-A +A

Miskenning bewijskracht stukken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De rechter is verplicht de bewijskracht van de stukken te erkennen. De miskenning van bewijskrachtige stukken kan als grief in graad van beroep tegen een uitspraak van de rechter worden aangewend en zelfs als cassatiemiddel.

De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen daarvan, eventueel in samenhang met de stukken waarnaar die
akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de door hem uitgelegde akte maakt. (Cassatie 12/05/2015, AR P13.1399 N/1).

De miskenning van de bewijskracht kan als middel enkel worden ingeroepen worden tegen een geschrift in de strikte zin van het woord. De miskenning van debewijskracht van een plan is slechts mogelijk voor zover dat plan hoort bij een geschrift dat toelichting geeft bij het plan. De miskenning van de bewijskracht van een foto is niet mogelijk, aangezien een foto geen geschrift is, tenzij de door de rechter gegeven uitlegging niet uitsluitend slaat op de foto, maar ook op een geschrift waaraan die foto is toegevoegd. Cassatie 07/01/2017, AR R17.0039.N.

 

Rechtsleer: 

• Herbots, J. H., De cassatiegrond: miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken, R. w .. I97I, 930.

• Herbots, J. H., Recht en cassatiemiddel, TPR, 1971-599

"De rechter die wettelijk zijn macht uitoefent om recht te spreken over feiten die onder zijn bevoegdheid vallen op strafrechtelijk gebied, of over een privaat geschil dat bij hem aanhangig is gemaakt, moet vooreerst de feiten vaststellen. De mogelijke rechtsdwalingen zijn :

- de schending van het beginsel van de beschikkingsmacht der partijen dat het burgerlijk proces beheerst;
- de miskenning van de wettelijke regelingen over het bewijs, (o.a. de bewijskracht van de geschreven bewijsstukken;
- de gebreken van de motivering".

Rechtspraak:

• Cassatie 30/06/2016, AR C. 15.0414.N, juridat

Samenvatting

Het middel dat is afgeleid uit de miskenning van de bewijskracht van een akte, is niet ontvankelijk wanneer de bestreden beslissing de bewoordingen van die akte niet overneemt en de eisers aan het Hof geen eensluidend verklaard afschrift van die akte overleggen.

Tekst arrest

Nr. C.15.0414.N
1. M. D. P.,
2. C. K.,
3. P. V. H.,
eisers,
tegen
THE BRIGHTONE GROUP, naamloze vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te 1931 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), avenue de la Liberté 41,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 juni 2015.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1181 Burgerlijk Wetboek is een verbintenis aangegaan onder een opschortende voorwaarde die afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan par-tijen nog onbekend is.

2. Wanneer de opschortende voorwaarde in het uitsluitend belang van één van de partijen is bedongen, vermag die partij, hangende de voorwaarde, daarvan afstand te doen.

3. De appelrechters stellen vast dat het aanbod van de eisers in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen bepaalt dat het onderworpen is aan bepaalde op-schortende voorwaarden "en dit exclusief ten voordele van de verweerster".

4. De appelrechters die oordelen dat de verweerster hangende de opschortende voorwaarden afstand kon doen van de in haar voordeel bedongen voorwaarden, verantwoorden derhalve hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. Het arrest neemt de bewoordingen van het geschrift van 14 december 2010 niet over, noch hebben de eisers aan het Hof een eensluidend verklaard afschrift van dat geschrift overgelegd.

In zoverre het middel miskenning van de bewijskracht van het geschrift van 14 december 2010 aanvoert, is het niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 4.065,91 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 30 juni 2016 uitgesproken

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: 1. mevrouw D. P. M. J. A. M. S.,

2. mevrouw K. C. A. J.,

3. de heer V. H. P. M. K. L. J., ,

eisers tot cassatie,

TEGEN: de vennootschap naar Luxemburgs recht THE BRIGHTONE GROUP SA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in het groothertogdom Luxemburg, te 1931 Luxemburg, 41 avenue de la Liberté,

die in het exploot van betekening keuze van woonst deed op het ge-rechtsdeurwaarderskantoor van gerechtsdeurwaarder Ann Pirlot, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van gerechts-deurwaarders Cathérine Missal, met standplaats te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 203,

verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Heren en Dames,

Eiseressen hebben de eer aan uw toezicht te onderwerpen het arrest dat op tegenspraak tussen partijen werd gewezen op 22 juni 2015 door de eerste kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen (2013/AR/655).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Eisers waren eigenaars van de totaliteit van de aandelen in de NV De Kleine Kasteeltjes, de NV DKK Tongeren, de NV Invest Lenavel.

Voormelde vennootschappen maken deel uit van de groep De Kleine Kas-teeltjes, en baten verschillende rust- en verzorgingstehuizen uit te Brecht en Ton-geren.

2. In de herfst van 2010 hebben eisers onderhandelingen aangeknoopt met verweerster met het oog op de overdracht van de aandelen van voormelde vennootschappen.

Op 14 december 2010 ondertekenden partijen vervolgens een door ver-weerster gedaan aanbod krachtens hetwelk eisers zich ertoe verbonden om, onder vervulling van een viertal opschortende voorwaarden, de totaliteit van de aandelen in bovenvermelde vennootschappen aan verweerster over te dragen tegen de prijs van euro 15.240.000,00.

3. Op 29 april 2011 liet de raadsman van verweerster per officiële brief weten dat verweerster afzag van het voordeel van de opschortende voor-waarden opgenomen in het document van 14 december 2010. Ten gevolge hiervan zou, aldus verweerster, de overdracht van de aandelen van bovenvermelde ven-nootschappen tegen de prijs van euro 15.140.000,00 definitief zijn geworden.

Hierop is tussen partijen onenigheid ontstaan.

Uiteindelijk liet verweerster eisers dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Ten gronde vorderde verweerster te horen zeggen voor recht dat de overeenkomst van 14 december 2010 een geldige koopovereen-komst uitmaakt en definitief is geworden, zodat eisers thans gehouden zijn tot de uitvoering ervan in natura.

Bij eindvonnis van 12 juni 2012 wees de rechtbank van eerste aanleg de hoofdvordering van de tegenpartij af als ongegrond.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 1 maart 2013 stelde verweerster tegen het hierboven vermelde vonnis hoger beroep in.

4. Bij arrest van 22 juni 2015 verklaart de Eerste Kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van verweerster toelaatbaar en ge-grond. Het hof oordeelt vervolgens dat de overeenkomst, zoals vastgelegd in het geschrift van 14 december 2010, rechtsgeldig tot stand kwam, en veroordeelt ei-sers tot de uitvoering in natura van die overeenkomst.

Tegen dit arrest wensen eiseressen op te komen met de volgende middelen tot cassatie.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1134, 1168, 1181, 1319, 1320 en 1322 van het Burger-lijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters oordelen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, zoals vastgelegd in het geschrift van 14 december 2010, definitief is geworden zodat verweerster de uitvoering in natura ervan kan vorderen, op grond van de volgende redengeving:

"4.2.5. [Eisers] kunnen evenmin in hun standpunt worden gevolgd dat de in het geschrift van 14 december 2010 opgenomen opschortende voor-waarden niet tijdig werden gerealiseerd zodat de door hen aangegaan voorwaardelijke verbintenissen vervielen.

Anders dan [eisers] menen, kon [verweerster] wel degelijk afstand doen van de opschortende voorwaarden
Het aanbod van [verweerster] stelt in duidelijke en ondubbelzinnige be-woordingen dat het is onderworpen aan met name genoemde opschortende voorwaarden "en dit exclusief ten voordele van The Brighton Group". Geen enkele contractuele bepalingen, noch artikel 1131 B.W., stond er [verweerster] aan in de weg afstand te doen van deze in haar voordeel be-dongen opschortende voorwaarden.

Die afstand had tot gevolg dat de tussen de partijen gesloten overeenkomst definitief werd.

4.2.6. Uit het voorgaande volgt dat [verweerster] terecht van [eisers] de uitvoering in natura van de overeenkomst vervat in het geschrift van 14 de-cember 2010, vordert."
(bestreden arrest, bladzijde 10)

Grieven

Luidens artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voor-waardelijk, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatsheb-ben.

Artikel 1181, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verbintenis onder opschortende voorwaarde aangegaan, die is welke afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. In dat geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad.

Hieruit volgt dat de contractspartij die afstand wenst te doen van een op-schortende voorwaarde in werkelijkheid beoogt om een voorwaardelijke verbinte-nis in een onvoorwaardelijke verbintenis om te zetten.

Naar luid van artikel 1134, eerste en tweede lid van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan degenen die ze hebben aangegaan tot wet. Zij kunnen niet herroepen worden dan met hun wederzijdse toestemming.

Degene in wiens belang de opschortende voorwaarde werd opgenomen is derhalve, en tenzij zulks uitdrukkelijk zou zijn overeengekomen, niet bevoegd om door een eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenis om te zetten in een onvoorwaardelijke verbintenis.

De appelrechters oordelen dat de in de tussen partijen gesloten overeen-komst, zoals vastgelegd in het geschrift van 14 december 2010, opgenomen op-schortende voorwaarden werden bedongen in het exclusieve belang van verweer-ster. Zij stellen evenwel niet vast dat verweerster contractueel de mogelijkheid was toegekend om door haar eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbin-tenissen in hoofde van eisers om te zetten in onvoorwaardelijke verbintenissen.

Door te oordelen dat verweerster afstand kon doen van de opschortende voorwaarden waaraan de tussen partijen gesloten overeenkomst, zoals vastgelegd in het geschrift van 14 december 2010, was onderworpen op grond van de over-weging dat bedoelde opschortende voorwaarden in het exclusieve belang van verweerster werden bedongen, zonder nochtans na te gaan of aan verweerster daadwerkelijk contractueel de mogelijkheid was toegekend om door haar eenzij-dige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenissen in hoofde van eisers om te zetten in onvoorwaardelijke verbintenissen, schenden de appelrechters de artikelen 1134, 1168 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters oordelen dat uit de enkele zinsnede dat de be-dongen opschortende voorwaarden exclusief ten voordele van verweerster werden bedongen, automatisch volgt dat partijen aan verweerster meteen ook de be-voegdheid hebben willen toekennen om middels eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenissen in hoofde van eisers om te zetten in onvoorwaar-delijke verbintenissen, schenden zij bovendien de bewijskracht van het geschrift van 14 december 2010 nu dit niet in dit geschrift is bedongen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

TOELICHTING

In haar proefschrift toont DE CONINCK op overtuigende wijze aan dat de rechtsgevolgen die aan de (opschortende) voorwaarde, als modaliteit van de ver-bintenis, toekomen geen op zichzelf staand subjectief recht uitmaken waar afstand van zou kunnen worden gedaan. De voorwaarde maakt als modaliteit immers on-verbreekbaar deel uit van de contractuele rechtsbetrekking tussen partijen. Net zo-als men van een contract als dusdanig geen afstand kan doen, kan men derhalve ook van (de rechtsgevolgen van) de (opschortende) voorwaarde, als modaliteit van de verbintenis, an sich geen afstand doen. Wat men in werkelijkheid wenst te doen is de voorwaardelijke verbintenis(sen) om te zetten in (een) onvoorwaarde-lijke verbintenis(sen) (J. DE CONINCK, De voorwaarde in het contractenrecht, Brugge, die Keure, 2007, 323-324, nr. 270).

In navolging van de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden (HR 12 november 2004, C03/300HR, LJN-nummer AP9666, concl. D.W.F. WERKADE) wordt in de Belgische doctrine thans dan ook terecht de stelling verdedigd dat de loutere omstandigheid dat een opschortende voorwaarde bedongen is in het uitsluitend voordeel van één van de partijen volstaat op zich niet volstaat om te besluiten dat deze partij de bevoegdheid werd verleend om de voorwaardelijke verbintenissen om te zetten in onvoorwaardelijke verbintenissen (J. DE CONINCK, De voorwaarde in het contractenrecht, Brugge, die Keure, 2007, 327 e.v., nr. 273; M. VAN QUICKENBORNE, "Libres propos sur la défaillance de la condition suspensive" (noot onder Cass. 25 mei 2007), RCJB 2009, afl. 3, (292) 319-320, nr. 39; M. VAN QUICKENBORNE en J. DEL CORRAL, "Modaliteiten van verbinte-nissen. Voorwaarde" in Comm.Bijz.Ov., losbl., 2013, 154-155, nr. 201).

Op deze gronden en overwegingen besluit de ondergetekende advocaat voor eiseres dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestre-den arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Bij de indiening ter griffie worden bij deze voorziening gevoegd:

1. exploot van betekening dd. 3 juli 2015 waarbij verweerders keuze van woonst deden;
2. het exploot van betekening van deze voorziening aan verweerders;
3. pro fisco verklaring.

C.15.0414.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING
1. De betwisting kadert in een overeenkomst van overdracht van aandelen (in verschillende vennootschappen) tussen partijen, onder vervulling van een aantal opschortende voorwaarden.
2. Verweerster deed inzake afstand van het voordeel van de bedongen opschortende voorwaarden, waardoor volgens haar de overdracht van de aandelen tegen de afgesproken prijs definitief zou zijn.
3. Het bestreden arrest zegt voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand kwam, en veroordeelt eisers tot de uitvoering in nature ervan.
4. Tegen deze beslissing voeren eisers een enig middel tot cassatie aan.
II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
1. Eisers zijn van mening dat de begunstigde van een opschortende voorwaarde - tenzij zulks uitdrukkelijk zou zijn overeengekomen - niet bevoegd is om door een eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenis om te zetten in een onvoorwaardelijke verbintenis.
2. Door te oordelen dat verweerster afstand kon doen van de opschortende voorwaarden waaraan de tussen partijen gesloten overeenkomst was onderworpen, op grond van het motief dat die opschortende voorwaarden in het exclusieve belang van verweerster waren bedongen, zonder na te gaan of aan verweerster contractueel de mogelijkheid was toegekend om door haar eenzijdige wilsverklaring de voorwaardelijke verbintenissen om te zetten in onvoorwaardelijke verbintenissen, zouden de appelrechters de artikelen 1134, 1168 en 1181 van het Burgerlijk Wetboek hebben geschonden.
3. Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben (opschortende voorwaarde), hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft (ontbindende voorwaarde) (Art. 1168 BW).
4. Een voorwaarde van een verbintenis is aldus een toekomstige en onzekere gebeurtenis waarvan de contractspartijen de uitvoering of de uitdoving van de verbintenis laten afhangen(1).
5. Een verbintenis onder een opschortende voorwaarde aangegaan, is die welke afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is. In het eerste geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. In het tweede geval heeft de verbintenis haar gevolgen met ingang van de dag waarop zij is aangegaan (Art. 1181 BW).
6. De overeenkomst waarbij een verbintenis onder opschortende voorwaarde is aangegaan, bestaat hangende de voorwaarde (pendente conditione), ook al is de uitvoering van de verbintenis geschorst. Zij doet derhalve rechten en plichten voor partijen ontstaan en de partij die haar verplichtingen niet nakomt, kan schadeplichtig zijn(2).
7. Als uitgangspunt geldt derhalve dat verbintenissen uit een overeenkomst onmiddellijk opeisbaar zijn. Partijen kunnen de opeisbaarheid van die verbintenissen evenwel afhankelijk maken van de vervulling van een opschortende voorwaarde. Die opschortende voorwaarde kan in het voordeel van beide partijen bedongen zijn wanneer beide er belang bij hebben dat de opeisbaarheid van de verbintenissen opgeschort is tot de verwezenlijking van de voorwaarde, maar zij kan ook in het belang van één van de partijen bedongen zijn. Alleen die partij heeft er dan belang bij dat de verbintenissen niet onmiddellijk opeisbaar zijn, maar slechts bij de vervulling van de voorwaarde.
8. Niets belet aldus de partijen om hangende de voorwaarde (pendente conditione) te beslissen dat de verbintenis onmiddellijk opeisbaar wordt, m.a.w. dat de opeisbaarheid van de verbintenis niet langer is opgeschort tot de verwezenlijking van de voorwaarde. Wanneer de voorwaarde in het belang van beide partijen is bedongen, is daarvoor de toestemming van beide partijen vereist. Beide hadden immers belang bij de opschorting van de opeisbaarheid tot de verwezenlijking van de voorwaarden, zodat de wil van één van de partijen niet kan volstaan om de voorwaardelijke verbintenis om te zetten in een onvoorwaardelijke verbintenis. De andere partij moet daarmee instemmen (cf. art. 1134 BW).
9. Wanneer de voorwaarde in het uitsluitend belang van één van de partijen is bedongen, m.a.w. wanneer slechts één van de partijen er belang bij heeft dat de verbintenis niet onmiddellijk opeisbaar is, aanvaardt een meerderheid in de doctrine en de rechtspraak dat die partij hangende de voorwaarde eenzijdig kan beslissen dat de verbintenis onmiddellijk opeisbaar wordt, dus zonder dat de voorwaarde moet zijn verwezenlijkt(3).
10. Als argument daarvoor wordt ingeroepen dat alleen de partij in wier uitsluitend belang de voorwaarde is bedongen, de opeisbaarheid van de verbintenis heeft willen opschorten, terwijl de wederpartij daarentegen van meet af aan de onmiddellijke opeisbaarheid van de verbintenis heeft gewild. Als die wederpartij evenmin zou hebben gewild dat de verbintenis onmiddellijk opeisbaar is, dan zouden de partijen de voorwaarde immers in hun beider voordeel bedongen hebben.

Aangezien de wederpartij echter de onmiddellijke opeisbaarheid van de verbintenis nastreeft, kan zij er dan ook niets op tegen hebben dat de partij in wier uitsluitend belang de voorwaarde is bedongen, afstand doet van de voorwaarde, waardoor de verbintenis opeisbaar wordt.
11. Op grond hiervan wordt aldus verdedigd dat wanneer een voorwaarde in het uitsluitende belang van één van de partijen is bedongen, de partijen hiermee de bedoeling hebben om die partij een contractueel recht toe te kennen om de verbintenis onmiddellijk opeisbaar te maken, m.a.w. om de opeisbaarheid van die verbintenis niet langer te laten afhangen van de vervulling van de voorwaarde(4).
12. Steun voor deze stelling vinden we ook terug in de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie en het Duitse Bundesgerichtshof die beide oordelen dat de partij in wier uitsluitend belang de voorwaarde is bedongen, hieraan eenzijdig kan verzaken(5).
13. Een minderheid in de doctrine verdedigt daarentegen dat zelfs wanneer de voorwaarde in het uitsluitende belang van één van de partijen is bedongen, de toestemming van de beide partijen vereist is om de verbintenis opeisbaar te maken(6).
14. Hiervoor wordt verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden. In zijn arrest van 10 maart 1967 heeft de Hoge Raad in dat verband overwogen dat tenzij partijen anders zijn overeengekomen, de partij in wier belang de voorwaarde is bedongen, niet bevoegd is om de voorwaardelijke verbintenis door een eenzijdige wilsverklaring om te zetten in een zuivere verbintenis(7). Immers, indien partijen die bevoegdheid niet contractueel zijn overeengekomen, mag de wederpartij van de partij in wier belang de opschortende voorwaarde is gemaakt, erop rekenen dat de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen niet van kracht zullen worden zonder dat de voorwaarde is vervuld.
15. Die opvatting kan naar mijn mening evenwel slechts overtuigen, wanneer de voorwaarde in het belang van de beide partijen is bedongen. In dat geval mogen beide er immers op rekenen dat de verbintenis niet opeisbaar wordt zolang de voorwaarde niet is vervuld.
Wanneer de voorwaarde daarentegen in het uitsluitende belang van één van de partijen is bedongen, betekent dit m.i. echter dat de wederpartij geen belang heeft bij de opschorting van de opeisbaarheid van de verbintenis tot vervulling van de voorwaarde. In zoverre de wederpartij alsdan immers de garantie niet wenst dat de verbintenis pas opeisbaar wordt bij de vervulling van de voorwaarde, kan hier naar mijn oordeel dan ook moeilijk worden voorgehouden dat zij erop zou mogen vertrouwen dat de verbintenis niet opeisbaar wordt zolang de voorwaarde niet is vervuld. Als zij die garantie wilde, dan had zij de voorwaarde ook in haar voordeel moeten bedingen. Daarentegen mag de wederpartij er wel op rekenen dat de verbintenis alleen dan opeisbaar wordt, wanneer de voorwaarde niet wordt vervuld.
16. Het komt mij dan ook voor dat wanneer een voorwaarde in het uitsluitende belang van één van de partijen is bedongen (waarover in dit geval geen discussie lijkt te kunnen bestaan nu partijen in deze uitdrukkelijk overeengekomen zijn dat de voorwaarde uitsluitend in het belang van verweerster is bedongen), die partij hangende de voorwaarde (pendente conditione) eenzijdig kan beslissen (door in casu afstand te doen van de uitsluitend in haar voordeel bedongen opschortende voorwaarde) dat de verbintenis opeisbaar wordt, zelfs zonder dat de voorwaarde is vervuld.
17. In zoverre het bestreden arrest de hierboven nader toegelichte beginselen aldus heeft toegepast, verantwoordt het naar mijn mening zijn beslissing dan ook naar recht, en lijkt het middel derhalve niet te kunnen aangenomen worden.
18. Waar eisers tevens van mening zijn dat de bewijskracht van het geschrift (van 14 december 2010) zou zijn miskend, is het middel m.i. bovendien niet ontvankelijk, nu van deze akte geen voor eensluidend afschrift tot staving van het cassatieberoep werd overgelegd, noch hiervan door het bestreden arrest zelf de tekst werd weergegeven, en uw Hof aldus niet in de mogelijkheid is om de ingeroepen miskenning van de bewijskracht ervan te onderzoeken(8).
III. CONCLUSIE: VERWERPING.
_______________________
(1) Cass. 10 november 2011, AR C.10.0438.N, AC 2011, nr. 612.
(2) Cass. 5 juni 1981, AC 1980-81, nr. 576; zie ook Cass. 8 december 2003, AR C.02.0440.F, AC 2003, nr. 631, en Cass. 21 april 2008, AR S.07.0038.F, AC 2008, nr. 238.
(3) Bergen 2 mei 2013, JLMB 2015, (303), 304; Antwerpen 22 april 2013, NjW 2014, (551), 553, noot C. LEBON; Gent 23 september 2010, onuitg.; Luik 29 mei 2009, JLMB 2010, (1012), 1014; Rb. Antwerpen 11 januari 1990, T. Not. 1990, (333), 334; C. LEBON, "Verzaking aan opschortende voorwaarde door voorbehoudloze uitvoering van verbintenis onder voorwaarde" (noot onder Antwerpen 22 april 2013), NjW 2014, 553; C. EYBEN en J. ACOLTY, "La condition suspensive et la condition résolutoire. Commentaire des articles 1168 à 1184 du Code civil" in Droit des obligations, Louvain-la-Neuve, Anthemis, 2011, (161), 184; L. SIMONT, J. DE GAVRE en P.A. FORIERS, "Examen de jurisprudence (1981 à 1991). Les contrats spéciaux", RCJB 1995, (107), 158. Zie ook Comité voor Studie en Wetgeving, dossier nr. 1973: "Conséquences civiles et fiscales de la condition suspensive insérée dans un compromis de vente", 5, 31.
(4) C. EYBEN en J. ACOLTY, "La condition suspensive et la condition résolutoire. Commentaire des articles 1168 à 1184 du Code civil" in Droit des obligations, Louvain-la-Neuve, Anthemis, 2011, (161), 184. Zie hierover ook J. DE CONINCK, De voorwaarde in het contractenrecht, Brugge, die Keure, 2007, nr. 272.
(5) Frankrijk: Cass. fr. 12 november 2014, nr. 13-24337, www.legifrance.gouv.fr; Cass. fr. 11 september 2012, nr. 11-119598, www.legifrance.gouv.fr; Cass. fr. 20 februari 2007, nr. 05-19601, www.legifrance.gouv.fr; Cass. fr. 22 mei 2001, nr. 99-11547, www.legifrance.gouv.fr; Cass. fr. 13 oktober 1999, nr. 97-21682, www.legifrance.gouv.fr; Cass. fr. 4 november 1976, nr. 75-12178, Bull. civ. 1976, III N.357, p. 260; Cass. fr. 5 februari 1971, nr. 69-12443, Bull. civ. 1971, III. N. 89, p. 64. Bij niet-vervulling van de voorwaarde is de overeenkomst vervallen en kan daarvan geen afstand meer worden gedaan: cf. Cass. fr. 22 oktober 2015, nr. 14-20154, www.legifrance.gouv.fr Duitsland: Bundesgerichtshof 21 september 1994, VIII ZR 257/93; BunDESGERICHTSHOF 23 MAART 1998, VIII ZR 185/96.
(6) M. VAN QUICKENBORNE, "Libres propos sur la défaillance de la condition suspensive", RCJB 2009, (292), 319, nr. 39; J. DE CONINCK, De voorwaarde in het contractenrecht, Brugge, die Keure, 2007, nr. 273.
(7) HR 10 maart 1967, NJ 1967, 194; HR 12 november 2004, NJ 2005, 500.
(8) Cass. 28 mei 2009, AR C.08.0092.F, AC 2009, nr. 58.
 

 

Nog dit: 

Wanneer een rechterlijke beslissing evenwel een tegenstrijdigheid bevat tussen de motieven dan wel tussen de motieven en het beschikkend gedeelte, worden de elkaar tegensprekende motieven en/of beslissingen geacht elkaar onderling op te heffen, zodat deze beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed. (Cass. 24/12/2009 C.08.0570.N) 


Voorwoord en Inleiding tot de miserie van het recht

Onrecht, recht en macht
Recht en corruptie
Recht en zekerheid.
Balans van de rechtspraak
De staat als dief 
Rechters, eerlijk of oneerlijk.
Het beleid van de rechter
Dwalingen en flaters in de justitie
Seks en Recht 
De vrouw in het Recht 

De miserie van het recht
De hervorming van justitie
racisme en xenofobie
Misdaadbestrijding
Home page of the psychological Laboratory

 

Commentaar: 

De motiveringsplicht is een vormvereiste

In dit opzicht is het interessant de voormalige procureur-generaal van het Hof van Cassatie F.Dumon te citeren:
 
" als de rechter niet willekeurig heeft beslist, omdat hij naar de verantwoording van zijn beslissing die zich opdringt, heeft gezocht en meent dat hij deze gevonden heeft, als hij aan de partijen de gelegenheid heeft gegeven in te zien waarom hij een dergelijke beslissing heeft genomen, als hij het toezicht van de appelrechter of van het Hof van Cassatie mogelijk gemaakt heeft, als hij geantwoord heeft op de "conclusie" van de partijen, dan heeft hij natuurlijk de grondwet niet geschonden, zelfs indien zijn verantwoording verkeerd is, dit wil zeggen indien zij strijdig is met de andere rechtsregel zelfs indien de inlichtingen die de partijen hebben gekregen om het antwoord op de conclusie om dezelfde reden verkeerd is, zelfs indien het toezicht dat de motivering mogelijk heeft gemaakt, en die dus voldoet aan de grondwet, tot vernietiging zou kunnen leiden wegens schending van andere rechtsregel."
 
De motiveringsplicht is aldus een inhoudelijke vereiste
 
Wanneer dit citaat letterlijk zou worden nagelezen zou men hieruit kunnen afleiden dat de rechter eigenlijk zelfs onzin zou kunnen schrijven om te voldoen aan zijn motiveringsplicht. Redeneringen van F. Dumon zijn waardevol maar soms oud, versleten en onvolledig.
 
Een en ander werd rechtgezet door diverse cassatierechtspraak. De motivering van de rechter dient wel degelijk inhoudelijk te zijn en betrekking hebben op de door de partijen aangehaalde middelen. De motivering dient inhoudelijk antwoord te verschaffen op het aangehaalde middel en dient ten aanzien van dit middel relevant te zijn. Bij gebreke hieraan kan men stellen dat de motiveringsplicht geschonden is. Door deze nuancering kan men stellen dat de motiveringsplicht niet alleen een vormvereiste is maar ook een inhoudelijke vereiste. Hierbij kan verwezen worden naar de cassatiearresten van 19 oktober 2007 december 2001 op basis waarvan kan besloten worden dat onduidelijke, onnauwkeurige en onvolledige motivering een motiveringsgebrek opleveren.
 
Zo dient een beslissing tot bepaling van het onderhoudsgeld na echtscheiding het bedrag van de inkomsten te vermelden van de onderhoudsplichtige zodat kan nagegaan worden of het maximum van een derde van deze inkomsten niet werd overschreden. Bij gebreke hieraan kan een gebrek aan de motiveringsplicht worden weerhouden.
 
Maar door een correcte juridische analyse van dit voorbeeld kan de inhoudelijke vereiste met betrekking tot de motivering opnieuw gerelativeerd worden. Onduidelijke, onnauwkeurige of onvolledige motiveringen kunnen nog steeds voldoende aan de motiveringsplicht  voldoen voorzover deze gebrekkige motiveringen nog steeds de wettigheidstoets van de beslissing mogelijk maken.
 
Dubbelzinnige motiveringen maken gebrek in de motiveringsplicht uit wanneer de ene interpretatie tot de wettigheid van de beslissing aanleiding zou geven en de andere interpretatie tot de onwettigheid van de beslissing
 
Een verkeerde motivering is dus ook een motivering en een foute motivering impliceert geen gebrek aan motivering, hetgeen niet wegneemt dat een verkeerde motivering zowel aanleiding als middel kan zijn om een rechtsmiddel aan te wenden, precies waarom de motiveringsplicht zo belangrijk is. Anderzijds kan zelfs een hypercorrecte juridische beslissing een schending uitmaken van de motiveringsplicht wanneer een middel dat door een van de partijen werd aangehaald in de procedure niet werd beantwoord.
 
Ook tegenstrijdige motiveringen maken geen gebrek aan motivering uit. Tegenstrijdige motiveringen kunnen door het Hof van Cassatie niet gesanctioneerd worden op grond van een gebrek aan motivering. Het cassatieberoep tegen een dergelijke uitspraak zal derhalve gesteund dienen te zijn op de wettigheid van de bestreden beslissing. De grens is flinterdun. Wanneer de wettigheid van een beslissing niet kan nagegaan worden op grond van tegenstrijdige motieven is deze vatbaar voor cassatie maar wanneer deze tegenstrijdige motivering geen invloed heeft op de wettigheid van de beslissing is een eis tot cassatie bij gebrek aan belang onontvankelijk. Het Hof van Cassatie kan ook oordelen dat beweerde tegenstrijdige motiveringen die resulteren in een beslissing waarvan de wettigheid niet zal kunnen nagegaan worden wegens deze beweerde tegenstrijdigheden, ten onrechte als tegenstrijdig worden beoordeeld, waarna het Hof van Cassatie zal oordelen dat de cassatiemiddelen feitelijke grondslag mist.
 
Het Europees hof stelt evenwel hoger vereisten dan Hof van Cassatie. Volgens het Europese hof kan een verkeerde motivering wel degelijk een gebrek aan motivering inhouden in de zin van het Europees verdrag van de rechten van de mens. Zo werd onder meer geoordeeld dat de weigering een vergoeding te krijgen wegens arbeidsongeschiktheid voor een moeder met drie kleine kinderen op grond van de motivering dat dergelijke moeders toch geen werk meer zoeken, een discriminerend motief uitmaakt waardoor de rechten op een eerlijk proces worden geschonden (EHRM Dulaurans/Fankrijk 21 maart 2000).
 
 
Materiële verschrijvingen in de motivering van rechterlijke uitspraken
 
Louter materiële verschrijvingen maak geen gebrek aan de motivering wanneer uit de context van de uitspraak de materiële verschrijving blijkt en de werkelijke bedoeling kan worden afgeleid.
 
De motiveringsplicht slaat niet op beschouwingen
 
Sommige conclusies worden in ellenlange beschouwingen geschreven, zonder dat deze beschouwingen argumenten in rechte uitmaken. De rechter is niet verplicht om op deze loutere beschouwingen zonder juridische draagwijdte antwoord te verschaffen. Enkel juridisch pertinente of relevante elementen dienen door de rechter beantwoord te worden. Retorische vragen of loutere hypotheses dienen door de rechter niet beantwoord, evenmin als een loutere bewering. De rechter dient niet te antwoorden op hetgeen mondeling wordt gesteld in de pleidooien. De motiveringsplicht geldt enkel ten aanzien van de conclusies die per definitie steeds schriftelijk zijn. Evenmin bestaat er een motiveringsplicht ten aanzien van stavingsstukken die ter zitting worden neergelegd.
 
Pleidooien
 
Partijen hebben het recht om ter zitting een stelling toe te lichten in pleidooien. Er bestaat geen recht om aldus mondeling conclusies door de griffier te verzoeken te acteren op het zittingsblad om aldus alsnog een motiveringsplicht aan de rechter op te leggen
 
Argumenten en middelen

De motiveringsplicht van de rechter geldt ten aanzien van middelen en niet ten aanzien van argumenten.
 
Argumenten ondersteunen middelen. Een middel is een rechtsfeit of  een rechtshandeling  tot inwilliging van de vordering dan wel een rechtsfeit of een rechtshandeling op basis waarvan een verweerder aanvoert dat de tegen hem gerichte vordering dient afgewezen. De argumenten maken de onderdelen uit van het middel ter ondersteuning ervan en kunnen uit heel wat afzonderlijke delen bestaan die niet stuk voor stuk door de rechter dienen beantwoord te worden. Zo kunnen argumenten verwijzen naar een hele opsomming en is de rechter zeker niet verplicht om ze stuk voor stuk te beantwoorden Anders is het evenwel wanneer bepaalde punten van deze opsomming verder juridisch worden uitgebouwd tot een middel. Ook hier is de grens tussen middel en argument flinterdun
 
De motiveringsplicht geldt enkel ten aanzien van middelen die relevantie hebben
 
Tussenvonnissen
 
 
Nadat de rechter een tussenvonnis heeft geveld waarbij de zaak reeds ten dele is uitgeput, gebeurt het meermaals dat advocaten alsnog op de reeds eerder genomen beslissing willen terugkomen om de rechter te overtuigen deze eerder genomen beslissing alsnog om te buigen.
 
Dit is juridisch nonsens gelet op het gezag van gewijsde. Tegen dit tussenvonnis dient namelijk eerst beroep worden aangetekend. Indien geen beroep is aangetekend, dienen de middelen die worden ingeroepen tegen de reeds gedane uitspraak en die aldus niet dienend zijn niet beantwoord. In het algemeen dienen middelen die niet dienend zijn en geen aanleiding kunnen geven tot wijzigende  beslissingen door de rechter ook niet beantwoord.
 
De motiveringsplicht is beperkt tot de conclusie waarvan de rechter kennis dient te nemen.
 
Ingevolge de wetswijziging van de 28 april 2007 is de rechter enkel nog gehouden om te antwoorden op de middelen en de vorderingen die weerhouden werden in de syntheseconclusie. Dit belet niet dat de rechter kennis kan en moet kennis nemen van de voorafgaande conclusie en inleidende stukken, al was het maar om kennis te nemen van bepaalde middelen die in limine litis dienen opgeworpen, dan wel dient na te gaan of een tegenvordering tijdig en regelmatig werd ingesteld hetgeen wellicht in een eerdere conclusie dan de syntheseconclusie zal zijn gepleegd. Zo ook dient de inleidende akte onderzocht te worden met betrekking tot onregelmatigheden van de procedure.
 
In graad van beroep kan men sinds de laatste wetswijziging niet meer verwijzen naar conclusies genomen voor de eerste rechter ter aanhaling van rechtsmiddelen. Doet men dit toch dan kan met geen gebrek aan motiveringsplicht inroepen wanneer hierop niet geantwoord wordt.


Al te summiere motivering in graad van beroep uit laksheid
 
 
Sommige rechters in graad van beroep durven het aan om hun motivering van een arrest te beperken tot de overweging dat zij de oordeelkundige reden gegeven door de eerste rechter zonder meer bijvallen, , al dan niet na een eigen motivering. In een arrest van 24 december 2009 van het Hof van Cassatie werd uitdrukkelijk gesteld dat de motivering van de appelrechter, die na opgave van een eigen redenering, meldt de oordeelkundige reden gegeven van de eerste rechter te kunnen bijvallen, geen afdoende eigen motivering uitmaakt.
 
Motivering door de loutere verwijzing
 
De motivering door de rechter kan niet geschieden door de loutere verwijzing. Alhoewel; volgens bepaalde rechtsleer kan dit wel binnen bepaalde perken. Maar loutere verwijzing naar de motieven die genomen werden in een andere beslissing in een andere zaak, maken geen motivering die voldoet aan de motiveringsplicht. Dit belet niet dat de rechter verwijst naar een andere beslissing en dan deze motivering die genomen is in deze beslissing integraal overneemt in zijn beslissing waardoor als dan wel voldaan zal zijn aan de motiveringsplicht.
 
Motivering doorverwijzing naar vaste rechtspraak
 
De rechtspraak is een aanvullende bron en geen motivering op zichzelf. Wanneer een motivering loutere verwijst naar vaste rechtspraak, zonder aanduiding waarom de rechter zich aansluit bij deze vaste rechtspraak is niet voldaan aan de motiveringsplicht zie onder meer cassatie 27 januari 1992 en 12 april 1994. Zelfs een verwijzing naar een motivering van het Hof van Cassatie zonder aanduiding waarom de rechter hierbij aansluit volstaat niet als motivering. Dezelfde rechtspraak van het Hof van Cassatie maakt geen algemene regel uit.
 
Motivering door verwijzing naar de conclusie
 
De motivering in rechte kan gebeuren door de verwijzing naar de conclusie. In dit geval dient  het middel zoals vervat in de conclusie in de beslissing van de rechter duidelijk aangewezen. Op zelfde wijze kan de rechter een vonnis motiveren door verwijzing naar de stukken van een dossier. Een en ander zonder de bewijskracht van de stukken te miskennen.
 
Motivering door de stelling dat de ene gelijk heeft en de andere ongelijk
 
Sommige rechtspraak motiveert haar beslissing door te stellen dat de ene stelling van een partij de voorkeur genieten boven de stelling van de andere partij. Volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 13 september 1991 voldoet zulks niet aan de motiveringsplicht.
 
Het beschikkend gedeelte
 
Cassatie, 11 mei 2012, RW 2012-2013, 1536
 
AR nr. C.11.0746.F

CREG t/ Stad Waver

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 21 juni 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Krachtens art. 780, eerste lid Ger.W. moet het vonnis, op straffe van nietigheid, een beschikkend gedeelte bevatten.

Hoewel geen enkele wetsbepaling iets zegt over de plaats en de vorm van dat deel van het vonnis dat de beslissing van de rechter over de betwisting uitmaakt, is het toch noodzakelijk dat het beschikkende gedeelte, ook al staat het tussen de vermeldingen van het vonnis, op dezelfde rang als de redenen die de grondslag ervan vormen, die beslissing verwoordt.

Het arrest zegt eerst dat het eerste en het vijfde middel die de verweerder aanvoert om de beslissing van de eiseres nietig te doen verklaren, gegrond zijn, overweegt vervolgens dat de overige middelen niet onderzocht dienden te worden aangezien ze niet tot ruimere nietigverklaring kunnen leiden en vermeldt tot slot dat “krachtens art. 29bis, § 2 van de wet [van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt], het hof [van beroep] van het geschil zelf heeft kennisgenomen en over een bevoegdheid van volle rechtsmacht beschikt”, dat “het hof [van beroep] op grond hiervan niet de bevoegdheden van de reguleringsinstantie uitoefent” maar dat “er echter geen bezwaar is dat [het] zijn beslissing in de plaats stelt van die van reguleringsinstantie in de gevallen waarin zijn vonnis niet leidt tot de uitoefening van een discretionaire beoordeling”.

Die vermeldingen worden onmiddellijk gevolgd door de vermelding van de datum van de terechtzitting waarop het arrest is uitgesproken en door de vermelding van de tegenwoordigheid en de handtekening van de rechters die het hebben gewezen en van die griffier die hen heeft bijgestaan.

Het arrest dat geen beschikkend gedeelte bevat met de beslissing van het hof van beroep over het geschil, die het, blijkens de redenen ervan, heeft menen te moeten wijzen, schendt art. 780, eerste lid Ger.W.

Het onderdeel is gegrond.

NOOT onder deze uitspraak in het RW  B. Van Den Bergh

De noodzaak van een beschikkend gedeelte in een vonnis of arrest

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 27/11/2017 - 11:01
Laatst aangepast op: di, 16/01/2018 - 15:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.