-A +A

Lokauto

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een lokauto is een auto, gebeurlijk voorzien van haplare 'lokkertjes' als computertassen en/of uitgerust met speciale opsporingsapparatuur, die door de politie wordt opgesteld om autokrakers of autodieven aan te zetten tot diefstal, met oog op hun opsporing, aanhouding en vervolging.

Wanneer het opzet om het misdrijf te plegen is ontstaan buiten enig optreden van de politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, deze zich heeft beperkt tot het scheppen van de gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en aan de dader ruimte gelaten wordt om vrij met zijn misdadig voornemen te breken, is er geen sprake van provocatie.

De rechter oordeelt onaantastbaar of het optreden van de politieambtenaar aan de oorsprong ligt van het misdadige voornemen van de dader of deze heeft aangemoedigd, dan wel slechts de gelegenheid was om vrij een strafbaar feit te plegen in omstandigheden waar de dader steeds vrij met dit voornemen kon breken.

Het observeren van een (reeds) gestolen voertuig van een parking resulteert in de terechte conclusie dat de politie:

• “niets meer deed dan het nabootsen van een dagelijkse situatie die de dader ook had kunnen tegenkomen indien eender welke burger zijn voertuig op de openbare weg had achtergelaten”;
• zich beperkte “tot het louter creëren van een gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de vrijheid van de eiser om af te zien van het plegen van enig misdrijf met dit voertuig”;
• enkel beoogde de uitvoering van het misdrijf vast te stellen.

(M.B.)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 februari 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van een actieve tussenkomst van de politie in de zin van het voormelde wetsartikel; ook een bewust niet ingrijpen kan evenwel beschouwd worden als een actieve tussenkomst en een situatie creëren in de zin van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

2. Artikel 30, tweede lid Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat er sprake is van provocatie wanneer door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde, handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan, versterkt of bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen.

Wanneer het opzet om het misdrijf te plegen is ontstaan buiten enig optreden van de politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, deze zich heeft beperkt tot het scheppen van de gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en aan de dader ruimte gelaten wordt om vrij met zijn misdadig voornemen te breken, is er geen sprake van provocatie.

3. De rechter oordeelt onaantastbaar of het optreden van de politieambtenaar aan de oorsprong ligt van het misdadige voornemen van de dader of deze heeft aangemoedigd, dan wel slechts de gelegenheid was om vrij een strafbaar feit te plegen in omstandigheden waar de dader steeds vrij met dit voornemen kon breken.

4. De appelrechters stellen onaantastbaar vast dat:

de verbalisanten op 27 januari 2014 op een parking te S.-A.-B. een Citroën C5 hebben aangetroffen die gestolen bleek;
zij dit voertuig vervolgens enkel op de openbare weg hebben laten staan en onder observatie hebben geplaatst zonder verdere tussenkomst.
Op grond van die vaststellingen oordelen de appelrechters dat de politie:

“niets meer deed dan het nabootsen van een dagelijkse situatie die de dader ook had kunnen tegenkomen indien eender welke burger zijn voertuig op de openbare weg had achtergelaten”;
zich beperkte “tot het louter creëren van een gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de vrijheid van de eiser om af te zien van het plegen van enig misdrijf met dit voertuig”;
enkel beoogde de uitvoering van het misdrijf vast te stellen.
Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel van de appelrechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Tweede middel
6. Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. EVRM: het bewust niet optreden door de politie of gerechtelijke diensten met betrekking tot het gestolen voertuig dat onder observatie stond, kan in deze gelijkgesteld worden met een bewuste handeling van de politie die uiteindelijk aanleiding gaf tot de aan de eiser ten laste gelegde feiten, minstens wat de heling van het gestolen voertuig betreft.

7. Het middel dat geen enkele concrete kritiek op het arrest bevat, is niet ontvankelijk.

Derde middel
8. Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. EVRM, evenals miskenning van het recht op wapengelijkheid: door de toepassing van de BOM-wet wordt de wapengelijkheid tussen de partijen miskend; in tegenstelling tot de eiser heeft het Openbaar Ministerie hier wel toegang tot het volledige dossier om haar vordering op te stellen.

9. Het middel dat geen enkele concrete kritiek op het arrest bevat, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing
10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op (…)

Waar aanwezig waren: P. Maffei, afdelingsvoorzitter als voorzitter; L. Van hoogenbemt, afdelingsvoorzitter; F. Van Volsem, A. Lievens en E. Francis, raadsheren; in aanwezigheid van M. De Swaef, plv. advocaat-generaal.

Noot:

Vereecke, V., « Een lokauto mag niet te aantrekkelijk zijn », R.A.B.G., 2014/14, p. 939-944

Rechtsleer:

• P. Herbots, “De provocatie en de lokauto's”, T.Strafr. 2006, 205.

• F. Jutsebout, “Onrechtmatig verkregen bewijs en zijn gevolgen”, Strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1991, 88, nr. 74.

• L. Scholl, “La provocation policière en droit américain”, RDPC 1989, 812;

• A. De Nauw, “Provocatie”, Comm.Strafr., 17, nr. 16.

• C. De Valkeneer, “La provocation policière à la lumière de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme - Commentaire de l'arrêt Ramanauskas c. Lituanie de la Cour européenne des droits de l'homme et de quelques décisions récentes”, Rev.trim.DH 2009, 211-225;

• J. Meese, “De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de invloed ervan op het Belgisch straf(proces)recht” in X, CBR Jaarboek 2010-2011, Antwerpen, Intersentia, 2011, 1-60.

• L. Arnou, “Provocatie in strafzaken: de schemerzone”, TWVR 1997, 129-137;

• D. De Beco, “La cause d'excuse de provocation: réflexions autour de l'évolution de la jurisprudence” in C. Guillain en L. Kennes (eds.), Actualités en droit pénal, Brussel, Bruylant, 2013, 131-150;

• P. De Hert en P. Herbots, “De provocatie levert altijd onrechtmatig bewijs op en vergt de uitsluiting van al het bewijs, inclusief dit van de begeleidende bewijs­elementen”, Vigiles, 2008/3, 140-147;

• L. Delbrouck, “Lokauto's mogen, maar op welke grond?”, RABG 2008, 66-68;

• A. De Nauw, “Provocatie”, Comm.Straf.;

• C. De Valkeneer, La tromperie dans l'administration de la preuve pénale. Analyse en droits belge et international complétée par des éléments de droits français et néerlandais, Brussel, Larcier, 2000;

• P. Herbots, “De provocatie en de lokauto's”, T.Strafr. 2006, 191-206;

• F. Kuty, “Regard sur la provocation policière et ses conséquences”, JT 1999, 10-12;

• D. Lybaert, “De politionele uitlokking: wie is begonnen?”, Vigiles, 1999/2, 34-36;

• F. Moreels, “Het opstellen van een lokvoertuig: een geval van politionele provocatie?”, Vigiles, 2006/4, 121-124;

• F. Moreels, “Het opstellen van een lokvoertuig en politionele provocatie: uitsluitsel”, Vigiles, 2008/2, 88-92;

• J. Scheers, “Geoorloofde en ongeoorloofde provocatie”, RW 1984-85, 2568-2572;

• F. Verspeelt, “Politiële infiltratie en provocatie (deel 1)”, Vigiles, 2002/5, 149-158;

• F. Verspeelt, “Politiële infiltratie en provocatie (deel 2)”, Vigiles, 2003/1, 6-21.

Rechtspraak:

• EHRM 26 oktober 2006, Khudobin / Rusland, T.Strafr. 2006, 375;

• EHRM 5 februari 2008, Ramanauskas / Litouwen, NC 2009, 28, RW 2010-11, 42, T.Strafr. 2008, 235, Vigiles 2008, 136, noot P. De Hert en P. Herbots;

• EHRM 8 januari 2013, Baltins / Litouwen, NC 2014, 26, noot A. De Nauw; A. De Nauw, “De formele toets van een provocatieverweer in de rechtspraak van Straatsburg en het Belgische strafprocesrecht“, NC 2014, 30-32;

Nog dit: 

• KI Gent 3 maart 2011 T.Strafr. 2011, afl. 3, 210, noot SCHUERMANS, F.

Samenvatting

Er is sprake van provocatie wanneer in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.

In geval van provocatie is de strafvordering onontvankelijk wat deze feiten betreft. De verdachte begaf zich op eigen initiatief naar een internetkanaal, wat al getuigt van een zekere ingesteldheid in zijnen hoofde. Het is enkel nadien dat aan verdachte door een Amerikaanse undercoveragent aangeboden werd om naar de Verenigde Staten te komen om er met kinderen seks te hebben, doch niet om kinder porno op te sturen. De verdachte deed dit op eigen initiatief en vrijwillig.

Bovendien is het aannemelijk dat verdachte reeds voorafgaand aan de contacten met de undercoveragent kinderporno in zijn bezit had. Er is aldus geen causale relatie tussen het algemeen contact tussen de undercoveragent en verdachte enerzijds en het bezit/verzenden van kinderporno door verdachte anderzijds.

• Cass 22 juni 2011, RW 2012-2013, 984

AR nr. P.11.0988.F

Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik t/ F.M.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het motiverend en het strafrechtelijk veroordelend arrest, op 6 mei 2011 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Luik.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen de verweerder wegens doodslag

1. De eiser verwijt het hof van assisen dat het de misdaad heeft verschoond op grond van een redengeving die art. 411 Sw. schendt.

2. Art. 411 Sw. meet de ernst van de gewelddaden waarvoor een verschoningsgrond wordt aangenomen, ongeacht of dat geweld fysiek of verbaal is, niet alleen af aan de hevigheid van de reactie die de gewelddaden hebben veroorzaakt, maar ook aan de zwaarte van de concrete feiten, in verhouding tot de ernst van het uitgelokte misdrijf. Wanneer art. 422 Sw. vermeldt dat doodslag, verwondingen en slagen in afnemende graad van ernst “verschoonbaar” zijn maar niet “verschoond” worden, voert het eigenlijk een verhouding van evenredigheid in tussen de ernst van de uitgelokte misdaad of het uitgelokte wanbedrijf en de ernst van het geweld dat daardoor wordt uitgelokt. Met andere woorden, de daad die een slag verschoont, zal niet noodzakelijk de moord verschonen.

3. De ernst van de uitlokking kan evenmin uitsluitend beoordeeld worden in het licht van de gemoedsgesteldheid van de uitgelokte dader, zo niet ontstaat er ongelijkheid tussen de burgers voor de strafwet. De bij art. 411 Sw. vereiste zware gewelddaden zijn die welke de vrije wil van een normaal en redelijk persoon in het gedrang brengen en niet die welke dat alleen maar tot gevolg hadden wegens de bijzondere gevoeligheid van de uitgelokte dader.

4. De bodemrechter beoordeelt in feite of de gewelddaden het bij art. 411 Sw. vereiste ernstig karakter hebben. Het staat evenwel aan het Hof om na te gaan of de rechter uit zijn feitelijke vaststellingen de verschoningsgrond naar recht heeft kunnen afleiden.

5. De verweerder werd schuldig verklaard aan doodslag. Het veroordelend arrest wijst hierbij op de barbaarsheid waarmee die is gepleegd, omdat een kwetsbaar slachtoffer, de moeder van zijn kind, talrijke messteken werden toegebracht.

Het hof van assisen zegt dat die doodslag verschoonbaar is wegens de beledigingen die het slachtoffer haar partner tijdens een twist naar het hoofd heeft geslingerd, beledigingen die eventueel bij hem een hevige emotie hebben losgemaakt wegens zijn onvolwassen persoonlijkheid, het feit dat hij erg opgewonden was en erg aan zijn moeder was gehecht.

Het hof van assisen, dat alleen verwijst naar de intensiteit van de reactie die de beledigingen bij de moordenaar hebben uitgelokt, wegens de aard van zijn persoonlijkheid, zonder dat het acht slaat op de objectieve ernst van het morele geweld dat het slachtoffer van de doodslag ten laste wordt gelegd of de ernst ervan vergeleken met die van de gepleegde feiten, en evenmin op de uitwerking die de beledigende uitlatingen op een normaal en redelijk persoon hadden kunnen hebben, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 15:00
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 15:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.