-A +A

Niet-concurrentiebeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het beginsel van vrijheid van handel dat volgt uit het Decreet d'Allarde dat in ons positief recht nog steeds van toepassing is, kan beperkt worden, doch deze beperkingen dienen redelijk te zijn en mogen niet tot gevolg hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen (Luik 13 december 2012, TAann. 2013, 324; Gent, 17 september 2008, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2008, 495). De voorwaarden voor de geldigheid van een concurrentiebeding worden getoetst aan een aantal criteria: beperking in de tijd, beperking tot de gebieden waarin de schuldenaar daadwerkelijk zijn activiteiten uitoefende en tot die activiteiten die voldoende nauwkeurig worden opgenomen in het contractueel beding (Luik 13 december 2012, TAann. 2013, 324).

Partijen kunnen in onderling overleg overeenkomen om de concurrentie te beperken.

Een contractuele beperking van de vrijheid van handel en nijverheid mag echter de mogelijkheid van een contractant om in zijn behoorlijk levensonderhoud te voorzien, niet ernstig in gevaar brengen. Een niet-concurrentiebeding moet beperkt zijn wat de aard van de uitgesloten activiteiten (activiteiten die rechtstreeks verband houden met de vroegere activiteiten), in tijd (tijd die men nodig heeft om het cliënteel aan zich te binden) en in ruimte (gebied waarin de activiteiten redelijkerwijze werkelijk concurrerend zouden kunnen zijn).

 

Door een concurrentiebeding wordt aan een werknemer verboden om gedurende een maximale periode van 12 maanden na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij als zelfstandige, hetzij voor een andere werkgever. In ruil zal de werkgever echter wel een vergoeding dienen te betalen van 6 maanden brutoloon.

Wanneer de werknemer dit verbod overtreedt zal hij een schadevergoeding dienen te betalen aan zijn ex-werkgever ten bedrage van 6 maanden brutoloon (inclusief alle voordelen in natura) naast de compenserende concurrentievergoeding (initieel betaald door de ex-werkgever) ten bedrage van 6 maanden brutoloon.

Een concurrentiebeding kan slechts in een arbeidsovereenkomst worden opgenomen mits het bruto jaarloon meer bedraagt dan een bepaald geïndexeerd bedrag. In 2007 was dit 56.187 euro. (bruto maandwedde van ongeveer 4000 €)De loondrempel wordt bepaald in artikel 65 §2 eerste vier alinea's van de arbeidsovereenkomstenwet van 03/07/1978.

Een concurrentiebeding dient ook te voldoen aan inhoudelijke vereisten:

een algemeen concurrentiebeding is ongeldig. Het moet betrekking hebben op soortgelijke activiteiten als deze uitgeoefend tijdens de tewerkstelling.
een concurrentiebeding dient geografisch beperkt zijn tot de plaatsen waar de werknemer de werkgever werkelijk concurrentie kan aandoen, hierbij rekening houdend met de aard van de activiteiten van de werkgever en de actie radius van de werknemer, zonder verder te mogen reiken dan de Belgische landsgrenzen. Bij vage geografische omschrijving draagt de werkgever de bewijslast om aan de hand van concrete stukken de werkelijke territoriale sector van de bediende aan te duiden (Arbrb. Gent 02/12/2002, RABG 2004/5, 291 met noot, De Territoriale werking van het concurrentiebeding van handelsvertegenwoordigers).
het concurrentiebeding moet beperkt zijn in tijd tot maximaal 12 maanden en dient te voorzien in een compenserende betaling van de werkgever aan de werknemer van een vergoeding overeenstemmende met 6 maanden brutoloon.

Wanneer één van deze voorwaarden niet werd nageleefd is het concurrentiebeding ongeldig. Over de aard en de gevolgen van deze nietigheid, zie Cass. 20/01/2003 RABG 2004/5, 275 met noot en Cass. 30/06/2003, RABG 2004/5, 285.  De afwezigheid van een compensatoire vergoeding resulteert in relatieve nietigheid. Wanneer de bediende deze nietigheid niet inroept verschaft dit geen recht op deze vergoeding.

Voor handelsvertegenwoordigers in ondernemingen met internationaal actieterrein of werknemers in researchfunctie zijn er afzonderlijke voorwaarden.

Wanneer een concurrentiebeding niet werd opgenomen in de arbeidsovereenkomst maar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt overeengekomen, maakt deze vergoeding geen loon uit in de zin van de wet op de loonbescherming, noch voor de sociale verzekering, mits de vergoeding niet als verdoken vergoeding voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan worden aanzien (Cass. 22/09/2003 met noot RABG 2004/5, 265).

Het concurrentiebeding strekt weliswaar de belangen van de werkgever te beschermen doch dient uitgelegd in het voordeel van de werknemer. Cass. 30/06/2003, RABG 2004/5, 285.

Het recht op vergoeding van de werkgever is niet onderworpen aan de vereiste dat deze schade heeft geleden door het niet respecteren van het niet-concurrentiebeding. De afstand van het concurrentiebeding is aan geen vormvereisten onderworpen (Cass. 20/10/2003, RABG 2004/5, 298 met noot).

Wie tijdens de werkuren een concurrerende activiteit uitoefent, pleegt een gekwalificeerde loondiefstal, hetgeen ontslag wegens dringende redenen wettigt (Arbrb. Gent 16/12/2002, RABG 2004/5, 307).

Een werknemer, tewerkgesteld met een concurrentiebeding, die zijn werkgever verlaat, heeft steeds recht op de vergoeding, zelfs in het geval hij een tot totaal andere werkzaamheid zou plegen bij zijn nieuwe werkgever.

Wanneer een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst werd ingelast, zonder dat aan de voorwaarden van de geldigheid ervan werd voldaan (omdat bijvoorbeeld het jaarloon van de werknemer te laag was), heeft de ex-werknemer hoedanook recht op de vergoeding. De ongeldigheid van het concurrentiebeding geldt enkel ten aanzien van de werkgever, terwijl de werknemer bij ongeldigheid van het concurrentiebeding de rechten op vergoeding behoud.

Wanneer de werkgever zijn werknemer ontslaat is het concurrentiebeding niet van toepassing. In dit geval kan de werknemer dus wel degelijk bij de concurrentie gaan werken. Bij het ontslag van de werkgever is er dan ook geen compensatoire vergoeding verschuldigd.

De werkgever kan ontsnappen aan de verplichting tot betaling van de compensatoire vergoeding, wanneer hij binnen de 15 dagen na het ontslag van de werknemer in een aangetekende brief afziet van de toepassing van het concurrentiebeding.

 

Rechtsleer

Concurrentie in het arbeidsrecht en procedurekwesties, Noot in RABG 2007/1, 112 van Bruno Lietaet.

Rechtspraak:
 

• Hof van Cassatie 3e Kamer – 11 december 2006, 2007-2008 (71) Pagina : 858
 

uittreksel uit het arrest
I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 februari 2005 gewezen door het Arbeidshof te Brussel.

Luidens art. 15, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden.

Indien de arbeidsovereenkomst een niet-concurrentiebeding bevat, is de verbintenis tot nakoming ervan een gevolg van de arbeidsovereenkomst en is de rechtsvordering waartoe deze verbintenis aanleiding geeft uit de arbeidsovereenkomst ontstaan.

Deze vordering is bijgevolg onderworpen aan de in voormeld art. 15 bedoelde verjaringstermijn, met dien verstande dat de in die bepaling bedoelde eenjarige verjaringstermijn een aanvang neemt bij het verstrijken van de periode tijdens welke het concurrentieverbod van toepassing is en de voormelde verbintenis een einde neemt.

23. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat:

– de arbeidsovereenkomst op 10 augustus 2000 werd beëindigd;

– de verweerder tot een concurrentieverbod was gehouden voor een periode van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst;

– de eiseres haar vordering tot betaling van de niet- concurrentievergoeding heeft ingesteld op 28 juni 2002, dit is binnen het jaar na het einde van de termijn van het concurrentiebeding.

24. Door te oordelen dat de vordering van de eiseres is verjaard omdat zij werd ingesteld buiten de door art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde termijn, schendt het arrest deze wettelijke bepaling.

25. Het middel is in zoverre gegrond.

• Hof van Cassatie 3e Kamer – 11 juni 2007 RW 2007-2008, 1630

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 juni 2006 gewezen door het Arbeidshof te Brussel.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens de artikelen 65, § 2, negende lid, en 86, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft het concurrentiebeding dat aan de bepalingen van art. 65 voldoet, geen uitwerking wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de proefperiode, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of door de werknemer om dringende reden.

2. De bedoeling van deze wetsbepalingen is niet op dwingende wijze de gevallen te beperken waarin een concurrentiebeding geen uitwerking heeft, maar wel uitdrukkelijk voor te schrijven dat in de drie vermelde gevallen het concurrentiebeding alleszins geen uitwerking kan hebben.

Zij verhinderen de partijen bijgevolg niet zelf in gezamenlijk akkoord te bepalen wanneer het concurrentiebeding uitwerking zal hebben, op voorwaarde dat zij niets bedingen dat in strijd is met de voormelde wetsbepalingen.

3. Blijkens de vermeldingen van het arrest hebben de partijen een bediendenovereenkomst gesloten met een concurrentiebeding voor het geval de verweerder als bediende zelf een einde zou maken aan de overeenkomst of de eiseres als werkgever op grond van dringende redenen.

4. Het arrest dat oordeelt dat het concurrentiebeding uitwerking heeft en de eiseres veroordeelt tot betaling van een compensatoire vergoeding ten bedrage van 66.399,76 euro met interest, niettegenstaande de bediendenovereenkomst door de partijen in onderling overleg werd beëindigd, schendt de voormelde als geschonden aangewezen wetsbepalingen.

Het middel is in zoverre gegrond.

 

•ARBEIDSHOF 27 juni 2008 TE GENT A.R. nr. : 249/07 link

...
1. De feiten
De geïntimeerde werd sinds 6 januari 2006 door de appellante als “Director Business Development P.E.” tewerkgesteld met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De appellante is een belangrijke speler op de markt van de beeld- en spraaktechnologie.

Artikel 16 van de geschreven arbeidsovereenkomst luidt als volgt:
“Internationaal concurrentiebeding (voor ondernemingen met internationale activiteiten) Indien de Bediende de onderneming vrijwillig verlaat (overeenkomstig de artikelen 65 en 86 van de Wet van 3 juli 1978), verbindt hij/zij zich ertoe geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als deze die hij/zij uitoefende voor de Werkgever, voor zichzelf of voor een concurrerende onderneming, waardoor hij/zij de mogelijkheid heeft om de onderneming die hij/zij heeft verlaten nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan de onderneming en die hij/zij op industrieel of op handelsgebied in die onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden.

Deze verbintenissen gelden eveneens wanneer de arbeidsovereenkomst door de Werkgever met of zonder dringende reden in hoofde van de Bediende wordt beëindigd, alsook tijdens de proefperiode.

Deze verbintenis, die de Bediende hierbij aangaat, is geldig gedurende 12 maanden na het verlaten van de onderneming en dit voor het volgende grondgebied: lidstaten van de Europese Unie, de Verenigde Staten en Canada.

Behalve wanneer de Werkgever binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de effectieve stopzetting van de overeenkomst of de notificatie van de opzeggingstermijn door de Werkgever van de toepassing van onderhavig beding afziet, zal hij aan de Bediende een forfaitaire en éénmalige compensatoire vergoeding betalen.

De compensatoire vergoeding zal gelijk zijn aan 6 maanden van het laatste brutoloon van de Bediende.

Als de Bediende het concurrentiebeding niet respecteert, dan zal hij/zij aan de Werkgever het bedrag van de vergoeding die de Werkgever hem/haar betaalde in uitvoering van alinea 4 van dit artikel, dienen terug te betalen en de Werkgever een aanvullende vergoeding dienen te betalen die overeenstemt met hetzelfde bedrag.

Deze vergoeding zal betaald worden onverminderd het recht van de onderneming om de integrale vergoeding van de geleden schade te eisen.

De alinea's 1 tot en met 7 van dit artikel vinden geen toepassing indien de Bediende de onderneming verlaat om activiteiten uit te oefenen voor rekening van een andere onderneming die deel uitmaakt van dezelfde groep.”

De geïntimeerde beëindigde de arbeidsovereenkomst bij schrijven van 16 maart
2006. De tekst ervan luidt als volgt:

“Hierbij geef ik U mijn ontslag aan met ingang van vandaag 16 maart. Zoals wettelijkvoorzien geldt een opzeggingsperiode van 7 dagen, die ik zal respecteren indien U nodig acht.
Deze brief werd U tevens aangetekend opgestuurd op 17 maart 2006.”


2. De procedure in eerste aanleg

Bij dagvaarding, betekend op 12 oktober 2006, stelde de geïntimeerde een vordering in tegen de appellante, strekkende tot veroordeling van deze laatste om aan hem te betalen, een compensatoire vergoeding wegens toepassing van het concurrentiebeding van 78.120,69 euro, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intrest. Hij vroeg de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding. Hij vorderde het vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren ondanks elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.

Bij conclusie, op 5 december 2006 neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank, vroeg de appellante dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden. Zij vroeg de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van het geding.

Bij eindvonnis, op 8 juni 2007 op tegenspraak gewezen, werd de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De appellante werd veroordeeld tot het betalen aan de geïntimeerde van de som van 70.432,97 euro als compensatoire vergoeding, te vermeerderen met wettelijke intrest en gerechtelijke intrest. De appellante werd veroordeeld tot het betalen
van de kosten van het geding. Het vonnis werd niet voorlopig uitvoerbaar verklaard.

De eerste rechter was inzonderheid van oordeel:
- dat de vraag rees of de geïntimeerde kennis kon krijgen van praktijken eigen aan de onderneming en waarvan het benutten buiten de onderneming voor deze laatste nadelig kon zijn, voorwaarden opdat het concurrentiebeding in artikel 86, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet geldig zou zijn;
- dat de geïntimeerde had deelgenomen aan belangrijke vergaderingen waarop hij zich zal hebben voorbereid aan de hand van bedrijfseigen informatie en waarop hij bijkomende informatie zal hebben verworven;
- dat de geïntimeerde een topfunctie bekleedde;
- dat het concurrentiebeding volgens de overeenkomst ook al tijdens de proeftijd gold;
- dat de functie van de geïntimeerde vereiste dat hij zelfs tijdens de eerste weken van zijn tewerkstelling een grondige kennis verwierf over de producten en praktijken van de appellante;
- dat de appellante niet bewees dat de geïntimeerde deze kennis niet had verworven;
- dat de appellante geen afstand had gedaan van het geldige concurrentiebeding en dat de geïntimeerde recht had op een compensatoire vergoeding;
- dat het dubbel vakantiegeld geen deel uitmaakte van het loon waarop de compensatoire vergoeding moest berekend worden;
- dat de waarde van het privaat gebruik van de bedrijfswagen, waarmee wél rekening moest gehouden worden, op 350 euro per maand kon bepaald worden, zij het dat de eigen bijdrage van de werknemer hierop in mindering moest worden gebracht.

3. De procedure in hoger beroep

In haar akte van hoger beroep vordert de appellante dat het arbeidshof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren, het bestreden vonnis zou vernietigen en, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering ongegrond zou verklaren.

In zijn conclusie, op 29 oktober 2007 ter griffie neergelegd, vraagt de geïntimeerde dat het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden. Hij stelt incidenteel beroep in en vraagt dat het bestreden vonnis zou vernietigd worden in zoverre het oordeelde dat het vakantiegeld geen deel uitmaakt van de berekeningsbasis van de vergoeding.

Hij vraagt de veroordeling van de appellante tot het betalen van een compensatoire vergoeding van 77.370,69 euro. Hij vraagt de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding.

In zijn conclusie, op 4 april 2008 ter griffie neergelegd, vraagt de appellante subsidiair dat de compensatoire vergoeding op 69.982,97 euro zou bepaald worden, vermeerderd met intrest op het nettobedrag.
De partijen worden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 9 mei 2008.

Zij worden ambtshalve gehoord over de overeenstemming van de stukken 2 en 9 van de geïntimeerde en van stuk 4 van de appellante met de bepalingen van het Nederlands Taaldecreet. Zij worden eveneens ambtshalve gehoord over de vraag of de appellante het recht heeft de nietigheid van het concurrentiebeding op te werpen omwille van het niet voldaan zijn aan de voorwaarden in artikel 86, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet.

4. De grieven van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep

4.1. De appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis.
Zij stelt inzonderheid:

- dat niet voldaan is aan de voorwaarden in artikel 86, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet volgens dewelke een afwijkend concurrentiebeding enkel toegepast kan worden op bedienden die tewerkgesteld zijn aan werken die hen rechtstreeks of onrechtstreeks in staat stellen kennis te verkrijgen van praktijken die eigen zijn aan de onderneming en waarvan het benutten, buiten de onderneming, voor deze laatste nadelig kan zijn, alsook aan deze in artikel 65 van de Arbeidsovereenkomstenwet, volgens dewelke de werknemer een bijzondere kennis op technisch of handelsgebied moet kunnen verwerven;

- dat de clausule in de arbeidsovereenkomst slechts een standaardbeding is dat in de arbeidsovereenkomst van alle werknemers was opgenomen;
- dat de geïntimeerde geen (on)rechtstreekse toegang had tot de praktijken eigen aan de onderneming;
- dat hij niet rechtstreeks met de technologie in aanraking kwam;
- dat zijn taken niet “technologiegericht” waren;
- dat hij ook geen kennis op handelsgebied heeft kunnen verwerven nu hij maar tien weken in dienst is geweest;
- dat, mocht de appellante een compensatoire vergoeding verschuldigd zijn, het privaat gebruik van de bedrijfswagen maar op 275 euro per maand kon worden geraamd.
4.2. Ook de geïntimeerde acht zich gegriefd door het bestreden vonnis. Hij houdt voor dat bij het bepalen van het jaarloon, dienstig voor het berekenen van de compensatoire vergoeding, rekening moet gehouden worden met het dubbel vakantiegeld.

5. Bespreking

5.1. De ontvankelijkheid van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep Het hoofdberoep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk.

Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

5.2. De gegrondheid van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep

5.2.1. De toepassing van de taalwet Het arbeidshof stelt vast dat de geïntimeerde twee in het Engels gestelde stukken overlegt.

Het betreft enerzijds een “Job description. Director Business Development Productivity A. E.” (stuk 2) en anderzijds een schrijven van de appellante aan de geïntimeerde van 4 april 2006 (stuk 9). Stuk 4 van de appellante is dezelfde “Job description”, waarvan de eerste rechter een vertaling in het vonnis opneemt.

Nu de appellante haar exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied had, zijn de bepalingen van het Nederlands Taaldecreet van toepassing. Dit betekent dat de stukken 2 en 9 van de geïntimeerde en 4 van de appellante nietig zijn (art. 10, eerste lid, Nederlands Taaldecreet).

Een vervanging van nietige stukken door geldige Nederlandstalige stukken is enkel mogelijk in de regeling van de Taalwet Bestuurszaken.
De nietigheid kan de geïntimeerde wel geen nadeel berokkenen (art. 10, laatste
lid, Nederlands Taaldecreet).

5.2.2. De geldigheid van het concurrentiebeding

5.2.2.1. Artikel 86, § 2, van de Arbeidsovereenkomstenwet maakt het de partijen mogelijk af te wijken van bepaalde regels met betrekking tot het concurrentiebeding die volgens de artikelen 65 en 86, § 1, van de wet voor alle bedienden gelden, in de vormen en onder de voorwaarden van een nationale cao (meer bepaald de cao nr. 1bis van 21 december 1978 van de Nationale Arbeidsraad tot aanpassing van de cao nr. 1 van 12 februari 1970 betreffende het afwijkingsbeding van niet-mededinging aan de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten), voor de in het tweede lid van artikel 86, § 2, omschreven ondernemingen en voor de in het derde lid van deze bepaling omschreven bedienden.

Het gaat meer bepaald om “de bedienden die zijn tewerkgesteld aan werken die hen rechtstreeks of onrechtstreeks in staat stellen kennis te verkrijgen van praktijken die eigen zijn aan de onderneming en waarvan het benutten, buiten de onderneming, voor deze laatste nadelig kan zijn”.

5.2.2.2. Artikel 65, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat onder concurrentiebeding wordt verstaan, het beding waarbij de werknemer de verbintenis aangaat bij zijn vertrek uit de onderneming geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming, die hij heeft verlaten, nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan die onderneming en die hij op industrieel of op handelsgebied in die onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden.

Deze laatste voorwaarde is een bestaansvoorwaarde van elk concurrentiebeding en geen geldigheidsvoorwaarde. Ook de werkgever heeft het recht op te werpen dat een clausule hieraan niet beantwoordt en bijgevolg als ongeschreven moet beschouwd worden (zie Arbh. Luik 10 december 2001, J.T.T. 2002, 193; Arbh. Luik, afd. Namen 8 januari 2004, J.T.T. 2004, A.R. nr. : 249/07 27 juni 2008 7 331; Arbh. Gent, 27 februari 2008, A.R. nr. 117/07, inz. de huidige appellante/V., onuitg.; MAERTEN, P., en WOUTERS, O., “Concurrentiebeding: overzicht van rechtspraak 2000- 2004”, T.S.R., 2004, 251, nrs. 4 en 5; WANTIEZ, C., Les clauses de non-concurrence et le contrat de travail, Bousval, 2001, nr. 10).

In artikel 86, § 2, laatste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet leest het arbeidshof echter geen bestaansvoorwaarde (vgl. met VAN HOOGENBEMT, H., "De arbeidsovereenkomst en het vermogen van de werknemer", in VAN EECKHOUTTE, W., en RIGAUX, M., (eds.), Sociaal recht: niets dan uitdagingen, Gent, 1996, 254, nr. 484) maar enkel één der geldigheidsvoorwaarden voor een afwijkend beding. Als het om een bestaansvoorwaarde zou gaan, zou het een nutteloze herhaling zijn van artikel 65, § 1, van de wet, dat nochtans toepasselijk blijft (zie inderdaad artikel 86, § 1, van de wet). Deze herhaling zou bovendien verwarrend zijn want de gebruikte bewoordingen zijn niet geheel identiek. Naar het oordeel van dit hof kan de appellante aldus niet opwerpen dat aan de voorwaarden van artikel 86, § 2, laatste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet niet is voldaan.

De geldigheid van het concurrentiebeding die in casu in de arbeidsovereenkomst voorkomt, dient exclusief van uit het oogpunt van artikel 65, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet te worden onderzocht.

De bewijslast van de nietigheid van het beding berust evident bij de appellante.

5.2.2.3. Het begrip “kennis, die eigen is aan die onderneming en die hij op industrieel of op handelsgebied heeft verworden”, moet ruim uitgelegd worden. Het slaat ook op kennis verworven op financieel of administratief gebied, die zou kunnen gebruikt worden om de onderneming op industrieel of commercieel gebied te benadelen (WANTIEZ, C., o.c., nr. 9).
Er moet trouwens op gewezen worden dat artikel 86, § 2, laatste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, eveneens een ruime draagwijdte heeft.

5.2.2.4. De appellante betwist niet dat, wanneer de arbeidsovereenkomst verder uitgevoerd zou zijn geworden, de geïntimeerde, gelet op zijn functie, de voornoemde potentieel nadelige kennis zou hebben verworven.

Gelet op de zeer ruime functieomschrijving (stuk 2 van de geïntimeerde), is dat overigens niet voor betwisting vatbaar. De appellante stelt enkel dat dit in amper twee maanden tewerkstelling nog niet het geval is geweest.

Het arbeidshof is het daarmee niet eens.

Inzonderheid blijkt uit de stukken 11 en 12 van de geïntimeerde dat hij tot driemaal toe in het buitenland klanten heeft bezocht en aanwezig is geweest op beurzen. Hij had daar  niets kunnen doen wanneer hij geen voldoende kennis van de producten van de appellante bezat.

De appellante kan moeilijk betwisten dat de geïntimeerde een grondige briefing kreeg over het bedrijf, inzonderheid bij een bezoek aan de hoofdzetel in de VS doch allicht ook bij de “conferentie” in Keulen waarvan de geïntimeerde gewag maakt.

Gelet op de voorkennis m.b.t. de markt en de (beeld)technologie, die de geïntimeerde in zijn beroepsloopbaan al had verworven, moet hij in staat zijn geweest om zeer snel essentiële kennis over het bedrijf van de appellante te verwerven, meer bepaald over de sterkte en zwakte van haar producten (als hij die al niet van tevoren kende…). Dat hij hiervoor een half jaar tijd nodig zou hebben gehad, zoals de appellante voorhoudt, blijkt uit niets.

Opdat de geïntimeerde potentieel nadelige kennis zou hebben verworven, is het overigens niet vereist dat hij naast de beeldtechnologie, waarmee hij goed vertrouwd was, ook al een diepgaand inzicht in de spraaktechnologie zou hebben verworven. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de kennis die het concurrentiebeding wil afschermen, overigens niet tot loutere technologie mag beperkt worden maar ook op commerciële aangelegenheden kan slaan.

Een inzicht in het (effectieve en potentiële) klantenbestand van de appellante heeft de geïntimeerde op korte tijd zeker kunnen verwerven.

De eerste rechter oordeelde met reden dat het ontwikkelen van de marketingstrategie, het accountmanagement en het opstellen van businessplannen een doorgedreven kennis veronderstelde zowel op technologisch vlak van de producten als van de commerciële strategieën.

Dat de geïntimeerde een deel van zijn taken nog niet heeft kunnen uitvoeren, is juist maar is niet van doorslaggevend belang.

Het concurrentiebeding is volkomen geldig.

Dat het inlassen van het beding in het geval van de geïntimeerde een vergissing zou zijn geweest, zoals de appellante voorhoudt, is zeer ongeloofwaardig. Het is trouwens van geen belang nu de clausule wel degelijk deel uitmaakt van de overeenkomst die de partijen hebben gesloten.
Dat het beding in casu uitwerking kon hebben, staat ten slotte vast.

De appellante heeft ook niet tijdig verzaakt aan de toepassing van het beding (art. 86, § 2, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet).

Zij is aan de geïntimeerde de compensatoire vergoeding vermeld in artikel 16 van de overeenkomst verschuldigd.

5.2.3. De omvang van de compensatoire vergoeding

5.2.3.1. Zoals de eerste rechter heeft aangenomen, oordeelt het arbeidshof dat de compensatoire vergoeding moet berekend wordt op elk “(bruto)loon", zijnde de tegenprestatie van de arbeid die ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt verricht. De beide voordelen kunnen ondergebracht worden onder de term "veranderlijk loon" (vgl. VAN HOOGENBEMT, H., l.c., nr. 497).

Al het loon moet in aanmerking komen, maar dan ook niets anders dan het loon.

Het arbeidshof volgt de geïntimeerde dus niet wanneer hij, in navolging van het arbeidshof te Antwerpen (arrest van 3 februari 1997, R.W., 1996-97, 1444; zie ook C. WANTIEZ, o.c., nr. 28) ook het dubbel vakantiegeld in de berekeningsbasis wil begrijpen.

Dit voordeel is géén loon ofschoon het behoort tot de "voordelen verworven krachtens de overeenkomst", term die in artikel 39, § 1 en artikel 101, laatste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet voorkomt. Bij stilzwijgen van de Arbeidsovereenkomstenwet, die in artikel 65 geen melding maakt van de
voordelen verworven krachtens de overeenkomst, moet aangenomen worden dat de compensatoire vergoeding niet moet berekend worden op die "voordelen verworven krachtens de overeenkomst", d.w.z. op die "voordelen" die géén loon zijn.

Toen de wetgever, - om de leer van het Hof van Cassatie in Cass., 28 april 1986, Arr. Cass., 1985-86, 1157, om te zetten - bij Wet van 17 juli 1985 artikel 101, laatste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet invoerde, zou hij ook artikel 65 hebben gewijzigd wanneer hij van mening was geweest dat deze bepaling even ruim uitgelegd moest worden als artikel 39, § 1, en de nieuwe bepaling. De (aan kritiek onderworpen: zie DE VOS, M., Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Antwerpen, 2001, nr. 227) drang naar een uniforme interpretatie van de bepalingen die de berekeningswijze van de talrijke ontslagvergoedingen vastleggen, mag er niet toe leiden deze interpretatie
vanzelf ook te doen gelden voor voordelen die géén ontslagvergoeding zijn, zoals de compensatoire vergoeding.

5.2.3.2. Voor het overige is er enkel betwisting over de waardering van het voordeel van het privaat gebruik van de bedrijfswagen. De fiscale waardering van het voordeel heeft geen belang, slechts de waarde van het voordeel voor de werknemer zelf – in de vorm van een besparing – komt in aanmerking (DE VOS, M., o.c., nr. 838). De geïntimeerde had de beschikking over een BMW 520 d Touring. De appellante betwist kennelijk niet dat alle kosten die met het privaat gebruik ervan gepaard gingen, voor haar rekening kwamen. De geïntimeerde betaalde wel een eigen bijdrage van 180,86 euro. Het voordeel kan – zoals de eerste rechter dat heeft gedaan – ex aequo et bono bepaald worden op 350 euro per maand en, verminderd met de persoonlijke werknemersbijdrage, op 169,14 euro per maand hetzij op 2.029,68 euro per jaar.

De eerste rechter heeft de hoogte van de compensatoire vergoeding terecht op 70.432,97 euro bepaald.

De hogere beroepen zijn ongegrond.

5.2.4. De intrest

5.2.4.1. Voor het arbeidshof twisten de partijen over de basis van de berekening van de wettelijke en gerechtelijke intrest. Volgens de appellante moet de intrest op het nettobedrag van de compensatoire vergoeding berekend worden, volgens de geïntimeerde op het brutobedrag.

De compensatoire vergoeding is loon in de zin van artikel 10 van de Loonbeschermingswet.

Deze bepaling luidt als volgt:
“Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt.

Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht”.

Artikel 23, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermings wet vermeldt inzonderheid “de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid”.

5.2.4.2. Het huidige artikel 10 van de Loonbeschermingswet werd ingevoerd door artikel 82 van de Wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (BS, 9 augustus 2002).

De nieuwe bepaling is van toepassing sinds 1 juli 2005, zij het slechts op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005 (KB 3 juli 2005, BS 12 juli 2005).

Of het KB van 3 juli 2005 nietig is omdat het niet voorafgaandelijk voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd, zoals de appellante stelt (zie in dezelfde zin, DEPRINCE, O., en DEAR, L., “Intérêts sur rémunération: le net et non pas le brut!”, J.T.T., 2007, 101-108), is zonder belang geworden. De artikelen 69 en 70 van de Wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (BS 16 juni 2008) hebben het KB immers bekrachtigd, en wel vanaf 1 juli 2005.

Nu het recht op loon in casu vanaf 1 juli 2005 is ontstaan, dient de intrest op het brutobedrag van de compensatoire vergoeding te worden berekend.

Tot vóór de invoering van het nieuwe artikel 10 van de Loonbeschermingswet was een quasi-unanieme rechtspraak (zie inzonderheid nog Cass., 7 april 2003, J.T.T., 2003, 320) en rechtsleer van mening dat de intrest op het nettobedrag moest worden berekend.

De werknemer heeft inderdaad geen recht om de door de werkgever in te houden bedrijfsvoorheffing en socialezekerheidsbijdrage van de werknemer van die werkgever te ontvangen.

5.2.4.3. Het arbeidshof werpt evenwel ambtshalve de vraag op of de huidige bepaling van artikel 10 van de Loonbeschermingswet niet in strijd is met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Deze bepaling zou de voornoemde artikelen op een dubbele wijze kunnen schenden, enerzijds door de werkgever te benadelen ten overstaan van andere schuldenaars, anderzijds door de werknemer te bevoordelen ten overstaan van andere schuldeisers.

De schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de uitvoering van een verbintenis die betrekking heeft op het betalen van een geldsom, bestaat in verwijlintrest (art. 1153, eerste lid, B.W.). Die intrest is verschuldigd vanaf de datum van de aanmaning, uitzonderlijk – zoals voor het loon in de zin van artikel 10 van de Loonbeschermingswet - reeds vanaf de datum van opeisbaarheid van de geldsom. Steeds wordt de intrest echter berekend op het bedrag van de geldsom dat de schuldeiser van de schuldenaar kan vorderen. Welnu, wat het loon betreft, is de toestand anders. Ofschoon de werknemer geen recht heeft om het deel van het loon van zijn werkgever op te eisen dat overeenstemt met het bedrag van de RSZ-bijdragen (art. 23, § 1, van de RSZ-Wet) en de bedrijfsvoorheffing (art. 270, 272 en 273 WIB 1992), kan hij volgens artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, toch de betaling van intrest op dit deel vorderen. Er is ogenschijnlijk geen redelijke verantwoording voor het onderscheid dat de wet maakt tussen de schuldeiser van een loonschuld enerzijds en de schuldeiser van welke andere schuld dan ook anderzijds.

Ook de schuldenaar van het loon, de werkgever, wordt anders behandeld dan de schuldenaar van andere schulden dan loonschulden. Vooreerst is hij bij vertraging in de uitvoering van zijn verbintenis, aan de werknemer intrest verschuldigd op het gehele loon, dus ook op dat deel ervan dat overeenstemt met de in te houden RSZ-bijdragen van de werknemer en met de bedrijfsvoorheffing. Bovendien is hij aan de derden die het recht hebben de betaling van die RSZ-bijdragen en die bedrijfsvoorheffing van hem te vorderen en die, in tegenstelling tot de werknemer, dienaangaande wél over een opeisbare schuldvordering beschikken, zijnde de RSZ en de Belgische Staat, in geval van vertraging in de uitvoering van zijn verbintenis, op dat deel van het loon dat overeenstemt met de in te houden RSZbijdragen en met de bedrijfsvoorheffing, nogmaals intrest verschuldigd, ditmaal overeenkomstig artikel 28, § 1, van de RSZ-wet en artikel 414 van het WIB 1992. Andere schuldenaars daarentegen kunnen op een zelfde deel van een schuld maar éénmaal intrest verschuldigd zijn, en wel enkel aan diegene die met betrekking tot dat deel over een opeisbare schuldvordering beschikt.

Het arbeidshof stelt aan het Grondwettelijk Hof dan ook de vraag, hieronder in het beschikkend gedeelte omschreven.
* * *
HET ARBEIDSHOF,
Gelet op de bovenstaande gronden
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid
op artikel 24.
Recht doende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpende.
Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Gent, vierde kamer, d.d. 8 juni 2007 (A.R. nr. 176.286/06), in al zijn beschikkingen.
Alvorens te beslissen over de vraag of de wettelijke intrest dient te worden berekend op het brutobedrag dan wel op het nettobedrag van de veroordeling, stelt aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag:
"Schendt artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, enerzijds, doordat de werknemer, die het deel van het loon dat overeenstemt met het bedrag van de in te houden RSZ-bijdragen en bedrijfsvoorheffing, niet kan opeisen van de werkgever, in geval van vertraging bij de betaling van het loon, ten laste van de werkgever toch recht heeft op de betaling van verwijlintrest op dat deel, terwijl elke andere schuldeiser in geval van vertraging in de uitvoering van een verbintenis die betrekking heeft op het betalen van een geldsom, bij wijze van schadevergoeding slechts recht heeft op verwijlintrest berekend op de geldsom die hij zelf van zijn schuldenaar kan opeisen,


 Wetgeving

Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
Art. 65

§ 1 Onder concurrentiebeding wordt verstaan het beding waarbij de werkman de verbintenis aangaat bij zijn vertrek uit de onderneming geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming, die hij heeft verlaten, nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan die onderneming en die hij op industrieel of op handelsgebied in die onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden.

§ 2 Het concurrentiebeding wordt als niet-bestaande beschouwd in de arbeidsovereenkomsten waarin het jaarloon [16.100 EUR]² niet overschrijdt.
Wanneer het jaarloon tussen [16.100 EUR]² en [32.200 EUR]² ligt, mag het beding enkel worden toegepast op categorieën van functies of op functies die bij een in paritair comité of paritair subcomité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst zijn bepaald. Bij ontstentenis van een bij vorengenoemde paritaire organen gesloten overeenkomst, hetzij omdat die organen niet werken, hetzij omdat zij niet tot een akkoord konden komen en na mislukking van de verzoeningsprocedure, mogen de categorieën van functies of de functies worden aangeduid op ondernemingsniveau en op initiatief van de meest gerede partij bij akkoord tussen de werkgever en de representatieve werknemersorganisaties.

Bij blijvend meningsverschil tussen de werkgever en de representatieve werknemersorganisaties, kan de meest gerede partij het advies inwinnen van de commissie van goede diensten, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 februari 1970 betreffende het afwijkingsbeding van niet-mededinging.
Wanneer het jaarloon [32.200 EUR]² overschrijdt, kan het concurrentiebeding rechtsgeldig in de arbeidsovereenkomsten worden ingeschreven, behalve voor de categorieën van functies of voor de functies die bij een in paritair comité of paritair subcomité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten. Bij ontstentenis van bij vorengenoemde paritaire organen gesloten overeenkomst en na mislukking van de verzoeningsprocedure, kunnen deze categorieën van functies of deze functies worden vastgesteld op ondernemingsniveau volgens de in § 2, tweede en derde lid, van onderhavig artikel bepaalde procedure.

De geldigheid van elk concurrentiebeding is bovendien ondergeschikt aan de navolgende voorwaarden:

het moet betrekking hebben op soortgelijke activiteiten;
het moet geografisch worden beperkt tot de plaatsen waar de werkman de werkgever werkelijk concurrentie kan aandoen, gelet op de aard van de onderneming en haar actieradius. Het mag niet verder reiken dan 's lands grondgebied;
het mag niet langer lopen dan twaalf maanden vanaf de dag dat de dienstbetrekking een einde heeft genomen;
het moet voorzien in de betaling van een enige en forfaitaire compensatoire vergoeding door de werkgever, tenzij hij binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding.
Het minimumbedrag van die vergoeding is gelijk aan de helft van het brutoloon van de werkman dat overeenstemt met de toepassingsduur van het beding. De basis van dat bedrag wordt gevormd door het brutoloon dat de werkman heeft ontvangen gedurende de maand voorafgaand aan de dag waarop de dienstbetrekking een einde heeft genomen.

Voor de werklieden met een geheel of gedeeltelijk veranderlijk loon wordt dat bedrag voor het veranderlijke gedeelte berekend op het gemiddelde brutoloon van de twaalf maanden die de dag van de beëindiging van de overeenkomst voorafgaan.
Het beding moet, op straffe van nietigheid, worden vastgelegd in een geschrift dat de toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde voorwaarden bepaalt. De paritaire comités of de paritaire subcomités kunnen deze modaliteiten nader bepalen in het licht van de voorwaarden die eigen zijn aan hun bedrijfstak.

Het beding dat aan de bepalingen van onderhavig artikel voldoet, heeft geen uitwerking wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de proefperiode, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of door de werkman om dringende reden.

Indien de werkman het concurrentiebeding overtreedt, is hij ertoe gehouden aan de werkgever het bedrag terug te storten dat deze laatste ter toepassing van het in § 2, vijfde lid, 4°, van onderhavig artikel neergelegde beginsel heeft uitgekeerd en hij zal hem daarenboven een gelijkwaardig bedrag moeten betalen. Op verzoek van de werkman kan de rechter evenwel het bedrag van de conventioneel vastgestelde vergoeding verminderen, inzonderheid rekening houdend met de veroorzaakte schade en met de werkelijke duur van de periode tijdens welke het beding werd nagekomen. De rechter kan eveneens, op verzoek van de werkgever, een hogere schadeloosstelling toewijzen, onder de verplichting het bewijs te leveren van het bestaan en de omvang van de schade.

Aanpassing van de bedragen:
–vanaf 1 januari 1986:
respectievelijk 676.000 F en 1.351.000 F (B.S., 13 december 1985);
–vanaf 1 januari 1987:
respectievelijk 677.000 F en 1.354.000 F (B.S., 26 november 1985);
–vanaf 1 januari 1988:
respectievelijk 684.000 F en 1.368.000 F (B.S., 27 november 1987);
–vanaf 1 januari 1989:
respectievelijk 699.000 F en 1.397.000 F (B.S., 2 december 1988);
–vanaf 1 januari 1990:
respectievelijk 735.000 F en 1.470.000 F (B.S., 28 november 1989);
–vanaf 1 januari 1991:
respectievelijk 766.000 F en 1.532.000 F (B.S., 27 oktober 1990);
–vanaf 1 januari 1992:
respectievelijk 796.000 F en 1.675.000 (B.S., 26 november 1991);
–vanaf 1 januari 1993:
respectievelijk 838.000 F en 1.728.000 F (B.S., 3 december 1992);
–vanaf 1 januari 1994:
respectievelijk 864.000 F en 1.728.000 F (B.S., 28 oktober 1993);
–vanaf 1 januari 1995:
respectievelijk 889.000 F en 1.777.000 F (B.S., 23 november 1994);
–vanaf 1 januari 1996:
respectievelijk 896.000 F en 1.792.000 F (B.S., 1 november 1995);
–vanaf 1 januari 1997:
respectievelijk 911.000 F en 1.822.000 F (B.S., 24 oktober 1996);
–vanaf 1 januari 1998:
respectievelijk 928.000 F en 1.855.000 F (B.S., 31 oktober 1997);
–vanaf 1 januari 1999:
respectievelijk 947.000 F en 1.893.000 F (B.S., 14 november 1998);
–vanaf 1 januari 2000:
respectievelijk 956.000 F en 1.912.000 F (B.S., 19 oktober 1999);
–vanaf 1 januari 2001:
respectievelijk 988.000 BEF (24.491,88 euro) en 1.976.000 BEF (48.983,76 euro) (B.S., 2 december 2000 (eerste uitg.));
–vanaf 1 januari 2002:
respectievelijk 25.277 euro en 50.554 euro (B.S., 30 oktober 2001 (tweede uitg.));
–vanaf 1 januari 2003:
respectievelijk 25.921 euro en 51.842 euro (B.S., 7 november 2002 (tweede uitg.));
–vanaf 1 januari 2004:
respectievelijk 26.418 euro en 52.836 euro (B.S., 28 november 2003 (tweede uitg.));
–vanaf 1 januari 2005:
respectievelijk 26.912 euro en 53.825 euro (B.S., 10 december 2004);
–vanaf 1 januari 2006:
respectievelijk 27.597 euro en 55.193 euro (B.S., 2 december 2005 (eerste uitg.));
–vanaf 1 januari 2007:
respectievelijk 28.093 euro en 56.187 euro (B.S., 7 december 2006 (tweede uitg.));
–vanaf 1 januari 2008:
respectievelijk 28.580 euro en 57.162 euro (B.S., 30 november 2007 (derde uitg.));
–vanaf 1 januari 2009:
respectievelijk 29.729 euro en 59.460 euro (B.S., 12 november 2008);
–vanaf 1 januari 2010:
respectievelijk 30.327 euro en 60.654 euro (BS 27 oktober 2009, err., BS 9 december 2009);
–vanaf 1 januari 2011:
respectievelijk 30.535 euro en 61.071 euro (BS 12 november 2010 (ed. 2)).

Rechtspraak:

• Cass., 14 mei 1990 De art. 65 en 86 W.A.O. die het concurrentiebeding betreffen, zijn bepalingen van politie in de zin van art. 3 B.W.

• Cass., 2 mei 1988, J.T.T., 1988, 281 art. 65 en 86 zijn niet van openbare orde, hierdoor is de nietigheid waardoor het niet-concurrentiebeding ter zake aangetast is, niet absoluut. Alleen de bediende kan zich op deze nietigheid beroepen

• Cass., 3 februari 1971, T.S.R., 1971, 13, met noot; Pas., 1971, I, 511; J.T.T., 1971, 234
De rechter kan geen beperkte uitwerking verlenen aan een niet-mededingingsbeding dat hij ten dele ongeoorloofd acht

• Cass., 7 mei 1984, J.T.T., 1984, 362 De geldigheid van het concurrentiebeding alsmede de gevolgen van de miskenning ervan moeten beoordeeld worden overeenkomstig het loon dat verschuldigd is de dag waarop de arbeidsovereenkomst een einde neemt.

Rechtsleer:

• MERGITS, B., DENOODT, W., De gevolgen van het ontslag voor de ontslagene: Concurrentiebeding,  - 01/08/2010 - Bijdragen in boek - In: X., Aanwerven. Tewerkstellen. Ontslaan. - Ontslaan, O.702-10

• HERMAN, J., Het concurrentiebeding: tien jaar rechtspraak, Or. 2001, 227-239.

• WOUTERS, O., MAERTEN, P., Concurrentiebeding: overzicht van rechtspraak 2000-2004, TSR 2004, afl. 2, 255-301.

• DEMEDTS, M., Afzien van het concurrentiebeding: duidelijkheid gewenst alvorens het te laat is, RABG 2004, afl. 5, 305-307.
 

 

Nog dit: 

Hof van beroep Gent, 7e k., 23 oktober 2017, D.A.O.R. 2018/1–2 – n° 125-126 – 95

AR: 2015/ AR/239

Over de nietigheid van een niet-concurrentiebeding dient eerst te worden geoordeeld, vooraleer desgevallend tot een beperking van het nietig niet-concurrentiebeding kan worden besloten.

De geldigheid van een niet-concurrentiebeding vereist een voldoende omschrijving van de verboden activiteiten waarop het beding slaat. Hierbij dient rekjening gehouden niet alleen met de libellering van de clausule, maar ook met het voorwerp van de overeenkomst.

Wanneer een persoon op wie de niet-concurrentieverplichting weegt reeds lang voor de schuldeiser van het beding werkzaam was moet de schuldeiser van het beding in staat zijn om het cliënteel aan zich te binden.

Korte tewerkstellingen kunnen aldus een kortere niet-concuerentieperiode legitimeren dan langere. Hoe langer de twerkstelling hoe langer een niet-concurrnetiebeding kan duren.

(A Audit BVBA t. C.D., A Associatie BVBA en AA CVBA)

( ... )



Feiten en procedure in eerste aanleg

2. Wat de relevante feiten betreft, vermeldt het hof- samenvattend - dat de voorliggende betwisting hoofdzakelijk teruggaat op:

- een tussen appellante en de burgerlijke vennootschap onder de vorm van een BVBA Account op 12.08.2010 afgesloten overeenkomst betreffende de verkoop van cliënteel, welke overeenkomst door tweede geïntimeerde tevens werd ondertekend: 'voor kennisname en uitvoering van de overeenkomst de heer D. C. persoonlijk",

- een tussen appellante en tweede geïntimeerde op 29 maart 2012 afgesloten samenwerkingsovereenkomst, welke overeenkomst mede werd ondertekend door eerste geïntimeerde die zich uitdrukkelijk in persoonlijke naam verbond voor uitvoering van deze overeenkomst.

Beide voormelde overeenkomsten bevatten een niet-concurrentiebeding, waarbij niet alleen de BVBA ACCOUNT en de BVBA A. ASSOCIATIE (tweede geïntimeerde), maar tevens de heer D. (eerste geïntimeerde) zich verbonden.

Nadat eerste en tweede geïntimeerde de voormelde samenwerkingsovereenkomst met een schrijven van 16 november 2012 beëindigden, met in achtneming van de voorziene opzegtermijn, werd deze samenwerking in onderling overleg effectief beëindigd met ingang van 28 december 2012.

3. In de oorspronkelijke dagvaarding zette appellante uiteen dat zij na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst met een belangrijk cliënteelverloop naar derde geïntimeerde geconfronteerd werd, hetgeen zij toeschreef aan een actieve benadering en afwerving door eerste geïntimeerde ten voordele van derde geïntimeerde, die appellante als derde medeplichtige aan deze afwerving aanwees.

Zij vorderde toepassing van het in de samenwerkingsovereenkomst voorziene niet-concurrentiebeding waarbij een forfaitaire schadevergoeding van 10 000,00 EUR per overtreding werd vastgesteld. Minstens achtte zij geïntimeerden ook aansprakelijk op basis van artikel 1382 B.W. wegens de naar haar oordeel vaststaande oneerlijk marktpraktijken waaraan geïntimeerden, alsook de BVBA ACCOUNT, zich hadden bezondigd.

Op basis van een voorgehouden verloop van 159 klanten vorderde appellante voor de eerste rechter dan ook om geïntimeerden, alsook de BVBA ACCOUNT, hoofdelijk, minstens in solidum, ondeelbaar en elk voor het geheel, te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1 590 000,00 EUR in hoofdsom, meer de vergoedende intresten vanaf de dagvaarding, en meer de gedingkosten.

4. Geïntimeerden en de BVBA ACCOUNT betwistten vooreerst de rechtsmacht van de eerste rechter, op basis van het in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen arbitragebeding.

Zij vorderden verder de afwijzing van de vordering van appellante, ondergeschikt de matiging van de gevorderde bedragen.

Bij tegeneis vorderde tweede geïntimeerde ook de veroordeling van appellante tot betaling van onbetaald gebleven ereloonstaten voor een bedrag van 8 503,82 EUR, meer de intresten en de invorderingskosten.

Tenslotte vorderden geïntimeerden en de BVBA ACCOUNT - deze laatste blijkens laatst neergelegde conclusies ontbonden en vereffend op 31 maart 2014 - de veroordeling van appellante tot betaling van de gedingkosten.

( ... )

6. Het bestreden vonnis oordeelde vooreerst wel degelijk over rechtsmacht te beschikken om kennis te nemen van de voorliggende betwisting en vorderingen.

Verder werd de hoofdvordering van appellante ontvankelijk maar niet gegrond verklaard,

De tegenvordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard en appellante werd veroordeeld om aan geïntimeerden een bedrag te betalen van 8 503,82 EUR, meer de intresten en de invorderingskosten.

Tenslotte werd appellante tevens in de gedingkosten verwezen.

( ... )

Beoordeling

8. De overblijvende hoofdbetwisting tussen partijen betreft de vraag of de concurrentiebeperkende bedingen zoals opgenomen in de 12.08.2010 en 29.03.2012 tot stand gekomen overeenkomsten, de grenzen van het geoorloofde al dan niet overschrijden en of deze bedingen, voor zover deze nietig mochten worden bevonden, al dan niet voor matiging vatbaar zijn.

9. Het in artikel 8 van de overeenkomst van 12.08.2010 opgenomen niet-concurrentiebeding luidt als volgt:

"Artikel 8: NIET-CONCURRENTIEBEDING

Met deze overeenkomst verbinden de verkoopster, haar aangestelden, haar Vennoten, haar zaakvoerders, de heer D.C.,A. Associatie, familieleden in de eerste graad of via vennootschappen waarin ze een belang hebben of via tussenpersonen zowel natuurlijke als rechtspersonen, geen enkele rechtstreekse of onrechtstreekse, gelijke of soortgelijke handelingen te zullen uitoefenen m.b.t. de activiteiten zoals omschreven in deze overeenkomst gedurende een periode van 5 jaar vanaf de Overdrachtsdatum en binnen het Vlaamse gedeelte van België.

Bij niet naleving van voormeld artikel is de Verkoopster, A. Associatie en de heer D.C. solidair, de ene bij gebreke aan de andere, gehouden tot het betalen aan de Opdrachtgeefster van een forfaitaire schadevergoeding van 5.000 euro per overtreding, onverminderd de bewezen meerschade."

10. Het in artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding luidt als volgt:

"10. Niet-concurrentiebeding

Partij B verbindt er zich toe dat zijzelf, haar aangestelden, haar vennoten, haar zaakvoerders, hun echtgenoten, familieleden in de eerste graad of via vennootschappen waarin ze een belang hebben of via tussenpersonen zowel natuurlijke als rechtspersonen, geen enkele rechtstreekse of onrechtstreekse, gelijke of soortgelijke handelingen te zullen stellen die betrekking heeft op het cliënteel van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen gedurende een periode van drie jaar vanaf de stopzetting van deze overeenkomst.

Evenzeer zal partij B er zich toe onthouden dat zijzelf, haar aangestelden, haar vennoten, haar zaakvoerders, hun echtgenoten, familieleden in de eerste graad of via vennootschappen waarin ze een belang hebben of via tussenpersonen zowel natuurlijke als rechtspersonen, klanten, personeel of medewerkers van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen af te werven of ze ertoe aan te zetten om het contract te beëindigen of de voorwaarden van hun contracten te verzwaren, waardoor de belangen van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen worden geschaad.

Bij niet naleving van voormeld artikel is partij B, haar vennoten en zaakvoerders solidair, de ene bij gebreke van de andere, gehouden tot het betalen van een forfaitaire schadevergoeding 10.000 euro per overtreding, per klant en per overtredende partij, onverminderd de bewezen meerschade in hoofde van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen."

11. Elk van de voormelde overeenkomsten bevat ook de volgende bepaling:

"Eventuele nietigheid

Ingeval een clausule of een bepaling van deze overeenkomst nietig wordt verklaard, zal deze nietigheid geen invloed hebben op de andere clausules of bepalingen van deze overeenkomst."

12. Met haar in hoofd- en ondergeschikte orde geformuleerde vordering vordert appellante de toepassing van het in de overeenkomst van 29.03.2012 opgenomen niet-concurrentiebeding.

Het is pas met de nog in meer ondergeschikte orde geformuleerde vordering dat appellante toepassing vordert van het in de overeenkomst van 12.08.2010 niet-concurrentiebeding.

Het hof gaat dan ook eerst in op de in hoofd- en ondergeschikte geformuleerde vordering die op het voormelde in de overeenkomst van 29.03.2012 opgenomen niet- concurrentiebeding gebaseerd is.

13. Vooreerst bestaat tussen partijen in hoger beroep nog steeds betwisting over de al dan niet geldigheid van het hiervoor onder randnr. 10 vermelde niet-concurrentiebeding. Het kader waarbinnen deze betwisting dient te worden beoordeeld, werd door de eerste rechter als volgt omschreven:

"Het beginsel van vrijheid van handel dat volgt uit het Decreet d'Allarde dat in ons positief recht nog steeds van toepassing is, kan beperkt worden, doch deze beperkingen dienen redelijk te zijn en mogen niet tot gevolg hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen (Luik 13 december 2012, TAann. 2013, 324; Gent, 17 september 2008, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2008, 495). De voorwaarden voor de geldigheid van een concurrentiebeding worden getoetst aan een aantal criteria: beperking in de tijd, beperking tot de gebieden waarin de schuldenaar daadwerkelijk zijn activiteiten uitoefende en tot die activiteiten die voldoende nauwkeurig worden opgenomen in het contractueel beding (Luik 13 december 2012, TAann. 2013, 324).

Partijen kunnen in onderling overleg overeenkomen om de concurrentie te beperken. Een contractuele beperking van de vrijheid van handel en nijverheid mag echter de mogelijkheid van een contractant om in zijn behoorlijk levensonderhoud te voorzien, niet ernstig in gevaar brengen. Een niet-concurrentiebeding moet beperkt zijn wat de aard van de uitgesloten activiteiten (activiteiten die rechtstreeks verband houden met de vroegere activiteiten), in tijd (tijd die men nodig heeft om het cliënteel aan zich te binden) en in ruimte (gebied waarin de activiteiten redelijkerwijze werkelijk concurrerend zouden kunnen zijn).

In de mate waarin, zoals [geïntimeerden} voorhouden, de concurrentiebedingen in de beide overeenkomsten ongeldig en nietig zouden zijn, dienen zij aan de voormelde criteria te worden getoetst."

Het hof treedt de eerste rechter in voormelde overwegingen bij en stelt vast dat ook partijen het eens zijn over het voormelde kader waarbinnen hun betwisting dient te worden beslecht.

Het feit dat het principe van de vrijheid van handel en nijverheid uit het Decreet D'Allarde inmiddels werd opgenomen in artikel 11.3 van het WER en ook de tijdens de beroepsprocedure gewezen cassatiearresten van 23 januari en 25 juni 2015, doen geen afbreuk aan het hier geschetste beoordelingskader.

Immers dient eerst te worden geoordeeld over de nietigheid van het concurrentiebeding, vooraleer desgevallend, in toepassing van de voormelde cassatierechtspraak, tot een reductie van het nietig concurrentiebeding kan worden besloten.

13. 1. Geïntimeerden zijn vooreerst van oordeel dat het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding niet voorziet in enige beperking wat de aard van de uitgesloten activiteiten betreft, nu het enkel melding maakt van een niet nader omschreven of gespecificeerde 'rechtstreekse of onrechtstreekse handeling', en verder ook het cliënteel van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen op geen enkele manier wordt omschreven of gepreciseerd.

In een volledige lezing verbiedt het niet-concurrentiebeding elke rechtstreekse of onrechtstreekse handeling die betrekking heeft op het cliënteel van A. of één van de tot de A. Group behorende vennootschappen.

Aldus gelibelleerd, en tevens rekening houdend met de vaststelling dat de samenwerkingsovereenkomst waarin het is opgenomen betrekking heeft op de beroepsactiviteit van tweede geïntimeerde als zelfstandig accountant-belastingconsulent (zie artikel 2), is dit concurrentiebeding naar het oordeel van het hof wel degelijk beperkt tot de activiteiten die rechtstreeks verband houden met de voorheen uitgeoefende activiteiten, met name tot de diensten van boekhoudkundig en/of fiscaal advies dat aan het door appellante bediende cliënteel werd verstrekt.

De bewering van eerste en tweede geïntimeerde dat het clienteel op geen enkele manier wordt omschreven of gepreciseerd is correct, maar niet van aard om enige afbreuk te doen aan de voormelde vaststelling dat het ter discussie staand niet-concurrentiebeding wel degelijk verband houdt met en beperkt blijft tot de voorheen uitgeoefende activiteiten.

De bewering van eerste en tweede geïntimeerde dat zij niet in staat zijn/waren het cliënteel te kennen, mist daarenboven overtuigingskracht.

Zoals eerste en tweede geïntimeerde het in conclusies zelf aangeven, waren zij vààr het afsluiten van de samenwerkingsovereenkomst immers reeds 8 jaar op voltijdse basis werkzaam voor appellante.

Aldus voldoet het beding wel degelijk aan de vereiste beperking wat de uitgesloten activiteiten betreft.

13.2. Verder argumenteren geïntimeerden dat het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding niet voldoende beperkt is in de tijd nu de daarin voorziene termijn van drie jaar in ruime mate de tijd overtreft die nodig is om het cliënteel aan zich te binden en aldus als manifest overdreven voorkomt.

Waar eerste en tweede geïntimeerde op het ogenblik van het afsluiten van de samenwerkingsovereenkomst reeds 8 jaar voor appellante werkzaam was en bekend en vertrouwd was met het cliënteel van appellante, is evident een langere duurtijd vereist om, in het geval van een stopzetting van de samenwerkingsovereenkomst, appellante toe te laten het cliënteel aan zich te binden.

Eerste en tweede geïntimeerden verwijzen dan ook ten onrechte naar de beperkte tijd gedurende dewelke de samenwerkingsovereenkomst uitwerking had, om op grond daarvan de beweerdelijk manifest overdreven duur van het niet-concurrentieverbod in de verf te zetten en op basis van de hier niet toepasselijke wet op de arbeidsovereenkomsten een maximale duur van één jaar voorop te stellen.

Het hier op een duur van drie jaar vastgesteld concurrentieverbod is naar het oordeel van het hof dan ook voldoende beperkt in de tijd.

De mediaan van de gebruikelijke duur is overigens drie jaar (zie B. BELLEN en F. WIJCKMANS, De nieuwe Belgische M&A-index, TRV 2013, (211-232), 228).

Aldus voldoet het ter discussie staand niet-concurrentiebeding wel degelijk aan de vereiste beperking in de tijd.

13.3. Met geïntimeerden en de eerste rechter dient ook het hof vast te stellen dat het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding geen geografische omschrijving bevat waarbinnen het zou gelden.

Vraag blijft evenwel of de afwezigheid van deze geografische beperking hier van aard is om tot de nietigheid van het ter discussie staand niet-concurrentiebeding te besluiten.

Gelet op wat voorafgaat is de vereiste van een geografische of ruimtelijke beperking van een niet-concurrentiebeding immers gebaseerd op de onderliggende gedachte dat een niet- concurrentiebeding niet tot gevolg mag hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen en/of zijn mogelijkheid om in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien ernstig in het gevaar wordt gebracht. Anders geformuleerd stelt zich de vraag of de afwezigheid van een geografische beperking hier een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid inhoudt, en derhalve tot de nietigheid van het niet-concurrentiebeding kan leiden.

Nalezing van het ter discussie staand niet-concurrentiebeding noopt tot de vaststelling dit beding eerste en tweede geïntimeerden geenszins verhindert om hun activiteiten als accountant-belastingconsulent te blijven uitoefenen en zich in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien.

De enige beperking, namelijk dat zij gedurende een periode van drie jaar geen dergelijke diensten aan het door appellante bediende cliënteel mogen verstrekken, is niet van aard om aan voormelde vaststelling enige afbreuk te doen.

Zoals appellante terecht opmerkt, is de markt immers niet beperkt tot het door haar bediende cliënteel, maar zijn er tal van andere potentiële klanten die zich in het economisch verkeer bevinden of zich daarin begeven en die nood hebben aan bijstand/dienstverlening op boekhoudkundig en fiscaal vlak.

Samenvattend is het hof van oordeel dat de enkele vaststelling dat het ter discussie staand niet-concurrentiebeding geen geografische beperking bevat, hier niet toelaat om te besluiten dat deze afwezigheid van geografische beperking

een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid van eerste en tweede geïntimeerden uitmaakt, noch hen verhindert om in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien.

De afwezigheid van een geografische beperking kan hier de nietigverklaring van het niet- concurrentiebeding dan ook niet verantwoorden.

Zelfs zonder uitdrukkelijke geografische beperking is het normdoel van de vereiste beperkingen aan een niet-concurrentiebeding hier immers bereikt.

13.4. Gelet op wat voorafgaat is het hof, anders dan de eerste rechter, van oordeel dat er geen redenen zijn om het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding nietig te verklaren.

Waar aldus geen nietigheid wordt weerhouden, gaat het hof dan ook niet verder in op de door partijen nog ontwikkelde middelen en argumentatie met betrekking tot het al dan niet bestaan van de mogelijkheid tot reductie of matiging van een nietig niet-concurrentiebeding, waarbij wordt verwezen naar de in de loop van de beroepsprocedure door het Hof van Cassatie op 23 januari en 25 juni 2015 gewezen arresten.

14. Aan de hand van de voorliggende objectieve gegevens dringt zich de verdere vaststelling op dat eerste en tweede geïntimeerden het in de overeenkomst van 29 maart 2012 opgenomen niet-concurrentiebeding hebben geschonden.

( ... )

17. De eerste rechter heeft bij gebrek aan een in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden weerhouden niet naleving van het niet-concurrentiebeding uiteraard ook geen derdemedeplichtigheid in hoofde van derde geïntimeerde weerhouden.

Anders dan de eerste rechter werd hiervoor wel een miskenning van het niet- concurrentiebeding in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden weerhouden.

Anders dan de eerste rechter is het hof ook van oordeel dat de derdemedeplichtigheid van derde geïntimeerde aan de schending van het niet concurrentiebeding vaststaat.

Op 28.12.2012 werd de raadsman van derde geïntimeerde in kennis gesteld van (1) de door eerste en tweede geïntimeerde opgenomen contractuele verbintenissen en (2) haar derdemedeplichtigheid aan een mogelijke inbreuk op deze verbintenissen, waaronder meer in het bijzonder het niet-concurrentiebeding.

Evenwel heeft dit derde geïntimeerde niet belet om eerste geïntimeerde, die overigens 50 % van de aandelen van derde geïntimeerde bezat, al met ingang van 02.01.2013 zijn werkzaamheden als accountant-fiscaal raadgever bij haar te laten aanvatten.

Derde geïntimeerde die ontegensprekelijk op de hoogte was van de contractuele verbintenissen van eerste geïntimeerde, heeft wetens en willens haar medewerking verleend aan een inbreuk op deze verbintenissen.

Op die grond wordt derde geïntimeerde in solidum mee veroordeeld tot betaling van de hiervoor weerhouden schadevergoeding.

( ... )

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 28/04/2011 - 21:29
Laatst aangepast op: wo, 27/06/2018 - 20:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.