of zij optreedt (in casu samen met de wederpartij(en)) beweert houder te zijn, beschikt over de vereiste hoedanigheid en (bijgevolg) over het vereiste belang in de zin van art. 17-18 Ger.W. De vraag of een en ander klopt, heeft geen betrekking op de ontvankelijkheid maar op de gegrondheid van de vordering (Cass. 2 april 2004, Arr. Cass. 2004, 597; Cass. 26 februari 2004, Arr.Cass. 2004, 334; zie ook: S. Beernaert, “Het belang als ontvankelijkheidsvereiste bij de gewone rechter, de Raad van State en het Arbitragehof”, P&B 2000, p. 156-157, nr. 5; P. Vanlersberghe, “Art. 17 Ger.W.” in Comm.Ger., 2002, p. 23, nr. 23).

Het middel van niet ontvankelijkheid laat de aanspraken van de eiser als dusdanig bestaan maar verhindert de eiser in de uitoefening ervan, en aldus in de uitoefening in rechte van de aanspraak. In tegenstelling tot een succesvolle exceptie kan, een niet ontvankelijke vordering niet meer leiden tot een nieuwe vordering, het recht om het recht af te dwingen is immers definitief verloren gegaan. In tegenstelling tot een exceptie (die in limine litis, voor elk verweer dient ingesteld) kan een middel van onontvankelijkheid, de betwisting van het ius agendi, in elke stand van het geding en zelfs voor de eerste maal in hoger beroep worden ingesteld.

Als voorbeeld van exceptie kunnen we de exceptie van onbevoegdheid aanhalen, zoals in limine litis op te werpen, waarmee de eiser de onbevoegdheid van de zetel opwerpt en waarmme beoogt wordt dat de rechter zich onbevoegd verklaard, onvermiderd het recht van de eiser om zijn recht voor een andere rechtbank te vorderen.

Rechtspraak:

• Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Dendermonde) 9 december 2016, 15/1585/ A - P&B / RDJP 2017/5-6, 230

samenvatting

Onontvankelijkheid van een vordering is een door de rechtsleer opgemerkt lapmiddel dat bepaalde rechtspraak hanteert om een akte die niet kan nietig verklaard worden op basis van de nietigheidsregels, alsnog haar effect te ontnemen onder gebruikmaking van de omstandigheid dat de wetgever nagelaten heeft de ontvankelijkheidsleer in detail in detail uit te werken.16 Dit komt evenwel neer op het toevoegen van sancties aan het sanctieregime van art. 860 en volgende GerW. Daarenboven miskent de herkwalificatie van de - klaarblijkelijk verworpen - nietigheidssanctie in een onontvankelijkheid het onderscheid tussen de begrippen "rechtsvordering" en "vorderingsrecht" of - meer algemeen geformuleerd - tussen de rechtsvordering en haar uitoefeningswijze

Nietigheid komt voort uit vormgebreken, niet uit inhoudelijke gebreken. Dit is logisch, nu het criterium van de belangenschade'" impliceert dat enkel het formele recht van verdediging moet zijn gewaarborgd. Wanneer een verwerende partij kàn opwerpen dat de middelen van de dagvaarding van de spreekwoordelijke pot gerukt zijn, blijkt ipso facto haar recht van verdediging gewaarborgd en is de dagvaarding geldig. Nietigheid van de akte is dus helemaal iets anders dan onontvankelijkheid van de erin vervatte handeling of vordering. Dat een vordering onontvankelijk is, is geen gevolg van enige nietigheid van haar dragende akte omdat de nietige akte geen gevolgen heeft.

De middelen bedoeld in art. 702.3° GerW zijn feitelijke middelen, geen rechtsmiddelen.

De saisine van de rechtbank omvat immers de feiten, niet de kwalificaties." Het is aan de rechtbank om de feiten definitief te kwalificeren en wanneer zij vaststelt dat partijen omtrent en/of onder deze kwalificatie geen relevant standpunt hebben ingenomen dient zij de debatten te heropenen om partijen toe te laten dit alsnog te doen. Onder art. 702.3° GerW kwalificaties ofte rechtsmiddelen begrijpen, zou de rechtbank de macht- "bevoegdheid" - ontnemen, minstens beperken, de juiste regel toe te passen op het geschil.

Inbreuken op art. 702.3° GerW zijn gesanctioneerd met de nietigheid van de beweerd gebrekkige akte.

tekst van het vonnis

IV Saisine

4.1 Voor alle duidelijkheid brengt de rechtbank haar standpunt aangaande de saisine waarbinnen zij gevat is in herinnering:

"3.1 Eisers vorderen in het kader van art. 19 al. 3 GerW een onderzoeksmaatregel.

Deze vordering bepaalt de saisine van de rechtbank, te weten deze alvorens recht te doen.

3.2 Het is pas wanneer deze vordering ongegrond blijkt, dat de rechtbank gevat kan zijn binnen de saisine om recht te doen.

Wanneer daarentegen de rechtbank de vordering alvorens recht te doen gegrond verklaart, dient zij de eventuele overige bodemvorderingen aan te houden.

3.3 Evenwel dient de rechtbank alvorens het verzoek tot onderzoeksmaatregel te behandelen na te gaan of de bodemvordering überhaupt ontvankelijk is.1 "

4.2 Het komt de rechtbank voor dat verschillende tussengeroepen partijen het belang van de aard van de saisine waarbinnen een rechtbank een vonnis wijst niet onderkennen. D.-D. stelt in de huidige staat van de procedure nochtans een vordering in die zich uitdrukkelijk beperkt tot de saisine waarbinnen de rechtbank op dit ogenblik gevat is, te weten deze omschreven in art. 19 al. 3 GerW, met andere woorden deze "[a]lvorens recht te doen". Zij vordert "tussenkomst en deelname aan een deskundig onderzoek". Het is ook slechts in die mate dat gebruik kan gemaakt worden van art. 735 § 2 al. 2 GerW en de zaak nu al kan worden behandeld.

Dit houdt in dat de rechtbank geen bodemuitspraken kan doen, niet tot veroordeling en al evenmin tot buitenzakestelling.

De saisine beschreven in art. 19 al. 3 GerW komt overeen met deze van de voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding, met dat verschil dat het urgentievereiste niet aan de orde is.2 De macht die de bodemrechter uitoefent is dus dezelfde als deze die de kortgedingrechter uitoefent in geval van hoogdringendheid.

Bijgevolg is stellen dat de rechtbank binnen de saisine van art. 19 al. 3 GerW een partij buiten zake zou kunnen stellen hetzelfde als stellen dat het vonnis waarbij een kort geding rechter een vordering tot voorlopige maatregel of tot onderzoeksmaatregel afwijst de ongegrondheid van de bodemvordering zou impliceren. Dergelijke redenering slaat nergens op, al was het maar omdat zij in conflict komt met de definities van de saisine respectievelijk de macht van de kortgedingrechter.

De rechtbank heeft dit besluit al aan de hand van een andere redenering uitgewerkt in het tussenvonnis. Evenwel bleek ter zitting dat niet alle gedaagden in tussenkomst deze passage van het tussenvonnis op dezelfde manier lazen. Het is om die reden dat de rechtbank bij deze een andere - als het ware interpretatieve - redenering uitwerkt.

4.3 Wanneer partijen besluiten uitwisselen binnen de saisine beschreven in art. 19 al. 3 GerW zijn zij niet verplicht hun bodemvorderingen aan te duiden.

De saisine bedoeld in art. 19 al. 3 GerW ontsnapt immers krachtens art. 735 § 2 al. 2 GerW aan de toepassing van art. 747 GerW, zodat de besluiten die een partij neerlegt niet geacht kunnen worden alle vorderingen en middelen te omvatten."

Indien zij toch hun bodemvorderingen aanduiden, dient de rechter deze vorderingen aan te houden voor berechting voor zover hij op de vorderingen tot voorlopige maatregelen of tot onderzoeksmaatregelen ingaat. Indien hij deze laatste vorderingen afwijst, kan hij de bodemvorderingen berechten voor zover zij in gereedheid blijken.

V Gronden van het vonnis

V.1 Ontvankelijkheid van de vorderingen

V.1.A Inleiding

5.1 Enkel partij P.F. betwist de ontvankelijkheid van de vorderingen van D.-D. 4

Zij beroept zich hierbij op art. 702.3° GerW, ook wel de exceptio obscuri libelli ofte de exceptie op basis van de onduidelijke formulering van de vordering genoemd. Een tweede argument dat P.F. naar voor schuift is de afwezigheid van bewijs(-stuk) dat D.-D. belang heeft bij haar vordering zoals gesteld tegenover P.F.

5.2 De andere partijen stellen ofwel geen uitdrukkelijk standpunt in te nemen - waardoor zij enkel verwijzen naar de onderzoeken die de rechtbank ambtshalve moet voeren - ofwel dat de vordering wel degelijk ontvankelijk is - wat in grote lijnen op hetzelfde neerkomt nu dit standpunt de rechtbank niet vrijstelt van onderzoek van de middelen van openbare orde.

V.1.8 Exceptie van de onduidelijke vordering

5.3 P.F. beroept zich op de exceptie van de onduidelijke vordering.

Haar standpunt terzake is dubbelzinnig geformuleerd:

- onder het eerste randnummer benadrukt zij - onder verwijzing naar een vonnis van de Vrederechter te Kontich5 - dat de kwestie van art. 702.3° GerW moet beoordeeld worden als een afdoende identificatie van "feitelijke gegevens".6 - onder het volgende randnummer lijkt P.F. evenwel al niet meer zo zeker van haar stuk nu zij de kwestie van art. 702.3° GerW analyseert als het "niet aangeven op welke (rechts) gtond'" de vordering is gebaseerd.

- onder het derde en laatste randnummer stelt zij onder verwijzing naar rechtspraak van de rechtbank te Brugge dat de vordering onontvankelijk is wanneer de eiser niet aantoont dat "haar feitenrelaas dermate juridisch is onderbouwd opdat (SIC) de rechtbank en de verwerende partij de oorzaken kunnen bepalen ,,a

Vraag is dus of P.F. de inhoud van haar eigen verweermiddel überhaupt weet te definiëren.

5.4 De middelen bedoeld in art. 702.3° GerW zijn feitelijke middelen, geen rechtsmiddelen.9

De saisine van de rechtbank omvat immers de feiten, niet de kwalificaties." Het is aan de rechtbank om de feiten definitief te kwalificeren en wanneer zij vaststelt dat partijen omtrent en/of onder deze kwalificatie geen relevant standpunt hebben ingenomen dient zij de debatten te heropenen om partijen toe te laten dit alsnog te doen. Onder art. 702.3° GerW kwalificaties ofte rechtsmiddelen begrijpen, zou de rechtbank de macht- "bevoegdheid" - ontnemen, minstens beperken, de juiste regel toe te passen op het geschil.

5.5 Daarenboven zijn inbreuken op art. 702.3° GerW gesanctioneerd met de nietigheid van de beweerd gebrekkige akte."

Nietigheid komt voort uit vormgebreken, niet uit inhoudelijke gebreken. Dit is logisch, nu het criterium van de belangenschade'" impliceert dat enkel het formele recht van verdediging moet zijn gewaarborgd. Wanneer een verwerende partij kàn opwerpen - en in deze ook daadwerkelijk opwerpt - dat de middelen van de dagvaarding van de spreekwoordelijke pot gerukt zijn, blijkt ipso facto haar recht van verdediging gewaarborgd en is de dagvaarding geldig. Nietigheid van de akte is dus helemaal iets anders dan onontvankelijkheid van de erin vervatte handeling of vordering. Dat een vordering onontvankelijk is, is geen gevolg van enige nietigheid van haar dragende akte omdat de nietige akte geen gevolgen heeft.

Wat P.F. komt te beweren is dat de beweerd nietige akte wel degelijk gevolg heeft gehad, te weten het instellen van een vordering, maar dat deze vordering onontvankelijk moet verklaard worden omwille van de aangeklaagde nietigheid. Dit is evenwel een absurde redenering:

- ofwel is de akte nietig: in die hypothese is er geen vordering ingesteld die de rechtbank onontvankelijk kan verklaren

- ofwel is de akte niet nietig: in die hypothese kan de rechtbank de vordering onontvankelijk verklaren, maar niet om reden van nietigheid van de akte.

Onontvankelijkheid van een vordering is een door de rechtsleer opgemerkt lapmiddel dat bepaalde rechtspraak hanteert om een akte die niet kan nietig verklaard worden op basis van de nietigheidsregels, alsnog haar effect te ontnemen onder gebruikmaking van de omstandigheid dat de wetgever nagelaten heeft de ontvankelijkheidsleer in detail in detail uit te werken.16 Dit komt evenwel neer op het toevoegen van sancties aan het sanctieregime van art. 860 en volgende GerW. Daarenboven miskent de herkwalificatie van de - klaarblijkelijk verworpen - nietigheidssanctie in een onontvankelijkheid het onderscheid tussen de begrippen "rechtsvordering" en "vorderingsrecht" of - meer algemeen geformuleerd - tussen de rechtsvordering en haar uitoefeningswijze :

"Hoe dan ook kan een loutere formaliteit moeilijk bestaansvoorwaarde voor de rechtsvordering zijn.[. .. ] Ook voorstanders van de sanctie geven toe dat de beoogde vormgebreken moeilijk tot niet-ontvankelijkheid kunnen leiden, aangezien de rechtsvordering in geen enkel opzicht wordt aangetast. "18 Het valt dan ook op dat P.F. veeleer dan de door de wet voorziene (ofte primaire) sanctie te vorderen, een door bepaalde rechtspraak" afgeleide (ofte secundaire) sanctie - waarvan de wet zelf het bestaan weerlegt-vordert en aldus op impliciete doch zekere wijze aangeeft dat naar haar mening aan de toepassingsvoorwaarden van de primaire - de wettelijk voorziene - sanctie niet is voldaan. In het andere geval had P.F. in hoofdorde toepassing van de wettelijke sanctie - nietlgverklaring'" - gevorderd en (slechts) in ondergeschikte orde de jurisprudentieel ontwikkelde - maar door deze rechtbank verworpen - sanctie - onontvankelijkverklaring. P.F. erkent in besluiten trouwens dat de onontvankelijkheidssanctie een lapmiddel is: de door haar aangehaalde rechtspraak sanctioneert niet de onduidelijkheid van het feitenrelaas maar het gebrek aan "juridische onderbouwing" van dit feitenrelaas.21 De rechtspraak die P.F. aanhaalt voegt dus een voorwaarde toe aan art. 702.3° GerW. Deze rechtbank oordeelt dat zij hiertoe geen enkele macht heeft. Overigens moet P.F. ook formeel consequent zijn: wanneer de door haar aangehaalde rechtspraak een voorwaarde toevoegt aan art. 702.3° GerW, kan zij niet beweren dat zij art. 702.3° GerW toepast.

5.6 Anders geformuleerd: P.F. heeft onder bijstand van een beslagen raadsman de nietigheidsvordering niet ingesteld ... De rechtbank kan deze dus ook niet toepassen, zelfs niet door herkwalificatie, gezien het beschikkingsbeginsel22: nietigheid is méér dan onontvankelijkheid, omdat de eerste het niet-bestaan van de handeling impliceert en de tweede het bestaan van de handeling uitdrukkelijk bevestigt maar aan de handeling haar gevolgen ontneemt.

V. 7 .C Exceptie van gebrek aan hoedanigheid en/of belang

5.7 P.F. werpt op dat D.-D. geen "stavingsstukken" voorlegt waaruit haar hoedanigheid en haar belang "ten opzichte van concludente" zouden blijken.23

5.8 "Belang" en "hoedanigheid" zijn twee onderscheiden wijzen waarop een partij zich tot zijn vordering verhoudt24: - "belang" betreft de vraag naar het voordeel dat een partij wil bekomen"

- "hoedanigheid" betreft de vraag naar de identiteit van de persoon die het voordeel kan bekomen.26

Het is om die reden dat het Gerechtelijk Wetboek in art. 17 en 18 de vraag naar hoedanigheid en belang uitdrukkelijk definieert in hoofde van de "eiser". Nergens in dit artikel is sprake van enig vereiste van hoedanigheid en/of belang in hoofde van de verweerder.

5.9 Meent P.F. dat passieflegitimatie een ontvankelijkheidskwestie is, met andere woorden een kwestie van "de mate waarin een persoon de gegrondheid van zijn aanspraak door een rechter kan laten beoordelen"27 ofte het zogenaamde "ius agendi" 28? Dit zou bepaald een innovatie zijn29 nu geen van de drie soorten onontvankelijkheid'" deze kwestie aangaan. 31

Passieflegitimatie beschouwen als een ontvankelijkheidskwestie is een ander voorbeeld van de door VAN ORSHOVEN in zijn al aangehaalde essay gesignaleerde - en zelfs aangeklaagde - denkfout een exceptie te (moeten) creëren om te verhelpen aan een probleem dat als dusdanig niet bestaat omdat de persoon die voor het probleem gevat werd - de rechter - het probleem zwaarder aanvoelt dan de wet het probleem definieert.32 Dusdoende creëert deze persoon evenwel nieuwe ontvankelijkheidsvereisten zonder noodzakelijk oog te hebben voor de systematiek die aan de ontvankelijkheidsleer ten grondslag ligt. Waarom kan een vordering niet gewoon ongegrond zijn bij gebrek aan bewezen rechtsband maar moet het bestaan van de rechtsband - een kwestie ten gronde - uit de gegrondheidskwestie gelicht worden om bij de ontvankelijkheidskwestie gevoegd te worden?33

De redenering volgens dewelke passieflegitimatie als ontvankelijkheidsvereiste - "het gebrek aan rechtsband"34 - geldt, leidt in het bijzonder in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht tot vreemde resultaten. De auteur en het slachtoffer van slagen en verwondingen hebben a priori geen rechtsband, deze ontstaat door de onrechtmatige daad zelf en dus door de combinatie van fout, schade en het oorzakelijke verband hiertussen. De aangehaalde theorie van de rechtsband ofte passieflegitimatie als ontvankelijkheidsvereiste impliceert noodzakelijk dat het slachtoffer fout, schade én oorzakelijk verband moet aantonen als ontvankelijkheidsvereiste van zijn vordering. Zo lang hij deze fout, schade én oorzakelijk verband niet aantoont, kan zelfs geen deskundig onderzoek worden bevolerr" wat bepaald in medische dossiers problematisch is omdat deze vaak de identificatie van de fout tot doel hebben. Is procedurele ontvankelijkheid anders te beoordelen naargelang de kwestie contractueel dan wel extracontractueel is, wat in geval van herkwalificatie en wat met de reikwijdte van het vonnis sedert "Potpourri I", in het bijzonder de wijziging van art. 23 GerW? Anders geformuleerd: wanneer de fout wettelijk is, is zij een ontvankelijkheidsvereiste voor de vordering in schadevergoeding en wanneer zij contractueel is, is zij een gegrondheidsvereiste voor de vordering in schadevergoeding (omdat in dit laatste geval de "rechtsband" blijkt uit de loutere overeenkomst) ...

Aldus staat de passieflegitimatie als ontvankelijkheidsvereiste volledig buiten de theorie van de ontvankelijkheid36 en ook vanuit rechtsvergelijkend oogpunt houdt deze opvatting geen stand37.

Indien de rechtbank de hoedanigheid van de verweerder zou analyseren in termen van "ontvankelijkheid", zou zij termen toevoegen aan de wet. Deze rechtbank oordeelt dat zij hiertoe geen enkele macht heeft.

5.10 De vraag rijst dan ook waarom D.-D. "stavingsstukken" zou moeten neerleggen om haar hoedanigheid en belang aan te tonen:

- haar "belang" blijkt duidelijk uit de inleidende akte en haar bijlagen, nu D.-D. het voordeel nastreeft van dekking van haar eigen potentiële aansprakelijkheid door de door haar aangesproken derden

- haar "hoedanigheid" blijkt al evenzeer duidelijk uit de inleidende akte en haar bijlage, nu D.-D. optreedt in haar hoedanigheid van verweerster in de oorspronkelijk procedure De stukken waarop P.F. doelt moeten de realiteit van de relatie tussen D.-D. en haarzelf aantonen, maar dit is een kwestie ten gronde.38 Wil P.F. stellen dat de vordering onontvankelijk is omdat niet vast staat dat zij gegrond is?

• Hof van Beroep te Gent, 12e Kamer – 14 november 2007, RW 2008, 2009, 675.

Wanneer uit de gegevens van de dagvaarding niet kan worden opgemaakt of het geding wordt ingeleid namens de ene of de andere vennootschap en dit door de geschapen verwarring mbt de identiteit van de gedagvaarde partij, is de vordering ontoelaatbaar wegens gebrek aan identiteit.

...

1. Uit de stukken en gegevens waarvan het hof thans kennis heeft, blijkt dat er twee onderscheiden vennootschappen bestaan – of hebben bestaan – met de naam B.:

a) Een vennootschap naar het recht van Costa Rica, genaamd B.S.A. Deze vennootschap blijkt in 1989 te zijn opgericht en bestond volgens het voorgelegde certificaat nog steeds in 2003.

b) Een vennootschap naar het recht van de staat Florida (USA), genaamd B.I., waarvan de zetel bij de oprichting gevestigd was te Tampa, Florida. Volgens haar verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst heeft B.I. thans haar zetel te Temple Terrace, (...).

Deze vennootschap werd opgericht op 9 januari 1990 en ingeschreven op 16 januari 1990. Volgens de verklaring afgeleverd door de Staat Florida werd deze vennootschap administratief ontbonden op 11 oktober 1991.

2. De inleidende dagvaarding, waarmee de vordering tegen P. werd ingeleid, vermeldt als eiseres niet de vennootschap naar het recht van Costa Rica B.S.A. noch de vennootschap naar het recht van de staat Florida B.I., met zetel te Temple Terrace, Florida, maar wel «de vennootschap naar vreemd recht B. S.A., fruitfrisdrankenfabrikant, met maatschappelijke zetel te Temple Terrace, Florida (...)».

3. De rechtsvordering raakt de openbare orde (vgl. Cass. 29 september 1967, Arr. Cass. 1968, 141; Cass. 23 januari 1969, Arr. Cass. 1969, 498; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, p. 38, nr. 27). Het uitoefenen van de rechtsvordering is onderworpen aan een verscheidenheid van toelaatbaarheids- of ontvankelijkheidsvereisten. Algemene toelaatbaarheidsvereisten gelden ten aanzien van alle procespartijen en in alle gedingen zonder enig onderscheid, terwijl bijzondere toelaatbaarheidsvereisten slechts in bepaalde gedingen en ten aanzien van bepaalde procespartijen gelden (J. Laenens, K. Broeckx en D. Scheers, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, p. 78, nr. 119).

Met betrekking tot elk geding en ten aanzien van alle procespartijen geldt onder meer als toelaatbaarheidsvereiste dat zij over «rechtspersoonlijkheid» of «rechtsbekwaamheid» dienen te beschikken. Enkel wie juridisch «bestaat» kan een beroep doen op de rechter om zijn materieelrechtelijke aanspraken te effectueren of om verweer te voeren (vgl. J. Laenens e.a., o.c., p. 80, nr. 121).

Vennootschappen kunnen in rechte optreden wanneer zij rechtspersoonlijkheid bezitten. Wanneer zij niet volgens de wettelijke vereisten zijn opgericht, kunnen zij niet in rechte optreden (P. Vanlersberghe, Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk Recht, art. 17 Ger. W., p. 54). Dit geldt ook ten aanzien van buitenlandse vennootschappen. Opdat zij een ontvankelijke vordering zouden kunnen instellen voor een Belgische rechter, moeten zij, volgens hun nationale wet en hun statuten doen blijken van hun bevoegdheid om in rechte op te treden (vgl. Cass. 11 januari 1979, Arr. Cass. 1978-79, 524).

De ontvankelijkheidsvoorwaarden van de vordering worden beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering (vgl. Cass. 29 februari 1996, Arr. Cass. 1996, 210).

4. Volgens art. 703, tweede lid, Ger. W. is het voor rechtspersonen om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging voldoende hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel op te geven. Deze regel geldt ook voor rechtspersonen naar buitenlands recht die in België in rechte optreden.

Wanneer de identiteit van een rechtspersoon vaststaat, kan een gebrekkige opgave van de maatschappelijke zetel de nietigheid van de door deze rechtspersoon gestelde rechtshandelingen meebrengen, maar als zodanig niet de niet-toelaatbaarheid van de vordering in rechte wegens gebrek aan rechtspersoonlijkheid tot gevolg hebben. Aldus oordeelde het Hof van Cassatie dat, wanneer een dagvaarding wordt betekend ten verzoeke van «S.H. B.V., vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te Aalsmeerderbrug», terwijl de zetel van deze vennootschap gevestigd is te Haarlem, de vordering niet ontoelaatbaar is, maar in voorkomend geval enkel tot de nietigheid van de dagvaarding besloten zou kunnen worden (Cass. 16 februari 2006, P&B 2006, 120). In dat geval stond de identiteit van de eisende partij vast, het betrof de vennootschap naar Nederlands recht S.H. B.V., waarvan weliswaar een verkeerd adres in Nederland als zetel was vermeld.

5. In het voorliggend geval staat de identiteit van de persoon die de vordering instelde, aan de hand van de identificatiegegevens, opgenomen in de dagvaarding, niet vast:

– de vermelding «B. S.A.» lijkt op het eerste gezicht te verwijzen naar de vennootschap naar het recht van Costa Rica B.S.A. maar dit wordt niet bevestigd door de vermelding van de nationaliteit van de vennootschap («vennootschap naar vreemd recht»); bovendien staat in de dagvaarding dat de vennootschap die het geding inleidt haar maatschappelijke zetel heeft op een adres in de Verenigde Staten, hetgeen uitsluit dat het de voormelde vennootschap uit Costa Rica betreft, waarmee P. verklaart gecontracteerd te hebben;

– de vermelde maatschappelijke zetel schijnt erop te wijzen dat «B.I.» bedoeld wordt, maar dit wordt niet bevestigd door de aanduiding van de nationaliteit van de vennootschap en wordt tegengesproken door de vermelde rechtsvorm.

De gegevens, vermeld in de dagvaarding, maken het aldus, anders dan in de zaak die aanleiding gaf tot het cassatiearrest van 16 februari 2006, niet mogelijk de eisende partij te identificeren als hetzij de ene hetzij de andere van beide voornoemde vennootschappen.

Een duidelijke identificatie van de partij die de vordering instelt is nochtans vereist om zowel de toelaatbaarheids- of ontvankelijkheidsvoorwaarden als – vervolgens – de gegrondheid te kunnen beoordelen. De vragen of de eisende partij rechtspersoonlijkheid had op het ogenblik van het instellen van de vordering, of zij procesbekwaam was, of zij belang en hoedanigheid had, of zij de contractpartij van de verweerder was, kunnen maar beantwoord worden wanneer geen twijfel mogelijk is over haar identiteit.

Aangezien de gegevens, vermeld in de dagvaarding, het niet mogelijk maken te besluiten dat de vordering werd ingesteld ten verzoeke van de vennootschap naar Costa Ricaans recht B.S.A., noch dat dit gebeurde op verzoek van de vennootschap naar het recht van de staat Florida, B.I., terwijl niet blijkt dat er, op het ogenblik van het instellen van de vordering een vennootschap naar vreemd recht B. S.A., met zetel te Temple Terrace, bestond die rechtspersoonlijkheid had, is de vordering niet ontvankelijk.

6. De vordering in vrijwillige tussenkomst van B.I. strekt ertoe: «De vrijwillige tussenkomst van B.I. ontvankelijk en gegrond te verklaren en dientengevolge aan B.I. akte te verlenen van haar vrijwillige tussenkomst». In de overwegingen van haar verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst verklaart B.I. dat zij «verzoekt vrijwillig te mogen tussenkomen om zich aan te sluiten bij de stelling van (...) B. S.A.».

Onverminderd de vragen of B.I., die op 11 oktober 1991 «administratief ontbonden» werd over de vereiste procesbekwaamheid beschikte om op 15 oktober 2003 tussen te komen in het geding en wie daarover in bevestigend geval kon beslissen, is haar vrijwillige tussenkomst eveneens onontvankelijk, aangezien zij geen autonoom karakter heeft. Zij strekt er niet toe haar eigen belangen te vrijwaren, maar blijft strikt beperkt tot een ondersteuning van de hoofdeis.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 07/09/2013 - 13:05
Laatst aangepast op: za, 23/06/2018 - 17:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.