-A +A

minnelijke schikking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
opgelet het toepassingsgebied van deze wet is grond uitgebreid door de wet van 14 april 2011. Voor de nieuwe uitgebreide bepalingen: klik hier minnelijke schikkingen kunnen thans ingevolge het gewijzigde 216bis SV worden voorgesteld door het parket voor een feit dat niet van aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf» 

De reparatiewet voert tevens een tweede materiële beperking in, in de vorm van een uitsluiting. Het feit waarvoor de minnelijke schikking wordt voorgesteld, mag namelijk «geen zware aantasting inhouden van de lichamelijke integriteit».Het feit waarvoor de minnelijke schikking wordt voorgesteld, mag namelijk «geen zware aantasting inhouden van de lichamelijke integriteit».


 

 

Een "Minnelijke schikking" is een maatregel die het parket kan voorstellen wanneer een een overtreding begaan werd, die door de verdachte wordt erkend. Indien de betaling gebeurt binnen de gestelde termijn vervalt hierdoor de strafvordering.
 

In artikel 216bis van het wetboek van strafvordering worden voorzien dat het verzoek tot betaling van een minnelijke schikking door de procureur des konings, gedaan dient te worden door een aangetekende brief, dan wel door een waarschuwing afgegeven door een agent van de openbare macht.

 

Indien het verzoek tot betaling gebeurt door middel van een niet aangetekende brief, is er aldus niet voldaan aan artikel 216 bis van het wetboek van strafvordering en is er derhalve ten aanzien van de verdachte geen termijn beginnen lopen voor de betaling van de minnelijke schikking. Hierdoor is de strafvordering uitgedoofd voor zover van de minnelijke schikking voor de zitting van de politierechter plaatsvindt. Zie Corr. Liège, 4 december 2006, T. Pol, 2007, 166

rechtspraak:

Correctionele Rechtbank te Brugge, 13e Kamer – 6 juni 2008, RW 2008-2009, 939 NOOT – Over het verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom link naar deze rechtspraak en noot (paswoord RW vereist)

...

Nopens de te late betaling van de onmiddellijke inning

Wegens de aan de beklaagde ten laste gelegde overtreding werd een som geheven van 50 euro. Uit de stukken die het openbaar ministerie (uittreksel «Portal BPO») voorlegt, blijkt dat de uitnodiging tot betaling dateert van 4 december 2006. Beklaagde stuurde het openbaar ministerie een rekeninguittreksel waaruit blijkt dat hij de som van 50 euro op 29 januari 2007 betaalde.

Art. 65, § 1, Wegverkeerswet bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden en voor welbepaalde overtredingen een som kan worden geheven. Door betaling vervalt de strafvordering (art. 65, § 2, Wegverkeerswet).

De nadere regels inzake heffing worden door de Koning bepaald (art. 65, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet). Deze regels zijn vastgesteld bij het K.B. van 22 december 2003 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van de overtredingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten (B.S. 31 december 2003 (tweede uitgave), erratum B.S. 9 september 2004 (tweede uitgave)).

Art. 3.3. van voormeld K.B. bepaalt dat de betaling met overschrijving wordt uitgevoerd binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de toezending van de uitnodiging tot betaling.

De uitnodiging tot betaling dateert te dezen van 4 december 2006, zodat de betaling te laat is gebeurd.

Aangezien de betaling gebeurd is in strijd met voormelde wetsbepaling, is de strafvordering niet vervallen.

Art. 65, § 2, Wegverkeerswet handelt over het geval waarin er tijdig betaald wordt en is om die reden in huidig geval van te late betaling niet van toepassing.

Dat de politie in de praktijk eventueel ruimere betalingstermijnen hanteert, kan hoogstens als een gunst worden beschouwd, maar laat de bij K.B. vastgestelde termijn van tien dagen onverlet.

De beklaagde verwijst verder naar een omzendbrief van het college van procureurs-generaal. Omzendbrieven of circulaires van de minister van Justitie of van de procureurs-generaal zijn evenwel geen formele bron van strafvordering (Cass. 8 februari 1985, Arr. Cass. 1984-85, nr. 342). Ze zijn voor de rechtbanken geenszins bindend en de schending ervan levert geen cassatiegrond op. Hoogstens hebben omzendbrieven het statuut van interne dienstvoorschriften voor het openbaar ministerie en de politiediensten met maatregelen voor de uitwerking van het strafrechtelijk beleid en de goede werking van het openbaar ministerie (R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, p. 54, nr. 34).

...

 

Nog dit: 

Rechtsleer: 
Tom DECAIGNY, Paul DE HERT en Leo VAN GARSSE, De minnelijke schikking na de wetten van 14 april en 11 juli 2011: verruiming van de buitengerechtelijke afhandeling en fundamentele hervorming, RW 2011-2012, 550

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: za, 12/11/2011 - 11:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.