-A +A

Lokale belasting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Niet alleen de Belgische Staat en de Gewesten, maar ook uw stad of gemeente heeft het recht om op grond van een goedgekeurd reglement belastingen te heffen. Deze taksen zijn ook gekend als de zogenaamde ‘lokale belastingen’, ‘stadsbelastingen’ of ‘gemeentebelastingen’. De meest bekende zijn o.a. de heffingen op leegstand en verkrotting, de belasting op tweede verblijven, de belasting op reclame zichtbaar vanop de openbare weg, de belasting op bedrijfsvestigingen, de belasting op onbebouwde bouwgronden etc.

Steden en gemeenten passen de laatste tijd een meer gericht opvolgingsbeleid toe inzake de invordering van hun belastingen. Wanneer u meent dat u ten onrechte het voorwerp uitmaakt van zo een taxatie, kan u deze aanvechten voor het College van Burgemeester en Schepenen van uw stad of uw gemeente. Bij een afwijzende beslissing kan u zich vervolgens wenden tot een fiscaal rechter. Een fiscaal advocaat kan u hierin bijstaan. Het aanvechten van deze taxaties houdt immers niet alleen een feitelijk verweer in, maar maakt bijna altijd een fiscaal juridische discussie uit.

Zo kan het voorvallen dat het betrokken belastingreglement niet werd gepubliceerd op de reglementair vereiste manier en derhalve niet tegenstelbaar is aan u.

Zo kan (een bepaling van) het betrokken belastingreglement een schending inhouden van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Dit kan uiteindelijk aanleiding geven tot de vernietiging van het belastingreglement door de rechter. Een fiscaal advocaat kan u hierbij van A tot Z begeleiden zodat u de juiste strategische stappen kan zetten. Wij kunnen u helpen.
 

Commentaar: 

Inzake belastingen kunnen er geen privileges worden toegekend, dus ook niet door een wet.

Vrijstellingen en verminderingen zijn wel mogelijk, maar het toestaan ervan is enkel voorbehouden aan de wetgever

De in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

De aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of van de ingestelde belasting.

Het gelijkheidsbeginsel wordt eveneens miskend, indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

• Artikel 10 Grondwet Algemeen gelijkheidsbeginsel: Dit artikel bepaalt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, wat wil zeggen dat allen die zich in dezelfde feitelijke toestand bevinden, op een gelijke wijze moeten behandeld worden (Cass. 4 januari 2002, T.F.R.,
2002/N51).

• Artikel 172 Grondwet fiscaal gelijkheidsbeginsel. Uit artikel 172 volgt dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden, op
gelijke wijze moeten worden belast (Cass. 20 november 1975, Pas., 1976, I, 347).

Deze grondwettelijke bepalingen verhinderen niet dat een fiscaal verschil in behandeling wordt toegepast tussen bepaalde categorieën van personen, inzoverre voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, waarvan het bestaan moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm, en de aangewende middelen redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie 03/09/2015, juridat

Nr. C.13.0247.N
PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de bestendige deputatie, in de persoon van haar voorzitter, de gouverneur, met bestuurszetel te 9000 Gent, Gouvernementstraat 1,
eiseres,
tegen
BELGACOM nv van publiek recht, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Al-bert II-laan 27,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 september 2012.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelij-ke verantwoording bestaat.

De aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of van de ingestelde belasting. Het gelijkheidsbeginsel wordt eveneens miskend, indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Indien in een provinciale belastingverordening een verminderd tarief wordt be-paald voor een bepaalde categorie van belastingplichtigen, moet die differentiatie in redelijkheid kunnen worden verantwoord door het doel van de belasting. In het raam van de toetsing van de belastingverordening aan het grondwettelijk gelijk-heidsbeginsel komt het de rechter evenwel niet toe de wenselijkheid of opportuni-teit van de tariefstructuur van de belasting te beoordelen.

De objectieve en redelijke verantwoording houdt niet in dat de overheid die een onderscheid maakt tussen belastingplichtigen het bewijs moet leveren dat dit on-derscheid of de afwezigheid ervan noodzakelijk bepaalde gevolgen zou hebben. Het volstaat om te kunnen beslissen of het maken van categorieën objectief en re-delijk is, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat voor die categorieën en het verschil in tarief.

De rechter kan een belastingverordening die in een verminderd tarief voorziet voor een bepaalde categorie van belastingplichtigen niet buiten toepassing laten omdat de overheid niet aantoont dat de verantwoording voor de toepassing van het verminderd tarief niet zou kunnen van toepassing zijn op een andere categorie van belastingplichtigen die onderworpen is aan het standaardtarief, maar moet on-derzoeken of de belastingplichtige, die de strijdigheid van de tariefstructuur met het gelijkheidsbeginsel aanvoert, in concreto wordt gediscrimineerd door de toe-passing van het standaardtarief omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van het verminderd tarief kan eisen.

2. De appelrechters stellen vast dat de eiseres aanvoert dat zij gekozen heeft voor een gunstiger tarief voor de agrarische bedrijven teneinde hun bedrijfswerk-zaamheden op een rendabele wijze te kunnen uitoefenen omdat deze sector nood-gedwongen over grotere oppervlakten moet beschikken om economisch rendabel te zijn.

3. De appelrechters oordelen dat:
- de eiseres niet aantoont dat enkel agrarische bedrijven nood hebben aan grotere oppervlaktes om rendabel te zijn;
- met de verweerster moet worden aangenomen dat er geen objectieve en rede-lijke verantwoording bestaat om enkel agrarische bedrijven van een verminderd tarief te laten genieten;
- dit des te meer het geval is omdat de GSM-operatoren een openbare dienst presteren waardoor zij van een lager tarief zouden moeten kunnen genieten.

4. Op die gronden vermochten de appelrechters niet te oordelen dat artikel 14 van het provincieraadsbesluit de grondwettelijke principes van gelijkheid en dis-criminatie miskent.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

5. De objectieve en redelijke verantwoording voor de verschillende behande-ling van belastingplichtigen in een provinciale belastingverordering kan worden afgeleid uit de aard zelf van de gemaakte differentiatie of uit de context van de belastingverordening of van het bijhorende dossier op grond waarvan de provincieraad besliste tot de invoering van de belasting.

Wanneer de verantwoording voor de verschillende behandeling van belasting-plichtigen niet expliciet is vermeld in de aanhef of de tekst van de getoetste belas-tingverordening of in de stukken van het dossier dat werd voorgelegd aan de pro-vincieraad, moet de rechter nagaan of de door de provinciale overheid tijdens de procedure aangevoerde verantwoording kan worden afgeleid uit de aard van de gemaakte differentiatie of gedragen wordt door de context van de belastingveror-dening of van het bijhorende dossier.

6. De appelrechters oordelen dat zij niet op "een objectieve manier" kunnen achterhalen welke de redenen waren voor de verantwoording van de verschillende behandeling van belastingplichtigen en voor het doel ervan en dit op grond van elementen die dateren van de voorbereiding of teruggaan ten laatste tot het mo-ment van de goedkeuring van de provinciale verordening.

De appelrechters geven aldus te kennen dat zij tot de onwettigheid van de provin-ciale belastingverordening wegens strijdigheid met de artikelen 10 en 11 Grond-wet beslissen om reden dat noch in het reglement, noch in het administratief dos-sier een expliciete verantwoording terug te vinden is voor het onderscheid tussen agrarische bedrijven en alle andere bedrijven, zodat zij moeten aannemen dat er geen objectieve en redelijke verantwoording voor de differentiatie in het provin-ciereglement bestaat.

Door op die grond te oordelen dat artikel 14 van de provinciale belastingverorde-ning strijdig is met de grondwettelijke principes van gelijkheid en niet-discriminatie, schenden zij de artikelen 10 en 11 Grondwet.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.13.0247.N
Conclusie van advocaat-generaal Thijs:
1. Op 5 december 2007 keurde de provincieraad van de eiseres een algemeen belastingsreglement goed voor het jaar 2008. Volgens dat reglement wordt voor het dienstjaar 2008 een algemene provinciebelasting geheven, waaraan onder meer onderworpen zijn de zelfstandigen en de vennootschappen die op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen één of meer vestigingen gebruiken of tot gebruik voorbehouden.

Artikel 14, §1, A, van het belastingsreglement stelt de belasting voor alle belastingplichtigen, met uitzondering van de agrarische bedrijven, per vestiging vast naar gelang van de totale belastbare gebouwde en/of ongebouwde oppervlakte.

Artikel 14, §1, B van het belastingsreglement voorziet voor agrarische bedrijven in een lager tarief, dat varieert naargelang van de landbouwoppervlakte.

Op grond van dat belastingsreglement vestigde de eiseres op 25 juni 2008 ten laste van verweerster een aanslag voor een totaal bedrag van 9.899,20 euro uit hoofde van 92 vestigingen van de verweerster op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen, alle aangeduid met een apart kohierartikel.

Bij het thans bestreden arrest van 25 september 2012 vernietigde het hof van beroep te Gent de door verweerster betwiste aanslagen om reden dat artikel 14 van het provincieraadsbesluit van 5 december 2007 het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en non-discriminatie schendt.

2. In het derde onderdeel van het enig middel tot cassatie voert eiseres aan "dat voor de regelmatigheid van een belastingverordening niet vereist is dat zij zelf de motivering bevat waarom zij door de provinciale overheid is goedgekeurd. Wanneer de rechter de belastingverordening moet beoordelen vanuit het oogpunt van het doel en de gevolgen ervan, is het nodig maar voldoende dat die motivering kan worden afgeleid uit het administratief dossier van de provincie.

De aldus bestaande verplichting voor de provincie een door haar ingevoerde belasting en de daarbij gemaakte onderscheiden te motiveren, houdt echter niet in dat bij de beoordeling van de vraag of de belastingverordening het gelijkheidsbeginsel respecteert, alleen overwegingselementen kunnen worden in acht genomen die kunnen worden afgeleid uit de belastingverordening zelf of uit het administratief dossier ervan en dat m.a.w. geen rekening kan worden gehouden met een andere verantwoording die de provincie naar aanleiding van een dergelijke betwisting inroept en waarvan zij aantoont dat die haar in werkelijkheid heeft bewogen tot het aannemen van de bewuste belastingverordening.

Opdat het maken van categorieën of de afwezigheid ervan objectief en redelijk zou zijn, zoals door het gelijkheidsbeginsel vereist, volstaat het inderdaad dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën. (voorziening, p. 11 en 12, randnr. 3.1.)

3. Om na te gaan of het maken van categorieën van belastingplichtigen objectief en redelijk verantwoord is, volstaat het dat in redelijkheid blijkt dat een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën (Cass. 1 oktober 1999, AR F.98.0111.N, AC 1999, nr. 496).

Voor de regelmatigheid van een belastingverordening is niet vereist dat zij zelf de motivering bevat waarom zij door de provinciale overheid is goedgekeurd of dat deze motivering moet terug te vinden zijn in het administratief dossier dat geleid heeft tot de goedkeuring van de belastingverordening.

Het volstaat dat deze motivering blijkt uit het administratief dossier zoals dat is aangevuld ingevolge de voor de rechter ter zake gevoerde betwisting.

De door het hof van beroep in het bestreden arrest aangenomen zienswijze dat de provincie haar motieven in de loop van een betwisting over de belasting kan verduidelijken, maar dat zij zich niet kan beroepen op een verantwoordingsmotief dat slechts in de loop van het geschil wordt opgeworpen en dat niet wordt gedragen door de vermeldingen in het initieel samengesteld belastingdossier of het belastingsreglement zelf, zou er immers toe leiden dat ten aanzien van de provincie een strengere houding wordt aangenomen dan ten aanzien van de nationale belastingwetgever.

Het Grondwettelijk Hof besliste wat die laatste betreft dat het niet zou kunnen besluiten tot de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de redelijke verantwoording van een verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit immers niet uit dat aan een maatregel een legitieme doelstelling ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden (GwH nr. 81/ 2011, 18 mei 2011, A.GrwH. 2011, afl. 3, 1461).

Een strengere houding ten aanzien van gemeenten of provincies werd in de rechtsleer reeds als 'discriminerend' omschreven (L. VANDENBERGHE, "De motivering van gemeentebelastingen in het kader van de toetsing van de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel: naar een niet-discriminerende behandeling van de gemeenten?", TFR, 2011, afl. 411 , 917-921).

In een arrest van 21 februari 2013 (AR C.12.0117.F, AC 2013, nr. 122) oordeelde uw Hof in dit verband als volgt:
"Hoewel de objectieve en redelijke verantwoording voor het criterium op grond waarvan een onderscheid tussen verschillende categorieën van personen wordt gemaakt niet onmiddellijk uit de bestreden verordening zelf hoeft te blijken, moet in dergelijk geval de doelstelling die het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling redelijkerwijze kan verantwoorden, vooralsnog blijken uit het dossier dat tijdens de behandeling ervan is samengesteld of moet zij kunnen worden afgeleid uit het administratief dossier dat door de auteur ervan is samengesteld."

Uit dit arrest kan m.i. worden afgeleid dat het voor Uw Hof volstaat dat de doelstelling van de belastingverordening kan afgeleid worden uit het administratief dossier zoals dat naderhand ingevolge gevoerde betwistingen door de belastingheffende overheid werd aangevuld of samengesteld, zoniet zou het door het Hof gemaakte onderscheid elke zin ontberen.

Niets belet bijgevolg dat bij de beoordeling van de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel ook rekening wordt gehouden met motieven die niet kunnen worden afgeleid uit de verordening of uit het administratief dossier zoals dat initieel werd samengesteld tijdens de behandeling van de belastingverordening.

Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

4. In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat met de bestreden overwegingen het hof van beroep niet aangeeft noch onderzoekt of verweerster een van de bedrijven is die, zoals agrarische bedrijven, nood hebben aan grotere oppervlakten om rendabel te kunnen zijn en deze bijgevolg, wat door eiseres werd betwist, vanuit het oogpunt van het gunsttarief in een vergelijkbare situatie bevinden als agrarische bedrijven zodat de toepassing van het verminderd tarief op agrarische bedrijven en niet op verweerster leidt tot de ongelijke behandeling van personen die zich in een vergelijkbare toestand bevinden, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

5. Terecht stellen de appelrechters als basisprincipe voorop dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie op het stuk van belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belastingen en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Aldus geven de appelrechters correct de beginselen inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen weer (o.m. Cass. 5 oktober 1990, AC 1990-91, nr. 61; Cass. 30 april 1992, AC 1991-92, 823; Cass. 10 september 1993, AC 1993, nr. 341; Cass. 3 oktober 1996, AC 1996, nr. 353; Cass. 16 oktober 1997, FJF 1997/241; Cass. 12 januari 1998, AC 1998, nr. 19; Cass. 1 oktober 1999, AR F.98.0111.N, AC 1999, nr. 496; Cass. 17 november 2000, AR F.99.0156.N, AC 2000, nr. 630; Cass. 29 maart 2002, JLMB, 2002, 186; Cass. 15 januari 2004, AR F.02.0006.N, AC 2004, nr. 24; Cass. 17 november 2006, AR F.04.0015.N, AC 2006, nr. 574; Cass. 10 december 2009, AR F.08.0020.N, AC 2009, nr. 735).

6. Eiseres gaat er terecht van uit dat de in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vastgelegde regels inzake gelijkheid en niet-discriminatie niet de gelijke behandeling impliceren van categorieën van personen die zich, ten opzichte van de maatregel en het nagestreefde doel, niet in een vergelijkbare toestand bevinden.

Die regels verbieden integendeel dat categorieën van personen die in situaties verkeren die, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, wezenlijk van elkaar verschillen, op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke grond voorhanden is.

Wanneer de belastingschuldigen die door het belastingsreglement verschillend worden behandeld, onvoldoende vergelijkbaar zijn in het licht van de aard en het doel van het belastingsreglement, kan er geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

7. In haar ter griffie neergelegde syntheseconclusie voerde eiseres vanuit die optiek aan dat verweerster, vanuit het oogpunt van het doel van het door artikel 14, §1, B van het provincieraadsbesluit van 5 december 2007 ingevoerde fiscaal gunsttarief, in een situatie verkeert die wezenlijk verschilt van de agrarische bedrijven, die nood hebben aan grote oppervlakten teneinde hun bedrijfswerkzaamheden op rendabele wijze te kunnen uitoefenen.

In casu heeft het hof van beroep evenwel niet onderzocht of de verweerster één van die bedrijven is die, zoals agrarische bedrijven, nood hebben aan grotere oppervlakten om rendabel te kunnen zijn en die zich bijgevolg, wat door de eiseres werd betwist, vanuit het oogpunt van het gunsttarief in een vergelijkbare situatie bevinden als agrarische bedrijven.

Door zonder meer te beslissen dat verweerster aantoont dat de grondwettelijke principes van gelijkheid en non-discriminatie werden geschonden, op grond dat het onderscheid tussen agrarische bedrijven en alle andere bedrijven niet in redelijkheid gerechtvaardigd wordt, aangezien eiseres niet aantoont dat enkel agrarische bedrijven nood hebben aan grotere oppervlakten om rendabel te zijn en dat er tal van andere bedrijven zijn die nood hebben aan grotere oppervlakten en die de fiscale gunstmaatregel nochtans niet kunnen genieten, zonder vast te stellen dat of te onderzoeken of de verweerster één van die bedrijven is, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht.

Bij de toetsing van de belastingverordening aan het fiscaal gelijkheidsbeginsel ontbreekt er duidelijk een stap in de door het bestreden arrest gevolgde redenering.

Ook dit onderdeel komt mij dan ook gegrond voor.

Besluit: VERNIETIGING.

• Cassatie 03/09/2015, AR F.13.0125.N, juridat
 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 05/01/2018 - 15:18
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 15:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.