-A +A

noodtoestand in het verkeer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtspraak

• Pol. Antwerpen, 19 januari 2005. T.Vred. 2008, 27

De noodtoestand is een algemene rechtvaardigingsgrond en kan voor alle misdrijven en dus ook in verkeerszaken worden ingeroepen.

De bestuurster van een ziekenwagen die ingevolge een spoedopdracht de scheidingslijn in het midden van de rijbaan overschrijdt, geeft blijk van het bestaan van een noodtoestand en is ontheven van aansprakelijkheid voor het daarop volgend ongeval.

uittreksel uit het vonnis:

..."Ter beoordeling van de aansprakelijkheid in dit dossier ligt er een geseponeerd strafbundel, inhoudende de twee verklaringen van de bestuurder, drie getuigenverklaringen en een situatieschets voor.

Eiser stelt dat de verzekerde van verweerster inbreuken pleegde op de artikelen 5, 9.3, 9.4, 10.1.1, 10.1.3, 12.2 en 37.4 Werkverkeersreglement.
Eiser draagt in deze de bewijslast en moet bewijzen dat de verzekerde van verweerster deze inbreuken heeft gepleegd. Volgens art. 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

Wanneer een rechtsvordering steunt op een misdrijf moet de eiser het bewijs leveren van de bestanddelen van het misdrijf en van de toerekenbaarheid van het misdrijf aan de verweerder en dat de eventueel door de verweerder ingeroepen rechtvaardigingsgronden, waaraan gevolg kan worden gehecht, niet bestaan (Cass. 4 december 1992, R.W. 1992-93, 883; Cass. 30 september 1993, R.W. 1993- 94, 964; Brussel 22 juni 1987, Verkeersrecht 88/66).

Eiser moet het bewijs leveren van de bestanddelen van het misdrijf en van de toerekenbaarheid van het misdrijf aan de verweerster. Verweerster roept echter de noodtoestand als rechtvaardigingsgrond in hoofde van haar verzekerde in.

Eiser moet dan ook aantonen dat de door verweerster ingeroepen rechtvaardigingsgrond niet bestaat.

Volgens de verklaringen van beide chauffeurs, de getuigen en de door de politie opgestelde situatieschets staat het vast dat M.B. met haar ambulance de middenlijn van de autolei overschreed en op het tegenovergestelde rijvak reed.
B. verklaarde dat zij belast was met een zeer dringende oproep; volgens de stukken neergelegd door verweerster ging het over een alfa-oproep, dit wil zeggen de hoogste categorie spoed.

Kan haar rijgedrag echter aanzien worden als een noodtoestand, die dan een rechtvaardigingsgrond in haren hoofde uitmaakt De noodtoestand is een algemene rechtplegingsgrond en kan voor alle misdrijven worden ingeroepen. Om te spreken van noodtoestand als rechtvaardigingsgrond moeten er een aantal voorwaarden zijn vervuld:

1. het bestaan van een onmiddellijke noodzakelijkheid tot vrijwaring van een te beschermen belang;
2. er mag geen verplichting bestaan om zich aan een dreigend kwaad bloot te stellen of erin te berusten;
3. het te beschermen rechtsgoed of rechtsbelang moet een grotere waarde hebben dan het rechtsgoed of rechtsbelang dat gekrenkt wordt;
4. de delictuele gedraging moet de enige mogelijkheid zijn om het kwaad te vermijden.

Volgens de verklaring van bestuurster B.M. en volgens het stuk dat door verweerster werd neergelegd over de aard van de oproep die zij ontving om het ziekenvervoer uit te voeren, namelijk de hoogste categorie spoed, bestond er dus een actueel, zeker en ernstig gevaar voor patiënt D. die zij diende te vervoeren.

Bijgevolg werd aan de eerste voorwaarde voldaan. In hoofde van ambulancierster B. bestond de plicht niet om zich aan het dreigend kwaad bloot te stellen of erin te berusten, zodat voorwaarde twee ook vervuld is.
Aan de derde voorwaarde is ook voldaan, het leven van de patiënt die B. moest vervoeren is een groter rechtsgoed dan de toepassing van art. 5 juncto 72.2, 9.3, 9.4, en 9.5.1 van de Wegcode.

Uit het geseponeerde strafdossier bleek dat het verkeer muurvast zat en dat de enige mogelijkheid die er bestond in hoofde van bestuurster B. met de spoedzending in haar acherhoofd, was om de middenlijn te overschrijden. De noodtoestand is bijgevolg door verweerster op afdoende wijze bewezen en ontheft haar van de aansprakelijkheid van het tussengekomen ongeval.

Bovendien handelde zij zoals elke normale, voorzichtige en redelijke ambulancier in dezelfde omstandigheden geplaatst zou hebben gehandeld. Zij zag niemand rijden op de rijstrook richting Wijnegem wanneer zij de rijstrook richting Wilrijk verliet en kondigde haar manoeuvre aan met sirene en met zwaailichten.

Dit wordt ook bevestigd door de verklaringen van getuigen D. en D.

PS Dit vonnis werd bevestigd in beroep bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (6de B kamer) van 19 april 2006.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.