-A +A

Loopt de verjaring tegen de partij die de vordering niet kan instellen of er geen kennis van heeft?

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

"contra non valentem agere, non currit praescriptio" is een adagium en betekent:

De verjaring van een vordering loopt niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen wegens een beletsel

Een schuldeiser die niet in staat is een daad van stuiting te stellen kan niet geconfronteerd worden met een verjaring van zijn schuldvordering. Deze onmogelijkheid dient absoluut te zijn en de schuldeiser draagt hiervan de bewijslast. Vergetelheid, nalatigheid, veronderstelde insolvabiliteit, administratieve overlast zijn geen onmogelijkheden in hoofde van de schuldeiser.

Let wel dit adagium is geen algemeen rechtsbeginsel naar Belgisch recht, zoals bevestigd door Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577.

 

Cass. (1e k.) AR C.04.0573.F, 30 juni 2006 (S. M. / Fortis AG, B. C.) JLMB 2006, afl. 37, 1622 en Pas. 2006, afl. 7-8, 1563; RW 2009-10

R.G. C.04.0573.F

1. S. M.
2. s. M.,

tegen
1. fortis ag, naamloze vennootschap,

2. B. C.
I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 26 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.


II. Cassatiemiddelen

De eiseressen voeren in hun memorie twee middelen aan.

1. Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

– de artikelen 2251 en 2252 van het Burgerlijk Wetboek;

– artikel 32 van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen;

– de artikelen 320, laatste lid, en 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek;

– algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de verjaring van een rechtsvordering geenszins loopt tegen degene die genoemde rechtsvordering onmogelijk kan uitvoeren ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel, welk beginsel onder meer in de artikelen 2251, 2252 en 2253 van het Burgerlijk Wetboek is neergelegd.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de [eiseressen] niet-gegrond en wijst de toepassing af van het algemeen beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio”, zulks in de onderstaande bewoordingen:

“Dat het argument dat de [eiseressen] wettelijk gezien onmogelijk kunnen optreden doordat ze minderjarig zijn, niet opgaat; dat zij immers het beginsel 'contra non valentem agere non currit praescriptio' aanvoeren; dat zulks eigenlijk een ontkenning is van die hierboven vermelde regel krachtens welke, in verzekeringszaken, de verjaring tegen de minderjarigen loopt”.

Grieven
Artikel 2252 van het Burgerlijk Wetboek poneert het beginsel van de schorsing van de verjaring tijdens de minderjarigheid, behoudens uitzonderingen.

Krachtens een zeer gevestigde rechtspraak is het Hof van Cassatie van oordeel dat de driejarige verjaringstermijn in verzekeringszaken, bedoeld in artikel 32 van de wet van 11 juni 1874 een uitzondering is op artikel 2252 en bijgevolg tegen minderjarigen loopt.

Die rechtspraak wordt als volgt verantwoord:

“Dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juni 1874 blijkt dat de wetgever, aan de hand van artikel 32 van die wet, een beperkte verjaring heeft willen invoeren om in te gaan tegen de verdwijning van bewijzen en controlemiddelen.

Dat dit doel geen verband houdt met de juridische bekwaamheid van de partijen; dat het niet bereikt zou zijn indien de verzekerde of zijn rechtsopvolgers een uit de verzekeringspolis afgeleide rechtsvordering zouden kunnen instellen, ettelijke jaren na de gebeurtenis op grond waarvan die rechtsvordering kan worden ingesteld”.

Er moet echter een onderscheid gemaakt worden tussen minderjarigen met en zonder wettelijk vertegenwoordiger.

Het is ondenkbaar dat de wetgever, toen hij in verzekeringszaken een driejarige verjaringstermijn instelde, gewild heeft dat zij niet alleen tegen minderjarigen met een wettelijk vertegenwoordiger, maar ook tegen minderjarigen zonder wettelijk vertegenwoordiger liep, terwijl artikel 2252 van het Burgerlijk Wetboek, dat niet opgeheven is en de minderjarigen wil beschermen, nog steeds als beginsel poneert dat de verjaring wordt geschorst tijdens de minderjarigheid.

Het algemeen beginsel 'contra non valentem agere non currit praescriptio' vormt uitgerekend de onontbeerlijke uitzondering op de regel dat de driejarige verjaring in verzekeringszaken loopt tegen minderjarigen.

Het Hof was in zijn arrest van 2 januari 1969 van oordeel dat het beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio” impliceerde dat de verjaring van een rechtsvordering niet loopt tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert om die rechtsvordering in te stellen ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel.

Dit is hier wel degelijk het geval, aangezien de [eiseressen] gedurende heel hun minderjarigheid, niet beschikten over een bijzonder bewindvoerder, die krachtens de artikelen 320, laatste lid, en 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek, als enige bevoegd is om hen te vertegenwoordigen bij belangenconflicten, zoals hier, met hun moeder.

Artikel 320, laatste lid, van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:

“Indien een conflict ontstaat over vermogensrechtelijke belangen tussen de kinderen die onder hetzelfde ouderlijk gezag staan, of tussen hen en de ouders of degene van hen die op exclusieve wijze het ouderlijk gezag uitoefent, stelt de toezichthoudende rechter een bijzonder bewindvoerder voor de kinderen aan. Indien het conflict ontstaat tussen de kinderen en één van de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen, berust de vertegenwoordiging van de kinderen uitsluitend bij de andere ouder”.

Artikel 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:
“In alle gevallen waar de ouders gezamenlijk, of degene van hen die op exclusieve wijze het ouderlijk gezag uitoefent, niet kunnen of niet willen een of meer handelingen in het belang van het kind stellen, die buiten het gewone beheer vallen, kan de rechter, op verzoek van het kind zelf, van het openbaar ministerie, of van een naaste verwante die er belang bij kan hebben, na de ouders te hebben gehoord, voor het kind een bijzonder bewindvoerder aanstellen en hem machtigen dergelijke handelingen te stellen”.

Zoals de [eiseressen] in hun conclusie voor het hof van beroep hadden benadrukt, is er een duidelijk belangenconflict tussen hun moeder en haar kinderen betreffende de aansprakelijkheid voor het opsouperen van het geld dat de kinderen bij het overlijden van hun vader hadden ontvangen.

Overeenkomstig artikel 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek kon of wilde [de tweede verweerster], in haar hoedanigheid van beheerder van het vermogen van haar minderjarige kinderen, geen rechtszaak instellen tegen de [eerste] verweerster aangezien dat haar eigen fouten aan het licht zou hebben gebracht en haar ertoe zou hebben genoopt de bedragen die zij had verkwist, met interest terug te betalen.

Uit de artikelen 320, laatste lid, en 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek valt a contrario af te leiden dat in alle gevallen waar de ouders gezamenlijk of degene van hen die op exclusieve wijze het ouderlijk gezag uitoefent, een of meer handelingen in het belang van het kind die buiten het gewone beheer vallen, niet kunnen of willen uitoefenen, de minderjarige in de wettelijke onbekwaamheid verkeert om in rechte op te treden indien hem geen bijzonder bewindvoerder is toegewezen.

Het is precies omdat het minderjarige wettelijk gezien niet in rechte kan optreden dat een bijzonder bewindvoerder kan worden aangesteld.

Die wettelijke onbekwaamheid om op treden, inzonderheid bedoeld bij de artikelen 320, laatste lid, en 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek, vormt het vereiste wettelijke beletsel om hier het beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio” toe te passen.

De mogelijkheid voor de rechter om, op verzoek van het kind zelf, van het openbaar ministerie of van een naaste verwante die er belang bij heeft, een bijzonder bewindvoerder aan te stellen, is de uitgelezen manier om het wettelijk beletsel ongedaan te maken, maar het is niet omdat de wetgever heeft voorzien in een mogelijkheid om het beletsel ongedaan te maken dat het als onbestaande moet worden beschouwd nog voor de rechtspleging tot tenietdoening ervan ingezet is en tot een goed einde is gebracht.

Bovendien is het uiterst belangrijk erop te wijzen dat de rechter, krachtens artikel 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek, een bijzonder bewindvoerder kan aanstellen wanneer men hem erom vraagt, maar dat hij daar niet toe verplicht is.

Aldus zou de rechter, ook al neemt de minderjarige het initiatief om de aanstelling van een bijzonder bewindvoerder te vragen, wel degelijk kunnen weigeren dat verzoek in te willigen en aldus de minderjarige in een wettelijke toestand plaatsen van onbekwaamheid om op te treden.

Doordat er op het verzoek tot aanstelling van een bijzonder bewindvoerder niet automatisch een daadwerkelijke aanstelling volgt, kan men niet stellen dat de mogelijkheid voor de rechter om een bijzonder bewindvoerder aan te stellen hier de toepassing van het adagium “contra non valentem agere non currit praescriptio” zou uitsluiten.

Tot slot mag er niet uit het oog worden verloren dat de weigering om in deze zaak de regel “contra non valentem agere non currit praescriptio” toe te passen, zou indruisen tegen de wil van de wetgever die, door het invoeren van de regeling van de onbekwaamheid van minderjarige kinderen, duidelijk beoogde hen te beschermen en niet hen te beletten om hun rechten te doen gelden.

Hieruit volgt dat het arrest, door de rechtsvordering van de [eiseressen] verjaard te verklaren, de artikelen 2251 en 2252 van het Burgerlijk Wetboek en 32 van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekering schendt, en tevens het algemeen rechtsbeginsel miskent volgens hetwelk de verjaring van een burgerlijke rechtsvordering niet loopt tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert om die rechtsvordering in te stellen ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel (beginsel neergelegd, onder meer, in de artikelen 2251, 2252 en 2253 van het Burgerlijk Wetboek) en bijgevolg de artikelen 320, laatste lid, en 321 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek schendt, in zoverre de [eiseressen], die toentertijd minderjarig waren, doordat er in de bijzondere omstandigheden van de zaak geen bijzonder bewindvoerder was aangesteld, onmogelijk konden optreden ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel”.

2. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
– artikel 149 van de Grondwet;
– de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft het hoger beroep van de [eiseressen] niet-gegrond verklaard en de toepassing afgewezen van het beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio”, zulks in de volgende bewoordingen:

“Dat het argument dat de [eiseressen] wettelijk gezien onmogelijk kunnen optreden doordat ze minderjarig zijn, niet opgaat; dat zij immers het beginsel 'contra non valentem agere non currit praescriptio' aanvoeren; dat zulks eigenlijk een ontkenning is van die hierboven vermelde regel krachtens welke, in verzekeringszaken, de verjaring tegen de minderjarigen loopt”.

Het hof [van beroep] verwerpt het beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio” op grond dat zulks eigenlijk een ontkenning is van de regel krachtens welke, in verzekeringszaken, de verjaring tegen de minderjarigen loopt.

Grieven

De redenering van het hof [van beroep] kan slechts hierdoor verklaard worden [dat het], ten onrechte, meende dat de[eiseressen] de toepassing van voornoemd beginsel grondden op hun uit hun minderjarigheid voortvloeiende onbekwaamheid.

Indien het loutere feit van minderjarig, en dus onbekwaam, te zijn, inderdaad, de toepassing van het beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio” zou kunnen verantwoorden, dan zou zulks eigenlijk een ontkenning zijn van de regel krachtens welke, in verzekeringszaken, de verjaring tegen de minderjarigen loopt.

Dit is hier niet het geval, aangezien de [eiseressen] de toepassing van dat beginsel niet op hun minderjarigheid grondden, maar wel op het feit dat hun geen bijzonder bewindvoerder was toegewezen, waardoor zij in deze zaak geen wettelijke vertegenwoordiger hadden.

De [eiseressen] hadden nochtans in hun conclusie voor het hof van beroep duidelijk uitgelegd dat zij wettelijk gezien onmogelijk konden optreden, zowel via zichzelf als via hun wettelijke vertegenwoordiger (hun moeder):

“III. Geen verjaring

A. Feitelijke toestand: tijdens hun minderjarigheid kunnen de [eiseressen] wettelijk gezien onmogelijk in rechte optreden

1. Duidelijk belangenconflict tussen de minderjarige kinderen en hun moeder

Er is een duidelijk belangenconflict tussen [de tweede verweerster] en haar kinderen betreffende de aansprakelijkheid voor het opsouperen van het geld dat de kinderen bij het overlijden van hun vader hadden ontvangen.

[De tweede verweerster] zou immers onmogelijk het initiatief genomen hebben om in naam van haar minderjarige kinderen een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen degenen die aansprakelijk waren voor de verkwisting van dat geld, aangezien zij die aansprakelijkheid met [de eerste verweerster] deelt.

2. Geen aanstelling van een bijzonder bewindvoerder
Teneinde de voor de kinderlijke schadelijke belemmeringen ongedaan te maken die, zoals in deze zaak, bij een belangenconflict kunnen ontstaan, voorziet het Italiaanse recht – dat van toepassing is aangezien de kinderen de Italiaanse nationaliteit hebben – in de aanstelling van een bijzonder bewindvoerder door de rechter (artikel 320, in fine, van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek):

'Indien een conflict ontstaat over vermogensrechtelijke belangen tussen de kinderen die onder hetzelfde ouderlijk gezag staan, of tussen hen en de ouders of degene van hen die op exclusieve wijze het ouderlijk gezag uitoefent, stelt de toezichthoudende rechter een bijzonder bewindvoerder voor de kinderen aan'.

Enkel een bijzonder bewindvoerder was namens de minderjarige kinderen tegen [de verweersters] in rechte kunnen optreden.

Hier dient dus te worden vastgesteld dat er door de vrederechter nooit een bijzonder bewindvoerder is aangesteld.

En in tegenstelling tot hetgeen [de eerste verweerster] in conclusie beweert, kan men de [eiseressen] hoe dan ook niet verwijten dat zij in februari 1987, toen zij respectievelijk 10 en 9 jaar oud waren, niet het initiatief hebben genomen om de aanstelling van een bijzonder bewindvoerder aan te vragen.

De door de het Italiaanse recht aan minderjarige kinderen geboden mogelijkheid om bij de rechter de aanstelling van een bijzonder bewindvoerder aan te vragen, bestaat uitsluitend in het belang van het kind en kan geenszins diens aansprakelijkheid in het gedrang brengen.

Het feit dan een minderjarig kind niet aansprakelijk is, vormt een beginsel van openbare orde dat de grondslag zelf is van de bescherming van kinderen tijdens hun minderjarigheid.

3. Onmogelijkheid voor de [eiseressen] om in rechte op te treden

Doordat er geen bijzonder bewindvoerder werd aangesteld, verkeerden de [eiseressen] in de volstrekte onmogelijkheid om, tijdens heel hun minderjarigheid, voor de rechter een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen diegenen die aansprakelijk waren voor de verkwisting van het ontvangen geld.

Zij bevonden zich dus in een feitelijke toestand – waarvoor zij niet verantwoordelijk waren – waarin geen enkele wettelijke vertegenwoordiger hun rechten kon doen gelden”.

Hieruit volgt dat het arrest, door te oordelen dat de [eiseressen] normale minderjarigen waren, die naar behoren door hun moeder werden vertegenwoordigd, ondanks het duidelijk belangenconflict in deze zaak en de schending van artikel 320, laatste lid, van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek, niet heeft geantwoord op de in het middel aangewezen conclusie van de [eiseressen] (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet), althans de bewijskracht ervan heeft miskend door ze een betekenis te geven die onverenigbaar is met de gebruikte bewoordingen in zoverre de [eiseressen] de toepassing van het beginsel “contra non valentem agere non currit praescriptio” niet grondden op de onbekwaamheid die uit de verjaring [lees: uit hun minderjarigheid]voortvloeide (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede middel

Met de in het middel weergegeven overwegingen beantwoordt het arrest de conclusie van de eiseressen.

Voor het overige zegt het arrest niet dat de eiseressen “normale minderjarigen waren die naar behoren door hun moeder werden vertegenwoordigd”.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Eerste middel

Het adagium volgens hetwelk de verjaring van een burgerlijke rechtsvordering niet loopt tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert deze rechtsvordering in te stellen ten gevolge van een uit de wet voortvloeiend beletsel, is geen algemeen rechtsbeginsel.
In zoverre het middel de miskenning aanvoert van een onbestaand algemeen rechtsbeginsel, is het, zoals de eerste verweerster aanvoert, niet ontvankelijk.

Voor het overige bepaalt artikel 2252 van het Burgerlijk Wetboek dat de verjaring niet loopt tegen minderjarigen en onbekwaamverklaarden, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen.

Dat artikel vereist niet dat die overige gevallen worden vastgelegd in een uitdrukkelijke wetsbepaling. Het is voldoende dat de wil van de wetgever om af te wijken van de in artikel 2252 vermelde regel voortvloeit uit het voorwerp of het oogmerk van de wet die een bijzondere verjaring invoert.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juni 1874 blijkt dat de wetgever, aan de hand van artikel 32 van die wet, een “beperkte verjaring” heeft willen invoeren om in te gaan tegen “de verdwijning van bewijzen en controlemiddelen”.

Dat doel houdt geen verband met de juridische bekwaamheid van de partijen. Het zou niet bereikt zijn indien de verzekerde of zijn rechtsopvolgers een uit de verzekeringspolis afgeleide rechtsvordering zouden kunnen instellen ettelijke jaren na de gebeurtenis op grond waarvan die rechtsvordering kan worden ingesteld.

Er dient geen onderscheid gemaakt tussen de minderjarige die al dan niet een wettelijke vertegenwoordiger heeft.

Aangezien de Italiaanse wet bepaalt dat er bij een belangenconflict tussen de minderjarige en de ouder die op exclusieve wijze het ouderlijk gezag uitoefent, de mogelijkheid bestaat om een bijzonder bewindvoerder te benoemen, is er geen onmogelijkheid om de rechtsvordering uit te oefenen ten gevolge van een wettelijk beletsel.
In dat verband faalt het middel naar recht.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseressen in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel


 

Nog dit: 

Contra non valentem agere, non currit praescriptio (geen algemeen rechtsbeginsel)

De verjaring van een vordering loopt niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen wegens een beletsel

Een schuldeiser die niet in staat is een daad van stuiting te stellen kan niet geconfronteerd worden met een verjaring van zijn schuldvordering. Deze onmogelijkheid dient absoluut te zijn en de schuldeiser draagt hiervan de bewijslast. Vergetelheid, nalatigheid, veronderstelde insolvabiliteit, administratieve overlast zijn geen onmogelijkheden in hoofde van de schuldeiser. Meer zelfs, enkel een wettelijk beletsel tot uitoefening van een vordering kan weerhouden worden om de verjaring tegen een persoon niet te laten lopen.

Feitelijke beletsels, zoals overmacht, onoverkomelijke dwaling of onwetendheid omtrent het bestaan van het vorderingsrecht, volstaan niet

• Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577;
• Cass. 18 november 1996, Arr.Cass. 1996, 1051, Pas. 1996, I, 1121, JT 1997, 173, RW 1997-98, 604;
• Cass. 2 januari 1969, Arr.Cass. 1969, 409, Pas. 1969, I, 386, JT 1969, 480, RCJB 1969, 91, noot J. Dabin, RW 1968-69, 1375.

• E. Verjans, “Correctiefiguren op de onbillijke gevolgen van de bevrijdende verjaring”, TBBR 2014, (147) 159-160). In 2006 heeft het Hof bovendien geoordeeld dat dit beginsel geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt (Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577).

• M. MARCHANDISE en J.- F. VAN DROOGHENBROECK, «Les causes d‘interruption et de suspension de la prescription libératoire en droit belge» in La prescription extinctive. Etudes de droit comparé, Brussel, Bruylant, Zurich, Schulthess, Parijs, LGDJ, 2010, nrs. 67 e.v.)

• S. Stijns, de rol van de wil en het gedrag van de partijen bij de bevrijdende verjaring RW 2010-2011, 1538.

uitzondering de derdenbedingen:

Verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit derdenbedingen kan niet verstrijken vooraleer de begunstigde van het derdenbeding van het derdenbeding kennis heeft kunnen nemen:

zie GwH 06/11/2014 (klik hier voor volledig arrest)

Art. 2262bis, § 1 BW bepaalt:"Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

“In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

“De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan”.

Alhier wordt onderzocht in hoeverre art. 2262bis, § 1, eerste lid BW strookt met het 10 en 11 Gw., in zoverre de tienjarige verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen aanvangt bij het ontstaan van de vordering, terwijl de verjaringstermijn voor een vordering op grond van een onrechtmatige daad krachtens art. 2262bis, § 1, tweede lid BW pas aanvangt wanneer het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Ofschoon een contractuele en een buitencontractuele rechtsvordering verschillend zijn, bevinden de schuldeisers in een rechtsvordering van contractuele respectievelijk buitencontractuele aard zich in situaties die niet in die mate verschillen dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken wat de verjaringstermijn betreft. Het gaat immers in beide gevallen om personen die worden geconfronteerd met verjaringstermijnen betreffende een door een andere persoon begane wanprestatie respectievelijk schadeverwekkende handeling.

Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien een beperking niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een barrière vormt die de rechtzoekende verhindert om zijn rechten door de bevoegde rechter te laten beoordelen (EHRM 27 juli 2007, Efstathiou e.a. t/ Griekenland, § 24; EHRM 24 februari 2009, L. ASBL t/ België, § 35).

De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtzoekende verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 89; EHRM 7 juli 2009, Stagno t/ België), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM 22 juli 2010, Melis t/ Griekenland, § 28) of indien zij tot gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t/ Zwitserland).

Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht op een eerlijk proces die elke verjaringsregel kenmerken. De omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn vorderingsrecht uit te oefenen, zoals de twintigjarige termijn bepaald in art. 2262bis, § 1, derde lid BW, is bijgevolg op zichzelf niet in strijd met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6 EVRM.

Te dezen wordt de situatie onderzocht van de begunstigde van een derdenbeding die, bij gebrek aan kennisgeving door de bedinger of de belover, over geen enkel element beschikt dat hem in staat stelt om een vorderingsrecht dat hem op grond van de overeenkomst tussen de bedinger en de belover toekomt, uit te oefenen, en die, na verloop van tien jaren, een recht verjaard ziet dat hij nooit in rechte heeft kunnen afdwingen.

Wat de derdenbedingen voortvloeiend uit persoonsverzekeringen betreft, bepaalt art. 88, § 1, vierde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de begunstigde pas loopt vanaf de dag waarop deze tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden. Bijgevolg kunnen de rechtsvorderingen uit dergelijke derdenbedingen niet verjaren vooraleer de begunstigde kennis heeft van zijn recht.

De in het geding zijnde bepaling werd ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Met die wet beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het arrest van het Hof nr. 25/95 van 21 maart 1995. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat art. 26 Voorafgaande Titel Sv. niet verenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat het de burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf onderwierp aan een verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de andere buitencontractuele fouten krachtens de toenmalige versie van art. 2262 BW pas na dertig jaar verjaarden.

De wetgever oordeelde dat ingevolge dat arrest niet alleen de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid diende te worden geremedieerd, maar dat tevens de verjaringstermijn voor alle persoonlijke rechtsvorderingen, die op dat ogenblik dertig jaar bedroeg, diende te worden ingekort (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1087/1, p. 2-3).

Daarbij werd beklemtoond dat er diende te worden voorzien in een absolute verjaringstermijn die begint te lopen op de dag waarop de schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet, zelfs indien de schade pas later blijkt, omdat de aansprakelijke en zijn verzekeraar niet al te lang mogen worden blootgesteld aan rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (ibid., p. 2-3).

De absolute verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen werd op tien jaar bepaald (art. 2262bis, § 1, eerste lid BW). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik waarop de vordering opeisbaar wordt. De absolute verjaringstermijn voor buitencontractuele aansprakelijkheid werd daarentegen op twintig jaar bepaald (art. 2262bis, § 1, derde lid BW). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik van de schadeverwekkende handeling.

Alleen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid werd binnen de absolute verjaringstermijn voorzien in een kortere termijn van vijf jaar, die begint te lopen op de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (art. 2262bis, § 1, tweede lid BW).

Dat die kortere termijn niet werd uitgebreid naar de andere persoonlijke rechtsvorderingen, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verklaard: “Het toepassen van de thans voorziene verkorte termijn op grond van het criterium “kennis van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon” op alle contractuele vorderingen heeft in veel gevallen geen zin. Men kent daar doorgaans de identiteit van zijn contractpartij “dader” die de contractuele fout heeft begaan. Voor andere vorderingen dan deze tot schadevergoeding moeten de aanvangspunten per type contractuele vordering bepaald worden, eerder dan te stellen “vanaf kennis van de schade” (zie NBW).

Tenzij het hele verjaringssysteem van het Belgische recht wordt herwerkt, wat, zoals gezegd, thans niet opportuun wordt geacht, leek het voldoende en gepast om binnen de groep van persoonlijke vorderingen (art. 2262bis BW) de vorderingen tot schadevergoeding gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid te onderwerpen aan de dubbele verjaringstermijn van vijf en tien jaar, terwijl alle andere persoonlijke vorderingen verjaren door een unieke absolute termijn van tien jaar (zie bespreking van art. 5). De “lange” of absolute termijn is dus dezelfde voor alle persoonlijke vorderingen” (ibid., p. 6).

Terwijl een contracterende partij in de regel kennis heeft van haar vorderingsrecht op de dag waarop het ontstaat, is dit evenwel niet noodzakelijk het geval voor de begunstigde van een derdenbeding. De begunstigde verkrijgt zijn vorderingsrecht immers op grond van een overeenkomst die tussen de belover en de bedinger wordt gesloten en waarbij hij geen partij is. Hij zal in de regel pas kennis krijgen van zijn vorderingsrecht indien de belover of de bedinger hem hiervan op de hoogte brengt. De bewijslast van het tijdstip van kennisname door de begunstigde van het recht dat hij put uit de overeenkomst tussen de bedinger en de belover ligt bij de begunstigde.

Bijgevolg is het, behalve voor een derdenbeding in een persoonsverzekering, mogelijk dat het recht dat voortvloeit uit een derdenbeding verjaart vooraleer de begunstigde van het bestaan ervan op de hoogte zou kunnen zijn. Zijn onwetendheid, zelfs te goeder trouw, schorst het vorderingsrecht immers niet, aangezien krachtens art. 2251 BW enkel een wettelijk beletsel in aanmerking komt om een verjaringstermijn te stuiten of te schorsen.

Hoewel het legitiem is om zoveel mogelijk in geharmoniseerde regels te voorzien voor de verjaring van alle types van persoonlijke rechtsvorderingen, vermag een dergelijke doelstelling niet tot gevolg te hebben dat voor een bepaald type van persoonlijke rechtsvorderingen de opeising onmogelijk kan worden gemaakt.

Aangezien de aanvaarding en de opeising van het recht dat voortvloeit uit een derdenbeding vereisen dat de begunstigde kennis heeft van dat recht, zou een verjaringstermijn die afloopt vooraleer hij redelijkerwijze over die kennis zou kunnen beschikken, hem verhinderen een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. Indien de begunstigde na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van tien jaar alsnog kennis zou krijgen van het derdenbeding, zou elke vordering bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling tot gevolg kan hebben dat de begunstigde van een derdenbeding zijn recht niet kan opeisen, omdat het overeenkomstige vorderingsrecht is verjaard vooraleer hij kennis heeft van dat beding of er kennis van dient te hebben, is zij niet verenigbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

De rechter zal aldus dienen na te gaan of de begunstigden in het bodemgeschil kennis van het derdenbeding hadden of er redelijkerwijze kennis van dienden te hebben vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.

Franse term: 
la prescription ne court pas contre celui qui ne peut agir en justice
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 09/05/2011 - 22:34
Laatst aangepast op: za, 17/10/2015 - 13:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.