-A +A

Het mandaat van de advocaat wanneer hij niet in rechte optreedt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Aloïs VAN OEVELEN
Tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1586
Samenvatting
Inhoudstafel tekst: 

I. Inleiding – Afbakening van het te behandelen onderwerp
II. De reikwijdte van het mandaat ad litem van de advocaat
III. Het bewijs van het mandaat van de advocaat als hij niet in rechte optreedt
A. Algemeen
B. Het bewijs tussen partijen (art. 1985, eerste lid B.W)
C. Het bewijs tegenover en door de derde met wie de lasthebber handelt
1° Het bewijs door de derde met wie de lasthebber heeft gehandeld (art. 1348 en 1353 B.W)
2° Het bewijs tegenover de derde met wie de lasthebber heeft gehandeld (art. 1165 B.W.).
IV. De omvang van het mandaat van de advocaat als hij niet in rechte optreedt
V. De gevolgen als de advocaat binnen de perken van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gehandeld
VI. De gevolgen als de advocaat de perken van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft overschreden
VII. Besluit

lees de bijdrage "Het mandaat van de advocaat wanneer hij niet in rechte optreedt" van Aloïs VAN OEVELEN, in het RW 2009-2010, p. 1586 met het paswoord RW

Geciteerde bronnen:

mandaat ad litem

Het art. 440, tweede lid, Ger. W. stelt dat de advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving vereist. Deze bepaling houdt een wettelijk  weerlegbaar vermoeden in dat de advocaat die voor een rechtscollege verschijnt als de procesvertegenwoordiger van zijn cliënt, ook de daadwerkelijke lasthebber is van zijn cliënt, zonder dat de advocaat zijn mandaat dient te bewijzen, zelfs niet als de tegenpartij hierom verzoekt. Dit bewijs wordt geleverd door het optreden zelf van de advocaat of door zijn verklaring dat hij de lasthebber is van zijn cliënt. In dat geval wordt de advocaat met andere woorden op zijn woord geloofd. Cass. 9 februari 1978, Arr. Cass. 1978, 688, Pas. 1978, I, 669, J.T. 1978, 361, R.W. 1978-79, 31; Cass. 18 december 1984, Arr. Cass. 1984-85, 551, Pas. 1985, I, 485, R.W. 1985-86, 1481, noot; Cass. 17 april 1997, R.W. 1997-98, 829, J.L.M.B. 1997, 908, P.&B. 1998, 5, Rev. prat. soc. 1998, 94; Arbh. Brussel 20 maart 1985, J.T.T. 1985, 231; Brussel 1 oktober 1999, F.J.F. 2005, 1; Kort ged. Kh. Brussel 20 maart 1984, J.T. 1984, 463, noot P. LAMBERT; Rb. Namen 30 september 1985, R.R.D. 1985, 342; Kort ged. Rb. Brussel 31 juli 1986, J.T. 1986, 515; Rb. Luik 18 februari 1987, T.B.B.R. 1987, 93; Kort ged. Rb. Nijvel 15 januari 1991, J.L.M.B. 1991, 604; Kh. Dendermonde 13 november 2008, R.W. 2009-10, 290; J. VANANROYE, «Proceshandelingen qualitate qua, de bevoegdheid van de advocaat (art. 440, tweede lid, Ger. W.) en de vertegenwoordiging van een rechtspersoon» (noot onder Cass. 17 april 1997), T.R.V. 1998, (517), p. 521, nr. 3.
 

De bepaling van art. 440, tweede lid, Ger. W. geldt zowel voor de rechtscolleges van de rechterlijke orde als voor de administratieve rechtscolleges en de tuchtrechtscolleges. Wat de tuchtrechtscolleges betreft dient evenwel opgemerkt dat deze bepaling slechts geldt voor zover de rechtspleging van het tuchtcollege niet geregeld wordt door wetsbepalingen die onverenigbaar zijn met die van het Gerechtelijk Wetboek (zie art. 2 Ger. W.; Cass. 23 mei 1997, Arr. Cass. 1997, 566, Pas. 1997, 587, T. Gez. 1996-97, 112, noot K. BROECKX, «Kan alleen een advocaat een geneesheer bijstaan voor de tuchtoverheid?»; R.v.St. 30 juli 1985, Pas. 1988, IV, 106; J. VANANROYE, o.c., T.R.V. 1998, p. 525, nr. 4; vergelijk: J. STEVENS, o.c., p. 392, nr. 537).

Bij herhaling stelde het Hof van Cassatie dat een advocaat die voor een rechtscollege van de rechterlijke orde een proceshandeling verricht en verklaart op te treden namens een behoorlijk geïdentificeerde publiekrechtelijke rechtspersoon, wettelijk vermoed wordt daartoe een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen van een bevoegd orgaan van die rechtspersoon (Cass. 18 december 1984, Arr. Cass. 1984-85, 551, Pas. 1985, I, 485, R.W. 1985-86, 1481, noot; Cass. 17 april 1997, R.W. 1997-98, 829, J.L.M.B. 1997, 908, P.&B. 1998, 5, Rev. prat. soc. 1998, 94, T.R.V. 1998, noot J. VANANROYE).
 
De Raad van State op haar beurt stelde dat het optreden van een advocaat voor dat rechtscollege geen vermoeden schept dat door de publiekrechtelijke rechtspersoon voor wie de advocaat optreedt een rechtsgeldige beslissing werd genomen tot zijn aanstelling en het voeren van de procedure (R.v.St. Promintio, nr. 22.559, 19 oktober 1982; vergelijk: R.v.St. 29 juni 1987, T.R.V. 1988, 110, noot K. LENAERTS. Zie daarover kritisch: H. LAGA, «De Raad van State en het annulatieberoep ingesteld door een handelsvennootschap», T.R.V. 1988, 173- 181; P. VAN OMMESLAGHE en X. DIEUX, «Examen de jurisprudence (1979-1990). Les sociétés commerciales», R.C.J.B. 1992, (573), p. 652- 657, nrs. 34-35; K. GEENS en H. LAGA, «Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1986-1991)», T.P.R. 1993, (933), p. 1003-1008, nrs. 79-81). Dit verschil in behandeling is volgens het Arbitragehof – thans het Grondwettelijk Hof – niet in strijd met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel van art. 10 en 11 van de Grondwet (Arbitragehof 22 april 1998, nr. 42/98, R.W. 1998-99, 250, noot G. DEBERSAQUES, J.T. 1998, 472, T.R.V. 1998, 319, P.&B. 1998, 62).
 

F. VAN LIEMPT, «Hoever reikt het mandaat ad litem van een advocaat in het kader van een gerechtelijke vereffening- verdeling?», in W. PINTENS en J. DU MONGH (red.), Patrimonium 2006, Antwerpen, Intersentia, 2006, (367), p. 367, nr. 1, en p. 372, nr. 9;

Overige rechtspraak:

• Cass. 24 januari 1974, Arr. Cass. 1974, 576, Pas. 1974, I, 553;
• Cass. 9 december 1983, Arr. Cass. 1983-84, 425, Pas. 1984, I, 402;
• Cass. 7 december 1993, Arr. Cass. 1993, 1026; Luik 7 maart 1978, Jur. Liège 1978-79, 297, noot P. MARTENS;
• Bergen 14 februari 1990, Pas. 1990, II, 169;
• Antwerpen 14 december 2004, NjW 2006, 263, noot N.P.;
• Kort ged. Rb. Luik 10 februari 1992, T.B.B.R. 1992, 450;
• Rb. Brussel 26 januari 2001, J.L.M.B. 2002, 105, noot J. BUYLE.

mandaat van de advocaat buiten de procedure

• Pol. Gent 5 december 1996, R.W. 1999-2000, 956: het ontvangen van aanmaningen en stukken die het verval van een recht of het creëren van een verplichting meebrengen, valt buiten het mandaat ad litem van de advocaat, behoudens wanneer hij hiervoor van zijn cliënt een uitdrukkelijk mandaat heeft ontvangen;
• Pol. Gent 28 oktober 1999, R.W. 2001-02, 1073: het ontvangen van ingebrekestellingen valt buiten het mandaat ad litem van de advocaat.
 

 

Gerelateerd
Bibliotheek
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Aangemaakt op: vr, 14/05/2010 - 18:42
Laatst aangepast op: vr, 14/05/2010 - 18:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.