-A +A

le criminel tient le civil en état

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het adagium “le criminel tient le civil en état” is gebaseerd op artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

Dit artikel bepaalt:  

"Art. 4.<W 2005-04-13/30, art. 2, 019 ; Inwerkingtreding : 13-05-2005> De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld [1 , in zoverre er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter en onverminderd de uitzonderingen uitdrukkelijk bepaald door de wet]1.

De rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke-partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is.

Onverminderd het recht om de zaak, conform de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek, bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen.

Dat verzoekschrift geldt als burgerlijke-partijstelling.

Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van de advocaten gebracht onder vermelding van plaats, dag en uur van de zitting waarop de zaak wordt behandeld.

(Wanneer uitspraak is gedaan over de strafvordering,) kan elke in het geding zijnde partij de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, verzoeken termijnen vast te stellen voor de overzending en de indiening van de stukken, alsmede de conclusies, en de rechtsdag te bepalen. <W 2005-12-23/31, art. 37, 021; Inwerkingtreding : 09-01-2006>

Dit verzoek wordt ingediend door middel van een verzoekschrift en wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. Het wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten.
De andere partijen kunnen, binnen vijftien dagen na de verzending van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.

Binnen acht dagen na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn dan wel na de neerlegging van het verzoekschrift wanneer het uitgaat van alle betrokken partijen, doet de rechter uitspraak op stukken, behalve wanneer hij het noodzakelijk acht de partijen te horen, in welk geval die bij gerechtsbrief worden opgeroepen; de beschikking wordt binnen acht dagen na de zitting gewezen.

De rechter bepaalt de termijnen om conclusie te nemen en de rechtsdag. Tegen de beschikking staat geen enkel rechtsmiddel open. (Zij wordt ter kennis gebracht van de partijen en van hun advocaat bij gewone brief. Indien een partij geen advocaat heeft, wordt zij haar ter kennis gebracht bij gerechtsbrief.) <W 2005-12-23/31, art. 37, 021; Inwerkingtreding : 09-01-2006>

Behoudens akkoord van de partijen of de in artikel 748, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzondering, worden de conclusies die na het verstrijken van de in het tiende lid vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de vastgestelde dag kan de meest gerede partij een vonnis op tegenspraak vorderen.

Wanneer alleen de burgerlijke belangen bij de rechter aanhangig worden gemaakt, is de aanwezigheid van het openbaar ministerie op de terechtzitting niet verplicht.
----------
(1)<W 2017-06-08/09, art. 15, 043; Inwerkingtreding : 01-07-2017> "

Op basis van voormeld adagium kan er geen uitspraak gedaan worden over welkdanige burgerlijke vordering, zolang er geen uitspraak is in de strafzaak, wanneer een gerechtelijk onderzoek werd ingesteld.

Opdat dit adagium evenwel uitwerking zou krijgen, is vereist dat de strafvordering effectief werd ingesteld, hetzij ingevolge het openen van een gerechtelijk onderzoek op vordering van de procureur des Konings of ingevolge een klacht met burgerlijke partijstelling, hetzij ingevolge een rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter door de procureur des Konings of de burgerlijke partij (Cass. 16 mei 2003, C.010473N), zodat er geen schorsing is wanneer de zaak slechts het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek (R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 338).

Rechtsleer:

• Teper, L., « Point sur le pénal tient le civil en l'état », J.T., 2018/11, n° 6723, p. 251-252

- Les contours généraux de la règle

- L'article 4 du titre préliminaire du Code de procédure pénale à la lumière des récentes modifications législatives

- A. La consécration légale de l'exigence d'un risque de contradiction comme condition d'application de la règle

- B. La nouvelle possibilité introduite de prévoir des exceptions légales, et la consécration de l'une d'entre elles

La loi prévoit dorénavant explicitement la possibilité que soient établies des exceptions au principe.
Deux règles font d'ores et déjà figure d'exception en la matière.

- Conclusion

Rechtspraak :

Zie ondermeer Politierechtbank te Brugge, 5e Burgerlijke Kamer – 23 juni 2009, R.W. 2009-2010, 1489

• Cassatie 03/04/2009, C .08.0111.N Juridat

samenvatting

Het staat aan het Hof na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er geen gevaar bestaat voor tegenstrijdigheid tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter.

uittreksel uit het arrest

P. V.,
eiseres,
tegen
K. M.,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 november 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 6, 1108, 1126, 1128, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering;
- artikel 505 van het Strafwetboek, zoals van kracht véér diens wijziging bij wet van 10 mei 2007.

Aangevochten beslissingen

In het bestreden arrest van 19 novemb
er 2007 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het door de eiseres tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 10 maart 2006 aangetekende hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis.

Met bevestiging van het beroepen vonnis verklaart het hof van beroep de vordering van de verweerder gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van 370.000,00 euro, meer nalatigheidsintresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 28 maart 2004 tot de datum van het vonnis en vanaf dan met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet tot de dag der algehele betaling.

Het verzoek van de eiseres om de procedure overeenkomstig artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering op te schorten wordt op volgende gronden door het hof van beroep verworpen:

"IV. Opschorting procedure

1. Door (de eiseres) wordt verzocht de procedure op te schorten overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

2. (De eiseres) verwijst meer bepaald naar de vordering van de procureur des Konings van 20 februari 2007, strekkende tot verwijzing van (de verweerder) en van haarzelf naar de correctionele rechtbank (haar stuk 37).

4. Daarin wordt (samengevat) (de verweerder) in verdenking gesteld van het verkregen hebben van onofficiële inkomsten en worden beiden in verdenking gesteld van het aanwenden van deze alzo verkregen gelden.

3. De kwestieuze schulderkentenis komt ook voor in dit geheel. Beiden worden in verdenking gesteld om deze onofficiële inkomsten voor minstens een bedrag van 370.000,00 euro te hebben aangewend (besteed) voor de renovatie van de woning te Antwerpen, (...)laan 234.

De kwestieuze schulderkentenis gaat over de som van 370.000,00 euro en (de eiseres) verklaart erin deze som schuldig te zijn aan (de verweerder), met specificatie dat zij deze ‘som erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan de renovatie van het eigendom te Antwerpen, (...)laan 234'.

4. Om van het adagium ‘le criminel tient le civil en état' (exceptie van strafrechtelijke gewijsde) te moeten (gelet op de openbare orde) gebruikmaken, moet onder meer vaststaan dat de strafrechter geroepen is om uitspraak te doen over punten die gemeen zijn aan de strafvordering en de burgerlijke vordering, zodat er gevaar voor tegenstrijdigheid bestaat.

5. Hier is dit niet het geval. De strafrechter kan hoogstens beslissen, dat de door (de eiseres) verkregen gelden waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten.

Dit wijzigt niets aan de onderliggende overeenkomst tussen (de eiseres) en (verweerder) in verband met het moeten terugbetalen door (de eiseres) van een geldsom bekomen van (de verweerder).

Een nietigheid van de onderliggende overeenkomst wegens ongeoorloofd voorwerp is hier niet aan de orde.

Het ‘voorwerp' is het doel, het concreet resultaat van de overeenkomst.

De overeenkomst - schulderkentenis - betreft hier een eenzijdige verbintenis in hoofde van (de eiseres).

Het voorwerp is hier het teruggeven van een geldsom door (de eiseres) die haar voordien door (de verweerder) was gegeven.

Dit voorwerp is niet strijdig met een rechtsregel uit het gebiedend of verbiedend recht, de openbare orde of de goede zeden.

Een nietigheid van de onderliggende overeenkomst wegens ongeoorloofde oorzaak is er ook niet aan de orde.

De ‘oorzaak' is de doorslaggevende beweegreden bij een overeenkomst.

Deze doorslaggevende beweegreden is hier te zien als het terug ter beschikking stellen van gelden die (de verweerder) toekomen. Zoals gezegd, betreft de overeenkomst hier immers een eenzijdige verbintenis in hoofde van (de eiseres). Deze doorslaggevende beweegreden is hier aldus niet te zien als het nastreven van een doel dat strijdig is met de maatschappelijke orde (is niet bij wet verboden of raakt niet aan de openbare orde of de goede zeden).

De doorslaggevende beweegreden bij deze overeenkomst is meer bepaald niet het ontduiken van fiscale gebiedende of verbiedende wetten. Dit laatste - zo gebeurd - ging aan de overeenkomst vooraf.

6. Er dient bijgevolg geen opschorting van de procedure uitgesproken te worden" (arrest, pp. 5-7).

Bij de beoordeling van de grond van de hoofdvordering stelt het hof van beroep dat de grieven van de eiseres, "gesteund op het beweerde feit dat de kwestieuze betaling aan haar gebeurde met gelden uit onofficiële inkomsten, (..) hoger al (werden) weerlegd (zie opschorting procedure)" (arrest, p. 8, vierde alinea), besluit : "Gelet op dit alles is de hoofdvordering gegrond. Het vonnis a quo dient hier te worden bevestigd en beslist tot de ongegrondheid van het hoger beroep (arrest p.8)".

Grieven

1. Artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechter kan worden vervolgd als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk worden vervolgd; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld.

De ratio legis van deze opschortingsplicht, die de openbare orde raakt, is tegenstrijdige uitspraken tussen de burgerlijke rechter en de strafrechter vermijden. Deze regel is een uitvloeisel van het gezag van strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter.

De opschortingsplicht bestaat wanneer de strafvordering effectief is ingesteld en aan de strafrechter een beslissing is opgedragen over punten die gemeen zijn aan de strafvordering en de burgerlijke vordering, op zo een wijze dat gevaar voor tegenstrijdige uitspraken bestaat.

2. Artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk kan worden gedaan.

Tot geldigheid van een overeenkomst vereist artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis en een geoorloofde oorzaak van de verbintenis.

Een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak kan volgens artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek geen gevolg hebben.

De oorzaak is overeenkomstig artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek ongeoorloofd wanneer zij door de wet verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.

Elke rechtshandeling, ook een eenzijdige, moet een geoorloofde oorzaak hebben.

Een rechtshandeling stoelt op een ongeoorloofde oorzaak wanneer de doorslaggevende beweegreden voor het stellen van die rechtshandeling door de wet verboden is of ingaat tegen de openbare orde of de goede zeden, dit is het geval wanneer die doorslaggevende beweegreden strekt tot het doen ontstaan of handhaven van een met de openbare orde strijdige toestand.

3. Het voorwerp van de rechtshandeling is het concreet rechtsgevolg dat wordt beoogd, het geheel van de verbintenissen die men doet ontstaan.
Het voorwerp van de verbintenis is de door de schuldenaar beloofde prestatie.

Volgens artikel 1126 van het Burgerlijk Wetboek heeft ieder contract tot voorwerp iets dat een partij zich verbindt te geven, of dat een partij zich verbindt te doen of niet te doen. Alleen zaken die in de handel zijn, kunnen volgens artikel 1128 van het Burgerlijk Wetboek het voorwerp van overeenkomsten uitmaken.

Het voorwerp van een rechtshandeling is ongeoorloofd, en de rechtshandeling derhalve nietig, wanneer het erin bestaat een onwettige toestand te scheppen of te handhaven.

Eerste onderdeel

4.1 Het hof van beroep beslist dat het voorwerp van de litigieuze schulderkentenis, zijnde een eenzijdige verbintenis van de eiseres, bestaat in het teruggeven van een geldsom door de eiseres die haar voordien door de verweerder was gegeven en dit voorwerp niet strijdig is met een rechtsregel uit het gebiedend of verbiedend recht, de openbare orde of goede zeden.

Het hof van beroep onderzoekt evenwel niet, om uit te maken of het voorwerp van de schulderkentenis al dan niet ongeoorloofd is, of dit een onwettige toestand schept of handhaaft.

Door te beslissen, enerzijds, dat de strafrechter kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden waarvoor de schulderkentenis werd opgesteld afkomstig zijn van onofficiële inkomsten, hetgeen niets verandert aan de onderliggende overeenkomst tussen partijen in verband met het moeten terugbetalen door de eiseres van een geldsom bekomen van de verweerder en, anderzijds, dat het voorwerp van de schulderkentenis niet ongeoorloofd is, zonder vast te stellen dat dit voorwerp geen onwettige toestand schept of handhaaft, zodat er geen reden bestaat tot opschorting van de procedure, schendt het bestreden arrest artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 6, 1108, 1126 en 1128 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2 Het hof van beroep beslist dat het voorwerp van de schulderkentenis bestaat in "het teruggeven van een geldsom door de eiseres, die haar voordien door de verweerder, was gegeven".

Met betrekking tot de hangende strafprocedure, waarnaar de eiseres verwees teneinde op grond van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering de opschorting van de procedure voor het hof van beroep te horen bevelen, stelt het hof van beroep vast dat uit de door de eiseres voorgelegde vordering van de procureur des Konings, strekkende tot verwijzing van partijen naar de correctionele rechtbank, blijkt dat:
- de verweerder in verdenking wordt gesteld van het verkrijgen van onofficiële inkomsten;
- de eiseres en de verweerder in verdenking worden gesteld van het aanwenden van de alzo verkregen gelden, d.w.z. van de onofficiële inkomsten;
- de kwestieuze schulderkentenis in dit geheel voorkomt;
- de eiseres en de verweerder in verdenking worden gesteld om de onofficiële inkomsten voor minstens een bedrag van 370.000,00 euro te hebben aangewend (besteed) voor de renovatie van de woning Antwerpen, (...)laan 234;
- de kwestieuze schulderkentenis over deze som van 370.000,00 euro gaat en de eiseres erin verklaart deze som schuldig te zijn aan de verweerder, met specificatie dat zij deze "som erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan de renovatie van het eigendom te Antwerpen, (...)laan 134";
- de strafrechter kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden, waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten.

Uit deze vaststellingen in het aangevochten arrest blijkt dat de strafrechter niet alleen kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden, waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten (arrest, p. 6, nr. 5, tweede alinea), doch tevens de litigieuze schulderkentenis in aanmerking kan nemen om te beslissen dat de eiseres en/of de verweerder zich, onder meer door de litigieuze schulderkentenis, schuldig hebben gemaakt aan het aanwenden van onofficiële inkomsten, met andere woorden aan het witwassen van uit een misdrijf voorkomende vermogensvoordelen op één van de in artikel 505 van het Strafwetboek omschreven wijzen.

Dergelijke beslissing van de strafrechter zou impliceren dat het voorwerp van de schulderkentenis - het teruggeven van een geldsom door de eiseres die haar voordien door de verweerder was gegeven - een onwettige toestand doet ontstaan en/of instandhoudt.

De beslissing dat de strafrechter hoogstens kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden, waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten, dat het voorwerp van de schulderkentenis niet strijdig is met een rechtsregel uit het gebiedend of verbiedend recht, de openbare orde of de goede zeden en het voorwerp dus niet ongeoorloofd is en dat er geen gevaar voor tegenstrijdigheid bestaat tussen de beslissingen van de strafrechter en van de burgerlijke rechter zodat er geen aanleiding bestaat om de procedure voor het hof van beroep op te schorten, is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 6, 1108, 1126 en 1128, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 505 van het Strafwetboek, zoals van kracht vóór diens wijziging bij wet van 10 mei 2007).

Tweede onderdeel

5.1 De doorslaggevende beweegreden, d.w.z. de oorzaak van de schulderkentenis bestaat volgens het hof van beroep in het terug ter beschikking stellen van gelden die aan verweerder toekomen.

Deze oorzaak is volgens het hof van beroep niet ongeoorloofd nu zij niet bestaat in het nastreven van een met de maatschappelijke orde strijdig doel. De doorslaggevende reden is niet het ontduiken van fiscale wetten nu deze ontduiking, zo gebeurd, aan de overeenkomst (de schulderkentenis) is voorafgegaan.

Nu de strafrechter volgens het hof van beroep hoogstens kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden, waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten, bestaat er volgens het hof van beroep geen reden om de opschorting van de procedure uit te spreken.

Uit de hoger (sub nr. 4.2) aangehaalde vaststellingen van het hof van beroep nopens de hangende strafprocedure - vaststellingen die hier als uitdrukkelijk herhaald worden aangezien - blijkt dat de strafrechter niet alleen kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden, waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten (arrest, p. 6, nr. 5, tweede alinea), doch tevens de litigieuze schulderkentenis in aanmerking kan nemen om te beslissen dat de eiseres en/of de verweerder zich, onder meer door de litigieuze schulderkentenis, schuldig hebben gemaakt aan het aanwenden van onofficiële inkomsten, met andere woorden aan het witwassen van uit een misdrijf voorkomende vermogensvoordelen op één van de in artikel 505 van het Strafwetboek omschreven wijzen.

Uit de beslissing van de strafrechter zou derhalve kunnen volgen dat de doorslaggevende beweegreden van de schulderkentenis bestaat in het witwassen van onofficiële inkomsten en dat de schulderkentenis derhalve een onwettige toestand creëert, of minstens instandhoudt.

De beslissing dat de strafrechter hoogstens kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden, waarvoor de schulderkentenis nadien werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten en dat de doorslaggevende beweegreden bij de schulderkentenis niet het ontduiken van fiscale wetten is, zodat er geen gevaar voor tegenstrijdigheid bestaat tussen de beslissingen van de strafrechter en van de burgerlijke rechter en er geen aanleiding bestaat om de procedure voor het hof van beroep op te schorten, is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 6, 1108, 1131 en 1133, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 505 van het Strafwetboek, zoals van kracht vóór diens wijziging bij wet van 10 mei 2007).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 6, 212, 213, 221, 1108, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In het bestreden arrest van 19 november 2007 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het door de eiseres tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 10 maart 2006 aangetekende hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het beroepen vonnis.

Met bevestiging van het beroepen vonnis verklaart het hof van beroep de vordering van de verweerder gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van 370.000,00 euro, meer nalatigheidsinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 28 maart 2004 tot de datum van het vonnis en vanaf dan met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet tot de dag der algehele betaling.

Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende motieven:
"De ‘oorzaak' is de doorslaggevende beweegreden bij een overeenkomst. Deze doorslaggevende beweegreden is hier te zien als het terug ter beschikking stellen van gelden die (de verweerder) toekomen. Zoals gezegd, betreft de overeenkomst hier immers een eenzijdige verbintenis in hoofde van (de eiseres)" (arrest, p. 6, in fine), en,

"VI. Grond van de hoofdvordering

Beslissing eerste rechter en doelstellingen in hoger beroep

1. de eerste rechter verklaarde de hoofdvordering van (de verweerder) gegrond. Hij veroordeelde (de eiseres) tot het betalen van 370.000,00 euro, meer verwijlinteresten vanaf 28 maart 2004 en gerechtelijke interesten.

2. (De eiseres) verzoekt deze vordering ongegrond te verklaren.

3. (De verweerder) concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis. Beoordeling

De grief van (de eiseres) verwoord in haar verzoekschrift houdt geen steek.

De eerste rechter heeft wel degelijk de beslissing in eerste aanleg gemotiveerd.

Het hof (van beroep) treedt deze oordeelkundige motiveringen zelfs bij. Ze gelden hier als herhaald. De oorspronkelijke grief van (de eiseres) wordt bijgevolg verworpen.

De andere grieven van (de eiseres), gesteund op het beweerde feit dat de kwestieuze betaling aan haar gebeurde met gelden uit onofficiële inkomsten, werden hoger al weerlegd (zie opschorting procedure).

Besluit

Gelet op dit alles is de hoofdvordering gegrond. Het vonnis a quo dient hier te worden bevestigd.

VII. Besluit over de grond van het hoger beroep

Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond.

Met herhaling van de motivering van het beroepen vonnis beslist het hof van beroep tevens als volgt:

‘III. Antwoord op de middelen van partijen

III.A Rechtsverhouding tussen partijen:

(De verweerder en de eiseres) zijn tot op heden nog steeds gehuwd onder het stelsel scheiding van goederen. (De verweerder) stelt dat (de eiseres) hem nog 370.000,00 euro verschuldigd is. Hij verwijst hiervoor naar een document genoemd ‘schulderkentenis', ondertekend door (de eiseres).

III.B Schulderkentenis:

(...) (De eiseres) betwist de vordering en stelt dat het voorgebrachte document geen authentieke akte maar een onderhandse akte betreft, dat het een onbestaande schuld betreft, dat er geen geoorloofde oorzaak wordt voorgebracht.
(...)

III.B.2 Geldigheid/nietigheid van de overeenkomst (Artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek):

(De eiseres) stelt dat de schulderkentenis behept is met nietigheid om reden dat er geen geoorloofde oorzaak bewezen wordt door (de verweerder). De rechtbank oordeelt dat diegene die feitelijkheden aanbrengt deze ook moet bewijzen (artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). (De eiseres) heeft dan ook de bewijslast om aan te tonen dat de schulderkentenis aangegaan is zonder oorzaak, uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak. Zij stelt dat de verbintenis aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak en verwijst hiervoor naar het gegeven dat zij gehuwd waren onder het stelsel scheiding van goederen, er zich huwelijksproblemen hadden voorgedaan en (de verweerder) de regels betreffende de vereffening en verdeling wou omzeilen. (De verweerder) verwijst naar de inhoud van de schulderkentenis zelf.

De rechtbank oordeelt dat de schulderkentenis inderdaad zelf een oorzaak aangeeft:
‘... welke som zij erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan de renovatie van het eigendom te Antwerpen (...)laan 234 ...'

Aangezien dit onroerend goed een eigen goed is van (de eiseres) is dit een geoorloofde oorzaak van de schulderkentenis.

III.B Uitvoering van de schulderkentenis:

Gelet op het gegeven dat de rechtbank oordeelde dat het bestaan en de geldigheid van de schulderkentenis bewezen is, is de vordering van (de verweerder) tot uitvoering ervan gegrond" (vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 10 maart 2006, pp. 3-5).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet zijn elk vonnis en arrest met redenen omkleed. De rechter is, ingevolge deze Grondwetsbepaling verplicht te antwoorden op alle relevante en precieze middelen die parten op regelmatige wijze aanvoeren in besluiten ter staving van hun eis of verweer.

2. De eiseres voerde in haar hernemende beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 17 april 2007 (pp. 26-28) aan dat:

- de eerste rechter heeft vastgesteld dat de litigieuze schulderkentenis een oorzaak aangeeft ("welke som (de eiseres) erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan de renovatie van het eigendom te Antwerpen (...)laan 234");

- de eerste rechter ten onrechte heeft beschouwd dat de vermelde oorzaak niet vals is om reden dat de eiseres de inhoud ervan begrepen heeft en de verweerder over voldoende geldmiddelen beschikte;

- uit de strafbundel, waarvan de inhoud onbekend was op het ogenblik waarop het aangevochten vonnis werd gewezen, inmiddels gebleken is dat een schuldbekentenis juist wel op een valse oorzaak berust;

- interieurarchitect De Mot in zijn verhoor van 7 januari 2006 immers bevestigde dat hij bijna alle betalingen van de verweerder ontving en deze verklaring aantoont dat, in tegenstelling tot de bewoordingen van de schuldbekentenis, de eiseres omzeggens geen geld heeft besteed bij de renovatie van haar pand, doch wel de verweerder zelf en de verweerder dus evenmin geld overhandigd heeft aan de eiseres met het oog op de renovatiewerken;

- aangezien vaststaat dat de oorzaak vermeld in de schuldbekentenis onjuist is, de verweerder een andere (geoorloofde) oorzaak dient aan te tonen, bij gebrek waaraan de schuldbekentenis nietig moet worden verklaard;

- het bestaan van een geoorloofde oorzaak wordt ontzenuwd door het feit dat de renovatiekosten naar verluid aanzienlijk minder bedroegen, vermits interieurarchitect De Mot in dit verband slechts voor 32.000,00 euro facturen uitschreef en de verweerder voor het overige volledig in gebreke blijft aan te tonen dat hij de som van 370.000,00 euro besteed heeft bij de renovatie van de woning;

- de verweerder tevergeefs het tegendeel zou pogen aan te tonen op grond van het handgeschreven boekje met hoofding "M.  E.", hetzij een lijst van beweerde betalingen door de verweerder aan Eric (lees: de interieurarchitect Eric De Mot) gaande van januari 2000 tot juni 2003 som van ca. 340.000,00 euro; deze lijst destijds door de verweerder aan de eiseres werd gedicteerd, doch met dit louter gegeven geen deugdelijk bewijs van de waarachtigheid van de vermeldingen van dit document wordt geleverd.

Het hof van beroep stelt in het aangevochten arrest louter vast dat de doorslaggevende beweegreden, d.w.z. de oorzaak van de schulderkentenis bestaat in het terug ter beschikking stellen van gelden die de verweerder toekomen en herhaalt de - door de eiseres in beroepsbesluiten bekritiseerde - motieven van het beroepen vonnis, volgens welke de schulderkentenis zelf een oorzaak aangeeft ("... welke som zij erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan de renovatie van het eigendom te Antwerpen (...)laan 234...") en dit een geoorloofde oorzaak uitmaakt omdat het een eigen goed van de eiseres betreft.

Het hof van beroep antwoordt aldus niet op de hiervoren aangehaalde, precieze en relevante verweermiddelen, neergelegd in de hernemende beroepsbesluiten van de eiseres, zodat het aangevochten arrest niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede onderdeel

3. Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet zijn elk vonnis en arrest met redenen omkleed. De rechter is, ingevolge deze Grondwetsbepaling verplicht te antwoorden op alle relevante en precieze middelen die partijen op regelmatige wijze aanvoeren in besluiten ter staving van hun eis of verweer.

4. Luidens artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek kan aan de wetten die de openbare orde en goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan.

Tot geldigheid van een overeenkomst vereist artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis en een geoorloofde oorzaak van de verbintenis.

Een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak kan volgens artikel 1131 van het Burgerlijk Wetboek geen gevolg hebben.

De oorzaak is overeenkomstig artikel 1133 van het Burgerlijk Wetboek ongeoorloofd wanneer zij door de wet verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.

Elke rechtshandeling, ook een eenzijdige, moet een geoorloofde oorzaak hebben.

Een rechtshandeling stoelt op een ongeoorloofde oorzaak wanneer de doorslaggevende beweegreden voor het stellen van die rechtshandeling door de wet verboden is of ingaat tegen de openbare orde of de goede zeden, dit is het geval wanneer die doorslaggevende beweegreden strekt tot het doen ontstaan of handhaven van een met de openbare orde strijdige toestand.

5. Overeenkomstig artikel 212 van het Burgerlijk Wetboek worden de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van de echtgenoten geregeld door de bepalingen van hoofdstuk VI van titel V van boek I van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 212 t.e.m. 224), die van toepassing zijn door het enkele feit van het huwelijk. Zij worden bovendien geregeld door de bepalingen betreffende het wettelijk stelsel of door die van hun huwelijkscontract, welke niet mogen afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Naar luid van artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek zijn de echtgenoten jegens elkaar tot samenwoning verplicht. De echtelijke verblijfplaats wordt, luidens artikel 214 van het Burgerlijk Wetboek, door de echtgenoten in onderlinge overeenstemming vastgesteld.

Volgens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek draagt iedere echtgenoot naar vermogen bij in de lasten van het huwelijk. Deze wetsbepaling raakt de openbare orde, of is minstens van gebiedend recht, zodat de echtgenoten er niet kunnen van afwijken.

De kosten voor de huisvesting van de echtgenoten en hun kinderen vormen lasten van het huwelijk, waarin beide echtgenoten overeenkomstig artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek naar vermogen dienen bij te dragen.

Wanneer de echtgenoten gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen sluit de omstandigheid dat de gezinswoning een eigen goed van de ene echtgenoot is, niet noodzakelijk uit dat de betaling door de andere echtgenoot van kosten in verband met deze woning als bijdrage van deze laatste in de lasten van het huwelijk kunnen worden aangezien. De kosten die betrekking hebben op de bewoning van het onroerend goed (huisvesting) door het gezin, de kosten voor familiaal comfort in functie van de levensstandaard van het gezin - zoals bv. kosten voor verbeteringswerken, renovatie, interieurwerkzaamheden, onderhoudskosten ... - vormen lasten van het huwelijk.

Wanneer de echtgenoot die niet de eigenaar van de gezinswoning is, dergelijke kosten ten laste neemt, zal hij aldus bijdragen in de lasten van het huwelijk en derhalve geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor deze gemaakte kosten vanwege de andere echtgenoot, tenzij zou blijken dat deze laatste niet, of niet voldoende, in de huwelijkslasten naar vermogen heeft bijgedragen.

Wanneer een echtgenoot aldus, door betaling van de renovatiewerken aan de gezinswoning die eigendom is van de andere echtgenoot (of door aan deze andere echtgenoot gelden ter beschikking te stellen die zij aanwendt voor de renovatiewerken) bijdraagt naar vermogen in de huwelijkslasten, bestaat er geen aanleiding tot vergoeding door de echtgenoot-eigenaar die zelf eveneens naar vermogen heeft bijgedragen in de huwelijkslasten.

Indien in die omstandigheden door de echtgenote-eigenaar een schulderkentenis wordt ondertekend waarbij zij verklaart het bedrag, dat haar door de andere echtgenoot ter beschikking werd gesteld voor de renovatiewerken aan de gezinswoning, aan deze andere echtgenoot verschuldigd te zijn, bestaat de oorzaak van deze rechtshandeling erin af te wijken van de wettelijke regel volgens welke de echtgenoten naar vermogen bijdragen in de huwelijkslasten. De oorzaak van deze rechtshandeling is aldus strijdig met een wetsbepaling van openbare orde, minstens van gebiedend recht, heeft tot gevolg dat een onwettige toestand wordt gecreëerd, en is derhalve ongeoorloofd.

Minstens creëert het voorwerp van de aldus door de echtgenote aangegane verbintenis, m.n. de vergoeding van de ene echtgenoot-schuldenaar aan de andere echtgenoot-schuldeiser voor bijdragen die deze naar vermogen heeft geleverd in de huwelijkslasten, zonder dat vaststaat dat de echtgenoot-schuldenaar niet of onvoldoende naar vermogen in de huwelijkslasten heeft bijgedragen, een onwettige toestand, m.n. een toestand strijdig met artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek, en is derhalve ongeoorloofd.

6. De eiseres argumenteerde in haar hernemende beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 17 april 2007 dat:

- de wettelijke verplichting voor elke echtgenoot naar vermogen bij te dragen in de lasten van het huwelijk (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek) tot gevolg heeft dat de echtgenoot, die bv. instaat voor het onderhoud en de verbeteringswerken aan de gezinswoning, die uitsluitend aan de andere echtgenoot toebehoort, de terugbetaling van deze uitgaven in beginsel niet kan eisen;

- zulke vrijwillige betalingen zijn aandeel betreffen in de lasten die eigen zijn aan de gezinswoning en zeker in die geest verricht worden op het moment van de betaling; zij als dusdanig opgenomen worden in de afrekening van de huwelijkslasten waarin elke echtgenoot bijdraagt naar vermogen, tenzij dit aanleiding geeft tot onevenwichtige bijdragen;

- de verbeterings- en onderhoudswerken die de echtgenoot had uitgevoerd in de echtelijke verblijfplaats, die een eigen goed van de echtgenote was, als bijdrage in de lasten werden aangemerkt; deze werken geen recht op terugbetaling gaven, vermits harerzijds, de echtgenote door de huishoudelijke taken en opvoeding van de kinderen ook had bijgedragen in de lasten van het huwelijk;

- het huwelijkscontract bepaalt dat de echtgenoten vermoed worden hun respectieve bijdragen dagelijks te hebben geleverd en dat zij vrijgesteld zijn van enige afrekening in dit verband; de echtgenoot die de kosten met betrekking tot de gezinswoning te zijnen laste heeft genomen geacht wordt hiermee zijn bijdrage in de lasten van het huishouden te hebben geleverd, tenzij hij bewijst dat de andere echtgenoot niet of onvoldoende in de lasten van het huwelijk naar vermogen heeft bijgedragen;

- de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat, niettegenstaande de regels van het huwelijksvermogensrecht, de beweerde oorzaak van de schulderkentenis geoorloofd is om reden dat het kwestieus pand een eigen goed is van de eiseres;

- de erkenning van schuld de wettelijke bijdrageplicht in de lasten van het huwelijk miskent en dat artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek een gebiedende wetsbepaling is waarvan niet kan worden afgeweken;

- de financiering van de renovatiewerken als een normale deelname in de lasten van het huwelijk kan worden beschouwd in hoofde van de verweerder, gelet op zijn aanzienlijke financiële middelen en beroepsinkomen (ca. 30.000,00 euro/maand) en de hoge levensstandaard van het gezin,

- de loutere omstandigheid dat de verweerder, zonder enig voorbehoud, de litigieuze vernieuwingswerken spontaan betaalde aan de constructeur naarmate diens facturen opeisbaar werden, aantoont dat hij in tempore non suspecto deze betalingen wel degelijk aanzag als een bijdrage in de huwelijkslasten;

- deze bijdrage dient beschouwd te worden als vergoeding voor het ter beschikking stellen van eiseres' woning aan het gezin en voor het feit dat zij steeds de opvoeding van kinderen en huishoudelijke taken waarnam;

- de verweerder, als enige kostwinner van het gezin, niet buiten proportie tot zijn ruime middelen heeft bijgedragen, gelet op de afwezigheid van enig beroepsinkomen van de eiseres en dit, precies omwille van het feit dat zij zorgde voor haar kinderen en de huishouding;

- de schulderkenning indruist tegen het vermoeden vervat in artikel 2 van het huwelijkscontract, luidens welke de echtgenoten geacht worden hun bijdrage in de huwelijkslasten dagelijks te leveren, zonder dat enige kwijting of afrekening vereist is en strijdig is met artikel 8 van de huwelijksovereenkomst dat bepaalt dat bij gebrek aan een jaarlijkse afrekening tussen echtgenoten, zij vermoed worden hun overblijvende spaargelden (na bijdrage in huwelijkslasten) jaarlijks onder elkaar evenredig te hebben verdeeld;

- de kwestieuze schulderkentenis een vermomming van de werkelijke reden van de uitgaven vormt (de bijdrage in de last van het huwelijk) teneinde de verweerder een titel te verschaffen met het oog op de terugbetaling ervan, zodat de schulderkentenis op een ongeoorloofd voorwerp rust en door nietigheid is aangetast.

7. Het hof van beroep beslist, met herhaling van de motieven van het beroepen vonnis, dat de schulderkentenis zelf de oorzaak aangeeft ("... welke som zij erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan renovatie van het eigendom te Antwerpen (...)laan 234 ...") en dat dit een geoorloofde oorzaak is aangezien dit onroerend goed een eigen goed is van de eiseres.

Het hof van beroep verstrekt aldus geen antwoord op de hoger (nr. 6) aangehaalde, regelmatig aangevoerde, precieze en relevante verweermiddelen van de eiseres, volgens welke de schulderkentenis nietig is om reden dat:

- de verweerder, door bij te dragen in de renovatiekosten van het onroerend goed dat als gezinswoning werd gebruikt, naar vermogen bijgedragen heeft in de lasten van het huwelijk;

- de eiseres eveneens naar vermogen in de lasten van het huwelijk heeft bijgedragen door in te staan voor de huishoudelijke taken en de opvoeding van de kinderen;

- de litigieuze schulderkentenis derhalve de wettelijke bijdrageplicht in de lasten van het huwelijk miskent, derhalve een ongeoorloofd voorwerp heeft en door nietigheid is aangetast.

Het aangevochten arrest is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

8. In zoverre het hof van beroep, door de vaststelling dat de in de schulderkentenis aangegeven oorzaak ("... welke som zij erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan renovatie van het eigendom te Antwerpen (...)laan 234 ...") geoorloofd is "aangezien dit onroerend goed een eigen goed is van (de eiseres)", heeft aangenomen dat de schulderkentenis niet nietig is om reden dat ze geen betrekking heeft op een bijdrage van de verweerder in de lasten van het huwelijk nu de gelden besteed werden aan de renovatie van een eigen goed van de eiseres, is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Zoals hoger uiteengezet sub nr. 5, uiteenzetting die hier als uitdrukkelijk herhaald dient te worden aangezien, impliceert de loutere omstandigheid dat een echtgenoot aan zijn echtgenote gelden overhandigt voor renovatie (of zelf de renovatiekosten betaalt) van een woning die eigendom is van de echtgenote, doch waarvan niet (noch door de verweerder, noch door het hof van beroep) ontkend wordt dat het de gezinswoning betreft, immers niet dat de echtgenoot aldus niet bijdraagt in de lasten van het huwelijk zoals voorgeschreven door artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek.

Door vast te stellen dat de schulderkentenis betrekking heeft op gelden bestemd voor de renovatie van het eigen onroerend goed van de eiseres, waarvan niet ontkend wordt dat het de gezinswoning betrof en te beslissen dat de schulderkentenis een geoorloofde oorzaak heeft, zonder in concreto te onderzoeken of de verweerder aldus naar vermogen bijdroeg in de lasten van het huwelijk en of de eiseres eveneens naar vermogen in de huwelijkslasten heeft bijgedragen, heeft het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 6, 212, 213, 221, 1108, 1131, 1133 van het Burgerlijk Wetboek).

Minstens stelt dit aldus het Hof in de onmogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht op de beslissing van het hof van beroep uit te oefenen, zodat het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het Hof vermag geen acht te slaan op de op 26 maart 2009 door de eiseres buiten de in artikel 1087 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn ter griffie van het Hof neergelegde aanvullende nota met bijgevoegd stuk.

Eerste middel

Ontvankelijkheid

2. De verweerder voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het opkomt tegen een feitelijke beoordeling van de appelrechters met betrekking tot het bepalen van het voorwerp en de oorzaak van de overeenkomst.

3. Het middel bekritiseert de beslissing van de appelrechters dat er geen aanleiding bestaat om de procedure voor het hof van beroep op te schorten bij toepassing van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering omdat er geen gevaar voor tegenstrijdigheid bestaat tussen de beslissingen van de strafrechter en van de burgerlijke rechter.

4. Het staat aan het Hof na te gaan of de appelrechters uit de door hen vastgestelde feiten wettig hebben kunnen afleiden dat er geen gevaar bestaat voor tegenstrijdigheid tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. De regel van openbare orde, vastgelegd in artikel 4 van de wet van 17 april 1878, krachtens welke de burgerlijke rechtsvordering die niet tezelfdertijd voor dezelfde rechter als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst is zolang niet definitief beslist is over de strafvordering, is hierdoor verantwoord dat het strafvonnis ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering in de regel gezag van gewijsde heeft aangaande de punten die aan de strafvordering en de burgerlijke vordering gemeen zijn.

6. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat:

- de verweerder de veroordeling van de eiseres vorderde tot betaling van een bedrag van 370.000,00 euro meer interest, verwijzend naar een schulderkentenis, ondertekend door de eiseres;

- de eiseres voor de appelrechters verzocht de procedure op te schorten op grond van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering gelet op de hangende strafprocedure;

- de eiseres voor de appelrechters onder meer aanvoerde dat de schulderkentenis nietig was wegens strijdigheid met de openbare orde en wegens een valse oorzaak.

7. Het bestreden arrest stelt vast dat uit de door de eiseres voorgelegde vordering van de procureur des Konings, strekkende tot verwijzing van de partijen naar de correctionele rechtbank, blijkt dat:

- de verweerder in verdenking wordt gesteld onofficiële inkomsten te hebben verkregen;

- de verweerder en de eiseres in verdenking worden gesteld deze onofficiëel verkregen inkomsten te hebben aangewend voor minstens een bedrag van 370.000,00 euro met betrekking tot de renovatie van de woning te Antwerpen, (...)laan 234;

- de kwestieuze schulderkentenis, waarin de eiseres verklaart de som van 370.000,00 euro schuldig te zijn aan de verweerder, met specificatie dat zij deze "som erkent besteed te hebben of te zullen besteden aan de renovatie van het eigendom te Antwerpen, (...)laan 234", in dit geheel voorkomt.

8. Uit deze vaststellingen blijkt dat de strafrechter niet alleen kan beslissen dat de door de eiseres verkregen gelden waarvoor de schulderkentenis werd opgesteld, afkomstig zijn van onofficiële inkomsten, maar ook dat hij de schulderkentenis in acht kan nemen om te beslissen dat de verweerder en/of de eiseres zich schuldig hebben gemaakt aan het aanwenden van onofficiële inkomsten.

Hieruit volgt dat het al dan niet geoorloofd karakter van de beweegredenen voor de schulderkentenis een element van de beslissing op de strafvordering kan uitmaken en dat enige tegenstrijdigheid tussen die beslissing en de beslissing van de appelrechters over de geldigheid van de schulderkentenis niet uitgesloten is.

9. Bijgevolg hebben de appelrechters niet wettig kunnen beslissen dat de procedure niet opgeschort moet worden omdat er geen gevaar voor tegenstrijdigheid bestaat tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

10. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Zonder acht te slaan op de nota van de eiseres van 26 maart 2009,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: zo, 15/04/2018 - 20:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.