-A +A

non bis in idem

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

"non bis" (of ne bis in idem) betekent letterlijk: "niet twee keer voor hetzelfde"

Voluit: "inter easdem partes de eadem re ne bis sit actio"
"tussen dezelfde partijen mag niet tweemaal een actie (lees vordering) worden ingesteld met betrekking tot dezelfde zaak"

easdem en eadem is de ablatief vrouwelijk enkelvoud van idem (het zelfde)
eandem is de accusatief vrouwelijk enkelvoud van idem
eadem is evenzeer nominatief vrouwelijk enkelvoud van idem
zowel als de nominative als het accusatief onzijdig meervoud van idem

Artikel 4 van het zevende aanvullende protocol van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden: stelt:

"Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.”

non bis in idem (geen 2 maal voor het zelfde) is een algemeen rechtsbeginsel inhoudende het verbod voor de rechter om een beklaagde te berechten of te straffen uit hoofde van een strafbaar feit waarvoor die beklaagde vroeger reeds is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken):

Voor dezelfde feiten een straf opgelegd krijgen evenals een administratieve sanctie, is niet tegenstrijdig met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem,

zie daaromtrent ook het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem in het fiscaal recht. Cass. 29 april 2003, P.02.1459.N

(het in artikel 54 Schengenovereenkomst van 19 juni 1990 neergelegde ne bis in idem beginsel is slechts van toepassing wanneer een beklaagde ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende partij is berecht, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden);

• Cass. 4 februari 2003, Het rechtsprincipe non bis in idem vereist zowel een identiteit van feit als van vervolgde persoon). In het arrest van 19 maart 2002 (P.00.1603.N) bevestigt het Hof dat krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966

De intrekking van het rijbewijs die met toepassing van artikel 55 van de Wegverkeerswet is bevolen, is geen sanctie maar een preventieve maatregel die ertoe strekt gevaarlijke bestuurders voor een bepaalde tijd uit het verkeer te verwijderen. Artikel 55 veronderstelt daarbij geen voorafgaand onderzoek of vaststelling van schuld en zijn toepassing is volledig onafhankelijk van de strafrechtelijke vervolgingen die later kunnen worden ingesteld.

Voor een dergelijke maatregel geldt het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem niet.);

• Cass. 19 juni 2001, Onverminderd de eventuele toepassing van artikel 13 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering of van afwijkende internationale verdragsrechtelijke bepalingen, verbiedt niets de vervolging in België voor een feit waarvoor de beklaagde reeds in een vreemd land is vervolgd, zodat de strafrechter niet verplicht is zijn uitspraak op te schorten tot na een uitspraak in het vreemde land;

• Cass. 28 maart 2001,  Voor de toepassing van de artikelen 54 en 56 van de Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (hierna: Schengen Overeenkomst), dient het Belgisch strafgerecht alleen rekening te houden met een beslissing tot veroordeling van een beklaagde die is uitgesproken door een vreemd gerecht dat behoort tot een Overeenkomstsluitende Staat, in zoverre de bij dat Belgisch gerecht aanhangig gemaakte feiten, volgens zijn onaantastbare beoordeling, dezelfde zijn als die welke in het buitenland zijn berecht; 31 oktober 2000, A.C. 2000, nr. 589; 23 mei 2000, A.C. 2000, nr. 315;

• Cassatie 16 februari 2000, A.C. 2000, nr. 129 De regel volgens welke een persoon geen tweede maal kan worden vervolgd wegens feiten die zijn berecht door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, is alleen van toepassing op de beslissingen van de strafrechter die uitspraak doet over de grond van de vervolgingen, en niet op de beslissingen van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling;

• Cassatie 29 juni 1999, A.C. 1999, nr. 408 Ongeacht het in artikel 54 van de Schengen Overeenkomst vervatte non bis in idem-beginsel, volgt uit artikel 71 van deze Overeenkomst, artikel 36.2.a van het Enkelvoudig Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen en artikel 22.2.a(i) van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen, dat de op het grondgebied van verschillende overeenkomstsluitende Partijen gepleegde strafbare feiten, wat de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen betreft, afzonderlijke misdrijven zijn die afzonderlijk worden bestraft); 3 mei 1999, A.C. 1999, nr. 257; 11 oktober 1996, A.C. 1996, nr. 376; 13 februari 1995, A.C. 1995, nr. 86;

• Cassatie 22 februari 1994, A.C. 1994, nr. 89. De Belgische strafrechter behoeft met een ten aanzien van de verdachte door een buitenlands strafgerecht gewezen beslissing enkel rekening te houden als het misdrijf waarvan hij kennis neemt, in het buitenland is gepleegd. Het Hof oordeelde eerder in dezelfde zin in het arrest van 20 februari 1991 (A.C. 1990-91, nr. 335) waarbij nog werd geoordeeld m.b.t. artikel 14.7 IVBPR dat het geen ander doel heeft dan te verbieden dat na een definitieve vrijspraak of veroordeling in een zelfde land opnieuw vervolgingen zouden worden ingesteld voor hetzelfde misdrijf en dat die bepaling waarin het beginsel non bis in idem is neergelegd en die niet de strekking heeft de internationale waarde van een strafvonnis te erkennen, niet van toepassing is in geval van veroordeling door een buitenlands gerecht); 5 mei 1992, A.C. 1991-92, nr. 464; Put, J., “Bis, Sed non Idem”, R.W. 2001- 2002, 937.
 

Toepassingen:

• sportrecht

Het principe non bis in idem was meermaals aan de orde in het sportrecht voornamelijk dan mbt de vraag in hoeverre een disciplinaire sanctie inzake doping kon gevolgd worden door een strafrechtelijke sanctie.

• administratief recht - miliedecreet

Het principe kwam ook meermaals aan de orde in het milieurecht, alwaar de vraag gesteld werd in hoeverre een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter ingevolge een decreet kon gevolgd worden door een strafsanctie.

Rechtspraak: Arbitragehof: 26 april 2007, RW 2008-2009,526, met noot, S. Van Dromme verduidelijkingen in het leerstuk van de non bis in idem-werking van een administratieve sanctie t.a.v. een navolgende strafvervolging

1. en 2. Art. 25, §§ 4 en 5, gelezen in samenhang met art. 37, § 3, 1o en 2o, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, schendt art. 10 en 11 G.W., gelezen in samenhang met het algemeen beginsel non bis in idem, in zoverre aan personen wegens een gedraging die overtredingen met dezelfde essentiële bestanddelen van bepalingen van het voormelde decreet uitmaakt, achtereenvolgens een administratieve geldboete met een strafrechtelijk karakter en een strafsanctie kunnen worden opgelegd.

Arrest nr. 67/2007

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 24 april 2006 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. «Schendt het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, het gelijkheidsbeginsel en art. 10 en 11 van de Grondwet, door het mogelijk te maken personen aan wie toepassing van art. 25 van dit decreet een administratieve geldboete werd opgelegd en die deze effectief hebben betaald, toch nog strafrechtelijk te vervolgen, terwijl andere wetgeving in dezelfde sector (dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en het K.B. van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) bepaalt dat het opleggen van een administratieve geldboete het verval van de strafvordering meebrengt?»;

2. «Schendt art. 25, §§ 4 en 5, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, het gelijkheidsbeginsel en art. 10 en 11 van de Grondwet, door het mogelijk te maken personen aan wie, voor dat deel van de berekende bedrijfsmatige mestoverschotten waarvoor de producent niet kan bewijzen dat deze overeenkomstig de bepalingen van dit decreet werden afgezet, een – a rato van 1 euro per kg fosfaat en 1 euro per kg stikstof berekende – administratieve geldboete werd opgelegd en die deze effectief betaald hebben, toch nog overeenkomstig art. 42 en 43bis Sw. een bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen wegens het niet conform het mestdecreet afzetten van mest op te leggen, terwijl in het raam van gemeenrechtelijke misdrijven een dergelijke bijzondere verbeurdverklaring in de regel niet gepaard gaat aan een voorafgaande administratieve geldboete?».

In rechte

...

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Uit de formulering van de prejudiciële vragen en de daaraan ten grondslag liggende motieven blijkt dat zij handelen over de paragrafen 4 en 5 van art. 25 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna: meststoffendecreet), zoals toegevoegd respectievelijk vervangen bij de decreten van 20 december 1995 en 11 mei 1999, die luiden als volgt:

Ǥ 4. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XI wordt lastens elke producent, die niet kan bewijzen dat hij de berekende bedrijfsmatige overschotten MOp en MOn heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, een administratieve geldboete opgelegd.

De administratieve geldboete bedraagt 1 euro vermenigvuldigd met de som van het deel van MOp, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en het deel van MOn, uitgedrukt in kg stikstof, waarvoor de producent niet kan bewijzen dat dit overeenkomstig de bepalingen van dit decreet werd afgezet.

§ 5. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XI, wordt lastens elke gebruiker die meer nutriënten uit dierlijke mest, andere meststoffen of chemische meststoffen opbrengt op grond dan de toegelaten hoeveelheden uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, een administratieve geldboete opgelegd van 1 euro vermenigvuldigd met de som van het deel uitgedrukt in kg difosforpentoxide en het deel uitgedrukt in kg stikstof, dat de gebruiker teveel heeft gebruikt op cultuurgrond overeenkomstig de bepalingen van het decreet».

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot deze bepalingen.

B.1.2. Bij de beoordeling van de prejudiciële vragen dient het Hof tevens rekening te houden met het onder hoofdstuk XI («Strafbepalingen») van het voormelde decreet opgenomen art. 37, § 3, 1o en 2o, waarbij het 2o met ingang van 16 februari 2003 werd vervangen bij art. 30, 8o, van het decreet van 28 maart 2003 en van toepassing is op het productiejaar 2003.

Paragraaf 3 van art. 37 luidt als volgt:

«Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro, of met één van die straffen alleen, wordt gestraft:

1° degene die met overtreding van artikel 9 de in zijn bedrijf geproduceerde dierlijke mest of andere meststoffen niet conform de bepalingen van dit decreet afzet, of het bewijs niet levert dat dit geschiedt;

...

2° degene die op cultuurgrond een hoeveelheid dierlijke mest, andere meststoffen of chemische meststoffen opbrengt of laat opbrengen, groter dan de toegelaten hoeveelheden uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N;

...».

Vóór de vervanging ervan bij art. 30, 8o, van het decreet van 28 maart 2003 luidde het 2o, zoals gewijzigd bij het voormelde decreet van 11 mei 1999 en van toepassing op de productiejaren 2001 en 2002, als volgt:

«degene die op een cultuurgrond een hoeveelheid meststoffen uitspreidt groter dan de grenswaarde vermeld in artikel 13bis, § 1, tweede lid, 2o en de maxima vermeld in de artikelen 13bis, § 2, 14, 15, 15bis, 15ter, 15quater en 20bis».

B.1.3. In de tweede prejudiciële vraag wordt bovendien verwezen naar de artikelen 42 en 43bis Sw. die luiden als volgt:

«Art. 42. Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast:

1° Op de zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, en op die welke gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn;

2° Op de zaken die uit het misdrijf voortkomen;

3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen».

«Art. 43bis. Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3o, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.

Indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.

Ingeval de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, zullen zij aan haar worden teruggegeven. De verbeurdverklaarde zaken zullen haar eveneens worden toegewezen ingeval de rechter de verbeurdverklaring uitgesproken heeft omwille van het feit dat zij goederen en waarden vormen die door de veroordeelde in de plaats gesteld zijn van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij of omdat zij het equivalent vormen van zulke zaken in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Iedere andere derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, zal dit recht kunnen laten gelden binnen een termijn en volgens modaliteiten bepaald door de Koning».

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.2. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden doordat, met toepassing van het decreet van 23 januari 1991, in het bijzonder van de artikelen 25, §§ 4 en 5, en 37, § 3, 1o en 2o, eenzelfde persoon wegens een overtreding van bepalingen van het decreet, zowel een administratieve geldboete opgelegd kan krijgen, als, zelfs na betaling ervan, strafrechtelijk kan worden vervolgd, terwijl in andere regelgeving het opleggen van een administratieve geldboete het verval van de strafvordering meebrengt.

B.3. Verschillende tussenkomende partijen werpen de niet-vergelijkbaarheid van de in de prejudiciële vraag bedoelde regelgevingen op, omdat zij uitgaan van verschillende wetgevers.

De vergelijking ervan zou, wegens de onderscheiden bevoegdheid van de betrokken wetgevers en de daardoor nagestreefde verschillende finaliteit van de bepalingen, de autonomie van de verschillende wetgevers in het gedrang brengen.

B.4. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers over eigen bevoegdheden beschikken, is het gevolg van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en kan als zodanig niet worden geacht strijdig te zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet.

Uit de eerste prejudiciële vraag blijkt evenwel dat, los van de vermelde categorieën die zouden moeten worden vergeleken, meer in het algemeen aan het Hof het verschil in behandeling wordt voorgelegd tussen personen die voor dezelfde feiten een – inmiddels betaalde – administratieve geldboete opgelegd krijgen en nadien ook strafrechtelijk worden vervolgd, enerzijds, en personen voor wie de betaling van een administratieve geldboete het verval van de strafvordering meebrengt, anderzijds, ongeacht of het verschil in behandeling is ingesteld door eenzelfde wetgever of niet. Het Hof onderzoekt de eerste prejudiciële vraag dan ook in dat opzicht.

B.5. De noodzaak om het aantal gevallen waarin een administratieve geldboete kan worden opgelegd, verder uit te breiden, onder meer in het geval waarin art. 25, § 4, van het meststoffendecreet voorziet, werd als volgt toegelicht bij de parlementaire voorbereiding: «Door de aanvulling worden de gevallen waarin een administratieve geldboete kan opgelegd worden, uitgebreid tot personen die verzuimen de aangifteplicht te vervullen (§ 3), personen die niet kunnen bewijzen dat zij hun bedrijfsmatige overschotten overeenkomstig de bepalingen van het decreet hebben afgevoerd (§ 4) en ten slotte personen die hun bedrijf onterecht laten notificeren als gezinsveeteeltbedrijf (§ 5). Het niet kunnen bewijzen van verantwoorde afzet van overschotten dient beschouwd te worden als een zeer ernstige nalatigheid, die qua mogelijke milieuschade zeker te vergelijken is met lozing, maar waartegen tot op heden enkel gerechtelijk kon opgetreden worden. Daarom is § 4 van uitzonderlijk belang. De hoogte van de in § 4 bedoelde administratieve geldboete werd zo gekozen, dat het totaal bedrag van de boete in ieder geval hoger ligt dan de afzetkosten» (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr. 148/01, p. 20).

B.6. Wanneer de decreetgever oordeelt dat sommige tekortkomingen ten aanzien van decretale bepalingen moeten worden bestraft, behoort het tot zijn beoordelingsbevoegdheid te beslissen of het opportuun is om voor strafsancties sensu stricto of voor administratieve sancties te opteren. De keuze van de ene of de andere categorie van sancties kan op zichzelf niet worden geacht discriminerend te zijn, maar het verschil in behandeling dat daaruit voor eenzelfde tekortkoming kan voortvloeien, is enkel toelaatbaar indien het in redelijkheid is verantwoord.

Dat geldt a fortiori wanneer het, zoals te dezen, gaat om een samenloop van strafsancties sensu stricto en administratieve sancties voor eenzelfde tekortkoming.

B.7. De keuze om de in de paragrafen 4 en 5 van het in het geding zijnde art. 25 bedoelde overtredingen zowel met administratieve als met strafrechtelijke sancties te bestraffen, berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de overtredingen. Rekening houdend met de weerslag van die overtredingen op het leefmilieu, is die maatregel ook pertinent om het nagestreefde doel te bereiken.

Het Hof dient evenwel nog na te gaan of de maatregel geen onevenredige gevolgen heeft, in het bijzonder rekening houdend met het beginsel non bis in idem.

B.8. Op grond van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat ook is gewaarborgd door art. 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds «overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land» bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Dat beginsel is eveneens opgenomen in art. 4 van het nog niet door België bekrachtigde Zevende Aanvullend Protocol bij het E.V.R.M.

B.9.1. De administratieve geldboeten waarin de paragrafen 4 en 5 van het in het geding zijnde art. 25 voorzien, hebben tot doel overtredingen begaan door de veetelers die de door het decreet opgelegde verplichtingen niet naleven te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben derhalve in hoofdzaak een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van art. 6 van het E.V.R.M. en van art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

B.9.2. Te dezen is de voor het verwijzende rechtscollege vervolgde partij geen eerste keer veroordeeld door een definitief vonnis, maar heeft zij de geldboete betaald die van haar door de administratie werd gevorderd. Die bijzonderheid, die inhoudt dat de administratieve geldboete door de administratie kan worden opgelegd zonder voorafgaande controle van een rechter, belet niet dat het beginsel non bis in idem van toepassing is, omdat het bestreden decreet het mogelijk maakt dat een persoon twee keer na elkaar voor dezelfde feiten wordt bestraft.

B.10. Uit de lezing van de voormelde teksten blijkt dat de administratieve geldboete waarin art. 25, §§ 4 en 5, van het meststoffendecreet voorziet en de strafrechtelijke sanctie waarin art. 37, § 3, van hetzelfde decreet voorziet, in soortgelijke bewoordingen hetzelfde gedrag bestraffen en dat de essentiële bestanddelen van beide overtredingen identiek zijn. Uit de tekst van de eerste prejudiciële vraag blijkt daarnaast dat zij betrekking heeft op het geval waarin aan een persoon een administratieve geldboete is opgelegd die hij heeft voldaan en die persoon vervolgens het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke vervolgingen voor een strafgerecht. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. Het behandelt dus niet het geval waarin eenzelfde gedraging aanleiding kan geven tot verschillende sancties onder verschillende kwalificaties, noch het geval waarin verschillende sancties worden opgelegd in het raam van één enkele vervolging.

B.11. Het beginsel non bis in idem wordt geschonden wanneer dezelfde persoon, na daarvoor reeds te zijn veroordeeld of vrijgesproken, opnieuw wegens hetzelfde gedrag wordt vervolgd voor overtredingen met dezelfde essentiële bestanddelen (EHRM 29 mei 2001, Fischer t/ Oostenrijk, §§ 5-27; EHRM 7 december 2006, Hauser-Sporn t/ Oostenrijk, §§ 42-46).

B.12. De prejudiciële vraag noopt het Hof de categorie van de personen die na het betalen van een administratieve geldboete op grond van de in het geding zijnde bepalingen ook nog strafrechtelijk worden vervolgd, te vergelijken met de categorie van de personen voor wie het betalen van een administratieve geldboete met een strafrechtelijk karakter het verval van de strafvordering meebrengt.

Een dergelijk verschil in behandeling kan niet worden verantwoord wegens de aard zelf van het in het geding zijnde beginsel. Niets zou immers kunnen verantwoorden dat een categorie van personen de toepassing van het beginsel non bis in idem wordt geweigerd, terwijl de voorwaarden voor die toepassing zijn vervuld.

B.13. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.14. De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of art. 25, §§ 4 en 5, van het meststoffendecreet verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat een persoon die wegens een overtreding van de bepalingen van het decreet een administratieve geldboete heeft betaald, nog kan worden veroordeeld tot een bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen overeenkomstig de artikelen 42 en 43bis Sw., terwijl diegene die tot een bijzondere verbeurdverklaring wordt veroordeeld voor gemeenrechtelijke misdrijven geen voorafgaande administratieve geldboete heeft betaald.

B.15. De bijzondere verbeurdverklaring bedoeld in art. 42 Sw. is een bijkomende straf en beoogt in de regel leedtoevoegend of vergoedend te zijn. In beide gevallen kan zij in beginsel alleen worden uitgesproken bij veroordeling van de beklaagde tot een hoofdstraf. De verbeurdverklaring kan door de rechter worden opgelegd bij misdrijven in het algemeen, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 42 en volgende Sw.

B.16. Het voorzien in een bijkomende straf die samen met de hoofdstraf wordt opgelegd, is als zodanig niet in strijd met het beginsel non bis in idem. Een bijkomende straf zou eveneens kunnen worden opgelegd bij een afzonderlijke beslissing, indien die beslissing wordt genomen ten gevolge van de definitieve veroordeling door de strafrechter, zonder dat een nieuwe procedure wordt geopend en voor zover een nauw verband bestaat tussen de twee sancties (EHRM, Maszni t/ Roemenië, 21 september 2006, §§ 68 tot 70).

B.17. Omdat evenwel in de door het Hof onderzochte hypothese het opleggen van een administratieve geldboete met een strafrechtelijk karakter, vanwege het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, noodzakelijkerwijze moet leiden tot het verval van de strafvordering, kan de beklaagde niet worden veroordeeld tot een hoofdstraf en kan hem bijgevolg evenmin de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring worden opgelegd.

B.18. Rekening houdend met het antwoord van het Hof op de eerste prejudiciële vraag en het daaruit voortvloeiende gevolg, kan het in de tweede prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling zich te dezen niet voordoen, zodat die vraag geen afzonderlijk antwoord behoeft.

Belastingsrecht  en strafrechtelijke sanctie

het non bis in idem beginsel wordt niet geschonden wanneer een persoon wegens een schending van het wetboek inkomstenbelastingen een administratieve sanctie oploopt op grond van artikel 445 WIB 1992 en hierna ook strafrechtelijk vervolgd wordt voor dezelfde feiten en hierbij een sanctie riskeren te voorzien door artikel 449 WIB 1992. dit werd bevestigd Door het grondwettelijk hof op 18 juni 2008 zie nieuw juridisch weekblad 195 pagina 74 met noot.

Cass. 22/03/2016, AR P.15.0736.N, juridat

Samenvatting

Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte als de bepalingen van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM; onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn

Tekst arrest

Nr. P.15.0736.N
B A H V B,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. B M,
burgerlijke partij,
2. A D V,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 april 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. De appelrechters verklaren de aan de eiser ten laste gelegde feiten, voorwerp van de telastlegging A, zoals verbeterd, niet bewezen en verklaren zich onbevoegd om kennis te nemen van de op die telastlegging gesteunde burgerlijke rechtsvordering van de verweerders tegen de eiser.
In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen deze beslissingen, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde of van de non bis in idem: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte; de eiser kon niet het voorwerp uitmaken van een strafvervolging voor de hem ten laste gelegde feiten; de raadkamer oordeelde op 14 maart 2011 na de eerste klacht met burgerlijke partijstelling dat de feiten noch een misdaad noch een wanbedrijf noch een overtreding uitmaakten; met een dergelijke buitenvervolgingstelling in rechte is, tenzij er nieuwe bezwaren aan het licht zouden komen, definitief over die feiten en met gezag van gewijsde geoordeeld; het arrest diende gelet op deze eerdere definitieve strafrechtelijke beschikking na te gaan of de thans te beoordelen vervolging in wezen dezelfde feiten betrof; een tweede vervolging is verboden wegens identieke of substantieel dezelfde feiten, waaronder wordt verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, iets waarover de rechter onaantastbaar oordeelt; de "idem" moet feitelijk worden ingevuld; de juridische kwalificatie speelt daarbij geen rol; uit de motivering van het arrest blijkt niet dat de appelrechters een feitelijke controle hebben uitgevoerd met betrekking tot de vraag of de eerdere en de te beoordelen vervolging eenzelfde voorwerp hebben; de appelrechters hebben evenmin onderzocht of deze feiten een geheel van concrete feitelijke omstandigheden vormen welke onlosmakelijk verbonden zijn; substantieel dezelfde feiten vereist immers geen absolute identiteit van het voorwerp van de feiten.

3. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.

4. Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn.

5. Het arrest oordeelt dat de feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken waarvoor de raadkamer op 14 maart 2011 een beschikking van buitenvervolgingstelling heeft verleend niet dezelfde zijn als de feiten die het voorwerp uitmaken van onder meer de telastlegging B van misbruik van vertrouwen in de voorliggende zaak, ook al kunnen die feiten daarmee samenhangend zijn en was in het gerechtelijk onderzoek in de zaak die aanleiding gaf tot de beschikking van buitenvervolgingstelling van 14 maart 2011 eveneens sprake van onder meer feiten van misbruik van vertrouwen. Daaruit volgt dat de appelrechters enkel hebben onderzocht of de feiten waarvoor thans vervolging werd ingesteld al dan niet identieke feiten zijn als die waarvoor reeds een beslissing van buitenvervolgingstelling werd gewezen, maar hebben nagelaten te onderzoeken of die feiten niet substantieel dezelfde feiten zijn als de feiten waarvoor een beslissing van buitenvervolgingstelling werd genomen, meer bepaald of ze niet onlosmakelijk in tijd en ruimte ermee verbonden zijn.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser veroordeelt voor de feiten der telastlegging B en oordeelt over de op die telastlegging gesteunde burgerlijke rechtsvordering van de verweerders.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten, houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten in het geheel op 207,30 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openbare rechtszitting van 22 maart 2016 uitgesproken

Rechtspraak

Cass. 20 mei 2014, AR P.13.0026.N, AC 2014, nr. 357; Cass. 24 juni 2014, AR P.13.1747.N, AC 2014, nr. 452; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N, AC 2015, nr. 119; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0045.N, AC 2015, nr. 275.

Rechtsleer

Tijdschrift voor Strafrecht [T.Strafr.] VAN HERPE, Ruben; Noot “Non bis in idem: een verwittigd rechter is er twee waard” 2016, nr. 5, p. 363-366.

 

Nog dit: 

Rechtsleer:

Ne bis in idem, tijd voor hetzelde Idem, C. Conings, NJW 261, 274

Inhoudstafel:

Inleiding.1
I. ‘Ne bis in idem’: bronnen en bevoegde rechtsprekende instanties .2-5
II. ‘Idem’: feitelijke of juridische benadering? .6
A. ‘Idem’ door de bril van het Hof van Justitie .7
B. ‘Idem’ volgens de visie van het EHRM8-11
C. ‘Idem’ naar de zin van het Grondwettelijk Hof. 12-15
D. ‘Idem’ volgens het Hof van Cassatie. 16-20
E. Wie heeft het bij het rechte eind? . 21
Conclusie .22

Cassatiearrest van 06/02/2014, juridat

Samenvatting

"Non bis in idem" wordt niet gewaarborgd door artikel 6 EVRM (1). (1) Zie o.m. EHRM, nr. 49195/99, Hermanus t/ België, 18 sept. 2001, ro 7, en EHRM, nr. 13079/03, Ruotsalainen t/ Finland, 16 sept. 2009, ro 58-59; zie ook de concl. van advocaat-generaal De Swaef, onder Cass. 29 jan. 2013, A.R. P.12.0402.N, AC 2013, nr. 67, (263), 267.

Tekst arrest

Nr. D.12.0018.N
X., dierenarts,

eiser,

tegen

ORDE DER DIERENARTSEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, vertegen-woordigd door haar Hoge Raad, met zetel te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de Nederlandstalige ge-mengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen van 27 april 2012.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De kritiek dat de beslissing geen gewag maakt van de grief omtrent de schorsing en deze niet heeft onderzocht, maakt geen schending uit van het vorm-vereiste van artikel 149 Grondwet.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

2. Na aangevoerd te hebben in zijn conclusie dat er hier een samenloop is tus-sen een tuchtrechtelijke en een strafrechtelijke vervolging, vermeldt de eiser dat hij "daarenboven" reeds werd geschorst door het "FAVV en KBC", zonder toe te lichten hoe dit een vervolging uitmaakt.

3. De appelrechters dienden dit onnauwkeurig verweer niet te beantwoorden.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. "Non bis in idem" wordt niet gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

5. Voor het overige zijn het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14, zevende lid, IVBPR niet dienend wanneer een persoon voor hetzelfde feit, enerzijds, het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure, en, anderzijds, straf-rechtelijk is vervolgd. De omstandigheid dat de opgelegde tuchtstraf, in voorko-mend geval, als een ‘straf' moet worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM of in de zin van artikel 14, zevende lid, IVBPR, doet eraan niet af.

Het middel dat ervan uitgaat dat de tuchtrechter ingevolge het genoemd algemeen rechtsbeginsel en artikel 14, zevende lid, IVBPR, moet nagaan welke de aard is van de aan de eiser verweten handeling en welke sanctie hem daarvoor kan wor-den opgelegd, kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 524,46 euro en voor de verweerster op 131,24 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Commentaar: 

Rechtspraak

Cass. 25 mei 2011, NjW 2011, a—. 253, 772.

Cass. 22 februari 1971, Arr. Cass. 1971, 599;

Cass. 5 mei 1992, Arr. Cass. 1991, 837.

EHRM 20 juli 2004, Nikitin/Rusland, Rec. 2004, VIII, 343

HvJ 9 maart 2006, nr. C-436/04, Van Esbroeck, Pb. C. 3 juni 2006, a—. 131, 18:

HvJ 28 september 2006, nr. C-150/05, Van Straaten, Pb. C. 2 december 2006, a—. 294, 14;

Rechtsleer

A. DE NAUW, “Cumulatie van straffen en adminstratieve sancties met een strafrechtelijk karakter na de arresten Zolotoukhin en Ruotsalainen” in F. DERUYCK (ed), Strafrecht meer dan ooit, Brugge, Die Keure, 2011, 1-19;

M. ZAGHEDEN, “Cumul van administratieve en strafrechtelijke boetes – non bis in idem”, AFT 2010, a—. 11, 36.

S. DEWULF, “Het Hof van Justitie over ´bis´en ´idem´ in Van Straaten en Gasparini”, (noot onder HvJ 28 september 2006), NC 2007, 51-55

P. HOET, “Ne bis in idem – Nationaal en Internationaal, de rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Hof van de Rechten van de Mens getoetst aan de nationale rechtspraak”, CABG 2008, a—. 4, Brussel,Larcier, 2008, 25.

P. HOET, “Het begrip feiten in het ne bis in idem-beginsel van artikel 54 van de Schengenovereenkomst”, (noot onder HvJ 9 maart 2006 T.Strafr, 2007,33

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 11:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.