-A +A

Kaalplukken van veroordeelden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

uittreksel uit het wetboek van strafvordering

editie 21/05/05


HOOFDSTUK VIII. - BIJZONDER ONDERZOEK NAAR DE VERMOGENSVOORDELEN. <ingevoegd bij W 2002-12-19/86, art. 14; Inwerkingtreding : 24-02-2003>
Art. 524bis. <ingevoegd bij W 2002-12-19/86, art. 14; Inwerkingtreding : 24-02-2003> § 1. De rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan het ten laste gelegde feit kan, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, artikel 43bis en 43quater , van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen zal worden gevoerd met het oog op het bepalen van deze vermogensvoordelen.
Het voeren van dit bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is evenwel enkel mogelijk indien het openbaar ministerie door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de veroordeelde uit het misdrijf of uit identieke feiten in de zin van artikel 43quater van het Strafwetboek, vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald.
De vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen kan nooit voor het eerst in tweede aanleg worden gesteld.
§ 2. Het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. Hij waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.
Het instellen van een rechtsmiddel verhindert niet dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen reeds wordt aangevat.
§ 3. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen geheim. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 4. De handelingen die in het kader van het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen worden verricht, mogen geen enkele dwangmaatregel inhouden noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. Deze handelingen kunnen evenwel de inbeslagneming van de zaken vermeld in de artikelen 35 en 35ter inhouden. In geval van beslag op een onroerend goed, wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften van artikel 35bis.
In geval van beslag overeenkomstig het eerste lid, is artikel 28sexies van toepassing.
§ 5. De procureur des Konings, of in voorkomend geval de procureur-generaal kan de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen heeft gelast, schriftelijk verzoeken over te gaan tot het aanstellen van een deskundige, het bevelen van de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter of het bevelen van een huiszoeking.
Over dit verzoek wordt uitspraak gedaan binnen vijftien dagen. De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan het openbaar ministerie. Tegen een weigering om de gevraagde dwangmaatregel te bevelen staat geen rechtsmiddel open.
Indien het verzoek strekt tot het bevelen van een bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter , neemt de rechtbank of het hof een beschikking overeenkomstig artikel 90quater , § 1, en gelast de rechtbank of het hof een onderzoeksrechter met de uitvoering van de maatregel overeenkomstig de artikelen 90quater , §§ 2 en 3, tot 90octies.
§ 6. Wanneer de procureur des Konings, of in voorkomend geval de procureur-generaal oordeelt dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen voltooid is, maakt hij de vordering tot verbeurdverklaring aanhangig bij de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen heeft gelast. Dit gebeurt door een dagvaarding rechtstreeks gericht aan de veroordeelde, en in voorkomend geval aan de burgerlijke partij.
Een termijn van tien dagen, die in voorkomend geval verlengd wordt wegens de afstand, moet tussen de dagvaarding en de verschijning gelaten worden, op straffe van nietigheid van de veroordeling tot verbeurdverklaring die bij verstek tegen de gedaagde mocht worden uitgesproken. Deze nietigheid kan echter niet worden ingeroepen dan op de eerste terechtzitting en vóór alle exceptie of verweer.
§ 7. De aanhangigmaking van de vordering tot verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 6, dient op straffe van verval van de vordering tot verbeurdverklaring te geschieden vóór het verstrijken van een termijn van twee jaar vanaf de dag waarop het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen door de rechter werd gelast, voor zover de uitspraak over de schuld reeds in kracht van gewijsde is gegaan.
Indien de uitspraak over de schuld na het verstrijken van deze termijn nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de termijn verlengd tot één maand vanaf de dag waarop de uitspraak waarbij het misdrijf voor bewezen werd verklaard in kracht van gewijsde is gegaan.
Indien de appelrechter in de bodemprocedure feiten bewezen verklaart waarvoor de beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken, kan hij op vordering van het openbaar ministerie de in het eerste lid bedoelde termijn met een termijn van maximum zes maanden verlengen.
Art. 524ter. <ingevoegd bij W 2002-12-19/86, art. 14; Inwerkingtreding : 24-02-2003> § 1. Indien de rechter de vordering tot verbeurdverklaring, bedoeld in artikel 524bis , § 6, ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de verbeurdverklaring uitgesproken van het door hem bepaalde wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel.
§ 2. Tegen de beslissing over de vordering tot verbeurdverklaring staan alle in dit Wetboek opgenomen gewone en buitengewone rechtsmiddelen open.

 

Rechtspraak

•• Hof van Cassatie 2e Kamer – 4 maart 2008, RW 2008-2009,  608, met noot S. Van Dromme, Strafrechtelijk beslag op een onroerend goed dat het voorwerp is van een witwasmisdrijf

Wanneer het voorwerp van het misdrijf witwassen een onroerend goed is, is het tevens een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf en kan het overeenkomstig art. 35bis Sv. in beslag worden genomen. De omstandigheid dat de eigenaar van dat goed geen dader of mededader van het basismisdrijf is waaruit het oorspronkelijk vermogensvoordeel voortkomt of dat de onderzoeksrechter die het beslag heeft bevolen, niet gelast is met het onderzoek naar het basismisdrijf, doet hieraan geen afbreuk.

L.M. t/ O.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober 2007.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het verzoek van de eiseres tot het opheffen van een onderzoekshandeling met betrekking tot haar goederen, ingesteld met toepassing van art. 61quater Sv., wordt afgewezen.

2. In zoverre het arrest uitspraak doet over de opportuniteit van de gewraakte onderzoekshandeling, bevat het geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv.

Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van art. 35bis Sv.: het arrest oordeelt ten onrechte dat het onroerend goed van de eiseres als voorwerp van een witwasmisdrijf in beslag kan worden genomen; die wetsbepaling laat niet toe een vermogensvoordeel uit een basismisdrijf dat niet het voorwerp uitmaakt van het gerechtelijk onderzoek, in beslag te nemen.

4. Art. 35 Sv., zoals het van toepassing was op het ogenblik dat het beslag werd gelegd, bepaalt dat de procureur des Konings alles in beslag neemt wat een van de in art. 42 Sw. bedoelde zaken schijnt uit te maken en alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te leggen. Overeenkomstig art. 89, eerste lid, Sv., kan de onderzoeksrechter dit beslag bevelen.

5. Art. 35bis Sv. bepaalt dat indien de zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel schijnen te vormen, onroerende goederen zijn, bewarend beslag op onroerend goed gedaan wordt.

6. Wanneer een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf als bedoeld in art. 42, 3o, Sw., wordt witgewassen, dan is dit overeenkomstig art. 505, derde lid, Sw., zoals van toepassing op het ogenblik dat het beslag werd gelegd, het voorwerp van het in het eerste lid, 2o, 3o en 4o, van dat artikel bepaalde misdrijf witwassen in de zin van art. 42, 1o, Sw. en wordt het verbeurdverklaard.

7. Uit deze bepalingen volgt dat een vermogensvoordeel uit een ander misdrijf, dat tevens het voorwerp van het misdrijf witwassen is, in beslag kan worden genomen.

8. Wanneer het voorwerp van het misdrijf witwassen een onroerend goed is, is het tevens een vermogensvoordeel dat voortkomt uit een misdrijf en kan het overeenkomstig art. 35bis Sv. in beslag worden genomen. De omstandigheid dat de eigenaar van dat goed geen dader of mededader van het basismisdrijf is waaruit het oorspronkelijk vermogensvoordeel voortkomt of dat de onderzoeksrechter die het beslag bevolen heeft, niet gelast is met het onderzoek naar het basismisdrijf, doet daaraan geen afbreuk.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: zo, 29/10/2017 - 17:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.