-A +A

onder welke omstandigheden kan de rechter in graad van beroep de uitvoerbaarheid bij voorraad verbieden of schorsen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Het tenietdoen van de voorlopige tenuitvoerlegging in hoger beroep. Cassatie licht toe’, RABG 2006, afl. 18, 1366-1370
Deze bijdrage, zijnde een noot onder Cass. 1 juni 2006, A.R. C030231N werd gepubliceerd middels een link op de website www.clijmansadvocaten.be 

Conform art. 1402 Ger.W. ken een rechter in graad van beroep de voorlopige tenuitvoerlegging die toegestaan werd door een rechter in eerste aanleg niet verbieden of schorsen.

uitzonderingen:

De appelrechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging wel schorsen of verbieden:

1) indien de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd

2) indien de voorlopige tenuitvoerlegging  niet is toegestaan

3) indien de voorlopige tenuitvoerlegging is tot stand gekomen met miskenning van de rechten van verdediging.

Een gebrek aan motivering in de beslissing van de eerste rechter volstaat echter niet om de rechter in beroep toe te laten de voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen.

zie ook Voorlopige tenuitvoerlegging
De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis van de eerste rechter ter discussie in hoger beroep (Bruno Maes, noot bij Cass. 1 april 2004) in RABG 2005 eerste editie en Cass. 1 april 2004 R.W 07/05/05, 1422 ( met noot van K. Broeckx )
1422.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Brussel, 17e Kamer – 4 juni 2007, RW 2007-2008, 582

"
1. Het hof wordt geadieerd door een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op 16 maart 2007, gericht tegen een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, gewezen op 15 december 2006.

Van deze beslissing wordt geen akte van betekening voorgelegd.

Partijen verzoeken het hof om, alvorens over de grond van het geschil uitspraak te doen, recht te spreken over de vordering van appellanten om de bestreden beslissing te hervormen in de mate dat de eerste rechter de beslissing uitvoerbaar verklaarde bij voorraad en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.

2. De uitvoerbaarheid bij voorraad

Wanneer de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn beslissing heeft toegestaan, vermag de appelrechter overeenkomstig art. 1402 Ger. W. «in geen geval» deze te verbieden of te doen schorsen. Dit verbod geldt niet absoluut: een hervorming van de beslissing inzake de toelating tot voorlopige tenuitvoerlegging is uitzonderlijk mogelijk, wanneer zij op onregelmatige wijze tot stand kwam, aldus wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd, wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging.

Appellanten trachten in casu dit principe te doorbreken door aan te voeren dat de beslissing van de eerste rechter onregelmatig werd genomen omdat de eerste rechter door de tenuitvoerlegging toe te staan ultra petita en met miskenning van hun recht van verdediging geoordeeld zou hebben.

Art. 984, tweede lid, Ger. W. bepaalt dat de rechter het ereloon en de kosten van de deskundige vaststelt in een vonnis uitvoerbaar «tegen de partijen die het deskundigenonderzoek hebben gevorderd of tegen die welke het, ingeval het ambtshalve bevolen is, hebben doen uitvoeren» indien de partijen hun instemming niet hebben betuigd binnen vijftien dagen na de neerlegging van het deskundigenverslag dat de staat van kosten en erelonen bevat, en beschrijft de procedure tot ereloon- en kostenbegroting die aan het bestreden vonnis voorafgaat (cf. Embrechts, J., «Het ereloon van de deskundige en de kosten van het deskundigenonderzoek», in E Guldix (red.), Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen, Antwerpen, Intersentia, 2000, 101-103).

Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat appellanten in het raam van de beroepsprocedure tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 12 april 2002, waarbij een deskundigenonderzoek werd bevolen, zelf subsidiair de aanstelling van een deskundige, minstens de uitbreiding van diens opdracht vorderden, vordering die gedeeltelijk werd ingewilligd. Dit impliceert dat appellanten (mede) te beschouwen zijn als een partij die het deskundigenonderzoek vordert, zodat de beslissing uitvoerbaar is ten aanzien van hen overeenkomstig de wet.

Het begrip «uitvoerbaar» in art. 984, tweede lid, Ger. W. heeft geen andere draagwijdte dan die van het ter beschikking stellen aan de deskundige van een titel die kan worden uitgevoerd (mits de gewone regels van de tenuitvoerlegging worden nageleefd).

De schorsing van de tenuitvoerlegging van vonnissen ingeval er hoger beroep is ingesteld is de regel. Uitzonderingen moeten expliciet bij de wet bepaald zijn, hetgeen te dezen niet het geval is (art. 1397 Ger. W.).

Art. 984 Ger. W. schrijft niet voor dat vonnissen in deze materie gewezen (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad zouden zijn. Hieruit volgt dat de eerste rechter ter zake ultra petita heeft geoordeeld, wat een schending van het beschikkingsbeginsel vormt.

Een dergelijke schending brengt mee dat de regelmatigheid van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zelf ter discussie staat op grond waarvan de hervorming van de beslissing van de eerste rechter noodzakelijk is."

Overige rechtspraak:

•• Cass. 1 april 2004, Pas. 2004, 557, R.W. 2004-05, 1422, met noot K. Broeckx, R.A.B.G. 2005, 832, met noot B. Maes en T. Not. 2004, 592, met noot S. Mosselmans;

• Cass. 1 juni 2006, R.A.B.G. 2006, 1362, met noot N. Clijmans en P & B 2006, 210, met noot D. Mougenot.
 

• • Hof van Beroep te Antwerpen, 4e Kamer – 9 oktober 2006, R.W. 2007-2008, 1414

samenvatting

De rechter kan de tenuitvoerlegging schorsen. Op deze regel bestaat uitzondering wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegekend met miskenning van een regel van procesrecht. Ondermeer is dit het geval wanneer de uitvoerbaarheid toegestaan werd met miskenning van het recht van verdediging. Hiervan is ondermeer sprake:

- wanneer de rechter overhaast en ten onrechte de zaak in korte debatten heeft behandeld;
- wanneer de rechter het verzoek van een partij tot heropening van het debat afwijst, zonder de verzoeker de kans te geven te antwoorden op de conclusie en de nieuwe stukken die de tegenpartij in antwoord op het verzoek had neergelegd.

uittreksel uit het arrest

"B. De grond van het hoger beroep voor zover gericht tegen de voorlopige tenuitvoerlegging

Op grond van art. 1402 Ger. W. kunnen de rechters in hoger beroep de tenuitvoerlegging van de vonnissen in geen geval verbieden of schorsen, zulks op straffe van nietigheid.

Niettegenstaande de bepaling van art. 1402 Ger. W. wordt aanvaard dat het verbod niet absoluut geldt en een hervorming van de beslissing van de eerste rechter inzake het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging mogelijk is, wanneer de regelmatigheid van de uitvoerbaarverklaring zelf ter discussie staat, met name in de volgende gevallen:

1. Een eerste uitzondering geldt wanneer de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging ultra petita toestaat, wat een schending van het beschikkingsbeginsel vormt. Van een ultra petita-beslissing is in casu geen sprake, omdat appellante de voorlopige tenuitvoerlegging vorderde in de inleidende dagvaarding.

2. Een tweede uitzondering op het verbod wordt aanvaard wanneer de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegekend met miskenning van een regel van procesrecht. Dit is onder meer het geval wanneer de uitvoerbaarheid wordt toegestaan in een geval door de wet verboden of met miskenning van het recht van verdediging van de veroordeelde partij.

In casu beroept appellante zich op een miskenning van haar recht van verdediging, in het bijzonder verwijst zij naar zowel een schending van art. 735 Ger. W. als een schending van art. 773, 747 en 771 Ger. W. door de eerste rechter.

a) Inzake de schending van art. 735 Ger. W. betoogt appellante dat de eerste rechter ten onrechte de zaak in korte debatten heeft behandeld, terwijl de zaak niet in aanmerking kwam voor korte debatten, laat staan voor behandeling op de inleidende zitting, en een behandeling in korte debatten en op de inleidende zitting de rechter niet ontslaat van de algemene verplichting om de behandeling van de zaken te laten verlopen met inachtneming van het recht van verdediging van alle partijen.

Appellante wijst erop dat het geschil complex is en geïntimeerde een omvangrijk dossier van stukken aanwendde. Appellante meent dat zij niet of onvoldoende in de mogelijkheid werd gesteld om zich te verweren door een behandeling op de inleidende zitting.

Het Hof dient inderdaad vast te stellen dat beide partijen een omvangrijk dossier (70 stukken voor appellante en 32 stukken voor geïntimeerde) neerleggen.

Appellante betoogt voorts dat het geschil ten onrechte door geïntimeerde werd voorgesteld als een louter geschil inzake niet of niet tijdig geprotesteerde facturen, terwijl volgens haar het geschil in een veel ruimere context dient te worden geplaatst. Partijen twisten onder meer over de kwestie of er tussen hen een distributieovereenkomst (al dan niet concessiecontract) tot stand kwam.

Vastgesteld dient te worden dat naast het geschil over de facturen (voorwerp van de procedure voor de Rechtbank van Koophandel te Tongeren) er nog twee andere procedures hangende zijn tussen partijen. Aldus werd een procedure ingeleid voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk bij exploot van 9 maart 2006, waarbij appellante substantiële vergoedingen vordert op grond van de concessiewet van 27 juli 1961. Daarnaast werd tevens een procedure ingeleid door een klant van appellante bij exploot van 30 maart 2006 voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, waarna appellante geïntimeerde in tussenkomst en vrijwaring dagvaardde op 22 mei 2006. Dit geschil heeft betrekking op een vrijwaringsvordering wegens klachten van klanten van appellante en betreft de contractuele aansprakelijkheid van geïntimeerde ten opzichte van appellante.

Appellante meent dat de voorliggende procedure door de Rechtbank van Koophandel te Tongeren had dienen verzonden te worden naar de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk.

Geïntimeerde betwist niet dat tussen partijen nog andere geschillen hangende zijn (zij wijst er ook naar in het uitvoerig feitenrelaas in haar conclusie in hoger beroep), maar voert aan dat deze geschillen afzonderlijk beslecht en beoordeeld dienen te worden.

Naar het oordeel van het Hof betoogt appellante in casu terecht dat, gelet op de complexiteit van het geschil en de omvangrijke dossiers stukken (ook van geïntimeerde), de eerste rechter ten onrechte de zaak reeds op de inleidingszitting van 6 maart 2006 met toepassing van art. 735 Ger. W. in beraad genomen heeft.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de inleidende dagvaarding de vraag tot toepassing van de korte debattenprocedure niet werd gemotiveerd en dat er enkel een stijlformule met verwijzing naar art. 735 Ger. W. werd opgenomen. Zelfs al komt het aan de rechter toe om, al dan niet in akkoord met partijen (in casu verzette appellante zich tegen de behandeling op de inleidingszitting), om de zaak op de inleidingszitting aan te houden of ze uit te stellen op een vaste datum in de nabije toekomst, dan nog mag de behandeling in korte debatten niet ontaarden in overhaasting en leiden tot een miskenning van het recht van verdediging van in casu de verwerende partij (huidig appellante).

In casu belette niets de eerste rechter om de zaak op eventueel zeer korte termijn (bv. een week) uit te stellen teneinde beide partijen de gelegenheid te geven de zaak in staat te stellen. Dat overigens ook voor geintimeerde de zaak blijkbaar nog niet volledig in staat was, blijkt uit het feit dat zij, naar aanleiding van het verzoekschrift tot de heropening van het debat van appellante, veertien nieuwe stukken heeft neergelegd.

Het Hof besluit bijgevolg dat in casu het recht van verdediging van appellante werd geschonden door een overhaaste toepassing van art. 735 Ger. W.

b) Voorts beroept appellante zich op een schending van art. 773 Ger. W., omdat appellante met een verzoekschrift neergelegd op 16 maart 2006 de heropening van het debat heeft gevorderd en zij in dit verzoekschrift heeft aangegeven wat de nieuwe stukken en/of feiten waren en waarom zij van belang konden zijn bij de beslechting van het geschil. De stukken zelf werden echter niet meegestuurd door appellante, aangezien krachtens art. 773 Ger. W. het nieuwe stuk of feit enkel wordt aangegeven zonder nadere toelichting. Appellante voegde enkel een inventaris aan het verzoekschrift toe.

Met appellante dient echter te worden vastgesteld dat geïntimeerde bij brief van 23 maart 2006 opmerkingen in de vorm van conclusies op het verzoekschrift tot heropening van het debat neerlegde, waarbij zij van de gelegenheid gebruikmaakte om veertien nieuwe stukken voor te leggen. Bovendien bevatten de opmerkingen van geïntimeerde niet enkel een uitvoerige inhoudelijke reactie op de nieuwe stukken van appellante en een toelichting bij haar nieuwe stukken, geïntimeerde maakte tevens van de gelegenheid gebruik om schriftelijk te argumenteren over de opgeworpen exceptie van territoriale onbevoegdheid.

In het vonnis a quo worden deze opmerkingen en nieuwe stukken van geïntimeerde in overweging genomen, zoals blijkt uit de expliciete vermelding op pagina 1 van het vonnis.

Naar het oordeel van het Hof nam de Rechtbank van Koophandel te Tongeren, in strijd met art. 773 Ger. W., deze conclusies en stukken van geïntimeerde in aanmerking, zonder appellante de mogelijkheid te geven hierop te reageren, terwijl het verzoek tot heropening van het debat werd afgewezen en de vordering van geïntimeerde reeds provisioneel werd toegekend. Ook bij de toepassing van art. 773 Ger. W. werd het recht van verdediging van appellante derhalve geschonden.

3. Een derde uitzondering op het schorsingsverbod bestaat erin dat de rechter in hoger beroep de uitvoerbaarheid kan schorsen wanneer er sprake is van een schending van de motiveringsverplichting in het vonnis a quo.

Appellante beroept zich eveneens op deze onregelmatigheid en meent dat het vonnis a quo is aangetast door een schending van art. 149 van de Grondwet. Appellante verwijt de eerste rechter om niet gemotiveerd te hebben welke bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een uitvoerbaarheid bij voorraad zouden kunnen verantwoorden en evenmin een belangenafweging gedaan te hebben tussen enerzijds het belang van geïntimeerde die de veroordeling verkreeg en anderzijds het belang van appellante bij het behoud van de bestaande toestand totdat over het rechtsmiddel is beslist. Zij merkt bovendien op dat er geen gevaar is voor haar insolvabiliteit, terwijl dit wel het geval is bij geïntimeerde.

Naar het oordeel van het Hof is het vonnis a quo niet aangetast door een schending van de motiveringsplicht in de zin van art. 149 G.W., temeer daar de eerste rechter de toegekende voorlopige tenuitvoerlegging uitdrukkelijk motiveerde. Een uitspraak over de voorlopige tenuitvoerlegging kan overigens eveneens blijken uit de motieven van het vonnis a quo. Deze grief wordt bijgevolg niet aanvaard.

Besluit: het hoger beroep van appellante, voor zover gericht tegen de voorlopige tenuitvoerlegging, is gegrond, en de voorlopige tenuitvoerlegging, zoals toegekend in het vonnis a quo van 27 maart 2006, wordt geschorst."

• Hof van Beroep Antwerpen, AR 2014AR1866 juridat

samenvatting

1. Art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek staat de appelrechter derhalve in de regel niet toe de voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen in het geval deze in het bestreden vonnis werd toegestaan. De appelrechter mag immers de opportuniteit van de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging niet opnieuw beoordelen.

Niettegenstaande art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek wordt toch aangenomen dat in bepaalde gevallen in hoger beroep een "hervorming" van de beslissing van de eerste rechter, inzake het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging, mogelijk is. Dit is het geval wanneer de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging niet op regelmatige (wettelijke) wijze werd genomen zoals wanneer ultra petita werd geoordeeld of indien de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan ondanks een wettelijk verbod of met schending van de rechten van verdediging.

Het hof stelt vast dat S V S zijn aanvankelijk in de inleidende dagvaarding geformuleerd verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis, niet heeft hernomen in zijn syntheseconclusie van 4 december 2013.

2. Behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om één of meer van de in art. 19, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het Openbaar Ministerie, nemen de laatste conclusies van een partij overeenkomstig art. 748bis van het Gerechtelijk Wetboek de vorm aan van syntheseconclusies. Voor de toepassing van art. 780, 1ste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies heeft neergelegd.

Het onderwerp van de vordering wordt aldus uitsluitend bepaald door de syntheseconclusies (Cass. 29 maart 2012, P&B, 2012/3, p.88, noot E. Brewaeys).

3. De eerste rechter, die de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis heeft toegestaan, niettegenstaande S V S deze eis niet meer heeft hernomen in zijn syntheseconclusie van 4 december 2013, heeft buiten het voorwerp van de vordering van S V S en derhalve met miskenning van art. 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek ultra petita geoordeeld.

4. Het hof besluit dat de beslissing van de eerste rechter om de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis toe te staan, niet op wettelijke grondslag steunt en er derhalve, niettegenstaande het bepaalde in art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, niet aan in de weg staat dat deze beslissing in hoger beroep wordt hervormd.

arrest

1. S E,

2. V R,
beiden wonende te H,

appellanten,

tegen het vonnis van de 7de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 18 maart 2014
tegen
V S S,wonende te H
geïntimeerde,

1. De feiten

1.1. S V S, die handel drijft onder de benaming V. heeft voorgehouden dat hij in opdracht en voor rekening van E S en R V meerdere werken heeft uitgevoerd aan een gebouw te H. Het betrof de uitvoering van elektriciteitswerken, sanitaire werken, centrale verwarming, ramen, deuren, een lichtstraat en een plat dak. Hij reikte daarvoor meerdere facturen uit waarvan de laatste, factuur nr. 2011056 van 2 november 2011 ten bedrage van euro 6 022,49, niettegenstaande meerdere aanmaningen, onbetaald bleef.

1.2. E S en R V hebben niet betwist dat er tussen hen en S V S een aannemingsovereenkomst werd gesloten en dat deze laatste de aangenomen werken heeft uitgevoerd. Zij hebben echter voorgehouden dat de werken van S V S gebrekkig waren. Ze hebben de niet-betaling van de factuur in kwestie laten steunen op de beweerde contractuele wanprestatie van S V S.

2. De voorafgaande rechtspleging.

2.1.Op 1 maart 2012 ging S V S over tot de dagvaarding van E S en R V om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. Hij vorderde de veroordeling van de gedaagden, solidair, de ene bij gebreke van de andere tot de betaling aan hem van een som van euro 6 022,49, vermeerderd met een conventionele schadevergoeding van euro 602,24, de verwijlintresten naar rato van 12% per maand vanaf 2 november 2011 tot op de dag van de betaling en met de proceskosten.

Hij vroeg het te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

2.2. E S en R V hebben het gevorderde betwist en hebben een tegeneis ingediend. Zij vorderden de veroordeling van S V S tot de betaling aan hen van een schadevergoeding van euro 10 000,00, provisioneel, vermeerderd met de gerechtelijke intresten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 16 juli 2012 en met de proceskosten.

2.3. De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen heeft in een tussenvonnis van 13 november 2012 de hoofdeis van S V S en de tegeneis van E S en R V ontvankelijk verklaard.

Alvorens over de grond van de zaak te oordelen werd een deskundigenonderzoek bevolen en daartoe werd Roger Honinckx als gerechtsdeskundige aangesteld.

2.4. Gerechtsdeskundige Roger Honinckx heeft zijn opdracht uitgevoerd en legde zijn eindverslag neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 16 juli 2013.

In het voorverslag heeft de gerechtsdeskundige geconstateerd dat aannemer V S nog slechts enkele beperkte herstellingen of afwerkingen moest uitvoeren.
In zijn eindverslag besluit hij als volgt:"... De afwerking kan gebeuren op 1 of 2 dagen....Het geheel van afwerkingskosten wordt geraamd op euro 500 + 6% btw hetzij euro 530 inclusief btw. Verweerders moeten aan eiser een bedrag van euro 6 022,49. Dit bedrag dient verminderd met de afwerkingskosten à euro 530. Samenvattend moeten verweerders aan eiser euro 5 492,49...."

2.5.Na het deskundigenonderzoek heeft S V S zijn oorspronkelijke eis gehandhaafd. In zijn syntheseconclusie van 4 december 2013 heeft S V S als volgt gevorderd:

"Met betrekking tot de hoofdvordering. De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Derhalve de heer en mevrouw S-V solidair, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen om aan concluante te betalen de som in betaling van 6.022,49 euro alsmede tot een som van 602,24 euro (inningskosten ex aequo et bono begroot op de gebruikelijke 10%) en de verwijlintresten à rato van 12% per maand vanaf 2 november 2011 tot de dag der volledige betaling en dit op de som van 6.022,49 euro .

Met betrekking tot de tegenvordering De door verwerende partijen gestelde tegenvorderingen af te wijzen als onontvankelijk, minstens als ongegrond.

Met betrekking tot de kosten: Tot slot de heer en mevrouw S-V solidair tevens solidair, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluante provisioneel begroot op 352,38 euro kosten dagvaarding, 2.428,49 euro kosten deskundigenonderzoek en 990 euro rechtsplegingsvergoeding."

E S en R V hebben alsdan in hun syntheseconclusie van 8 januari 2014 besloten tot de afwijzing van de hoofdeis van S V S als ongegrond en tot de toewijzing van hun oorspronkelijke tegeneis.

Zij verzochten S V S te veroordelen tot de proceskosten aan hun zijde begroot op de rechtsplegingsvergoeding van euro 990,00.
2.6. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 18 maart 2014 heeft de hoofdeis van S V S gedeeltelijk gegrond verklaard door E S en R V in solidum te veroordelen tot de betaling aan S V S van de som van euro 5 492,49, vermeerderd met de verwijlintresten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 25 november 2011 tot op de dag van de volledige betaling.

De tegeneis van E S en R V werd ongegrond verklaard. E S en R V werden veroordeeld tot de proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

De eerste rechter oordeelde op basis van en overeenkomstig de vaststellingen en de adviezen van de gerechtsdeskundige.

De eerste rechter heeft de kritiek van partijen S-V als zou de gerechtsdeskundige niet geantwoord hebben op hun opmerkingen op het voorverslag, van de hand gewezen.

De eerste rechter heeft eveneens geoordeeld dat de gerechtsdeskundige terecht niet inging op het verzoek van partijen S-V om een nieuwe plaatsbezoek te houden. De eerste rechter kwalificeerde dit verzoek als dilatoir.

2.7. E S en R V, hierna nog enkel partijen S-V genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in door de neerlegging ter griffie van dit hof van een verzoekschrift tot hoger beroep op 10 juli 2014.

De zaak werd enkel wat de kwestie van de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis betreft, behandeld ter terechtzitting van 22 oktober 2014.

3. De standpunten in hoger beroep m.b.t. de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis

3.1. Partijen S-V verzoeken de voorlopige tenuitvoerlegging van de tegen hen, in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen, bij hervorming van het bestreden vonnis, te vernietigen en ze verzoeken te zeggen voor recht dat alle daden van uitvoering nietig zijn, minstens van onwaarde moeten worden verklaard en zonder gevolg moeten blijven.

3.2. S V S concludeert tot de afwijzing van het verzoek van partijen S-V.

4. Beoordeling

4.1. Partijen S-V vorderen het bestreden vonnis te "vernietigen" voor zover dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. S V S concludeert tot de afwijzing van deze eis met verwijzing naar de toepassing van art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek.

4.2. Krachtens art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vermag de appelrechter in geen geval de tenuitvoerlegging van een vonnis verbieden of doen schorsen en zulks op straffe van nietigheid.

Art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek staat de appelrechter derhalve in de regel niet toe de voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen in het geval deze in het bestreden vonnis werd toegestaan. De appelrechter mag immers de opportuniteit van de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging niet opnieuw beoordelen.

Niettegenstaande art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek wordt toch aangenomen dat in bepaalde gevallen in hoger beroep een "hervorming" van de beslissing van de eerste rechter, inzake het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging, mogelijk is. Dit is het geval wanneer de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging niet op regelmatige (wettelijke) wijze werd genomen zoals wanneer ultra petita werd geoordeeld of indien de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan ondanks een wettelijk verbod of met schending van de rechten van verdediging.

4.3.Het staat vast dat S V S de voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis in eerste aanleg heeft gevorderd in de inleidende dagvaarding door middel van de volgende bewoordingen:

"Het te wijzen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement."

Partijen S-V voeren evenwel aan dat S V S, behoudens deze stijlformule in de inleidende dagvaarding, nadien in zijn conclusies de voorlopige tenuitvoerlegging niet meer heeft gevorderd. Zij besluiten dat de eerste rechter door de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan ultra petita heeft geoordeeld.

4.4.Het hof stelt vast dat S V S zijn aanvankelijk in de inleidende dagvaarding geformuleerd verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis, niet heeft hernomen in zijn syntheseconclusie van 4 december 2013.

4.5.Behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om één of meer van de in art. 19, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het Openbaar Ministerie, nemen de laatste conclusies van een partij overeenkomstig art. 748bis van het Gerechtelijk Wetboek de vorm aan van syntheseconclusies. Voor de toepassing van art. 780, 1ste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies heeft neergelegd.

Het onderwerp van de vordering wordt aldus uitsluitend bepaald door de syntheseconclusies (Cass. 29 maart 2012, P&B, 2012/3, p.88, noot E. Brewaeys).

De eerste rechter, die de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis heeft toegestaan, niettegenstaande S V S deze eis niet meer heeft hernomen in zijn syntheseconclusie van 4 december 2013, heeft buiten het voorwerp van de vordering van S V S en derhalve met miskenning van art. 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek ultra petita geoordeeld.

4.6.Het hof besluit dat de beslissing van de eerste rechter om de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis toe te staan, niet op wettelijke grondslag steunt en er derhalve, niettegenstaande het bepaalde in art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, niet aan in de weg staat dat deze beslissing in hoger beroep wordt hervormd.

Vermits S V S zijn eis tot voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis in zijn syntheseconclusie van 4 december 2013 niet heeft hernomen, vermocht de eerste rechter niet de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan en moet het hof de bestreden beslissing in zoverre hervormen.

4.7. In zoverre S V S inmiddels de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis reeds heeft aangevat, zal er mogelijk een executiegeschil ontstaan tussen partijen. De desbetreffende eisen die door partijen S-V thans reeds werden geformuleerd, meer bepaald dat zou worden gezegd voor recht dat alle daden van uitvoering nietig minstens van onwaarde zijn en zonder gevolg moeten blijven, behoren, in het geval er desbetreffend werkelijk een geschil ontstaat, met toepassing van art. 1395 van het Gerechtelijk Wetboek tot de bevoegdheid van de beslagrechter.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van E S en R V, in zoverre dit is ingesteld tegen de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, toelaatbaar en gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis vooralsnog enkel in zoverre de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis werd toegestaan en herstelt desbetreffend de schorsing van de tenuitvoerlegging ingevolge het hoger beroep overeenkomstig art. 1397 van het Gerechtelijk Wetboek.

Alvorens verder te oordelen over het hoger beroep van E S en R V, verleent het hof aan partijen de hiernavolgende conclusietermijnen:
V S S: 19 november 2014
S-V: 3 december 2014
V S S: 17 december 2014

en bepaalt de rechtsdag op 20 januari 2015 om 14.00 uur (pleitduur: 50').
Het hof houdt de beslissing over de proceskosten aan. 

Nog dit: 

Nieuwe Potpourri wet I

(wet van 19 oktober 2015 houdende wijzigingen van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015) - Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek
Artikelen 1397 - 1401 en 1495 Gerechtelijk Wetboek Deze worden samen genomen en samen besproken aangezien zij de vereisten van de uitvoerbaarheid bespreken (de verplichting tot betekening), de principiële voorlopige uitvoerbaarheid en de principiële schorsende werking van verzet samen met de mogelijkheden om het recht tot voorlopige tenuitvoerlegging te vragen. Het betreft volledig in nieuwe wetsbepalingen die het bestaande systeem van voor de Potpourri I wet volledig wijzigen.

"HOOFDSTUK III. - Voorlopige tenuitvoerlegging.

Art. 1397. Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, schorst verzet tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging.

Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de rechter bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, onverminderd artikel 1414, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen.

Art. 1398. De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis geschiedt alleen op risico van de partij die daartoe last geeft.

Zij geschiedt zonder borgstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen en onverminderd de regels inzake kantonnement.

Art. 1398/1. In afwijking van artikel 1397, eerste lid, en behalve specifieke bepalingen schorst verzet tegen het eindvonnis gewezen door de rechter van de familierechtbank de tenuitvoerlegging daarvan niet.

De rechter die zitting houdt in de familierechtbank kan, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, de voorlopige tenuitvoerlegging weigeren indien een van de partijen hem daarom verzoekt.

Art. 1398/2. (Opgeheven)

Art. 1399. Verzet en hoger beroep schorsen de tenuitvoerlegging:

1° van de eindvonnissen inzake de staat van personen;

2° de vonnissen uitgesproken door de rechter van de familierechtbank die zitting neemt in het kader van zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4, en die betrekking hebben op geschillen inzake formaliteiten betreffende de voltrekking van het huwelijk, de opheffing van het verbod op het huwelijk van minderjarigen en de toestemming daartoe.

De voorlopige tenuitvoerlegging van deze vonnissen kan niet worden toegestaan.

Art. 1400.§ 1. De rechter kan aan de voorlopige tenuitvoerlegging de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld, die hij bepaalt en waarvoor hij, zo nodig, de modaliteiten vaststelt.

§ 2. De zekerheid is van rechtswege bevrijd wanneer de consignatie door de veroordeelde partij gedaan is overeenkomstig artikel 1404.

Art. 1401. Indien de eerste rechters de voorlopige tenuitvoerlegging hebben uitgesloten, kan deze altijd worden verzocht bij het hoger beroep.]

Art. 1497. In geval van bewarend beslag, is er geen grond tot nieuw beslag voorafgaand aan de tenuitvoerlegging. Er wordt daartoe, in voorkomend geval, overgegaan door middel van de uitvoerbare titel die de beslaglegger bezit of zal bezitten, en na bevel krachtens die titel.

Wanneer bewarend beslag op onroerend goed of bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen omgezet wordt in uitvoerend beslag, geldt de overschrijving of de inschrijving van het bevel voorafgaand aan de tenuitvoerlegging, voor de toepassing van de hoofdstukken V en VI van deze titel, als overschrijving of inschrijving van het exploot van uitvoerend beslag. Dat bevel moet ten laatste binnen vijftien dagen worden overgeschreven of ingeschreven op het bevoegde hypotheekkantoor en de nauwkeurige aanduiding bevatten van de overschrijving of de inschrijving van het bewarend beslag dat in uitvoerend beslag is omgezet."

Samengevat: zonder voorafgaande betekening van de uitgifte of in uitzonderlijke bijzonder dringende gevallen van de minuut voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging (zoals beschreven in artikel 1386, 1495 en 1041 werd het wetboek) kan niet worden uitgevoerd.

Uitzondering: vonnissen waarbij onderzoek maatregelen worden bevolen (artikel 1496 Gerechtelijk Wetboek) en tenuitvoerlegging van notariële akten vergen geen voorafgaandelijke betekening.

Onmiddellijk na de betekening kan worden overgegaan tot beslag. Er is dus geen wachttermijn. Uitzondering is evenwel de veroordeling bij verstek tot betaling van een geldsom die ten vroegste één maand na de betekening kan worden uitgevoerd.

Elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, geldt als toelating om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen, tenzij anders is beslist (artikel 1414 Ger. W.).

Elk verzet tegen een verstekvonnis schorst de tenuitvoerlegging, tenzij de eisende partij de uitvoering bij voorraad niettegenstaande verzet op een gemotiveerde wijze heeft gevorderd en van de rechter bekomen.

Uitzondering hierop maken de dringende en voorlopige maatregelen uit artikel 1253 ter/4§2 Gerechtelijk Wetboek, alle alimentatievonnissen, alle vonnissen met aangevoerde hoogdringendheid (1253ter/4 §1 Ger.W. En andere niet eenzijdige vorderingen voor de familierechtbank (bijvoorbeeld vereffening-verdeling, vorderingen met betrekking tot schenkingen testament), deze vonnissen uitspraken zijn dus uitvoerbaar niettegenstaande verzet tenzij de rechtbank oordeelde dat het verzet op haar uitspraak geen schorsende werking zou hebben.

De eindvonnissen met betrekking tot de staat van de personen zijn niet van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad (artikel 1399 eerste lid 1° Gerechtelijk Wetboek. Zowel een verzet als een hoger beroep in een zaak met betrekking tot de staat van de personen schorst de uitvoerbaarheid.

In de zaken met betrekking tot de staat van de personen kan de rechter hierop geen uitzondering maken en kan hij ondanks artikel 1399 eerste lid,,1° geen (uitzonderlijke) toelating geven tot voorlopige tenuitvoerlegging. Tussenvonnissen en vonnissen alvorens recht te doen, vonnissen die onderzoeksmaatregelen toelaten of organiseren, vorderingen tot aanstelling van deskundigen, blijven wel uitvoerbaar bij voorraad.

Let wel, alle vonnissen van de familierechtbank zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet. Het verzet tegen een vonnis van de familierechtbank schorst dus niet de tenuitvoerlegging (artikel 1397, eerste lid gelegd). Op deze regel kan de rechter afwijken door de voorlopige tenuitvoerlegging van deze vonnissen te verbieden wanneer verzet wordt aangetekend middels deze beslissing bijzonder gemotiveerd is en indien één van de partijen hem daarom verzoekt

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: zo, 27/05/2018 - 12:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.