-A +A

Handelsagentuur concurrentiebeding ongeldig bij te ruime territoriale omschrijving

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
don, 19/10/1995

Het concurrentiebeding is ongeldig en nietig als de territoriale omschrijving in het concurrentiebeding te ruim is opgevat.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
393
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A. t/ B.V.B.A. A.

I. Nopens het weren van stukken uit de debatten

Overwegende dat de raadsman van appellant tijdens de pleitzitting van 13 september 1995 vroeg de stukken neergelegd door geïntimeerde uit de debatten te weren omdat zij geen inventaris bij de neergelegde conclusie had gevoegd;

Overwegende dat het nieuwe artikel 743, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij wet van 3 augustus 1992, bepaalt dat de inventaris van de stukken bij de conclusies wordt gevoegd;

dat de wetgever evenwel geen sanctie oplegt indien deze bepaling niet wordt nageleefd, zoals ten deze;

dat geïntimeerde wel een inventaris van haar stukken in haar dossier heeft gevoegd;

dat appellant geen grief uit m.b.t. de niet overlegging van stukken, tenzij dat hij niet kan controleren of er soms geen nieuwe stukken tijdens de appelprocedure door geïntimeerde werden bijgevoegd;

Overwegende dat uit het enkele feit dat geïntimeerde geen inventaris bij haar beroepsconclusie heeft gevoegd, niet kan worden afgeleid dat geïntimeerde in hoger beroep nieuwe stukken aanwendt;

dat appellant trouwens niet eens stelt dat geïntimeerde in hoger beroep nieuwe stukken gebruikt;

Overwegende dat geïntimeerde ter zitting formeel stelde dat de thans door haar neergelegde stukken identiek zijn aan die in eerste aanleg;

dat dit wordt bevestigd aan de hand van de conclusies door geïntimeerde genomen voor de eerste rechter, waarin zij met dezelfde nummering als thans naar haar stukken verwijst;

dat ook de eerste rechter bij het verwijzen naar de stukken van geïntimeerde in de bestreden beschikking dezelfde nummering gebruikt als die thans door geïntimeerde gebezigd;

dat aldus de aanwending van nieuwe stukken in hoger beroep redelijkerwijze wordt uitgesloten;

dat er in deze omstandigheden geen aanleiding bestaat tot het weren van de stukken van geïntimeerde uit de debatten;

II. Nopens de feiten

Overwegende dat geïntimeerde als principaal actief is als tussenpersoon in de verkoop en verhuur van onroerende goederen;

dat geïntimeerde met appellant op 1 februari 1993 een samenwerkingsovereenkomst sloot waarbij zij appellant als zelfstandig tussenpersoon in de verkoop en verhuur van onroerende goederen aanstelde terwijl appellant aanvaardde om op exclusieve basis prospectie uit te voeren ten voordele van geïntimeerde;

dat appellant op die wijze een opleiding in de vastgoedsector wou genieten;

dat hij oorspronkelijk vanuit T. werkte, alwaar geïntimeerde haar maatschappelijk zetel heeft;

dat vanaf 11 juli 1994 appellant zelfstandig een nieuw bijkantoor van geïntimeerde in D. had;

dat appellant vanaf 17 november 1994 in de «P.», d.i. een regionale krant in de streek van T. onder de benaming A. reclame maakte en zich voorstelde als de vertrouwensman inzake verkoop en verhuur van onroerende goederen te T.;

dat geïntimeerde bij aangetekend schrijven van 25 november 1994 appellant in gebreke stelde om de samenwerkingsovereenkomst en in het bijzonder de overeengekomen exclusiviteit na te leven; dat appellant verzocht werd zijn activiteiten in persoonlijke naam in de regio waar geïntimeerde actief is, te weten T., D., A., L., S. en Waals-Brabant, stop te zetten op straffe van schadevergoeding;

dat op het ogenblik dat appellant voor eigen rekening onder de handelsbenaming A. begon te adverteren, namelijk op 17 november 1994, hij de sleutels van het bijkantoor in D. aan geïntimeerde teruggaf;

Overwegende dat de raadsman van appellant bij schrijven van 29 november 1994 tegen de voormelde ingebrekestelling van 25 november 1994 protesteerde;

dat appellant in dezelfde brief aan geïntimeerde verweet de overeenkomst eenzijdig te hebben verbroken door:

— hem van T. naar het nieuwe kantoor in D. eenzijdig te hebben verplaatst;

— de kosten voor de inrichting van het kantoor in D. alsook de publicatie- en verplaatsingskosten niet te vergoeden;

Overwegende dat de raadsman van geïntimeerde bij schrijven van 14 december 1994 op de voormelde brief van 29 november 1994 op omstandige wijze reageerde;

dat de verplaatsing naar D. op verzoek van appellant gebeurde; dat de inrichtings- en drukkosten voor het nieuwe kantoor in D. werden vergoed, terwijl voor de verplaatsingen geen vergoeding werd overeengekomen;

dat geïntimeerde in haar schrijven enkel kon vaststellen dat appellant na een opleiding bij haar in de vastgoedsector te hebben gekregen voor eigen rekening in de regio van T. begon te werken; dat zij nogmaals appellant in dit verband in gebreke stelde;

dat appellant desalniettemin zijn activiteiten voor eigen rekening in de streek van T. voortzette;

dat in de samenwerkingsovereenkomst van 1 februari 1993 appellant zich ertoe verbond gedurende 2 jaar na de verbreking van de overeenkomst niet op te treden als agent of makelaar in vastgoed in de regio waar geïntimeerde publicitaire campagnes voert;

III. Het voorwerp van de vorderingen en van het hoger beroep

Overwegende dat de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde ertoe strekt te doen zeggen voor recht in kort geding dat appellant zich ervan dient te onthouden rechtstreeks of onrechtstreeks voor eigen rekening of voor rekening van een derde op te treden als handelsagent of als makelaar of een activiteit te voeren die analoog is aan die van geïntimeerde en dit in de regio waar geïntimeerde publiciteit voert, te weten (...) onder verbeurte van een dwangsom van 20.000 fr. per vastgestelde overtreding per dag vanaf de datum van de beschikking;

Overwegende evenwel dat de rechter in kort geding niet vermag recht te spreken zoals gevorderd; dat de vordering van geïntimeerde zo gelezen moet worden dat de rechter in kort geding aan appellant zal bevelen dat hij zich voorlopig in afwachting van een uitspraak ten gronde zal onthouden van de voormelde activiteiten;

...

IV. Nopens de eerste exceptie van onbevoegdheid: het bestaan van een arbeidsovereenkomst

Overwegende dat appellant stelt dat de overeenkomst van 1 februari 1993 een arbeidsovereenkomst uitmaakt, zodat het geschil door de arbeidsrechtbank dient te worden beslecht;

Overwegende dat evenwel in de overeenkomst sub littera B appellant wordt omschreven als een zelfstandig tussenpersoon in de verkoop en verhuur van onroerende goederen;

dat sub littera F appellant verklaart zijn opdracht uit te oefenen buiten elk dienstverband en in volle onafhankelijkheid, zonder toezicht of controle inzake werkregeling en dat hij zijn eigen risico‘s draagt; dat hij zich nochtans minimaal tweemaal per week op vooraf overeengekomen tijdstippen zal begeven naar het hoofdkantoor van de principaal, teneinde regelmatig verslag uit te brengen over zijn activiteiten; dat hij zich ertoe verbindt dit alles te doen als zelfstandige en zich in regel te stellen met de desbetreffende wetgeving; dat het hem niet toegestaan is voor andere opdrachtgevers op te treden;

dat appellant alzo geacht wordt op zelfstandige basis het bijkantoor in D; te drijven zonder enig toezicht van geïntimeerde;

dat de verklaring van 20 oktober 1994 door geïntimeerde ondertekend, waarin gesteld wordt dat appellant zijn werkzaamheden in D. dient uit te voeren, daaraan geen afbreuk doet nu uit het sollicitatieschrijven van 6 mei 1991 van appellant blijkt dat hij de zaakvoerster van geïntimeerde toen reeds suggereerde in D. zijn werkzaamheden te kunnen uitvoeren;

dat de verplaatsing van appellant naar D. dan ook niet kan worden toegeschreven aan een zogezegd dictaat van geïntimeerde;

dat het feit dat appellant zich minstens tweemaal per week op het hoofdkantoor van geïntimeerde diende te begeven en dat het bijkantoor in D. zes dagen per week diende open te blijven, geen afbreuk doet aan het zelfstandig karakter van de tussenkomsten van appellant;

dat appellant trouwens bij schrijven van zijn raadsman van 29 november 1994 erkende dat hij een zelfstandig tussenpersoon was;

dat verder appellant geen loon ontving zoals een bediende; dat hij recht had op een commissieloon van 25 % op het commissieloon van de principaal bij aanbreng van een mandaat tot verkoop of verhuring en op een tweede commissieloon van 25 % bij de daadwerkelijke verkoop of verhuring;

dat, zoals blijkt uit de overgelegde stukken, appellant voor elke tussenkomst het bedongen commissieloon factureerde; dat deze facturatie erop wijst dat tijdens de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst appellant inderdaad als een zelfstandig handelsagent optrad;

dat in die omstandigheden het geschil niet als een geschil inzake arbeidsovereenkomsten kan worden aangemerkt;

dat er geen aanleiding is tot verwijzing van de zaak naar de arbeidsrechtbank;

V. Nopens de tweede exceptie van onbevoegdheid: het gebrek aan aanvoering van urgentie

Overwegende dat ingevolge artikel 9 Ger.W. de urgentie een wezenlijk component is van de materiële bevoegdheid van de rechter in kort geding;

dat de volstrekte bevoegdheid bepaald wordt door wat de eiser in de inleidende akte stelt (Cass., 8 september 1978, R.W., 1978-79, 960, met noot van Jean Laenens);

dat geïntimeerde in de inleidende dagvaarding geen urgentie aanvoert;

dat zij evenmin in de dagvaarding omstandigheden aanhaalt, die urgentie zouden impliceren;

dat zij immers in de dagvaarding enkel vaststelt dat appellant sedert 17 november 1994 voor eigen rekening in regionale kranten reclame maakt en dat hij inmiddels nog meer advertenties plaatst, terwijl de overeenkomst tussen partijen gesloten op 1 februari 1993 dit verbiedt;

dat geïntimeerde daarom in kort geding vraagt dat appellant zich onthoudt van elk optreden als agent of makelaar in onroerende goederen in de sector waar geïntimeerde zelf publiciteit maakt;

dat uit de voormelde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de hoofdvordering een dringend karakter vertoont;

dat geïntimeerde met geen woord rept over haar schade en het verloop ervan, terwijl de spoedvraag juist verband houdt met het nadeel voor de eiser bij het uitblijven van een beslissing in kort geding;

dat bij gebreke van aanvoering van urgentie in de inleidende dagvaarding de rechter in kort geding volstrekt onbevoegd is om kennis te nemen van de hoofdvordering (Cass., 11 mei 1990, Pas., 1990, I, 1045; Pierre Marchal, Les référés, Brussel, Larcier, 1992, nr. 15.3°; Jean Laenens, «De bevoegdheid, overzicht van rechtspraak, 1979-1992», T.P.R., 1993, 1496-1497, nr. 23);

dat de eerste rechter zich dan ook ten onrechte volstrekt bevoegd heeft verklaard m.b.t. de hoofdvordering;

VI. De devolutieve kracht van het hoger beroep

Overwegende dat de afwezigheid van volstrekte bevoegdheid bij de eerste rechter m.b.t. de hoofdvordering nog niet betekent dat de opdracht van het hof te dezen beëindigd is;

dat immers de vordering tussen handelaars tot stopzetting van bepaalde activiteiten, zoals gesteld in de dagvaarding, diende te worden ingeleid voor de rechtbank van koophandel te Leuven of eventueel voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, voor zover appellant de bevoegdheid van deze laatste zou aanvaarden;

dat er geen betwisting bestaat nopens de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken in Leuven;

dat zowel t.a.v. de rechtbank van koophandel te Leuven als t.a.v. de rechtbank van eerste aanleg te Leuven het hof van beroep te Brussel als appelrechter optreedt;

dat er te dezen geen grond bestaat om de zaak naar een andere appelrechter te verwijzen overeenkomstig artikel 643 Ger.W., nu het hof volstrekt en territoriaal bevoegd is om het geschil te beslechten;

dat in beginsel ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep het geschil zelf bij de rechter in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

dat het hof alzo kennis dient te nemen van de grond van de zaak;

dat er geen aanleiding bestaat tot heropening der debatten, nu de partijen, zowel in conclusies als in pleidooien, hebben gehandeld alsof het een vordering ten gronde betrof;

VII. Nopens de verbreking van de overeenkomst

Overwegende dat geïntimeerde primair stelt dat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen nog steeds bestaat;

dat zij aandringt op de verdere uitvoering van het contract inzonderheid op de eerbiediging van de exclusiviteit door appellant aanvaard; dat zij op deze grond vraagt appellant het verbod op te leggen nog verder als agent of makelaar in onroerende goederen voor eigen rekening of voor andermans rekening op te treden in de regio waar zijzelf actief is;

Overwegende evenwel dat die hoofdstelling van geïntimeerde niet kan worden ingewilligd nu de samenwerkingsovereenkomst op 17 november 1994 op initiatief van appellant is beëindigd door de afgifte aan geïntimeerde van de sleutels van het bijkantoor in D.;

dat appellant bovendien in een schrijven van 29 november 1994 aan geïntimeerde verweet de overeenkomst eenzijdig te hebben verbroken;

dat de beëindiging van de overeenkomst alzo vaststaat;

Overwegende dat geïntimeerde subsidiair haar vordering tot stopzetting van bepaalde activiteiten van appellant op het concurrentiebeding baseert;

dat, alvorens de rechtsgeldigheid van dit beding te onderzoeken, het past na te gaan of de dringende redenen door appellant aangevoerd gegrond zouden zijn, in welk geval het concurrentiebeding geen toepassing kan vinden;

Overwegende dat appellant aan geïntimeerde verwijt de overeenkomst te hebben verbroken door hem eenzijdig te hebben verplaatst van T. naar het nieuwe kantoor in D.;

dat appellant hierbij in het bijzonder verwijst naar de verklaring door de zaakvoerster van geïntimeerde ondertekend op 20 oktober 1994, waarin zij bevestigt dat vanaf 11 juli 1994 appellant regionaal directeur is in het nieuwe kantoor te D. en aldaar dient te functioneren van maandag tot en met zaterdag;

Overwegende dat appellant evenwel zich over zijn verplaatsing van T. naar D. niet ernstig kan beklagen nu hij in zijn sollicitatiebrief van drie jaar voordien zelf suggereerde om zijn werkzaamheden in D. uit te oefenen ingevolge zijn «bekendheid en populariteit» en zijn relaties aldaar;

dat de eerste rechter dan ook terecht heeft overwogen dat de verlegging van de activiteiten van appellant naar D. niet toe te schrijven is aan een dictaat van geïntimeerde;

dat appellant aldus het eenzijdig of foutief karakter van de verplaatsing niet aantoont;

Overwegende dat appellant verder in de brief van 25 november 1994 aan geïntimeerde verweet de overeenkomst eenzijdig te hebben verbroken door de kosten voor de inrichting van het kantoor in D. alsook de publicatie- en verplaatsingskosten niet te vergoeden;

Overwegende dat uit de overgelegde stukken evenwel blijkt dat geïntimeerde de inrichtings- en drukkosten voor het nieuwe kantoor in D. vergoedde;

dat appellant niet aantoont dat geïntimeerde zich zou hebben verbonden tot betaling van verplaatsingsvergoedingen;

Overwegende dat in die omstandigheden appellant niet aantoont dat geïntimeerde op ernstige wijze tekort is geschoten in haar verplichtingen als principaal;

dat de toepassing van het concurrentiebeding derhalve niet a priori kan worden uitgesloten;

VIII. Nopens de nietigheid van het concurrentiebeding in het licht van het arb eidsrecht

Overwegende dat appellant de rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding betwist, omdat het niet voldoet aan de voorwaarden van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

dat echter supra sub IV reeds werd aangetoond dat de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst wegens het ontbreken van gezag, leiding en toezicht;

dat appellant immers als zelfstandige het kantoor van geïntimeerde te D. beheerde;

dat de voormelde wet van 3 juli 1978 dan ook te dezen geen toepassing kan vinden;

dat het voorgedragen middel derhalve ongegrond is;

IX. Nopens de nietigheid van het concurrentiebeding in het licht van het handelsrecht

Overwegende dat, nu het hof de samenwerkingsovereenkomst niet als een arbeidsovereenkomst aanmerkt, beide partijen akkoord gaan om te stellen:

— dat de overeenkomst tussen partijen als een handelsagentuurovereenkomst dient te worden gekwalificeerd;

— het concurrentiebeding dient te beantwoorden aan de criteria vastgelegd in artikel 20 van de E.E.G.-richtlijn van 18 december 1986 betreffende de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake handelsagenten, namelijk een geschrift dat betrekking heeft op het geografisch gebied of op de groep cliënten, die aan de handelsagent waren toevertrouwd alsmede op het soort goederen waarvan hij krachtens de bepalingen van de overeenkomst de vertegenwoordiging had voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar na het einde van de overeenkomst (Jules Stuyck in Handels- en Economisch recht, Ondernemingsrecht, volume B, nr. 507);

Overwegende dat in het concurrentiebeding opgenomen sub littera L van de overeenkomst appellant er zich toe verbindt gedurende twee jaren na verbreking van de overeenkomst, ongeacht de oorzaak ervan, noch voor zichzelf, noch voor derden rechtstreeks of onrechtstreeks op te treden als commercieel agent, als makelaar of een activiteit te voeren die analoog is aan die van de principaal binnen de sector waarin hij publicitaire campagnes voert;

Overwegende dat voor geïntimeerde het voormelde concurrentiebeding volledig beantwoordt aan de criteria gesteld in artikel 20 van de E.E.G.-richtlijn, terwijl voor appellant het concurrentiebeding niet voldoet aan bepaalde geldigheidsvoorwaarden inzonderheid aan de territoriale beperking;

Overwegende dat de territoriale uitwerking van het concurrentiebeding zoals tussen partijen overeengekomen wordt beperkt tot de sector waarbinnen geïntimeerde haar publicitaire campagnes voert;

dat aan de hand van de overgelegde stukken geïntimeerde aantoont dat zij publiciteit voert in de regio T., D., A., L., S. en Waals-Brabant;

dat geïntimeerde dan ook vraagt dat appellant in deze regio geen activiteiten in onroerende goederen zal uitoefenen gedurende 2 jaar na de verbreking van de overeenkomst;

Overwegende dat appellant evenwel terecht opmerkt dat volgens artikel 20 van de E.E.G.-richtlijn het concurrentiebeding alleen geldig is voor zover het betrekking heeft op het geografisch gebied of op de groep cliënten, die aan de handelsagent waren toevertrouwd;

dat daarentegen het concurrentiebeding onregelmatig is in zoverre het de geografische sector van de principaal in ogenschouw neemt, terwijl volgens de E.E.G.-richtlijn de territoriale beperking gezien dient te worden in functie van de activiteiten van de handelsagent;

dat te dezen appellant als handelsagent werkzaam is geweest eerst in T. en daarna in D.;

dat uit niets blijkt dat appellant activiteiten zou hebben ontwikkeld in A., L., S. of Waals-Brabant;

dat alzo blijkt dat de territoriale omschrijving in het concurrentiebeding te ruim werd opgevat, zodat het ongeldig en nietig is;

dat wegens deze nietigheid de hoofdvordering van geïntimeerde ongegrond is;

...

Noot: 

 

zie ook: RABG 2010, afl. 15-16, 1039, noot NAEYAERT, P.; RABG 2010, afl. 18, 1194, noot VERBEKE, R.; TBH 2010, afl. 7, 686

Rechtsleer:

• HANSEBOUT, A., Interest op de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, RW 2008-09, afl. 4, 152-155

• KVT, Uitwinningsvergoeding handelsagent: Cassatie bevestigt principes, Balans 2008, afl. 587, 4-5

• VAN GOMPEL, H., De rol van de billijkheid bij de bepaling van de uitwinningsvergoeding van een agent, Limb.Rechtsl. 2008, afl. 4, 342-343

• MERTENS, D., Welke schade vergoedt de bijkomende vergoeding van de handelsagent?, RW 2008-09, afl. 40, 1693-1697

• CRAHAY, P., La rupture du contrat d'agence commerciale

• LAMBRECHT, B., NAEYAERT, P., Kan het bedrag of de berekeningswijze van de uitwinningsvergoeding en van de bijkomende schadevergoeding rechtsgeldig contractueel bepaald worden vóór de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst?, DAOR 2007, afl. 84, 424-436

• WAGNER, K., Agentuurovereenkomst en cliëntèlevergoeding , RW 2008-09, afl. 40, 1686-1688

• VAN DEN BROECK, K., De voorwaarden tot toekenning van de uitwinningsvergoeding – Artikel 20 handelsagentuurwet, RABG 2010, afl. 15-16, 1066-1070

• DURSIN, E., Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst Bijdragen in boek - In: X., Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, 155-205
Beëindiging handelsagentuurovereenkomst

• NAEYAERT, P., Concurrentiebeding en het dubbele vermoeden inzake cliënteelvergoeding bij agentuur, RABG 2010, afl. 15-16, 1046-1054

• CNUDDE, S., De bijkomende vergoeding bovenop de uitwinningsvergoeding na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst, RABG 2010, afl. 15-16, 1084-1087

• WAGNER, K., Over de niet-toepasselijkheid van de interestvoet wet bestrijding betalingsachterstand handelstransacties op de cliënteelvergoeding van artikelen 20 en 21 handelsagentuurwet, RABG 2010, afl. 15-16, 1080

• DAMBRE, M., Ruimte voor de billijkheid bij de begroting van de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, RABG 2010, afl. 15-16, 1025-1031

• NAEYAERT, P., LAMBRECHT, B., De conventionele vaststelling van de uitwinningsvergoeding in een handelsagentuurovereenkomst, DAOR 2010, afl. 94, 179-183

• MERTENS, D., De uitwinningsvergoeding van de handelsagent en de invloed van rechtmatige mededinging, RW 2009-10, afl. 42, 1781-1784 en http://www.rw.be (24 juni 2010)

• MERTENS, D., Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent 'zijn'cliënteel meeneemt, TBH 2009, afl. 3, 248-258

• K. VANHEUSDEN, Agentuur en alleenverkoop in Europa, Antwerpen, Maklu, 2002, 70;

• O. VANACHTER, "Duur en beëindiging", in J. STUYCK en P. MAEYAERT (ed.), De handelsagentuurovereenkomst, Brugge, Die Keure, 1995, 95.

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 11/10/2017 - 15:36
Laatst aangepast op: wo, 11/10/2017 - 15:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.