-A +A

De notaris bij vereffening-verdeling is geen facteur van partijen die hun discussies overmaakt aan de rechtbank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 25/06/2015

De notaris heeft een actieve rol bij de vereefening-verdeling.Hij is geen betaalde luiaard en ook geen facteur van de partijen die hun discussies gewoon naar de rechtbank doorstuurt.

De notaris is evenmin een mossel. Hij neemt standpunten in bij de geschillen en sluit geen beschermende kleppen om het geschil boven of naast hem te laten beslechten

De notaris-vereffenaar heeft een algemene opdracht, die ook de waardebepaling van goederen omvat.

Om die reden wordt niet steeds een afdoende reden gezien om hetzij ab initio hetzij hangende een gerechtelijke vereffening-verdeling een deskundige aan te wijzen. De notaris-vereffenaar moet,

(1) als expert inzake vastgoed en

(2) gelet op zijn rol als onafhankelijke en onpartijdige «eerste rechter», hieraan in beginsel zelf uit kunnen

Het behoort tot de cruciale taak van de gerechtelijk aangewezen notaris als vereffenaar om

(1) de bedoelde (tussentijdse) bezwaren duidelijk te omlijnen;

(2) de partijen te vragen hierover standpunt in te nemen;

(3) een proces-verbaal van (tussentijdse) bezwaren op te stellen waarin de verschillende standpunten van de partijen worden weergegeven;

(4) een persoonlijk standpunt in te nemen en

(5) een en ander in de eerste plaats te trancheren en aldus met een proeve van oplossing aan de rechtbank voor te leggen

Voorts moet duidelijk zijn dat een tussentijdse bezwarenprocedure enkel kan dienen voor dermate essentiële geschillen of moeilijkheden die het voor de notaris-vereffenaar onmogelijk maken tot redactie van een staat van vereffening-verdeling over te gaan. Er moet een onoverkomelijke betwisting bestaan, die de notariële werkzaamheden blokkeert

Een notaris mag zich niet verlagen tot doorschuifluik voor vorderingen van de partijen, zonder eigen standpuntinneming. De notaris-vereffenaar kan evenmin omstandige discussies over de familiale vermogensrechtelijke regeling compleet blank laten.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
256
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. De partijen zijn:

– de kinderen/(ex-)schoonkinderen en een kleinkind van Andreas D. (testamentloos overleden op 21 oktober 2002) en Maria L. (testamentloos overleden op 23 oktober 1993);

– de broers/(ex-)schoonbroers/zussen/schoonzus en een nicht van Daniël D. (testamentloos overleden op 25 oktober 1990).

Het echtpaar D.-L. was gehuwd onder een bedongen stelsel van algehele gemeenschap, met een verblijvingsbeding.

Hun (ten tijde van hun overlijden nog levende) kinderen zijn: Herman (o28 augustus 1947), Gabriël (o9 juni 1950), Annie (o3 september 1951), Christiane (o6 november 1954), Frieda (o19 februari 1956), Godelieve (o28 september 1957), Sabina (o22 juni 1959) en Martine (o22 maart 1964) D.

Het negende kind, Daniël D. (o16 maart 1949), is vooroverleden.

Zijn gehuwd onder een huwelijkscontractueel bedongen stelsel van algehele gemeenschap:

– de (schoon)kinderen Gabriël D.-Godelieve W.;

– de (schoon)kinderen Christiane D.-Paul M.

Waren eveneens gehuwd onder een bedongen stelsel van algehele gemeenschap: de (ex-schoon)kinderen Annie D.-Martinus S. Zij zijn intussen (sinds 2007 definitief) uit de echt gescheiden, terwijl blijkbaar nog geen (definitieve) vereffening-verdeling heeft plaatsgehad. Minstens zou (gelet op het gewezen stelsel van algehele gemeenschap) aan de zijde van Martinus S. nog een aanspraak gelden in het ouderlijke vermogen D.-L.

2. Bij dagvaarding van 24/26 november 2008 stellen (1) Herman D. en (2) Gabriël D.-Godelieve W. een procedure tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) in van (1) het huwelijksvermogen en de nalatenschappen van het echtpaar D.-L. en (2) de nalatenschap van Daniël D. Zij beogen daarbij ook een machtiging aan de notaris-vereffenaar tot (openbare) verkoop van de niet-gevoeglijk in natura verdeelbare goederen, met toepassing van het oude art. 1211 Ger.W.

Herman D. en Gabriël D.-Godelieve W. richten zich tegen (1) Annie D.-Martinus S., (2) Christiane D.-Paul M., (3) Frieda D., (4) Godelieve D., (5) Sabina D. en (6) Martine D.

3. Bij vonnis van 6 maart 2009 beveelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling van (1) het huwelijksvermogen en de nalatenschappen van het echtpaar D.-L. en (2) de nalatenschap van Daniël D. (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.), met aanwijzing van notaris V. als notaris-vereffenaar in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en notaris D. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.

De rechtbank gaat niet in op de beoogde (openbare) verkoop, omdat het in de eerste plaats aan de notaris-vereffenaar toekomt om het al dan niet gevoeglijk in natura verdeelbare karakter van de bedoelde goederen na te gaan en naargelang zijn bevindingen verder te handelen.

4. André T. en Stephanie T. zijn respectievelijk de weduwnaar en het kind van Frieda D., die intussen (op 21 juli 2009) is overleden.

...

IV. Beoordeling

...

B. Ten gronde

1. De notaris-vereffenaar stelt bij proces-verbaal van 28 april 2010 vast dat de partijen het niet eens geraken over (1) de al dan niet overname van (bepaal)de onroerende goederen; (2) de al dan niet (openbare) verkoop van (bepaal)de onroerende goederen en/of (3) de aanwijzing van een deskundige teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen. De notaris-vereffenaar vervolgt dat de meest gerede partij zich tot de rechtbank moet wenden met de vragen over (1) de al dan niet overname van (bepaal)de onroerende goederen, waarbij het aan de rechtbank toekomt om te bepalen of er al dan niet met eventuele gebruiksrechten van de overnemer rekening moet worden gehouden. De notaris-vereffenaar kondigt aan dat hij zich tot de rechtbank zal wenden met de vraag tot aanwijzing van een deskundige teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen. Om die reden schort de notaris-vereffenaar de notariële werkzaamheden op.

2. Blijkbaar waren de partijen het erover eens dat de notaris-vereffenaar de rechtbank zou aanspreken met het oog op (her)schatting van tal van landbouwgronden.

André T., Stephanie T., Sabina D. en Martine D. voeren nochtans aan dat de herschatting overbodig is, omdat de opdracht ertoe strekt de waarde van voormelde onroerende goederen te bepalen zowel op de datum van het overlijden van moeder L. (23 oktober 1993) als op de datum van het overlijden van vader D. (21 oktober 2002). Punt is immers dat volgens hen (1) moeder L. vooroverleden is zonder eigen onroerende goederen na te laten, terwijl (2) het bij huwelijkscontract bepaalde verblijvingsbeding meebracht dat alle gemeenschappelijke onroerende goederen aan vader D. zijn verbleven om op die manier in zijn nalatenschap te vallen.

De eerdere verslaggeving van deskundige Luc D. dateert van 14 februari 2005 met aanvulling op 23 maart 2005. Die verslaggeving bevat reeds een waardebepaling van voormelde onroerende goederen op de datum van het overlijden van vader D. (21 oktober 2002). Er ligt dus reeds een verslaggeving voor.

Ook Herman D. en Gabriël D.-Godelieve W. enerzijds en Christiane D.-Paul M. en Godelieve D. anderzijds geven aan dat de beoogde schatting volgens hen overbodig is en nutteloze kosten meebrengt.

De notaris-vereffenaar richt zich evenwel tot de rechtbank met de vraag tot aanwijzing van een deskundige teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen (en zodoende de fictieve massa) te bepalen, en dit zowel op de datum van het overlijden van moeder L. (23 oktober 1993) als op de datum van het overlijden van vader D. (21 oktober 2002). De notaris-vereffenaar laat blijkbaar na rekening te houden met bepaalde opmerkingen van de partijen aangaande gebruiksrechten en aangaande bepaalde verbeteringswerken.

3. Aangezien de notaris-vereffenaar zich enigszins in samenspraak met de partijen (op 15/17 juni 2010) tot de rechtbank heeft gewend, en dit door neerlegging ter griffie van het proces-verbaal van 28 april 2010 en een verzoekschrift tot aanwijzing van een deskundige (teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen), wil het hof nog aannemen dat de rechtbank, naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W., op een ontvankelijke wijze is aangesproken. Het proces-verbaal van 28 april 2010 kan enigszins worden beschouwd als een proces-verbaal van tussentijdse bezwaren, dat de reeds aangewezen notaris-vereffenaar in staat stelt de rechtbank aan te spreken. Zuiver technisch gezien, wil het hof derhalve de werkwijze nog volgen, omdat onder het oude recht (i.h.b. het oude art. 1215 Ger.W.) niet duidelijk was op welke wijze een aangewezen notaris-vereffenaar hangende een gerechtelijke vereffening-verdeling de rechtbank kon aanspreken met het oog op aanwijzing van een deskundige (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 217-219, nr. 318; vgl. het nieuwe art. 1213 Ger.W.).

4. Inhoudelijk is het proces-verbaal van 28 april 2010 pover en hoe dan ook onvolkomen.

De notaris-vereffenaar heeft een algemene opdracht, die ook de waardebepaling van goederen omvat. Om die reden wordt niet steeds een afdoende reden gezien om hetzij ab initio hetzij hangende een gerechtelijke vereffening-verdeling een deskundige aan te wijzen. De notaris-vereffenaar moet, (1) als expert inzake vastgoed en (2) gelet op zijn rol als onafhankelijke en onpartijdige «eerste rechter», hieraan in beginsel zelf uit kunnen (Antwerpen 19 december 2007, T.Not. 2009, 144; Brussel 13 april 2010, NJW 2010, 506; zie ook: nieuw art. 1214, § 3 Ger.W.; H. Casman, «Schatting van de goederen, verdeling in natura en kavelvorming» in H. Casman e.a. (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 86-87, nr. 10).

Dit neemt echter niet weg dat hij, onder zijn verantwoordelijkheid (en zonder dat de artt. 962 e.v. Ger.W. daarbij spelen; vgl.: H. Casman, l.c., p. 89, nr. 19 en p. 91, nr. 25) advies van een derde (gebeurlijk een landmeter-schatter) kan inwinnen. Voor zover de notaris-vereffenaar de bedoelde schatting niet zelf kan doen, kan de rechtbank de notaris-vereffenaar dan machtigen enkel waar nodig om (onder zijn verantwoordelijkheid) een deskundige in te schakelen. Nu de zienswijze van een dergelijke deskundige enkel dient om de werkzaamheden van de notaris-vereffenaar te ondersteunen, spelen de artt. 962-991bis Ger.W. dan niet (Brussel 9 november 2010, T.Not. 2011, 145).

In casu heeft de notaris-vereffenaar de weg van de minste inspanning gekozen. Hij heeft zich, enigszins in samenspraak met de partijen, die evenwel verschillende standpunten innamen, nagenoeg zonder meer tot de rechtbank gewend. Hij beoogt, zonder een oordeel te vellen over deze standpunten, eenvoudig de aanwijzing van een deskundige teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen (en zodoende de fictieve massa) te bepalen, en dit zowel op de datum van het overlijden van moeder L. (23 oktober 1993) als op de datum van het overlijden van vader D. (21 oktober 2002).

5. De vraag naar het nut van de herschatting, gelet op eerdere verslaggeving van deskundige Luc D. van 14 februari 2005 met aanvulling op 23 maart 2005, blijft open.

6. De vragen om rekening te houden met bepaalde opmerkingen van de partijen aangaande gebruiksrechten en aangaande bepaalde verbeteringswerken blijven eveneens open. Ondanks de opmerkingen van André T., Stephanie T., Sabina D. en Martine D., blijkt een onbehoorlijke weergave van de gebruiksrechten van (1) de landbouwgrond te G. met een totale oppervlakte van 5ha 99a 22ca (door het echtpaar/ouderpaar D.-L. geschonken aan Frieda D. bij notariële akte van 22 september 1989) en (2) de landbouwgrond te Zuienkerke met een totale oppervlakte van 5ha 13a 42ca (door het echtpaar D.-L. geschonken aan Martine D. bij notariële akte van 22 maart 1990).

7. Het proces-verbaal van 28 april 2010 is helemaal pover en manifest onvolkomen, aangezien de notaris-vereffenaar niet de minste stoffering biedt omtrent de toevoeging dat Annie D. aandringt op de bijkomende schatting van de hofstede met bijhorende gronden te G., door Herman D. met vertegenwoordiging door het echtpaar D.-L. aangekocht bij notariële akte van 22 februari 1967.

De notaris-vereffenaar preciseert dat de aldus aangekochte hofstede met bijkomende gronden volgens Annie D. een (vermomde of onrechtstreekse) schenking uitmaakt die bijgevolg eveneens in de fictieve massa moet worden begrepen. De notaris-vereffenaar voert aan dat hij het aan de wijsheid van de rechtbank overlaat om te oordelen of de beoogde schatting zich eveneens moet uitstrekken tot het voorwerp van de verkoop dan wel (vermomde of onrechtstreekse) schenking.

Blijkbaar sluiten Christiane D.-Paul M. en Godelieve D. zich aan bij de zienswijze van Annie D. dat de aldus aangekochte hofstede met bijkomende gronden, gelet op tal van andere regelingen, een (aanzienlijke) (vermomde of onrechtstreekse) schenking uitmaakt die bijgevolg eveneens in de fictieve massa moet worden begrepen. Zij betwisten de bewering van Herman D. als zou hij, anders dan de andere kinderen, geen gift(en) hebben gekregen.

Herman D. en Gabriël D.-Godelieve W. spreken deze zienswijze omstandig tegen. Volgens hen gaat het om onbewezen beweringen. Het verhaal dat alle kinderen D. (min of meer gelijke dan wel gelijk te maken) giften hebben gekregen, zou niet opgaan. Het verhaal dat de zonen elk een hoeve hebben gekregen, zou evenmin opgaan, integendeel. Herman D. preciseert dat de aankoop bij notariële akte van 22 februari 1967 gebeurde toen hij nog minderjarig was. In die optiek kwam het echtpaar D.-L. tussen als vertegenwoordigers tot betaling van de koopprijs. Herman D. geeft aan dat hij, nadat hij meerderjarig en gehuwd was, (mede) door middel van een lening zijn ouders terugbetaalde. Herman D. beroept zich daaromtrent op stukken, waaronder een «verklaring van het echtpaar D.-L.» van 30 september 1975. Een handgift was volgens hem niet aan de orde, laat staan een schenking.

Hoewel de notaris-vereffenaar de vraag of de hofstede met bijhorende gronden te G. van Herman D. al dan niet het voorwerp van een (vermomde of onrechtstreekse) schenking uitmaakt die bijgevolg eveneens in de fictieve massa moet worden begrepen (bij gebrek aan uitklaring), aanvankelijk niet opneemt in zijn verzoekschrift tot aanwijzing van een deskundige (teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen), voegt hij die vraag uiteindelijk toe. Die toevoeging komt (mede) als reactie op e-mailberichten van Annie D. van 16/28 mei 2010, die aandringt op de bijkomende schatting van de hofstede met bijhorende gronden te G. van Herman D. Dientengevolge bezorgt de notaris-vereffenaar een aangepast verzoekschrift aan de partijen en vervolgens aan de rechtbank. De notaris-vereffenaar betoogt dat hij het aan de wijsheid van de rechtbank overlaat om te oordelen of de beoogde schatting zich eveneens moet uitstrekken tot het voorwerp van de verkoop dan wel van de (vermomde of onrechtstreekse) schenking.

De notaris-vereffenaar miskent hier op manifeste wijze zijn mandaat. Hij verlaagt zich tot doorschuifluik voor vorderingen van de partijen, zonder eigen standpuntinneming. De notaris-vereffenaar heeft de omstandige discussie over de familiale vermogensrechtelijke regeling (met tal van transacties) compleet blank gelaten.

8. Het behoort tot de cruciale taak van de gerechtelijk aangewezen notaris als vereffenaar om (1) de bedoelde (tussentijdse) bezwaren duidelijk te omlijnen; (2) de partijen te vragen hierover standpunt in te nemen; (3) een proces-verbaal van (tussentijdse) bezwaren op te stellen waarin de verschillende standpunten van de partijen worden weergegeven; (4) een persoonlijk standpunt in te nemen en (5) een en ander in de eerste plaats te trancheren en aldus met een proeve van oplossing aan de rechtbank voor te leggen (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 288-292, nrs. 420-422).

Voorts moet duidelijk zijn dat een tussentijdse bezwarenprocedure enkel kan dienen voor dermate essentiële geschillen of moeilijkheden die het voor de notaris-vereffenaar onmogelijk maken tot redactie van een staat van vereffening-verdeling over te gaan. Er moet een onoverkomelijke betwisting bestaan, die de notariële werkzaamheden blokkeert (Cass. 5 november 1993, RW 1993-94, 956; zie ook: C. Declerck e.a., «Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de wet van 13 augustus 2011» in H. Casman e.a. (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 22, nr. 42).

9. Hoewel het hof nog enigszins wil volgen in zoverre de notaris-vereffenaar zich enigszins in samenspraak met de partijen tot de rechtbank richt met de vraag tot aanwijzing van een deskundige teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen (en zodoende de fictieve massa) te bepalen, volgt het hof geenszins in zoverre de notaris-vereffenaar het dossier zonder eigen standpuntinneming overlaat aan de rechter voor wat betreft:

– de vraag naar het nut van de herschatting, gelet op de eerdere verslaggeving van deskundige Luc D. van 14 februari 2005/23 maart 2005;

– de vragen om rekening te houden met bepaalde opmerkingen van de partijen aangaande gebruiksrechten en aangaande bepaalde verbeteringswerken;

– de vraag of de hofstede met bijhorende gronden te G. van Herman D. al dan niet het voorwerp van een (vermomde of onrechtstreekse) schenking uitmaakt die bijgevolg eveneens in de fictieve massa moet worden begrepen.

De notaris-vereffenaar schiet schromelijk tekort door het dossier dienaangaande zonder stoffering aan de rechterlijke overheid over te laten. De melding zich naar de wijsheid van de rechterlijke overheid te gedragen, behelst geen dienstig standpunt.

10. Een proeve van antwoord op de vraag of de hofstede met bijhorende gronden te G. van Hermans D. al dan niet het voorwerp van een (vermomde of onrechtstreekse) schenking uitmaakt die bijgevolg eveneens in de fictieve massa moet worden begrepen, ontbreekt.

Hoewel de zaak door de notaris-vereffenaar op 15/17 juni 2010 op ontvankelijke wijze (naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W.) aanhangig is gemaakt door neerlegging ter griffie van het proces-verbaal van 28 april 2010 en een verzoekschrift tot aanwijzing van een deskundige (teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen), was zij bij gebrek aan stoffering niet in staat van wijzen.

...

13. De vraag tot uitklaring van de wijze waarop Herman D. een en ander heeft verworven, blijft volledig open, aldus ook (1) de vraag naar enig begin van bewijs van de beweerde schenking, gelet op de prijsbepaling bij de aankoop in 1967 en bij de verkoop in 1998 en (2) de vraag of de bedoelde occulte (noch gedateerde noch onderschreven) «tegenbrief» omtrent de «giften en voordelen aan de kinderen» kan dienen om afbreuk te doen aan de authentieke akte van 22 februari 1967.

14. Dat de zaak bij gebrek aan stoffering niet in staat van wijzen is geldt mutandis mutandis en a fortiori voor de vordering van Martine D. (met toepassing van de wet van 29 augustus 1988 «op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit») tot overname van de hofstede met toebehoren te A. en dit tegen de door een aan te wijzen deskundige te schatten waarde.

André T., Stephanie T. en Sabina D. gaan akkoord met deze overname. De andere partijen voeren bezwaren aan.

Voor zover de bedoelde vordering al dienstig bij de notaris-vereffenaar en via hem bij de rechtbank is aangebracht, verdient zij voorafgaande uitklaring op het notariële terrein. De zaak is, bij gebrek aan stoffering, eens te meer niet in staat van wijzen.

Waardebepaling door een deskundige is voorbarig (art. 890 BW).

15. Intussen blijkt evenwel dat het in het (voorlopig uitvoerbare) beroepen vonnis bevolen deskundigenonderzoek door toedoen van Nico D. als deskundige heeft plaatsgevonden, en dit onder voorbehoud van bepaalde partijen.

Voor zover het deskundigenonderzoek betrekking heeft op voormelde (acht) geschonken onroerende goederen, zijn de kosten ten laste van de massa. Het was immers blijkbaar in samenspraak met de partijen dat de notaris-vereffenaar zich (op 15/17 juni 2010) tot de rechtbank heeft gewend, en dit door neerlegging ter griffie van het proces-verbaal van 28 april 2010 en een verzoekschrift tot aanwijzing van een deskundige (teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen).

Nico D. is blijkbaar ook overgegaan tot waardebepaling van de hofstede met toebehoren te A., die Martine D. wenst over te nemen. De kosten dienaangaande zijn ten laste van Martine D.

16. Voormelde redengeving maakt dat het beroepen vonnis moet worden hervormd in die zin dat:

– de zaak door de notaris-vereffenaar op 15/17 juni 2010 op ontvankelijke wijze (naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W.) aanhangig is gemaakt door neerlegging ter griffie van het proces-verbaal van 28 april 2010 en een verzoekschrift tot aanwijzing van een deskundige (teneinde de waarde van de geschonken onroerende goederen en zodoende de fictieve massa te bepalen);

– de zaak echter in geen enkel opzicht in staat van wijzen is, aangezien de notaris-vereffenaar het dossier zonder eigen standpuntinneming overlaat aan de rechterlijke overheid wat betreft: a) de vraag naar het nut van de herschatting, gelet op de eerdere verslaggeving van deskundige Luc D. van 14 februari 2005/23 maart 2005; b) de vragen om rekening te houden met bepaalde opmerkingen van de partijen aangaande gebruiksrechten en aangaande bepaalde verbeteringswerken; c) de vraag of de hofstede met bijhorende gronden te G. van Herman D. al dan niet het voorwerp van een (vermomde of onrechtstreekse) schenking uitmaakt die bijgevolg eveneens in de fictieve massa moet worden begrepen; d) de vordering van Martine D. (met toepassing van de wet van 29 augustus 1988 «op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit») tot overname van de hofstede met toebehoren te A. tegen de door een aan te wijzen deskundige te schatten waarde.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 10/10/2017 - 15:58
Laatst aangepast op: di, 10/10/2017 - 16:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.