-A +A

nieuwe conclusietermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een partij die conclusie heeft genomen, mag ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.

Het enkele feit dat een argument of een stuk door een procespartij pas wordt gebruikt op een ogenblik dat de tegenpartij daarop niet meer kan antwoorden, rechtvaardigt evenwel op zich niet de toepassing van art. 748, § 2, Ger.W.; dat kan niet worden beschouwd als “een nieuw en ter zake dienend stuk of feit”.

Nadat de conclusietermijnen definitief zijn vastgelegd en alle partijen hebben geconcludeerd is het mogelijk dat een partij nog een nieuw stuk of feit ontdekt dat van aard is om een invloed te hebben op het geschil.

Mits deze ontdekking plaats vindt binnen de 30 dagen voor de pleitdatum kan er nog een verzoek worden neergelegd tot het bekomen van nieuwe conclusietermijnen, teneinde deze stukken nog in het debat te brengen.
uitreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 748. § 1. In de zaken waarin artikel 735 niet van toepassing is, worden de conclusies neergelegd ter griffie of gezonden aan de tegenpartij na het in artikel 750 bedoelde gezamenlijk verzoek om bepaling van de rechtsdag, ambtshalve uit de debatten geweerd. Dit geldt niet wanneer het conclusies betreft die het verzoek als bedoeld in artikel 808 beogen of die genomen werden met de uitdrukkelijke instemming van de andere partijen.

Dit artikel blijft van toepassing wanneer de rechter, op verzoek van een van de partijen, verdaging tot een bepaalde datum verleent.) <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

§ 2. Een partij die conclusie heeft genomen, mag ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.

Het verzoek wordt gericht aan de rechter door middel van een verzoekschrift waarin het nieuw stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. (De griffier brengt het bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, aan hun advocaat, en bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij.

Deze partijen kunnen, binnen vijftien dagen (na deze verzending) van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.

Binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in het voorgaande lid, doet de rechter uitspraak op stukken door middel van een beschikking.

Indien hij de aanvraag inwilligt, bepaalt hij de termijnen om conclusie te nemen (, of een syntheseconclusie moet worden genomen) en wijzigt zo nodig de rechtsdag. Tegen deze beschikkingen staat geen enkel rechtsmiddel open.

De conclusies die ter griffie zijn neergelegd of aan de andere partij gezonden) na het verstrijken van de termijnen bedoeld in het voorgaande lid, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen.

Mits deze ontdekking plaats vindt binnen de 30 dagen voor de pleitdatum kan er nog een verzoek worden neergelegd tot het bekomen van nieuwe conclusietermijnen, teneinde deze stukken nog in het debat te brengen.
uitreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 748. § 1. In de zaken waarin artikel 735 niet van toepassing is, worden de conclusies neergelegd ter griffie of gezonden aan de tegenpartij na het in artikel 750 bedoelde gezamenlijk verzoek om bepaling van de rechtsdag, ambtshalve uit de debatten geweerd. Dit geldt niet wanneer het conclusies betreft die het verzoek als bedoeld in artikel 808 beogen of die genomen werden met de uitdrukkelijke instemming van de andere partijen.

Dit artikel blijft van toepassing wanneer de rechter, op verzoek van een van de partijen, verdaging tot een bepaalde datum verleent.) <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

§ 2. Een partij die conclusie heeft genomen, mag ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.

Het verzoek wordt gericht aan de rechter door middel van een verzoekschrift waarin het nieuw stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. (De griffier brengt het bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, aan hun advocaat, en bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij.

Deze partijen kunnen, binnen vijftien dagen (na deze verzending) van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.

Binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in het voorgaande lid, doet de rechter uitspraak op stukken door middel van een beschikking.

Indien hij de aanvraag inwilligt, bepaalt hij de termijnen om conclusie te nemen (, of een syntheseconclusie moet worden genomen) en wijzigt zo nodig de rechtsdag. Tegen deze beschikkingen staat geen enkel rechtsmiddel open.

De conclusies die ter griffie zijn neergelegd of aan de andere partij gezonden) na het verstrijken van de termijnen bedoeld in het voorgaande lid, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen.

Aanvullende conclusietermijn op basis van het recht op eerlijk proces
Het verzoek tot het bepalen van bijkomende conclusietermijnen is niet alleen gesteund op artikel 748, § 2 Ger.W., maar ook op het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces. Dit principe kan inderdaad geschonden worden wanneer een pertij een bijkomende conclusietermijn zou worden ontzegd.
 
zie Brussel {20e k.) 27 juni 2017, nr. 2014/ AR/2151, P&B / RDJP 2017/4 – 157
 
Samenvatting
 
Nadat de conclusietermijnen definitief zijn vastgelegd en alle partijen hebben geconcludeerd is het mogelijk dat een partij nog een nieuw stuk of feit ontdekt dat van aard is om een invloed te hebben op het geschil.

Een partij kan nieuwe elementen in een debat brengen die van aard zijn dat zij een wijziging kunnen meebrengen van de eerder ingenomen procedurele standpunten van de partijen. Het niet procedureel toelaten om hierover nieuwe conclusies neer te leggen zou kunnen leiden een procedureel imbroglio, van die aard dat geen eerlijk proces meer mogelijk zou kunnen zijn. Er is geen grond om het conclusierecht van de partijen te beperken wanneer het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt en een totale procedurele chaos (procedureel imboglio), hierdoor kan worden vermeden.

 

 

Nog dit: 

Wanneer de laatste conclusietermijn verstreken is kan een partij ook geen stukken meer neerleggen behoudens met instemming van, de tegenpartij.

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 13 december 2013, RW 2014-2015, 1305, met noot Bart Van Den Bergh, Stukken en conclusies: volmaakte Siamese tweeling?

AR nr. C.12.0133.F

NV S.W.D.A. t/ J.-M. D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 14 oktober 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Eerste middel

Luidens art. 748, § 2, eerste lid Ger.W. mag een partij die conclusie heeft genomen, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt, ten laatste dertig dagen vór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken.

Krachtens art. 740 Ger.W. worden alle memories, nota’s of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd.

Uit die bepalingen volgt dat een partij, in zoverre zij niet meer het recht heeft om conclusie te nemen, behalve met uitdrukkelijke instemming van de andere partijen, geen nieuwe stukken meer mag neerleggen zonder dat de rechter haar daartoe op grond van het voormelde art. 748, § 2, eerste lid een nieuwe termijn heeft toegekend.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende:

– er is een conclusieagenda voor het hof van beroep bepaald met toepassing van art. 747, § 2 Ger.W.;

– de eiseres heeft in een verzoekschrift van 21 april 2010 een nieuwe conclusietermijn gevraagd, omdat de verweerder in zijn laatste conclusie voor het eerst een middel van niet-ontvankelijkheid van haar hoger beroep had aangevoerd, waartegen zij niet met een conclusie had kunnen antwoorden;

– het hof van beroep heeft op de rechtszitting van 21 mei 2010 aan de eiseres toelating verleend om te concluderen met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar hoger beroep en aan de verweerder om hierop te antwoorden, met de vermelding in het proces-verbaal van de rechtszitting, dat “die conclusies uitsluitend het middel van niet-ontvankelijkheid mogen betreffen”;

– de eiseres heeft niet alleen geconcludeerd met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar hoger beroep, maar heeft ook nieuwe stukken betreffende de grond van het geschil voorgelegd, zonder dat haar daartoe toelating was verleend op grond van art. 748, § 2, eerste lid Ger.W.;

– de verweerder heeft verzocht om die nieuwe stukken uit het debat te weren.

Het arrest stelt vast, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat de nieuwe stukken geen verband houden met het middel van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en beslist vervolgens naar recht dat die stukken, aangezien de eiseres daartoe noch de uitdrukkelijke instemming van de verweerder noch de machtiging van de rechter heeft verkregen, met toepassing van art. 748, § 2, eerste lid Ger.W., uit het debat moeten worden geweerd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De beide onderdelen samen

De opdracht die op grond van art. 1592 BW aan een derde wordt gegeven om de verkoopprijs te bepalen, is geen arbitrage die onder de toepassing van art. 1676 e.v. Ger.W. valt.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

De in het arrest aangehaalde overeenkomst van 15 februari 2008 vermeldt dat zowel de verweerder als de eiseres “een vertegenwoordiger hebben aangewezen. Beide aldus aangewezen vertegenwoordigers worden beschouwd als derden in de zin van art. 1592 BW. Zij verbinden zich ertoe om, in de plaats van de partijen, de waarde van het goed te ramen overeenkomstig het voormelde artikel van het Burgerlijk Wetboek”.

Het arrest, dat beslist dat “de twee aangewezen deskundigen niet onafhankelijk dienden te zijn en geen gemeenschappelijke gevolmachtigde waren”, geeft aan die overeenkomst geen uitleg die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent derhalve de bewijskracht van die overeenkomst niet.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Voor het overige schendt het arrest art. 1591 en 1592 BW niet wanneer het op grond van de aldus uitgelegde overeenkomst beslist dat “de verwijzing, in die overeenkomst, naar art. 1592 BW alleen tot doel had overeen te komen dat de prijzen, zo de twee vertegenwoordigers een akkoord bereikten over de vaststelling ervan, de beide partijen zouden binden en definitief zouden zijn”.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

• Rechtbank eerste aanleg Brussel (Nl) 19/04/2016, RW 2016-2017, 1667, met noot

De Republiek T. t/ Vennootschap naar vreemd recht D.H.

...

De gegrondheid van het verzoek

Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat er op de volgende data conclusies neergelegd zijn ter griffie:

– op 15 juni 2015 een eerste conclusie voor (...);

– op 9 september 2015 een eerste conclusie voor (...);

– op 14 december 2015 een tweede conclusie voor (...) (“eerste aanvullende en syntheseconclusie”);

– op 15 februari 2016 een tweede conclusie voor (...) (“syntheseconclusie”);

– op 17 maart 2016 een derde conclusie voor (...) (“tweede aanvullende en syntheseconclusie”).

Eiser voert ter staving van zijn verzoek om nieuwe conclusietermijnen in wezen aan dat verweerster in haar laatste conclusie nieuwe argumenten aanvoert (wat een “verdubbeling in omvang” t.o.v. de vorige conclusie teweeggebracht heeft), waarop hij niet meer heeft kunnen antwoorden, alsook dat zij nieuwe stukken aanwendt, waarop hij nog wenst te repliceren.

Het enkele feit dat een argument of een stuk door een procespartij pas wordt gebruikt op een ogenblik dat de tegenpartij daarop niet meer kan antwoorden, rechtvaardigt evenwel op zich niet de toepassing van art. 748, § 2, Ger.W.; dat kan niet worden beschouwd als “een nieuw en ter zake dienend stuk of feit”.

Een dergelijk gedrag kan, in voorkomend geval, veeleer een deloyale proceshouding uitmaken, maar dat dient op een andere manier te worden beteugeld, bv. door het buiten beschouwing laten van het betrokken stuk of argument. Het debat daarover dient plaats te vinden op de vastgestelde rechtsdag.

Het verzoek is ongegrond.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: zo, 24/06/2018 - 13:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.