-A +A

Kwijtende verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

de korte verjaring en het vermoeden van betaling

Hij die beweert betaald te hebben draagt hiervan de bewijslast. Nochtans zou het onredelijk zijn om onbeperkt de bewijsstukken van een betaling bij te houden. In een aantal gevallen werd hiertoe de kwijtende verjaring voorzien. Door het verloop van tijd wordt ingevolge stilzitten van des schuldeiser dan een regeling verondersteld. Wanneer de schuldenaar evenwel erkent niet betaald te hebben, kan deze zich niet op deze verjaring beroepen. Deze erkenning kan blijken uit een betwisting, een vraag tot faciliteiten of een andere expliciete of impliciete erkenning.

De korte verjaring is gebaseerd op een vermoeden van betaling. Dit vermoeden van betaling valt weg zodra een geschrift het bestaan van de schuld, hetzij het ontstaan of het tenietgaan ervan, vaststelt. Bij het opstellen van een geschrift verliest het stelsel van de korte verjaring haar reden van bestaan.

Het loutere bestaan van een geschrift zetten verjaring om in de algemene regel: de verjaring van 10 jaar overeenkomstig artikel 2262 bis paragraaf een eerste lid van het burgerlijk wetboek

 

Wie zich op de kwijtende verjaring wil beroepen zal dit derhalve met de grootste omzichtigheid dienen te doen, gezien elke melding waaruit de niet-betaling blijkt de uitwerking van deze verjaring verhindert.

Immers:

de kwijtende verjaring levert enkel een vermoeden van betaling op (art. 2271 en 2272 B.W.).

1992-02-14
Zie arrest van het HOF VAN CASSATIE van 14/02/1992

Samenvatting van dit arrest

Hij tegen wie men zich op de verjaring bedoeld in art. 2271 B.W. beroept, mag aan degene die zich erop beroept, de bekentenis tegenwerpen dat de zaak niet betaald is. ( Art. 2274 en 2275 Burgerlijk Wetboek. )

---------------------------------------------------------------------------
zie ook: Cass. 29 januari 1948, (A.C., 1948, 58) en Cass. 26 september 1988, A.R.nr. 5965, (A.C., 1988-89, nr. 49).


---------------------------------------------------------------------------
Wettelijke basis
-BURGERLIJK WETBOEK,ART 2271
-BURGERLIJK WETBOEK,ART 2274
-BURGERLIJK WETBOEK,ART 2275
 

Art. 2271. De rechtsvordering van meesters on onderwijzers is kunsten en wetenschappen, wegens de lessen die zij bij de maand geven;
Die van hotelhouders en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost;
Die van arbeiders en werklieden, tot betaling van hun daghuur, hun leveringen en hun loon,
Verjaren door verloop van zes maanden.

Art. 2272. (Lid 1 opgeheven) <W 06-08-1993, art. 63>.
(De rechtsvordering) van (gerechtsdeurwaarders), tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren; <W 06-08-1993, art 63>.
Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn;
Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld;
Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon,
verjaren door verloop van een jaar.

Art. 2274. De verjaring, in de voorgaande gevallen bepaald, heeft plaats, hoewel men met de verstrekkingen, leveringen, diensten en werken is voortgegaan.
Zij houdt slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd.

Art. 2275. Niettemin kunnen zij tegen wie men zich op die verjaringen beroept, aan hen die zich erop beroepen, de eed opdragen omtrent de vraag of de zaak werkelijk betaald is. De eed kan worden opgedragen aan de weduwen en aan de erfgenamen, of aan de voogden van de laatstgenoemden, indien deze minderjarig zijn, opdat zij verklaren dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is.

Hof van Beroep Antwerpen 07/12/2004. R.W. 2006-2007, 179: De bepaling van art. 2276bis B.W. luidens welk de vordering van advocaten tot betaling van hun kosten en erelonen verjaart na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak, berust op en vermoeden van betaling. Daaruit volgt dat de cliënt deze verjaring niet kan inroepen, wanneer hij uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekend niet te hebben betaald.

Contra: Rb1. Antwerpen 06/01/2005, R.W. 2006-2007, De in artikel 2276 bis §2 B.W. bedoelde verjaring van de vorderingen van advocaten berust niet op een vermoeden van betaling en vormt bijgevolg een kwijtende verjaring.

De deelname van een cliënt aan een taxatieprocedure, houdt geen erkenning van schuld in en werkt derhalve niet stuitend. De verjaring wordt evenmin geschorst tijdens de duur van de taxatieprocedure.

Rechtspraak:

Gent (7e k.) 29 september 1999, P.&B. 2001, 26.

De korte verjaringstermijn van één jaar voor kooplieden wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, kan niet ingeroepen wanneer de verbintenis in een geschrift is vastgelegd. Zij wordt dan gestuit of houdt op te lopen.
De schulderkenning die bestaat in de omstandigheid dat de schuldenaar de facturen ontving, een creditnota vroeg en tenslotte vrede nam met het aldus bekomen saldo, doet voldoende blijken van een verbintenis die in een geschrift werd vastgesteld waardoor de verjaring overeenkomstig art. 2274 B.W. ophoudt te lopen.
 

zie verder voor meer informatie en een zeer uitgebreid overzicht rechtspraak: de korte verjaring van 1 jaar
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:16
Laatst aangepast op: zo, 20/03/2016 - 20:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.