-A +A

Nieuwe vordering voor het eerst in hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De regel dat een nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep mag worden ingesteld strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partijen; die regel raakt de openbare orde niet en is niet van dwingend recht;

Een nieuwe vordering in graad beroep moet berusten op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding, een verweer op de hoofdvordering vormen of tot compensatie strekken.

Zie cass. 28 maart 1968, Bull. en Pas. 1968, I, 923; 20 sept. 1995, A.R. P.95.0272.N, nr 390.

C.00.0626.N
1. H.T.
2. S.R.
eisers,
tegen
1. W.J.
2. C.I.
verweerders,

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer Ernest Waûters en op de conclusie van advocaat-generaal Guido Bresseleers;

Gelet op het bestreden vonnis, op 9 mei 2000 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel;

Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 807, 808, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek;
doordat het bestreden vonnis van hervorming de huurovereenkomst betreffende het appartement op de eerste verdieping R. Lambrechtslaan, 17 te Dilbeek ontbonden verklaart lastens de eisers en de eisers veroordeelt aan de verweerders te betalen de som van 48.552 BEF ten titel van wederverhuringsvergoeding en van 50.000 BEF ten titel van schadevergoeding wegens stoornis op de volgende gronden : de vordering tot schadevergoeding ten belope van 18.500 BEF per maand vanaf 1 februari 1999 tot de datum van vertrek van de eisers kan niet integraal ingewilligd worden. Wel hebben de verweerders hinder ondergaan bij de verhuring van het appartement op de tweede verdieping. Zij bewijzen echter niet dat dit appartement dat kleiner is dan het appartement op het eerste verdieping en dat geen toegang heeft tot de tuin, aan een hogere huurprijs per maand zou kunnen worden verhuurd.

De verweerders leggen een huurcontract voor met effect vanaf 1 januari 2000 aan een huurprijs van 17.000 BEF. Vanaf deze datum is er geen schade meer. De derving van huurgelden beperkt zich dienvolgens van februari tot december 1999. Het mandaat aan Pajota dateert slechts van 25 januari 1999.

De verweerders tonen niet aan hoeveel tijd normaal nodig is om een nieuwe huurder voor het appartement op de tweede verdieping te vinden, verder is het niet zeker dat de omstandigheid dat niet meteen een nieuwe huurder werd gevonden enkel zou te wijten zijn aan de hinder vanwege de hond. Andere mogelijke oorzaken zijn het feit dat het appartement kleiner is, dat het over geen tuin beschikt, dat de vraagprijs te hoog was, (...)

De schade te wijten aan de hinder kan dienvolgens ex aequo et bono geraamd worden op 50.000 BEF forfaitair;


terwijl krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is; dat de uitbreiding of de wijziging van een vordering, zoals in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald, weliswaar krachtens het artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek eveneens in hoger beroep toegelaten is;

dat zulks echter veronderstelt dat de in hoger beroep uitgebreide of gewijzigde vordering reeds voor de eerste rechter aanhangig gemaakt werd of minstens virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen was;

dat verweerders voor de eerste rechter vorderden om de huurovereenkomst betreffende het appartement gelegen te Dilbeek, R. Lambrechtslaan, 17, eerste verdieping, te ontbinden lastens de eisers, om de eisers te veroordelen tot betaling van een wederverhuringsvergoeding van 48.552 BEF en om een deskundige aan te stellen ten einde de huurschade vast te stellen;

dat de verweerders voor het eerst in hoger beroep vorderden om de eisers te veroordelen tot schadevergoeding wegens onmogelijkheid van verhuring van het appartement op de tweede verdieping of 18.500 BEF per maand vanaf 1 februari 1999 tot op het ogenblik dat zij het appartement op de eerste verdieping hebben ontruimd of de hond hebben verwijderd;

dat dit een volledig nieuwe vordering is die door haar voorwerp verschilt van de oorspronkelijke vordering, die niet voor de eerste rechter aanhangig was, die evenmin virtueel begrepen was in de oorspronkelijke vordering en die bijgevolg niet voor het eerst in beroep kon worden ingesteld zodat de eisers ten onrechte veroordeeld werden tot vergoeding van de schade wegens hinder bij de verhuring van het appartement op de tweede verdieping (schending van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek); dat die voor het eerst in beroep gestelde vordering evenmin kan worden beschouwd als een aanvulling van de voormelde voor de eerste rechter gestelde vorderingen (schending van de artikelen 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek);

Overwegende dat de regel dat een nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep mag worden ingesteld, strekt tot bescherming van het recht van verdediging van de partijen; dat die regel de openbare orde niet raakt noch van dwingend recht is; dat de schending van die regel niet voor het eerst voor het Hof kan worden aangevoerd;

Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat de eisers voor de feitenrechter hebben aangevoerd dat de in het middel bedoelde vordering niet ontvankelijk is omdat zij voor het eerst in hoger beroep werd ingesteld;

Dat het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk is, zoals door de verweerders opgeworpen;

OM DIE REDENEN,

Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfhonderd vijftien euro negenenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd veertig euro drieënzeventig cent jegens de verwerende partijen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel

Commentaar: 

Grondwettelijk Hof 04/12/2014, AR 177/2014

samenvatting

De artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

tekst arrest

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 21 januari 2014 in zake Ali Abdoullah tegen de vereniging van mede-eigenaars van het gebouw « Eden Roc », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 februari 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Zijn de artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de beginselen van de inachtneming van de rechten van de verdediging en van de loyauteit van de procesvoering, in zoverre zij de nieuwe vordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, aan de in artikel 807 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden onderwerpen, terwijl de tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, niet aan andere voorwaarden dan de hoedanigheid en het belang wordt onderworpen ?

2. Zijn de artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, enkel ontvankelijk is indien zij berust op een feit dat of een akte die is aangevoerd in de eerste conclusies die door de verweerder zijn neergelegd of wanneer zij een verweer [vormt] op de hoofdvordering of [strekt] tot schuldvergelijking, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de beginselen van de inachtneming van de rechten van de verdediging en van de loyauteit van de procesvoering ? ».
(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« De tegenvordering is een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken ».

Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is ».

Artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Voor zover de bepalingen van dit boek er niet van afwijken zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen ».

B.2.1. In de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met de beginselen van de rechten van de verdediging en van de loyauteit van de procesvoering, in zoverre zij de nieuwe vordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, aan de in artikel 807 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden onderwerpen, terwijl de tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld :
- niet aan andere ontvankelijkheidsvereisten dan de hoedanigheid en het belang zou worden onderworpen (eerste prejudiciële vraag), of
- enkel ontvankelijk zou zijn « indien zij berust op een feit dat of een akte die is aangevoerd in de eerste conclusies die door de verweerder zijn neergelegd of wanneer zij een verweer [vormt] op de hoofdvordering of [strekt] tot schuldvergelijking » (tweede prejudiciële vraag).

B.2.2. Uit de feiten van de zaak en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vergelijking betrekking heeft op, enerzijds, de situatie van de oorspronkelijke eiser die, aangezien hij aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek is onderworpen, zijn oorspronkelijke vordering in hoger beroep enkel kan uitbreiden of wijzigen binnen de perken van een feit dat of van een akte die in de dagvaarding is aangevoerd, en, anderzijds, de situatie van de oorspronkelijke verweerder die voor de eerste maal in hoger beroep een tegenvordering instelt, naargelang de in het geding zijnde bepalingen in die zin worden geïnterpreteerd dat zij hem al dan niet aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek onderwerpen.

B.2.3. Aangezien beide prejudiciële vragen betrekking hebben op de vereisten voor de ontvankelijkheid van een tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, onderzoekt het Hof ze samen.

B.3.1. Het voormelde artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist een nauwe band tussen de oorspronkelijke vordering en de uitgebreide of gewijzigde vordering. Die bepaling strekt immers ertoe het recht van verdediging van de oorspronkelijke verweerder te waarborgen en te voorkomen dat die verweerder, die aan de hand van de gedinginleidende akte kennis heeft gekregen van de feiten of handelingen die aan de oorspronkelijke vordering ten grondslag liggen, zou worden verrast door het aanvoeren van nieuwe feiten of handelingen die niet in de inleidende akte zijn vermeld.

B.3.2. De tegenvordering is, luidens artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek, een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de oorspronkelijke eiser een veroordeling te doen uitspreken.

Wanneer zij in eerste aanleg wordt ingesteld, hoeft de tegenvordering niet noodzakelijk een verband te vertonen met de oorspronkelijke vordering en is zij ontvankelijk tot de sluiting van de debatten. De tegenvordering staat dus los van de oorspronkelijke vordering, zodat artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is op het instellen ervan.

B.3.3. Bij zijn arrest nr. 77/2007 van 10 mei 2007 heeft het Hof het verschil in behandeling tussen de oorspronkelijke eiser die de vordering wenst te wijzigen of uit te breiden en de oorspronkelijke verweerder die in eerste aanleg een tegenvordering instelt, bestaanbaar geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.1. Overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek is artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op de vordering waarmee de oorspronkelijke eiser zijn oorspronkelijke vordering in hoger beroep wenst uit te breiden of te wijzigen (Cass., 29 november 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 645; 18 februari 2010, Arr. Cass., 2010, nr. 107).

B.4.2. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek streeft het wettig doel na een bijzondere bescherming toe te kennen aan de rechten van de oorspronkelijke verweerder die wordt geconfronteerd met een wijziging van de oorspronkelijke vordering door te vereisen, allereerst, dat zij het voorwerp uitmaakt van conclusies op tegenspraak en, vervolgens, dat zij een grondslag vindt in de feiten of handelingen die in de gedinginleidende akte worden aangevoerd.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wordt de toepassing van die bepaling op de oorspronkelijke eiser die zijn vordering wenst uit te breiden of te wijzigen, verantwoord door het feit dat die laatste met de gedinginleidende akte alle vrijheid heeft gehad om zijn aanspraken ten aanzien van de verweerder te definiëren en het onderwerp van het geschil aldus te omschrijven.

B.5.1. De eiser op tegenvordering definieert, wanneer hij zijn vordering in eerste aanleg instelt, voor het eerst het onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van de oorspronkelijke eiser. De eiser op tegenvordering bevindt zich in dat opzicht in de situatie van de oorspronkelijke eiser wanneer deze zijn vordering indient.

B.5.2. In hoger beroep daarentegen wordt in de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie geoordeeld dat « krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep kunnen ingesteld worden indien zij berusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken » (Cass., 22 januari 2004, Arr. Cass., 2004, nr. 39; zie eveneens Cass., 10 april 1978, Arr. Cass., 1978, II, p. 917; 4 december 1989, Arr. Cass., 1989-1990, nr. 216; 18 januari 1991, Arr. Cass., 1990-1991, nr. 259; 14 oktober 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 513; 23 februari 2006, Arr. Cass., 2006, nr. 106).

B.5.3. Wanneer de oorspronkelijke verweerder voor de eerste maal in hoger beroep een tegenvordering instelt, formuleert hij slechts op dat ogenblik het onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van de oorspronkelijke eiser, ook al heeft hij alle vrijheid gehad om het onderwerp van zijn aanspraken ten aanzien van deze laatste in
eerste aanleg te definiëren.

Het zou in strijd zijn met de bescherming van de rechten van de oorspronkelijke eiser die wordt geconfronteerd met een tegenvordering die voor de eerste maal in hoger beroep is ingesteld, dat de oorspronkelijke verweerder niet wordt onderworpen aan de in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarden waaronder een vordering kan worden uitgebreid of gewijzigd. Hoewel er geen recht op een dubbele aanleg bestaat, zou het immers in strijd zijn met de gelijkheid van de rechtzoekenden, partijen in een zelfde procedure die voor een zelfde rechter is gebracht, dat zij niet dezelfde waarborgen kunnen genieten.

Overigens belet niets de oorspronkelijke verweerder, indien hij niet in de voorwaarden verkeert om voor de eerste maal een tegenvordering in hoger beroep in te stellen, afzonderlijk een hoofdvordering in te stellen en de nieuwe feiten of handelingen aan te voeren waarop zijn nieuwe aanspraken berusten.

B.6. De eerste prejudiciële vraag, die op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen is gebaseerd, behoeft geen antwoord.

Rekening houdend met de in B.5.2 vermelde interpretatie, dient de tweede prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
- De artikelen 14, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 december 2014.
 


Cassatie 05/12/2014, AR C.14.0061.N

samenvatting

Krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 Gerechtelijk Wetboek kunnen tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij be-rusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken.

De rechter moet weliswaar over de bij hem aanhangige vordering uitspraak doen met inachtneming van de feiten die zich in de loop van het geding hebben voorge-daan en een weerslag hebben op het geschil, maar mag bij de beoordeling van nieuwe vorderingen de grenzen bepaald door artikel 807 Gerechtelijk Wetboek niet overschrijden.

tekst arrest

Nr. C.14.0061.N
M.V.A.
eiser,
tegen
G.G. nv, met zetel te 2100 Antwerpen (Deurne), Van Baurscheitlaan 82,
verweerster,
in aanwezigheid van
H.L.
in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 oktober 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens de artikelen 807 tot 810 en 1042 Gerechtelijk Wetboek kunnen tegenvorderingen voor het eerst in hoger beroep ingesteld worden indien zij be-rusten op een feit of handeling in de dagvaarding aangevoerd of een verweer op de hoofdvordering uitmaken of tot compensatie strekken.

De rechter moet weliswaar over de bij hem aanhangige vordering uitspraak doen met inachtneming van de feiten die zich in de loop van het geding hebben voorge-daan en een weerslag hebben op het geschil, maar mag bij de beoordeling van nieuwe vorderingen de grenzen bepaald door artikel 807 Gerechtelijk Wetboek niet overschrijden.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de hoofdvordering van de eiser zoals geformuleerd in de dagvaarding strekt tot het verlijden van de notariële verkoopakte, ter uitvoering in natura van de on-derhandse verkoopovereenkomst van 3 mei 2000, en tot de vergoeding van de schade die de eiser geleden heeft wegens de onterechte weigering door de verweerster om haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte;
- de tegenvordering van de verweerster, ingesteld na het tussenarrest van het hof van beroep van 29 november 2010, ertoe strekt te zeggen voor recht dat zij rechtsgeldig de ontbinding van rechtswege heeft gevorderd ten laste van de eiser van de onderhandse verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 en dat deze ontbinding van rechtswege terugwerkt ex tunc tot 3 mei 2000, en de eiser te veroordelen tot betaling aan de verweerster van de contractueel bepaalde forfaitaire schadevergoeding.

De appelrechters oordelen dat:

- de tegenvordering van de verweerster gesteund is op een feit, de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000, dat in de inleidende dagvaarding werd aangevoerd;
- in de mate waarin zij ertoe strekt de ontbinding van rechtswege van de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 ten laste van de eiser te doen vaststellen, de tegenvordering van de verweerster ook een verweer uitmaakt tegen de hoofdvordering van de eiser;
- de feitelijke grondslag ervan, namelijk de contractuele wanprestatie van de eiser en het zonder gevolg laten van de ingebrekestelling, zich pas gerealiseerd heeft in april-mei 2011, zodat de tegenvordering niet eerder kon worden ingesteld;
- noch de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2010 dat werd gewezen vooraleer de feitelijke evolutie waarvan sprake zich had voorgedaan, noch het voorwerp van de procedure hangende voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en aldaar gekend onder het nummer 11/5029/A daaraan iets kunnen veranderen.

3. Met die redenen waaruit blijkt dat de tegenvordering van de verweerster, strekkende tot vaststelling van de ontbinding van rechtswege van de onderhandse verkoopovereenkomst, op een rechtshandeling berust die in de dagvaarding werd aangevoerd en een verweer uitmaakt op de hoofdvordering van de eiser, strekkende tot uitvoering in natura van de onderhandse verkoopovereenkomst en tot betaling van een bijkomende schadevergoeding, verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de tegenvordering toelaatbaar te verklaren naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

4. De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de toepassing van het uitdrukkelijk ontbindend beding door de verweerster in de concrete omstandighe-den rechtsmisbruik uitmaakte, aangezien bepaalde elementen een wanverhouding creëerden tussen het nadeel dat de eiser door de ontbinding zou ondervinden en het voordeel dat de verweerster uit de ontbinding zou halen.

5. De appelrechters stellen vast dat:
- het hof van beroep in zijn arrest van 29 november 2010 geoordeeld heeft dat de onderhandse verkoopovereenkomst rechtsgeldig is en dat de verweerster uiter-lijk binnen vier maanden vanaf de betekening van het arrest de notariële ver-koopakte diende te verlijden, als uitvoering in natura van de onderhandse ver-koopovereenkomst;
- bij aangetekende brief van 18 april 2011 de contractpartijen, waaronder de ei-ser, door notaris E. M. te Antwerpen werden uitgenodigd om op 29 april 2011 de notariële verkoopakte te verlijden, onder de uitdrukkelijke vermelding dat de koper wordt verzocht alsdan voor betaling van de koopprijs te zorgen;
- op 29 april 2011 de authentieke akte werd verleden tot neerlegging onder de minuut van het arrest van 29 november 2010 en van de verkoopovereenkomst, waarbij authentiek werd vastgesteld dat de eiser als koper noch is verschenen noch de koopprijs en de aktekosten heeft betaald;
- bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 april 2011 de eiser op verzoek van de verweerster werd aangemaand om over te gaan tot onmiddellijk betaling van de verkoopprijs;
- bij de onderhandse verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 onder meer nadrukkelijk werd bedongen dat ingeval van niet-naleving door een der partijen van de aangegane verbintenissen en na ingebrekestelling bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot, welke zonder gevolg gelaten werd ge-durende een periode van 15 dagen, de verkoping van rechtswege ontbonden zal zijn.

Op die basis oordelen de appelrechters dat:
- uit wat voorafgaat voortvloeit dat de contractuele wanprestatie van de eiser, bestaande in de niet-tijdige betaling van de verkoopprijs, vaststaat;
- de bewarende derdenbeslagen van 15 juni 2009 door de vrijwillig tussenko-mende partij en van 1 maart 2011 door H.B., beide ten laste van de eiser gelegd in handen van L.D.C. nv, niets ter zake doen;
- hetzelfde geldt voor het feit dat het hof van beroep bij arrest van 29 november 2010 reeds heeft geoordeeld dat de verweerster een contractuele wanprestatie heeft begaan door in gebreke te blijven tijdig haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte;
- door de eiser zelf immers werd geopteerd voor de sanctie van de gedwongen tenuitvoerlegging van de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000;
- dit voor hem de verplichting impliceerde tot betaling van de verkoopprijs, zoals uitdrukkelijk bevestigd in het tussenarrest;
- al evenzeer vaststaat dat het exploot van aanmaning-ingebrekestelling van 29 april 2011 door de eiser zonder gevolg werd gelaten gedurende een periode van 15 dagen;
- van rechtsmisbruik alleen sprake is wanneer een subjectief recht wordt uitgeoe-fend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon;
- een dergelijk rechtsmisbruik veronderstelt dat, wanneer een partij, uitsluitend in haar eigen belang, gebruik maakt van een subjectief recht, zij daaruit een voordeel trekt dat buiten verhouding is met de correlatieve last van de andere partij;
- uit niets blijkt dat ter zake zou zijn voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor rechtsmisbruik;
- het lot van de verkoopovereenkomst van 11 april 2003 tussen de eiser en L.D.C. nv in dit verband irrelevant is.

6. Door aldus te oordelen, geven de appelrechters de feitelijke gegevens aan waarop zij hun beslissing laten steunen en verwerpen zij zodoende de door de eiser aangevoerde daarmee strijdige en andere feitelijke gegevens. Zij beantwoorden mitsdien het verweer van de eiser, en dit op een wijze die het Hof toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.

7. Krachtens artikel 1134, eerste lid, Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet.
Het in het derde lid van die bepaling vastgelegde beginsel, krachtens hetwelk de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer moet worden gebracht, verbiedt een partij om misbruik te maken van een hem door de overeenkomst toegekend recht.

Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon. Dit is inzonderheid het geval wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogd of verkregen heeft. Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

8. De appelrechters die, op grond van de hierboven weergegeven redenen en in het licht van alle omstandigheden van de zaak, onderzoeken of de verweerster uit de uitoefening van haar recht om zich op het uitdrukkelijk ontbindend beding te beroepen, een voordeel heeft gehaald dat niet in verhouding stond tot de daarte-genover staande last van de eiser, verantwoorden hun beslissing naar recht.

In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 1134, derde lid, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik, kan het niet worden aangenomen.

Derde middel

Tweede onderdeel

9. Krachtens artikel 1149 Burgerlijk Wetboek moet, in geval van een foutieve niet-uitvoering van een contractuele verbintenis, de schuldenaar van deze verbin-tenis, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 Burger-lijk Wetboek, de schuldeiser volledig vergoeden voor het verlies dat hij heeft ge-leden en de winst die hij moet derven.

10. De ontbinding van een wederkerig contract met toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek heeft, in beginsel, ex tunc uitwerking en heeft tot gevolg dat de partijen opnieuw in dezelfde toestand moeten worden geplaatst als die waarin zij zich zouden hebben bevonden indien zij niet hadden gecontracteerd. De ontbonden overeenkomst kan voor hen geen grondslag van rechten of verplichtingen zijn, behoudens het recht op schadevergoeding ten gevolge van de wanprestatie.

11. De ontbinding van de overeenkomst te laste van een contractspartij heeft niet tot gevolg dat deze partij het recht verbeurt om aanspraak te maken op ver-goeding van de schade die zij heeft geleden wegens de wanprestatie van de wederpartij, ook al heeft zij zelf op grond hiervan niet de ontbinding van de overeen-komst gevorderd.

12. Uit het bestreden arrest blijken de volgende feiten:
- de eiser (hierna: de koper) kocht bij onderhandse overeenkomst van 3 mei 2000 een onroerend goed van de verweerster (hierna: de verkoper);
- de notariële koopakte kon niet worden verleden omdat de verkoper onder meer de nietigheid van de overeenkomst opwierp;
- de koper vorderde daarop in rechte de uitvoering in natura van de over-eenkomst en de veroordeling van de verkoper tot schadevergoeding we-gens laattijdige uitvoering en de verkoper vorderde bij tegeneis de nietig-verklaring van de overeenkomst;
- de appelrechters besloten in hun tussenarrest van 29 november 2010 tot de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst;
- de notariële akte kon niet worden verleden omdat de koper in gebreke bleef de prijs te betalen;
- de koper schrijft deze onmogelijkheid toe aan het jarenlang getreuzel van de verkoper om de notariële akte te verlijden;
- vervolgens vorderde de verkoper krachtens het uitdrukkelijk ontbindende beding in de verkoopovereenkomst van 3 mei 2000 de ontbinding van de overeenkomst en de veroordeling van de koper tot schadevergoeding.

13. In hun tussenarrest van 29 november 2010 oordelen de appelrechters dat de aanhoudende weigering van de verkoper om, ondanks herhaalde ingebrekestellin-gen, medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte te aanzien is als een contractuele wanprestatie en dat de koper principieel gerechtigd is op integrale vergoeding van de schade die hij ingevolge die contractuele wan-prestatie van de verkoper heeft moeten ondergaan of nog moet ondergaan.

In het bestreden eindarrest oordelen de appelrechters dat "de ontbinding van een overeenkomst tot gevolg [heeft] dat het contract moet worden geacht nooit te hebben bestaan. De partijen moeten bijgevolg worden geplaatst in de toestand die zou hebben bestaan mocht er geen contract zijn geweest, dit met terugwerkende kracht. Een verkoopovereenkomst die wordt geacht nooit te hebben bestaan, kan geen grondslag vormen voor de vordering van [de koper] tot toekenning ten laste van [de verkoper] van schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering daarvan. De desbetreffende vordering van [de koper] is bijgevolg ongegrond".

14. De appelrechters die de eiser, op grond van die redenen, het recht ontzeggen om vergoeding van zijn schade te vorderen, schenden de artikelen 1149 en 1184 Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

15. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het recht doet over de vordering tot schadevergoeding en over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


Cassatie 19/02/2016, AR C.15.0205.F

Samenvatting

De toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist, ook in hoger beroep, enkel dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd; het is niet vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering tegen de partij waartegen de oorspronkelijke vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was of reeds impliciet in de oorspronkelijke vordering begrepen was (1). (1) Cass. 29 november 2002, AR C.00.0729.N, AC 2002, nr. 645.

Tekst arrest

Nr. C.15.0205.F
P. L.,
tegen
M. D.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Artikel 807 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden indien de nieuwe, op tegen-spraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aange-voerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

Overeenkomstig artikel 1042 van dat wetboek is artikel 807 van toepassing in ho-ger beroep.

Uit die wetsbepalingen volgt dat voornoemd artikel 807 ook in hoger beroep enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd. Het is niet vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering jegens dezelfde partij waartegen de oorspronkelijke vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was of dat zij reeds virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen was.

Het arrest, dat overweegt dat de nieuwe vordering van de eiser tot terugbetaling van de door de verweerster ontvangen kinderbijslag "niet voor de eerste rechter was ingesteld" en derhalve "niet voor het eerst rechtsgeldig aanhangig kan wor-den gemaakt" bij het hof van beroep, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om die nieuwe vordering onontvankelijk te verklaren.

In zoverre is het onderdeel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de nieuwe vordering van de eiser tot terugbetaling van de kinderbijslag onontvankelijk verklaart.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten en houdt de overige kosten aan tot de feitenrechter hierover uitspraak zal hebben gedaan.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel in openbare terechtzitting van 19 februari 2016

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 21/04/2016 - 18:32
Laatst aangepast op: vr, 26/05/2017 - 13:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.