-A +A

Insolventieprocedure IPR

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 21/08/2013

De Belgische rechtsmachten moeten aan de hand van de eigen IPR regels bepalen of en in welke mate een buitenlandse insolventiemaatregelen in België erkenning en uitwerking hebben.

Aangezien de EG-Vo nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures geen toepassing vindt op een maatregel gevraagd en toegekend in de Verenigde Staten, dient terug te worden gegrepen naar artikel 121, § 1 WIPR.

Luidens deze bepaling wordt een buitenlandse rechterlijke beslissing die de opening, het verloop of de sluiting van een insolventieprocedure betreft en die niet is uitgesproken op grond van de insolventieverordening in België erkend of uitvoerbaar verklaard indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de voornaamste vestiging van de schuldenaar bij de inleiding van die procedure gelegen was ofwel een vestiging bezat waarbij in dit laatste geval de erkenning of de uitvoering van de beslissing slechts goederen kan betreffen die waren gelegen op het grondgebied van de Staat waar de procedure werd geopend.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/12
Pagina: 
850
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(C.M. Ltd., E.F. Ltd., M.A.C.T&T Ltd., S.G.T. Ltd., S.M.S. Ltd., R.K.C. Ltd., D.E.C.P.Z. Ltd., W.A. Ltd., S.R.H. Ltd., M.F.C. Ltd., J.T. Ltd., D.E. Ltd., M.L. Ltd., F.T. Ltd., S.F. Ltd., N.I.PVT. Ltd., N.C. Ltd., G.F.S. Ltd., F.L.(EA) Ltd., M.I.CO. Ltd., A.L. Ltd. (allen vennootschappen naar buitenlands recht), D.H. / R-R.L.C. (vennootschap naar buitenlands recht), W.Z. (kapitein van het zeeschip ms “C.L.”))

(Advocaat: Mr. B. Insel)

(…)

Eisende partijen kunnen worden bijgetreden in hun standpunt dat hun vordering ook wat de overige punten hoogdringend is.

Ook wat de juridische implicaties van het aanvatten van een zgn. 'chapter 11'-procedure in de Verenigde Staten door de scheepseigenaar / R-R.L.C. op huidige procedure betreft (onder meer wat de 'statutory stay' betreft), kan het standpunt van eisende partijen worden bijgetreden.

De Belgische rechtsmachten moeten aan de hand van de eigen IPR regels bepalen of en in welke mate een buitenlandse insolventiemaatregelen in België erkenning en uitwerking hebben.

Aangezien de EG-Vo nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures geen toepassing vindt op een maatregel gevraagd en toegekend in de Verenigde Staten, dient terug te worden gegrepen naar artikel 121, § 1 WIPR.

Luidens deze bepaling wordt een buitenlandse rechterlijke beslissing die de opening, het verloop of de sluiting van een insolventieprocedure betreft en die niet is uitgesproken op grond van de insolventieverordening in België erkend of uitvoerbaar verklaard indien de beslissing werd genomen door een rechter in de Staat waar de voornaamste vestiging van de schuldenaar bij de inleiding van die procedure gelegen was ofwel een vestiging bezat waarbij in dit laatste geval de erkenning of de uitvoering van de beslissing slechts goederen kan betreffen die waren gelegen op het grondgebied van de Staat waar de procedure werd geopend.

Vastgesteld wordt dat geen van beide gedaagden haar voornaamste vestiging had of heeft in de Verenigde Staten noch dat de goederen waarop de gevorderde maatregel betrekking heeft aldaar gelegen zijn doch wel in de Antwerpse haven. Bovendien zijn deze goederen geen eigendom van verwerende partijen en blijken zij niet eens over een voorrecht op deze goederen te beschikken aangezien de vracht vooraf werd betaald ('freight prepaid').

Integendeel zijn eisende partijen als cognossementhouder gerechtigd op de afgifte van de goederen en houdt de scheepskapitein deze onder zich voor hun rekening.

Het toekennen van de gevorderde maatregel tast het vermogen van verwerende partijen dan ook niet aan, reden temeer waarom de 'chapter 11'-procedure in de Verenigde Staten en de hieruit vloeiende bescherming voor de aanvragers hiervan, huidige vordering niet in de weg staat.

De door eisende partijen gevorderde modaliteit dat de sekwester ook gemachtigd wordt goederen die derden aanbelangen te lossen en af te leveren, althans in de mate deze derden hem dit zouden verzoeken, dient de belangen van eisende partijen aangezien zij alzo in de gelegenheid worden gesteld zich met anderen te verenigen om de omvangrijke kosten die de lossing van de goederen met zich mee kunnen brengen onder meer belanghebbenden te verdelen. Zonder een mogelijkheid deze kosten te delen met anderen, zou het lossen van de goederen van eisende partijen voor deze partijen allicht economisch niet haalbaar zijn.

De gevorderde maatregel kan ook tegen de scheepseigenaar worden bevolen daar deze luidens de toepasselijke Haags-Visbysche regels als vervoerder wordt beschouwd (art. 1, a)) en met de bevrachter gehouden is de goederen onder het cognossement af te leveren.

Dat het schip bij beschikking van 25 juni 2013 onder een bewarende maatregel is geplaatst, staat de vordering niet in de weg daar deze enkel tot doel heeft het schip in bewaring te nemen, in goede toestand te houden en de kosten te beperken.

(…)

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 09:20
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 09:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.