-A +A

mogelijkheid tot beroep en dubbele aanleg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het recht wordt door mensen gemaakt en door mensen beoefend. Fouten kunnen gemaakt worden. Niet alleen kunnen wetten aangepast, maar kunnen ook gerechtelijke uitspraken gecorrigeerd. 

Wie verstek laat, kan verzet aantekenen voor de zelfde rechter. 

Wie niet akkoord gaat met de uitspraak van een rechter kan in de regel beroep aantekenen. Werd de wet foutief toegepast, dan kan cassatieberoep worden aangetekend. Maar behoudens buitengewone reechtsmiddelen kan men geen beroep aantekenen tegen een uitspraak in beroep gewezen of door een Hof (van Beroep) bij wijze van arrest gewezen.

Er bestaat geen derde aanleg. "Aux arrêts point d'arrêt". Achter een arrest staat een definitief punt.

Het verzschil tussen een vonnis en arrest wordt vaak geduid door te stellen dat een vonnis gewezen is door een rechtbank en een arrest door een Hof (hoger rechtscollege).

Vonnissen kunnen in eerste aanleg dan wel in graad van beroep (tweede aanleg gewezen). Tegen vonnissen gewezen in beroep (dus in tweede aanleg) kan geen beroep meer aangetekend. Tegen arresten kan nooit beroep aangetekend.

De mogelijkheid van hoger beroep wordt uitdrukkelijk bevestigd door art. 616 en 1050 Ger. Wetboek. Conform deze bepalingen kan tegen ieder vonnis in alle zaken hoger beroep worden aangetekend zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs wanneer dit een tussenvonnis, dan wel een vonnis alvorens recht te doen betreft. Zelfs tegen een verstekvonnis kan hoger beroep worden aangetekend.

Hiervan kan enkel worden afgeweken middels een uitdrukkelijke wetsbepaling, waarvan de wetgever op diverse vlakken gebruik heeft gemaakt. In artikel 616 van het gerechtelijk wetboek wordt gesteld dat tegen ieder vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

Artikel 26 Ger. W. stelt verder dat het gezag van het rechterlijk gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. Het vonnis blijft dus overeind zolang het niet hervormd werd en kan zelfs worden uitgevoerd, tenware het niet uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Er bestaat geen absoluut "recht" op hoger beroep in die zin dat elke beslissing vatbaar is voor hoger beroep. In een belangrijk aantal gevallen wordt het recht op hoger beroep uitgesloten of beperkt.

Zo kan ondermeer geen beroep worden aangetekend tegen "beslissingen van inwendige aard". Eens er een duidelijke berusting is tussengekomen in een vonnis kan evenmin beroep worden aangetekend (art. 1044-1045 Ger. W.). Tegen een "akkoordvonnis" (art. 1043, tweede lid Ger. W.) staat evenmin beroep open. Tegen een verstekvonnis kan zowel hoger beroep of verzet worden aangetekend. Let wel hoger beroep is niet mogelijk tegen een verstekvonnis waartegen verzet is aangetekend ("Electa una via, non datur recursus ad alteram").
 
Er staat verder geen hoger beroep open tegen een vonnis waarbij de overlegging van een stuk wordt bevolen (art. 880, tweede lid Ger. W.), en tegen een beslissing over de aanvraag tot heropening van de debatten (art. 776). Een belangrijk aantal zaken worden gelet op hun geringe waarde  in "laatste aanleg"  gewezen (art. 617-621).

De vrederchter doet uitspraak in laatste aanleg over alle vorderingen waarvan de waarde het bedrag van 1.240 euro niet overschrijdt. Daarbij moiet worden gekeken naar de vordering zoals deze werd gestelad in de laatste syntheseconclusie die voor de vrederechter werd genomen. Maar de vatbaarheid voor hoger beroep en dus de aanleg wordt niet allen bepaald door de eisen en vorderingen van de eisende partij. 

Om de aanleg te bepalen moet in overeenstemming met artikel 620 gerechtelijk wetboek, ook rekening gehouden met de ingestelde tegeneisen en met artikel 619 gerechtelijk wetboek dat bepaalt dat bij gebrek aan waardeerbaarheid van het geschil, de uitspraak in eerste aanleg gebeurt.

In dit geval zal vooreerst dienen bepaald te worden of de verwerende partij wel degelijk een formele tegeneis heeft gesteld op grond van een materiële aanspraak om een veroordeling te vorderen ten aanzien van de eisende partij in het geding. Anders is het met een verweer ten gronde waarbij een verwerende partij de materieelrechtelijke aanspraken van een eisende partij gaat betwisten, weze het het voorwerp of de oorzaak van de ingestelde eis.

Zo zal het voor recht laten zeggen op tegeneis dat een beslissing van een overheid die invloed heeft op de hoofdeis van onwaarde dient verklaard te worden wegens bv. strijdigheid aan de grondwet geen tegeneis uitmaken met gevolgen inzake de mogelijkheid tot hoger beroep. Zie rechtbak eerste aanleg Antwerpen, 7 april 2009, NJW 2010, N° 221, pagina 328 met noot.

Het principe van de dubbele aanleg wordt niet in het minst verder beperkt door de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep. Het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen maakt het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. 

Deze verwijst de zaak enkel dan alleen dan naar de eerste rechter terug indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. Een en ander werd vastgelegd in artikel 1068 Ger. W. waardoor in geval van beroep in beginsel de volledige zaak wordt onttrokken aan de eerste rechter. 

Dit geldt  zelfs wanneer de eerste rechter nog geen volledige uitspraak heeft gedaan, zelfs wanneer die zaak nog bij hem aanhangig is (dus in geval van hoger beroep tegen een tussenvonnis). Meer zelfs, wanneer in hoger beroep het vonnis van de eerste rechter nietig wordt verklaard, zal de rechter in graad van beroep in laatste aanleg uitspraak doen, zelfs voor die geschilpunten die aan de rechter in eerste aanleg niet eens werden voorgelegd.

Hoger beroep: grondrecht, algemeen rechtsbeginsel ?

Het hoger beroep, maakt geen grondrecht uit. Artikel 6 EVRM kent evenmin een recht op dubbele aanleg toe in burgerlijke zaken ook niet impliciet, en ook niet voor strafzaken; is echter hoger beroep mogelijk, dan moet dit
aan de eisen van art. 6 EVRM voldoen. In dezelfde zin zegde het Belgische Arbitragehof (Arbitragehof nr. 2/2002 van 9 januari 2002).:
"Wanneer de wetgever [...] in het rechtsmiddel van hoger beroep voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen.

Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instel-len van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende mid-delen en het nagestreefde doel."

Algemeen wordt dan ook gesteld dat het recht op hoger beroep geen algemeen rechtsbebinsel uitmaakt, ten ware men het begrip algemeen rechtsbeginsel op een eigenzinnige wijze gaat definiëren.

Het (recht op) hoger beroep. Waarom en waarheen ?, P. VAN ORSHOVEN, klik hier voor deze bijdrage.

Nog dit: 

Rechtsleer Karen Broeckx, het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Google books, Maklu

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: di, 10/01/2017 - 15:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.