-A +A

Wet continuiteit onderneming reorganistaie en opzeggingsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 02/06/2016
A.R.: 
81/2016

De gewone schuldvorderingen in de opschorting m.b.t. een opzeggingsvergoeding kunnen met toepassing van art. 49 WCO het voorwerp uitmaken van een bijzondere regeling in het plan van gerechtelijke reorganisatie. In geen geval mogen zij zodanig worden verminderd dat de bestaanszekerheid van de werknemer in het gedrang komt. Als dat toch gebeurt, dient de rechtbank van koophandel de homologatie van het reorganisatieplan te weigeren wegens de strijdigheid ervan met de openbare orde.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1296
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij arrest van 9 september 2014 in zake de nv « Agrimat » tegen Jean-Claude Clementz, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 september 2014, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schenden de artikelen 2, c) tot e), 35, § 2, 49 en 57 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, in de versie ervan die op het onderhavige geval van toepassing is, namelijk vóór de aanneming van de wijziging ingevoerd bij de wet van 27 mei 2013 die een artikel 49/1, vierde lid, invoert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en voeren zij een discriminatie in doordat de schuldvordering in de opschorting van een werknemer die wordt ontslagen vóór het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent, kan worden verminderd of onderworpen aan betalingstermijnen zoals eender welke andere schuldvordering in de opschorting, terwijl de schuldvorderingen ontstaan uit arbeidsprestaties vóór de opening van de procedure een onderscheiden en specifieke behandeling zouden moeten ondergaan, namelijk niet worden onderworpen aan een vermindering, noch aan betalingstermijnen, zoals de schuldvorderingen ontstaan uit arbeidsprestaties in de loop van de procedure, zoals daarin wordt voorzien in de nieuwe versie van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen gewijzigd bij de wet van 27 mei 2013 ?

Dient de vraag bevestigend te worden beantwoord in zoverre het bij de wet van 27 mei 2013 ingevoerde artikel 49/1 niet terugwerkt tot de procedures die nog niet zijn afgesloten ?

2. Schendt artikel 49 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013 tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen, in samenhang gelezen met de artikelen 2, c) tot e), en 57 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, met name door zonder beperking betalingstermijnen en schuldverminderingen in kapitaal en interesten toe te staan, alle gewone schuldeisers in de opschorting identiek behandelt, terwijl de houders van schuldvorderingen ontstaan uit arbeidsprestaties vóór de opening van de procedure zich bevinden in een situatie die verschilt van die van de andere schuldeisers, hetgeen eveneens een verschillende behandeling vereist ?

Die verschillende situatie vloeit voort uit de overwegingen met betrekking tot de bescherming van het loon die met name de aanneming hebben verantwoord van het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie nr. 95 van 1 juli 1949 betreffende de bescherming van het loon, die van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en van de bepalingen van strafrechtelijke aard die daarin zijn opgenomen, en die van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, dat het recht op een billijke beloning waarborgt.

3. Schenden de artikelen 49 en 57 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, in de versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013 tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen, in samenhang gelezen met artikel 2, c) tot e), van dezelfde wet, in zoverre zij het mogelijk maken dat aan een werknemer die houder is van een schuldvordering die is ontstaan uit arbeidsprestaties vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, een vermindering van zijn schuldvordering of een spreiding van zijn uitbetaling wordt opgelegd, artikel 23 van de Grondwet, met inbegrip van het daarin vervatte standstill-effect, dat het recht op een billijke beloning waarborgt ?

4. Moet het antwoord op die vragen verschillend zijn naargelang de niet-betaling van de in het geding zijnde schuldvordering strafrechtelijk wordt bestraft ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van de artikelen 2, c) tot e), 35, § 2, 49 en 57 van de wet van 31 januari 2009 « betreffende de continuïteit van de ondernemingen » (hierna WCO).

Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het probleem waarover het Hof wordt ondervraagd uitsluitend betrekking heeft op de artikelen 2, c) tot e), 49 en 57 van die wet, zodat het Hof zijn onderzoek daartoe beperkt.

In de voor de verwijzende rechter toepasselijke versie ervan bepaalden die artikelen :

« Art. 2. Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder :
[...]

c) ' schuldvorderingen in de opschorting ' : de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of beslissingen genomen in het kader van de procedure volgen;

d) ' buitengewone schuldvorderingen in de opschorting ' : de schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht of een hypotheek en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars;

e) ' gewone schuldvorderingen in de opschorting ' : de schuldvorderingen in de opschorting andere dan de buitengewone schuldvorderingen in de opschorting; ».

« Art. 49. Het plan vermeldt de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten. Het kan in de omzetting van schuldvorderingen in aandelen voorzien, alsook in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan. Het plan kan eveneens in een maatregel voorzien voor de verzaking aan de interesten of de herschikking van de betaling ervan, alsook in de prioritaire aanrekening van de bedragen die zijn gerealiseerd op de hoofdsom van de schuldvordering.

Het plan kan ook de gevolgen evalueren die de goedkeuring van het plan zou meebrengen voor de betrokken schuldeisers.

Het kan ook bepalen dat geen schuldvergelijking mogelijk zal zijn tussen de schuldvorderingen in de opschorting en de schulden van de schuldeiser-titularis die zijn ontstaan na de homologatie. Een dergelijk voorstel kan niet gedaan worden met betrekking tot samenhangende vorderingen.

Wanneer de continuïteit van de onderneming een vermindering van de loonmassa vereist, wordt in een sociaal luik van het reorganisatieplan voorzien, voor zover over een dergelijk plan niet eerder was onderhandeld. In voorkomend geval kan het in ontslagen voorzien.

Bij de uitwerking van dit plan worden de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad, of, indien er geen is, in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, indien er geen is, de vakbondsafvaardiging of, indien er geen is, een werknemersafvaardiging gehoord ».

« Art. 57. De homologatie van het reorganisatieplan maakt het bindend voor alle schuldeisers in de opschorting.

De betwiste, maar na de homologatie gerechtelijk erkende schuldvorderingen in de opschorting, worden betaald op de wijze die is bepaald voor de schuldvorderingen van dezelfde aard. In geen geval kan de uitvoering van het reorganisatieplan geheel of gedeeltelijk opgeschort worden door de met betrekking tot deze betwistingen genomen beslissingen.

De schuldvorderingen in de opschorting die niet opgenomen zijn in de in artikel 17, § 2, 7°, bedoelde lijst, in voorkomend geval gewijzigd met toepassing van artikel 46, en die geen aanleiding hebben gegeven tot betwisting, worden betaald na de volledige uitvoering van het plan, op de wijze die is bepaald voor de schuldvorderingen van dezelfde aard. Indien de schuldeiser niet behoorlijk werd ingelicht tijdens de opschorting, wordt hij betaald op de wijze en in de mate die het gehomologeerd plan bepaalt voor gelijkaardige schuldvorderingen.

Tenzij het plan uitdrukkelijk anders bepaalt, bevrijdt de volledige uitvoering ervan de schuldenaar geheel en definitief, voor alle schuldvorderingen die erin voorkomen.

Onverminderd de artikelen 2043bis tot 2043octies van het Burgerlijk Wetboek komt het plan de medeschuldenaars en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld niet ten goede ».

B.2.1. De wet van 27 mei 2013 « tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen », bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 juli 2013, heeft het in het geding zijnde artikel 2, c), gewijzigd :
artikel 2 van die wet voegt in artikel 2, c), van de WCO het woord « gerechtelijke » in tussen de woorden « verzoekschrift of » en de woorden « beslissingen genomen ».

B.2.2. Dezelfde wet van 27 mei 2013 heeft in de WCO een artikel 49/1, vierde lid, ingevoegd, dat luidt :

« Het plan kan geen vermindering of kwijtschelding bevatten van schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties ».

B.2.3. Krachtens artikel 62 van die wet treden die wijzigingen in werking tien dagen na de bekendmaking van de wet van 27 mei 2013 in het Belgisch Staatsblad.

Die wijzigingen hebben dus geen gevolgen voor het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vragen, zodat het Hof de in het geding zijnde bepalingen, alsook de tekst van de WCO onderzoekt in de versie die van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil.

B.3. De voormelde wet van 31 januari 2009, in de versie ervan die van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter, voorziet in een zogeheten procedure « van gerechtelijke reorganisatie » die strekt tot het behoud, onder het toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten (artikel 16, eerste lid, van de WCO); die procedure maakt het mogelijk aan de schuldenaar een opschorting toe te kennen (waarvan de duur door de rechter wordt vastgesteld krachtens artikel 24, § 2, van de WCO) teneinde hetzij een gerechtelijke reorganisatie tot stand te brengen door een minnelijk akkoord tussen schuldeisers en schuldenaar, beoogd in artikel 43, of door een collectief akkoord van de schuldeisers, beoogd in de artikelen 44 en volgende, hetzij de overdracht toe te staan aan derden van het geheel of een gedeelte van de onderneming of haar activiteiten, beoogd in de artikelen 59 en volgende (artikel 16, tweede lid, van de WCO).

Naast het verbod om de middelen van tenuitvoerlegging voort te zetten, bepaalt de wet van 31 januari 2009 dat geen enkel ander beslag dan een bewarend beslag kan worden gelegd door de schuldeisers in de opschorting tijdens de opschorting (artikel 31 van de WCO). Zij brengt evenwel niet de rechten van de pandhoudende schuldeiser in het geding wanneer het gaat om specifiek verpande schuldvorderingen (artikel 32 van de WCO), staat de vrijwillige betaling van schuldvorderingen in de opschorting door de schuldenaar niet in de weg, noch de rechtstreekse vordering (artikel 33 van de WCO), noch de schuldvergelijking van de verknochte schuldvorderingen (artikel 34 van de WCO), noch de mogelijkheid om de schuldenaar failliet te verklaren of de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap die schuldenaar is te veroorzaken (artikel 30 van de WCO) en maakt in beginsel geen einde aan de lopende overeenkomsten (artikel 35, § 1, van de WCO).

Ten aanzien van de eerste en de tweede prejudiciële vraag

B.4. Uit de feiten van het bodemgeschil en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil betrekking heeft op een werknemer die is ontslagen enkele dagen vóór de indiening van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, ten gevolge van een herstructurering van het personeel om economische redenen. Die ontslagen werknemer eist voor het verwijzende rechtscollege de betaling van een opzeggingsvergoeding die, met toepassing van artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 « betreffende de arbeidsovereenkomsten » (hierna : de wet van 3 juli 1978), verschuldigd is wegens de beslissing van de werkgever om, zonder inachtneming van een opzeggingstermijn, een arbeidsovereenkomst te beëindigen.

B.5. Vóór de wijziging ervan bij de artikelen 14 en 27, 1°, van de wet van 26 december 2013 « betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen », bepaalde artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 :

« Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. De vergoeding is nochtans steeds gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, wanneer de opzegging uitgaat van de werkgever en met miskenning van het bepaalde in artikel 38, § 3, van deze wet of in artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

De opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopende loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst ».

B.6. Met de eerste en de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, doordat de schuldvordering in de opschorting van een werknemer die wordt ontslagen vóór het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent, op dezelfde wijze als de andere schuldvorderingen in de opschorting en zonder enige beperking kan worden verminderd of onderworpen aan betalingstermijnen, terwijl de houders van schuldvorderingen ontstaan uit arbeidsprestaties vóór de opening van de procedure zich bevinden in een situatie die verschilt van die van de andere schuldeisers, hetgeen eveneens een verschillende behandeling vereist.

B.7. In de eerste prejudiciële vraag voegt de verwijzende rechter daaraan toe dat de schuldvorderingen uit arbeidsprestaties ontstaan in de loop van de procedure en, sinds de invoeging van artikel 49/1 in de wet van 31 januari 2009 door de wet van 27 mei 2013, de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit vóór de opening van de procedure verrichte arbeidsprestaties, niet kunnen worden onderworpen aan verminderingen of betalingstermijnen.

De verwijzende rechter maakt eveneens een vergelijking tussen de eerste categorie van werknemers en de werknemers die de toepassing genieten, sinds de inwerkingtreding ervan, van artikel 49/1, vierde lid, van de WCO, ingevoegd bij de wet van 27 mei 2013, wegens de ontstentenis van een retroactieve werking van die bepaling voor de procedures die nog niet zijn afgesloten.

Het feit dat artikel 49/1, vierde lid, van de WCO, vanaf de inwerkingtreding van de wet van 27 mei 2013, voorziet in een bijzondere bescherming ten aanzien van sommige schuldvorderingen in de opschorting, in de context van een algemene aanpassing van de WCO, maakt het niet mogelijk te besluiten dat de in het geding zijnde bepalingen, in de versie ervan die van toepassing is voor de verwijzende rechter, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. Bovendien blijkt uit de stukken van de procedure dat de homologatie door de rechtbank van koophandel het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitief vonnis van de rechtbank van koophandel vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 mei 2013.

B.8. Het Hof werd reeds over de bestaanbaarheid met de Grondwet van de in het geding zijnde artikelen 2, c) tot e), 49 en 57 van de WCO, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013, ondervraagd.

Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 162/2013 van 21 november 2013 geoordeeld dat het verschil in behandeling in het reorganisatieplan tussen een werknemer die is ontslagen vóór de indiening, door zijn werkgever, van een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie en een werknemer die tijdens de periode van de opschorting is ontslagen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

Bij zijn arrest nr. 8/2012 van 18 januari 2012 heeft het Hof geoordeeld dat wanneer het reorganisatieplan voorziet in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, de rechtbank van koophandel dient na te gaan of voor die gedifferentieerde regeling een redelijke verantwoording bestaat.

Indien dat niet het geval is, dient zij de homologatie van het reorganisatieplan in beginsel te weigeren wegens de strijdigheid ervan met de openbare orde.

B.9.1. Artikel 49 van de WCO, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013, laat veel vrijheid aan de schuldenaar om binnen zijn reorganisatieplan het statuut en de concrete verhaalbaarheid van alle schuldvorderingen in de opschorting te bepalen.

B.9.2. Krachtens hetzelfde artikel, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013, vermeldt het reorganisatieplan de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten. Het kan onder meer in de omzetting van schuldvorderingen in aandelen voorzien, alsook in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen, onder meer op grond van de omvang of van de aard ervan.

B.9.3. Het reorganisatieplan wordt bindend voor alle schuldeisers in de opschorting, wanneer het wordt gehomologeerd door de rechtbank van koophandel, die die homologatie, krachtens artikel 55, tweede lid, van de WCO, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013, slechts kan weigeren « in geval van niet naleving van de pleegvormen door deze wet opgelegd of wegens schending van de openbare orde ».

Het homologatievonnis is in wezen een vaststelling door de rechtbank dat het reeds door de schuldeisers goedgekeurde plan geen enkele schending met zich meebrengt van de openbare orde en de door de WCO opgelegde pleegvormen naleeft.

B.10. De schuldvordering met betrekking tot een opzeggingsvergoeding van een werknemer, die is ontstaan vóór de indiening van een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, is een gewone schuldvordering in de opschorting.

B.11. De mogelijkheid, in het plan van gerechtelijke reorganisatie, om een gewone schuldvordering in de opschorting te verminderen of die te onderwerpen aan in de tijd gespreide betalingsmodaliteiten, houdt verband met de inhoud van het reorganisatieplan.

De gewone schuldvorderingen in de opschorting met betrekking tot een opzeggingsvergoeding kunnen dus, met toepassing van artikel 49 van de WCO, het voorwerp uitmaken van een bijzondere regeling in het plan van gerechtelijke reorganisatie.

B.12. De wetgever beoogde met de aanneming van het voormelde artikel 49, dat kan raken aan de legitieme verwachtingen van schuldeisers, « de duurzame ontwikkeling en het gezond maken van de ondernemingen [voort te zetten] » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-160/002, p. 39).

De wetgever heeft met die procedure de draagwijdte willen verruimen van de regelgeving op het gerechtelijk akkoord, die zij vervangt (ibid., DOC 52-0160/002, pp. 39 en 82). Hij heeft getracht het doel van behoud van de continuïteit van de onderneming te verzoenen met dat van vrijwaring van de rechten van de schuldeisers :

« [De materie met betrekking tot de gevolgen van de gerechtelijke reorganisatie] is een van de moeilijkste die er bestaat omdat een insolventiewetgeving rekening moet houden met zeer uiteenlopende belangen : de belangen van de schuldeisers die wensen betaald te worden op zo kort mogelijke tijd en de nood om de reorganisatie een kans te geven (met inbegrip van een reorganisatie door overdracht van de onderneming). De regel is dat de continuïteit en van de onderneming en van de contracten behouden blijft, maar het is vanzelfsprekend dat in een periode van acute betaalmoeilijkheden de handhaving van de rechten bedreigd wordt » (ibid., DOC 52-0160/005, p. 10).

B.13. De rechtbank van koophandel dient overeenkomstig artikel 55 van de WCO, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013, de homologatie van een reorganisatieplan evenwel te weigeren wegens schending van de openbare orde.

B.14.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de behandeling in het reorganisatieplan, van een schuldvordering die haar grondslag vindt in een opzeggingsvergoeding van een werknemer die werd ontslagen vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie.

B.14.2. Bij de beëindiging van een arbeidsrelatie van onbepaalde duur op initiatief van de werkgever heeft de werknemer, op grond van de in B.5 vermelde regeling in de arbeidsovereenkomstenwet, recht op een redelijke opzeggingstermijn, dan wel op een plaatsvervangende vergoeding in functie van onder meer de duur van de reeds verrichte arbeidsprestaties. Aldus is de werkgever in geval van de beëindiging ofwel het loon op de vervaldagen tijdens de opzeggingstermijn, ofwel een onmiddellijke opzeggingsvergoeding, die overeenstemt met het loon dat een werknemer zou bekomen tijdens de in acht te nemen opzeggingstermijn, verschuldigd.

B.14.3. De wetgever heeft het niet wenselijk geacht de werkgever die een werknemer ontslaat altijd ertoe te verplichten hem tijdens de hele duur van de opzegging verder tewerk te stellen. De eventuele moeilijkheden verbonden aan een dergelijke situatie konden worden vermeden met naleving van de belangen van de werknemer, door de betaling van een forfaitaire opzeggingsvergoeding die overeenstemt met het loon dat de werknemer gedurende de opzeggingsperiode zou hebben verkregen.

B.14.4. Het recht op een opzeggingsvergoeding strekt ertoe, behoudens in bijzondere ontslagomstandigheden, de sociale en financiële gevolgen van het einde van de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur voor een werknemer die zijn vaste dienstbetrekking verliest, te beperken door een inkomen te waarborgen gedurende een zekere tijd, waarbij die termijn hem in staat moet stellen opnieuw een betrekking te vinden. Aldus beoogde de wetgever, overigens in overeenstemming met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, de werknemer de nodige financiële middelen te verzekeren om zijn bestaanszekerheid te waarborgen (Parl. St., Senaat, B.Z., 1991-1992, nr. 100-2/3°, p. 17).

B.15.1. Zoals is vermeld in B.11, kunnen de schuldvorderingen in de opschorting die hun grondslag vinden in een arbeidsovereenkomst, waaronder die gekoppeld aan een opzeggingsvergoeding, wegens de aard ervan, het voorwerp uitmaken van een bijzondere regeling in het plan van gerechtelijke reorganisatie.

B.15.2. Wanneer de opzeggingsvergoeding van de werknemer die is ontslagen vóór het vonnis tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie een gewone schuldvordering in de opschorting is, betekent die kwalificatie dus niet dat de belangen van de werknemers niet in aanmerking worden genomen in de modaliteiten van het plan van gerechtelijke reorganisatie, in het licht van het door de in het geding zijnde wet nagestreefde doel van continuïteit.

B.16.1. De mogelijkheid die artikel 49, eerste lid, van de wet van 31 januari 2009 biedt om in het reorganisatieplan in een gedifferentieerde regeling voor bepaalde categorieën van schuldvorderingen te voorzien, kan niet zo worden begrepen dat zij verschillen in behandeling zou toelaten die niet redelijk verantwoord zijn.

Omgekeerd verbiedt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie om categorieën van personen die zich in wezenlijke verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording identiek te behandelen.

B.16.2. In het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en rekening houdend met hetgeen vermeld is in B.14.4, dient artikel 49, eerste lid, van de wet van 31 januari 2009, zoals het van toepassing was vóór de invoeging van artikel 49/1 in diezelfde wet, zo te worden geïnterpreteerd dat de schuldenaar, bij het opstellen van het reorganisatieplan, dient rekening te houden met de bijzondere aard van de schuldvordering die betrekking heeft op een opzeggingsvergoeding die is ontstaan vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie en dat het niet toelaat die schuldvordering zodanig te verminderen, dat de bestaanszekerheid van de werknemer in het gedrang komt.

B.16.3. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is van openbare orde. Aldus dient de rechtbank van koophandel de homologatie van het reorganisatieplan te weigeren indien de bescherming van de werknemer niet is gewaarborgd overeenkomstig de interpretatie vermeld in B.16.2.

B.17. Onder voorbehoud van de in B.16 vermelde interpretatie dienen de eerste en de tweede prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.
Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag

B.18. Met de derde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid, in het licht van artikel 23 van de Grondwet, met inbegrip van het daarin vervatte standstill-effect, dat het recht op een billijke beloning waarborgt, te onderzoeken van de artikelen 49 en 57 van de wet van 31 januari 2009, in samenhang gelezen met artikel 2, c) tot e), van dezelfde wet, in zoverre zij het mogelijk maken dat aan een werknemer die houder is van een schuldvordering die is ontstaan uit arbeidsprestaties vóór de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, een vermindering van zijn schuldvordering of een spreiding van zijn uitbetaling wordt opgelegd.

B.19. Gelet op het antwoord dat is gegeven op de eerste twee prejudiciële vragen en de in B.16 vermelde interpretatie, behoeft de derde prejudiciële vraag geen antwoord.

Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag

B.20. In de vierde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht te zeggen of het antwoord op de eerste drie prejudiciële vragen verschillend zou zijn indien de niet-betaling van een opzeggingsvergoeding een strafrechtelijk misdrijf is.

B.21. Het al dan niet strafbaar zijn van de niet-betaling van een opzeggingsvergoeding wijzigt niets aan de antwoorden op de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.16, schenden de artikelen 2, c) tot e), 49 en 57 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 mei 2013 tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van ondernemingen en vóór de invoeging door die wet van artikel 49/1 in de wet van 31 januari 2009, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
- De derde prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 2 juni 2016.
 

Noot: 

Een gerechtelijke reorganisatie kan tot doel de overdracht van de onderneming hebben onder gerechtelijk gezag. Hiertoe is het  bestaan van een maatschappelijk belang vereist en volstaat niet een uitsluitend privatief belang van de aandeelhouders en bestuurders .

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 08/05/2017 - 11:34
Laatst aangepast op: ma, 08/05/2017 - 11:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.