-A +A

Misbruik van vertrouwen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Misbruik van vertrouwen is een aflopend misdrijf dat is voltooid op het ogenblik dat de verduistering, dit is de wederrechtelijke toe-eigening, of de verspilling, dit is de roekeloze of nutteloze besteding met verlies van de zaak of de titel tot gevolg, en het bedrieglijk opzet zijn verenigd; een ingebrekestelling is geen constitutief bestanddeel van misbruik van vertrouwen en het is evenmin een noodzakelijk element om dit wanbedrijf te bewijzen, wanneer uit andere elementen blijkt dat de dader bedrieglijk heeft gehandeld

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 3 juni 2014, RW 2014-2015, 1463

 

AR nr. P.13.0283.N

Y.L.H.L. t/ J.V.L. en K.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 januari 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 491 Sw., art. 16 Voorafgaande Titel Sv. en art. 1235 e.v. BW: het arrest leidt uit de bewezen verklaarde feiten ten onrechte af dat het voor het misdrijf misbruik van vertrouwen vereiste constitutieve element, bestaande in de afgifte van goederen te precairen titel, namelijk onder de verplichting ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, vervuld is; bovendien miskent het arrest het begrip “betaling”, die in het burgerlijk recht dat hier van toepassing is, tot stand komt door de afgifte van de geldsom; evenmin houdt het arrest rekening met de bewijsregels van de verbintenissen in het burgerlijk recht, waaronder art. 1341 BW, volgens welk overeenkomsten in principe bewezen moeten worden door een geschrift.

2. Het misdrijf misbruik van vertrouwen vereist een vrijwillige overdracht van het precair bezit van een in art. 491 Sw. bedoelde zaak aan de dader door of namens de eigenaar, alsmede het opzet van de dader zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en aldus als eigenaar erover te beschikken.

3. Krachtens art. 16, eerste lid Voorafgaande Titel Sv. dient het bewijs van de overeenkomst op grond waarvan de pleger van het misbruik van vertrouwen verplicht was de zaak terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, ingeval die overeenkomst betwist wordt, overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht te worden geleverd.

Deze bepaling wil voorkomen dat een eiser de burgerlijke bewijsregels zou omzeilen door de zaak voor de strafrechter te brengen.

4. Het arrest oordeelt dat op grond van de gegevens van het strafdossier die het aanwijst, bewezen is dat:

– de verweerders bij koopcompromis van 3 maart 2010 van eisers vennootschap een onroerend goed kochten tegen de prijs van 130.000 euro;

– de eiser een voorschot van 20.000 euro in contanten vroeg omdat hij financieel in moeilijke papieren zat, waarmee de verweerders akkoord gingen, met dien verstande dat zij wensten dat dit notarieel zou worden vastgelegd;

– op vraag van de eiser, partijen elkaar op 12 april 2010, kort vóór de afgesproken bijeenkomst bij de notaris, ontmoetten op een nabijgelegen parking en toen de eerste verweerder in eisers auto kwam zitten, de eiser hem vroeg het voorschot te mogen zien om zich ervan te vergewissen of de verweerders wel over een dergelijk bedrag beschikten;

– de eerste verweerder aan de eiser de enveloppe met 20.000 euro in contanten toonde, waarop de eiser die enveloppe met het geld ter hand nam, ze in een geel kaftje stopte en op eerste verweerders vraag tot teruggave ervan, antwoordde dat dit geen probleem was en dat ze samen naar de notaris zouden rijden;

– toen de eerste verweerder eisers wagen verliet om aan de tweede verweerster te gaan zeggen dat hij met de eiser meereed naar de notaris, de eiser met het geld wegreed en vervolgens niet bij de notaris opdaagde.

5. Het arrest oordeelt onder meer ook dat:

– de eiser door bedrieglijk te ontkennen het bedrag van 20.000 euro in de voormelde omstandigheden te hebben ontvangen, handelde als eigenaar van dit bedrag en het bijgevolg verduisterde, terwijl hij wist dat het bedrag hem uitsluitend ter bede was ter hand gesteld;

– de eerste verweerder dat bedrag niet aan de eiser heeft overhandigd als betaling van een gedeelte van de verkoopprijs, maar het enkel meebracht om de eiser te laten zien dit bedrag wel degelijk voorhanden te hebben, en het bedrag enkel ter bede in eisers handen heeft gelaten in de veronderstelling dat zij samen naar het notariskantoor zouden rijden om daar de betaling te laten gebeuren en er een akte van te laten opmaken.

6. Het arrest dat met die redenen oordeelt dat eisers bezit van het vermelde bedrag gegrond is op de omstandigheid dat de eerste verweerder het hem ter bede ter hand heeft gesteld, stelt het bestaan vast van een tussen de eerste verweerder en de eiser in die zin gesloten overeenkomst.

Door het bestaan van die door de eiser betwiste overeenkomst niet vast te stellen naar de regels van art. 1341 e.v. BW en evenmin de omstandigheden aan te wijzen die het de verweerders onmogelijk maakten zich een schriftelijk bewijs van die overeenkomst te verschaffen en die het bewijs van het bestaan ervan door getuigen of vermoedens zouden toelaten, schendt het arrest art. 16 Voorafgaande Titel Sv.

Het onderdeel is gegrond.

...

Zie ook noot onder dit arrest: Van den Steen L. "De grondslag van het precair bezit bij misbruik van vertrouwen, of waar strafrecht en burgerlijk recht elkaar (soms) vinden"

A. De grondslag van het precair bezit

1° Historische schets van art. 491 Sw.
2° Een overeenkomst als grondslag voor de overdracht van het precair bezit
3° Om het even welke rechtsband van houderschap als grondslag voor de overdracht van het precair bezit?
4° Een kijkje bij de zuiderburen

B. De toepassing van art. 16 Voorafgaande Titel Sv.

C. Evaluatie


Rechtsleer:

• L. Huybrechts, “Misbruik van vertrouwen” in Comm.Straf., Mechelen, Kluwer, 2013, losbladig, p. 3 e.v
• RPDB, v°, Abus de confiance, p. 17, nr. 93;
• R. Dezeure, Misbruik van vertrouwen en verduistering in APR, Brussel, Larcier, 1969, p. 221, nr. 477
• S. Van Dyck, “Misbruik van vertrouwen: het verduisteren of verspillen “de la chose d’autrui”” (noot onder Antwerpen 2 oktober 1997), T.Straf. 2001, p. 140, nr. 5


19px; margin-right: 19px">Misbruik van vertrouwen.

Misbruik van vertrouwen is de bedrieglijke verduistering of verspilling, ten nadele van een ander, van voorwerpen die men ontvangen had onder de verplichting van ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden.

Het misdrijf misbruik van vertrouwen vereist een vrijwillige overdracht van het precair bezit van een in art. 491 Sw. bedoelde zaak aan de dader door of namens de eigenaar, alsmede het opzet van de dader zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en aldus als eigenaar erover te beschikken.


Bestanddelen:

1) een materiële daad van verduistering of verspilling:
verduistering: het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de toevertrouwde zaak
verspilling: kan bestaan in vervreemding, een inpandgeving, een waarborgstelling van een persoonlijke schuld, een verbruik

2) bedrieglijk inzicht:
het oogmerk om zich een zaak van een ander toe te eigenen.

3) het bestaan van een mogelijke benadeling:
voldoende is dat door de bedrieglijke handeling een benadeling mogelijk zou zijn.

4) het voorwerp:
het gaat om alle zaken die het voorwerp van diefstal kunnen zijn. Onroerende goederen kunnen dus niet het voorwerp van een misbruik van vertrouwen uitmaken, de eigendomstitel daarentegen wel.

5) de voorafgaande afgifte:
de voorafgaande afgifte door de eigenaar of de benadeelde is geschied wanneer de betrokken dader nog ter goeder trouw was. = verschil met oplichting,; bij oplichting gebruikt de dader een valse naam, valse hoedanigheid of gebruik van listige kunstgrepen om zich een zaak toe te eigenen. Hij is reeds bij de overhandiging te kwader trouw.

6) het precair karakter van de afgifte:
een zaak werd overhandigd onder de verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden.


Wettelijke bepalingen: uittreksel uit het strafwetboek misbruik van vertrouwen


Art. 491
Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro].
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.


Art. 492
De bepaling van artikel 462 is toepasselijk op het misdrijf in het vorige artikel omschreven.


[Art. 492bis
Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van honderd [euro] tot vijfhonderdduizend [euro] worden gestraft de bestuurders, in feite of in rechte, van burgerlijke en handelsvennootschappen, alsook van verenigingen zonder winstoogmerk, die met bedrieglijk opzet en voor persoonlijke rechtstreekse of indirecte doeleinden gebruik hebben gemaakt van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon, hoewel zij wisten dat zulks op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten.
De schuldigen kunnen daarenboven veroordeeld worden tot ontzetting van hun rechten overeenkomstig artikel 33.]


Verwerping van beroep
Artikel_492bis schendt de artikelen_12 en 14 van de Grondwet niet ( Arbitragehof nr. 40/2006, 15_maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 31_mei 2006 (tweede uitg.))).


Art. 493
Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro] wordt gestraft hij die misbruik maakt van de behoeften, de zwakheden, [de hartstochten of de onwetendheid] van een minderjarige om hem, te zijnen nadele, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen, handelspapieren of enig ander verbindend papier te doen tekenen, in welke vorm deze handeling ook verricht of vermomd mag zijn.
De schuldige kan bovendien worden veroordeeld tot ontzetting van rechten overeenkomstig artikel 33.


Art. 494
[Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van duizend [euro] tot tienduizend [euro] of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die de wettelijke interest overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de zwakheden of de hartstochten van de lener te misbruiken.
Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die zich wegens een in enigerlei vorm aangegane geldlening voor zichzelf of voor een ander een interest of andere voordelen doet beloven, die klaarblijkelijk de normale interest en de dekking van het risico van die lening overschrijden, indien hij er een gewoonte van maakt de behoeften of de onwetendheid van de lener te misbruiken.
In de gevallen van dit artikel vermindert de rechter, op vordering van elke benadeelde partij, haar verplichtingen overeenkomstig artikel 1907ter van het Burgerlijk Wetboek.]


Art. 495
Hij die, na in een rechtsgeding enige titel, enig stuk of enige memorie te hebben overgelegd, die titel, dat stuk of die memorie, op welke wijze ook, kwaadwillig of bedrieglijk verduistert, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig [euro] tot driehonderd [euro].
Deze straf wordt uitgesproken door de rechtbank waarbij het geschil aanhangig is.


[Art. 495bis
Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot duizend [euro], of met een van die straffen alleen, wordt gestraft hij die een stuk dat hij onder zich heeft en waarvan de overlegging in rechte bij een vonnis wordt bevolen, bedrieglijk vernietigt, verandert of verbergt.]


 

Krachtens art. 16, eerste lid Voorafgaande Titel Sv. dient het bewijs van de overeenkomst op grond waarvan de pleger van het misbruik van vertrouwen verplicht was de zaak terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, ingeval die overeenkomst betwist wordt, overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht te worden geleverd.

Deze bepaling wil voorkomen dat een eiser de burgerlijke bewijsregels zou omzeilen door de zaak voor de strafrechter te brengen.
 

Rechtspraak:

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 3 juni 2014, RW 2014-2015, 1463

AR nr. P.13.0283.N

Y.L.H.L. t/ J.V.L. en K.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 januari 2013....

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van art. 491 Sw., art. 16 Voorafgaande Titel Sv. en art. 1235 e.v. BW: het arrest leidt uit de bewezen verklaarde feiten ten onrechte af dat het voor het misdrijf misbruik van vertrouwen vereiste constitutieve element, bestaande in de afgifte van goederen te precairen titel, namelijk onder de verplichting ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, vervuld is; bovendien miskent het arrest het begrip “betaling”, die in het burgerlijk recht dat hier van toepassing is, tot stand komt door de afgifte van de geldsom; evenmin houdt het arrest rekening met de bewijsregels van de verbintenissen in het burgerlijk recht, waaronder art. 1341 BW, volgens welk overeenkomsten in principe bewezen moeten worden door een geschrift.

2. Het misdrijf misbruik van vertrouwen vereist een vrijwillige overdracht van het precair bezit van een in art. 491 Sw. bedoelde zaak aan de dader door of namens de eigenaar, alsmede het opzet van de dader zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en aldus als eigenaar erover te beschikken.

3. Krachtens art. 16, eerste lid Voorafgaande Titel Sv. dient het bewijs van de overeenkomst op grond waarvan de pleger van het misbruik van vertrouwen verplicht was de zaak terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, ingeval die overeenkomst betwist wordt, overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht te worden geleverd.

Deze bepaling wil voorkomen dat een eiser de burgerlijke bewijsregels zou omzeilen door de zaak voor de strafrechter te brengen.

4. Het arrest oordeelt dat op grond van de gegevens van het strafdossier die het aanwijst, bewezen is dat:

– de verweerders bij koopcompromis van 3 maart 2010 van eisers vennootschap een onroerend goed kochten tegen de prijs van 130.000 euro;
– de eiser een voorschot van 20.000 euro in contanten vroeg omdat hij financieel in moeilijke papieren zat, waarmee de verweerders akkoord gingen, met dien verstande dat zij wensten dat dit notarieel zou worden vastgelegd;
– op vraag van de eiser, partijen elkaar op 12 april 2010, kort vóór de afgesproken bijeenkomst bij de notaris, ontmoetten op een nabijgelegen parking en toen de eerste verweerder in eisers auto kwam zitten, de eiser hem vroeg het voorschot te mogen zien om zich ervan te vergewissen of de verweerders wel over een dergelijk bedrag beschikten;
– de eerste verweerder aan de eiser de enveloppe met 20.000 euro in contanten toonde, waarop de eiser die enveloppe met het geld ter hand nam, ze in een geel kaftje stopte en op eerste verweerders vraag tot teruggave ervan, antwoordde dat dit geen probleem was en dat ze samen naar de notaris zouden rijden;
– toen de eerste verweerder eisers wagen verliet om aan de tweede verweerster te gaan zeggen dat hij met de eiser meereed naar de notaris, de eiser met het geld wegreed en vervolgens niet bij de notaris opdaagde.

5. Het arrest oordeelt onder meer ook dat:
– de eiser door bedrieglijk te ontkennen het bedrag van 20.000 euro in de voormelde omstandigheden te hebben ontvangen, handelde als eigenaar van dit bedrag en het bijgevolg verduisterde, terwijl hij wist dat het bedrag hem uitsluitend ter bede was ter hand gesteld
– de eerste verweerder dat bedrag niet aan de eiser heeft overhandigd als betaling van een gedeelte van de verkoopprijs, maar het enkel meebracht om de eiser te laten zien dit bedrag wel degelijk voorhanden te hebben, en het bedrag enkel ter bede in eisers handen heeft gelaten in de veronderstelling dat zij samen naar het notariskantoor zouden rijden om daar de betaling te laten gebeuren en er een akte van te laten opmaken.

6. Het arrest dat met die redenen oordeelt dat eisers bezit van het vermelde bedrag gegrond is op de omstandigheid dat de eerste verweerder het hem ter bede ter hand heeft gesteld, stelt het bestaan vast van een tussen de eerste verweerder en de eiser in die zin gesloten overeenkomst.

Door het bestaan van die door de eiser betwiste overeenkomst niet vast te stellen naar de regels van art. 1341 e.v. BW en evenmin de omstandigheden aan te wijzen die het de verweerders onmogelijk maakten zich een schriftelijk bewijs van die overeenkomst te verschaffen en die het bewijs van het bestaan ervan door getuigen of vermoedens zouden toelaten, schendt het arrest art. 16 Voorafgaande Titel Sv.

Het onderdeel is gegrond....

Zie ook noot onder dit arrest: Van den Steen L. "De grondslag van het precair bezit bij misbruik van vertrouwen, of waar strafrecht en burgerlijk recht elkaar (soms) vinden", inhoudstafel van de noot:

A. De grondslag van het precair bezit
1° Historische schets van art. 491 Sw.
2° Een overeenkomst als grondslag voor de overdracht van het precair bezit
3° Om het even welke rechtsband van houderschap als grondslag voor de overdracht van het precair bezit?
4° Een kijkje bij de zuiderburen

B. De toepassing van art. 16 Voorafgaande Titel Sv.

C. Evaluatie

 

•• Cass. AR C.97.0363.F, 28 januari 1999 (Groupe Josi N.V. / Vilain) http://www.cass.be (18 oktober 2001); , Act. jur. baux 1999, 95; , Arr. Cass. 1999, 101; , Bull. 1999, 105; , De Verz. 2000, 267; , Verkeersrecht 1999, 197.

Het moreel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen bestaat in de bedoeling van de dader om zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en er aldus als eigenaar over te beschikken; het verkeerd gebruik van de gehuurde zaak impliceert in se niet de bedoeling om zich als zodanig te gedragen (art. 491 Sw.).

•• Cass. AR P.95.379.F, 6 september 1995 (Mosquée islamique de Liège V.Z.W. / Akoudad) http://www.cass.be (18 oktober 2001); , Arr. Cass. 1995, 749; , Bull. 1995, 777; , Pas. 1995, I, 777; , R.W. 1995-96, 1415, noot VANDEPLAS, A.; , Rev. dr. pén. 1996, 334.

Het moreel bestanddeel van het misdrijf 'misbruik van vertrouwen' bestaat in de bedoeling van de dader om zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en er aldus als eigenaar over te beschikken. Zowel de goede trouw van de dader als zijn beweegredenen zijn dienaangaande zonder belang (art. 491 Sw.).

•• Cass. AR 2941, 9 april 1991 (Marchand / Strubbe) http://www.cass.be  (18 oktober 2001); , Arr. Cass. 1990-91, 813; , Bull. 1991, 720; , Pas. 1991, I, 720; , R.W. 1991-92, 461, noot VANDEPLAS, A., Betreffende misbruik van vertrouwen

Het misdrijf 'misbruik van vertrouwen' is voltrokken op het ogenblik dat degene aan wie roerende zaken werden toevertrouwd onder de verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, niet meer in de mogelijkheid verkeert ze terug te geven of ze tot de overeengekomen bestemming te gebruiken (art. 491 Sw.).

•• Antwerpen 2 oktober 1997, T. Strafr. 2001, 137, noot VAN DYCK, S., Misbruik van vertrouwen: het verduisteren of verspillen 'de la chose d'autrui'.

Het wanbedrijf van misbruik van vertrouwen kan enkel plaatsgrijpen wanneer beklaagden slechts een precair bezit hebben van het overhandigde voorwerp, zodat zij dit precair bezit kunnen omzetten in een bezit 'animo domini'. Aangezien de ter beschikking gestelde gelden echter eigendom werden van beklaagden, kunnen zij zich niet schuldig hebben gemaakt aan enige verduistering zoals bedoeld in art. 491 Sw.

•• Gent 11 juni 2002, T. Strafr. 2003, afl. 2, 81.

De dienstbode of loondienaar, die zich een zaak toeeigent die hem door zijn meester werd toevertrouwd teneinde een opdracht uit te voeren, die valt binnen het raam van een contract van dienstverhuring, maakt zich schuldig aan huisdiefstal en niet aan misbruik van vertrouwen.


•• Luik 21 december 1995, De Verz. 1996, 470.

Het idee van de bedrieglijke ontvreemding sluit alle gevallen uit waarbij de zaak voorafgaandelijk wordt overgedragen of toevertrouwd aan de betrokkene, want de normale detentie van de zaak sluit een dergelijk begrip uit.
Misbruik van vertrouwen wordt omschreven als een toeëigening in weerwil van de titel, krachtens welke aan de dader het goed werd overhandigd.

•• Pol. Gent 13 september 1995, R.W. 1995-96, 1355, noot VANDEPLAS, A.; , Verkeersrecht 1996, 108; , Verkeersrecht 1997, 3.

Wie een voertuig dat hem tijdelijk is toevertrouwd voor een bepaald doel, niet teruggeeft, maar misbruik maakt van het bezit ter bede om zonder toestemming van de eigenaar een rit te maken, pleegt geen diefstal maar misbruik van vertrouwen.

•• Cass. AR P.04.0887.F, 5 februari 2005, DAOR 2005 (verkort), afl. 74, 169.

Het misdrijf van misbruik van vertrouwen vereist o.m. een overdracht van het precaire bezit van het voorwerp aan de dader door de eigenaar ervan of door een derde die voor rekening van deze laatste handelt. Het frauduleus achterhouden of het geheim, schadelijk en wederrechtelijk gebruik van een vennootschapsgoed kan het misdrijf uitmaken dat door art. 492bis Sw. (misbruik van vennootschapsgoederen) wordt beteugeld, maar kan niet deze uitmaken van art. 491 Sw. (misbruik van vertrouwen), wanneer de dader niet in het bezit werd gesteld van de goederen en zich dus deze niet kon toeëigenen.
 

•• Cass. (2e k.) AR P.00.1098.F, 29 november 2000 (R.) http://www.cass.be  (18 oktober 2001); , Arr. Cass. 2000, afl. 9, 1870; , Bull. 2000, afl. 11, 1831; , J.L.M.B. 2001, afl. 32, 1383 en http://jlmbi.larcier.be (23 augustus 2002).

Het misdrijf misbruik van vertrouwen vereist, aan de zijde van de dader, een onrechtmatige verandering van het ter bede onder zich hebben in een bezit animo domini (art. 491 Sw.).

De roerende goederen waarop het misbruik van vertrouwen betrekking kan hebben, zijn die welke op beperkende wijze worden opgesomd in art. 491 Sw.; die bepaling is, in de regel, weliswaar niet van toepassing op geschriften die noch een verplichting noch een schuldbevrijding bevatten, maar ze bestraft wel de verduistering ervan wanneer die geschriften een goed vertegenwoordigen of een vermogensrechtelijke waarde hebben.

•• Cass. AR P.97.0662.N, 8 september 1998 (Joosten) http://www.cass.be (18 oktober 2001); , Arr. Cass. 1998, 866; , Bull. 1998, 931.

Het moreel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen bestaat niet in de bedoeling nadeel toe te brengen aan de eigenaar (art. 491 Sw.).

Het moreel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen bestaat in de bedoeling van de dader zich de toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en er aldus zelf als eigenaar over te beschikken; zowel de eventuele goede trouw van de dader als zijn beweegredenen zijn dienaangaande zonder belang (art. 491 Sw.).

Het misdrijf misbruik van vertrouwen is voltooid op het ogenblik van de verduistering of verspilling; de omstandigheid dat, na de voltooiing van het misdrijf het op de verduisterde voorwerpen rustende eigendomsvoorbehoud zou zijn vervallen, neemt het voorheen gepleegde misdrijf niet weg (art. 491 Sw).
 

•• Cass. AR 154, 29 april 1986 (De Decker / Teerlynck), Arr. Cass. 1985-86, 1169; , Bull. 1986, 1056; , Pas. 1986, I, 1056.

De beslissing waarbij een veroordeling wordt uitgesproken wegens misbruik van vertrouwen is niet naar recht verantwoord als de rechter vaststelt dat de verduisterde of verspilde zaak nooit aan de beklaagde was overhandigd (art. 491 Sw.). 

•• Antwerpen 12 oktober 2000, R.W. 2000-01, 989, noot VANDEPLAS, A. Noot VANDEPLAS, A., Over de verduistering van voertuigen

Pleegt geen misbruik van vertrouwen de huurder van een voertuig die de hem toevertrouwde zaak langer gebruikt dan is overeengekomen of die het voertuig, in strijd met de overeenkomst, te laat terugbezorgt aan de eigenaar. 

•• Brussel 24 maart 2000, J.T. 2000 (verkort), 580.

Misbruik van vertrouwen is een ogenblikkelijk misdrijf, in beginsel voltrokken zodra het materiële feit van de verduistering en het bedrieglijke opzet zijn verenigd.
De verjaring van de strafvordering begint te lopen vanaf de datum waarop de persoon aan wie de roerende goederen werden overgemaakt met de verplichting deze terug te geven of er een bepaald gebruik van te maken, zich in een situatie bevindt waarbij hij deze hetzij niet meer kan teruggeven, hetzij er niet meer het overeengekomen gebruik kan van maken.
Een ingebrekestelling kan de verduistering of de verkwisting aan het licht brengen. Deze maakt evenwel niet het volstrekt noodzakelijke bewijs uit om de tenlastelegging vast te stellen, maar kan, naar gelang van de omstandigheden, bijdragen tot dit bewijs. 

•• Brussel 15 maart 1988, J.L. 1988, 1031.

De strafrechter dient alle strafrechtelijke kwalificaties te onderzoeken. Een veroordeling op grond van misbruik van vertrouwen bepaalt noodzakelijkerwijze dat er geen andere inbreuk is gepleegd, zoals diefstal.

•• Brussel 23 december 1987, Rev. prat. soc. 1988, 53, noot X. .

Zwart geld van een vennootschap gebruikt door een afgevaardigd-bestuurder van die vennootschap kan alleen als misbruik van vertrouwen tegen de vennootschap omschreven worden, indien bewezen wordt dat de vennootschap daardoor schade leed. De jaarlijkse ontlasting van de bestuurders verhindert dit bewijs. 

•• Luik 25 april 1991, J.L.M.B. 1992, 484, noot O.W.; , Rev. dr. pén. 1991, 1013, noot H.D.B.

Het frauduleus kopiëren van een elektronisch programma behelst geen diefstal of misbruik van vertrouwen daar het onlichamelijke zaken betreft die niet kunnen overgedragen worden. (Noot: dit neemt evenwel niet weg dat deze feiten andere informaticamisdrijven kunnen uitmaken).

•• Rk. Luik 20 februari 2002, J.L.M.B. 2002, afl. 40, 1773 .

Het "spelerskapitaal" van een voetbalclub wordt niet gevormd door de spelers zelf, die vanzelfsprekend niet kunnen worden toegeëigend, maar door de rechten om ze in competitie te laten spelen; deze rechten kunnen worden afgestaan tegen geldbedragen, die gewoonlijk "transfervergoedingen" worden genoemd. Deze rechten vormen immateriële activa. De verduistering ervan kan dus geen misbruik van vertrouwen vormen. 

•• Corr. Brussel (44e k.) 30 mei 2001, J.T. 2001, 636, noot.

De overhandiging van het verduisterde goed in de zin van art. 491 Sw. moet het precaire bezit overdragen van het goed zodanig dat er geen verduistering kan zijn wanneer de verdachte ervan eigenaar is geworden.

De burgerlijke partijen roepen terzake het bestaan in van een beheersovereenkomst die aanleunt bij een mandaat, hetgeen de overhandiging van de titels door de overledene aan de verdachte uitlegt, en welke overeenkomst deze laatste verplichtte tot teruggave van de titels.

Gevat door een misdrijf van misbruik van vertrouwen, is de strafrechter, wanneer hij oordeelt over het bestaan van een overeenkomst die zou geschonden zijn geweest door de inbreuk, verplicht zich naar de regels van het burgerlijke recht te gedragen.

Art. 1341 B.W. is aldus van toepassing. Het wettelijke, dit wil zeggen het geschreven, bewijs van de overeenkomst wordt terzake echter niet aangebracht. Uit het dossier blijken daarentegen vermoedens die aanleunen bij de beweringen van de verdachte betreffende de vrijgevige bedoeling van de overledene ten zijnen opzichte, die het bestaan van een beheersovereenkomst tegenspreken.

•• Corr. Turnhout 11 april 1991, Turnh. Rechtsl. 1991, 117.

Een werknemer van een kapper kopiëert een aantal klantenfiches. Na ontslag schrijft hij deze klanten aan om hen in kennis te stellen van zijn nieuwe tewerkstelling.

Het klantenbestand van een handelszaak maakt een in geld waardeerbaar vermogensbestanddeel van deze handelszaak uit, zodat de voormalige werknemer zich schuldig maakt aan misbruik van vertrouwen (art. 491 Sw.).



Rechtsleer

• L. Huybrechts, “Misbruik van vertrouwen” in Comm. Straf., Mechelen, Kluwer, losbl., p. 10, nr. 19; J.-S.-
• G. Nypels en J. Servais, Le Code pénal belge interprété, IV, Brussel, Bruylant, 1899, p. 35-36, nrs. 31-32.
• RPDB, v°, Abus de confiance, p. 17, nr. 93;
• R. Dezeure, Misbruik van vertrouwen en verduistering in APR, Brussel, Larcier, 1969, p. 221, nr. 477
• S. Van Dyck, “Misbruik van vertrouwen: het verduisteren of verspillen “de la chose d’autrui”” (noot onder Antwerpen 2 oktober 1997), T.Straf. 2001, p. 140, nr. 5

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: do, 14/05/2015 - 12:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.