-A +A

Korte debatten art. 735

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De voor korte debatten voorziene procedure wordt gevolgd wanneer daartoe een met redenen omkleed verzoek is geformuleerd in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij (art. 735, §1, Ger. W.), wanneer partijen daarmee akkoord gaan, alsook in de gevallen opgesomd in art. 735, §2, tweede lid, Ger. W

Een vordering op grond van art. 19, tweede lid, Ger. W. wordt steeds behandeld op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure (art. 735, §2, Ger. W.)

Bepaalde zaken worden reeds op de eerste zitting, de inleidende zitting of op een zeer nabije datum behandeld. Het zijn de zaken die slechts korte debatten vergen.

De regel van artikel 735 Gerechtelijk wetboek

De regeling hieromtrent is terug te vinden in art. 735 van het gerechtelijk wetboek.

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Behandeling ter inleidende zitting.

Art. 735.<W 1992-08-03/31, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Ten aanzien van iedere verschijnende partij worden de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met redenen omkleed verzoek is gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij.
§ 2. De zaken worden in korte debatten behandeld ingeval de partijen daarmede akkoord gaan. De rechter houdt de zaak op de inleidingszitting aan of verwijst ze opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaalt.
(Behoudens akkoord van de partijen zal het geding op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure worden behandeld in de volgende gevallen :
- de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;
- de vorderingen bedoeld in artikel 19, [2 derde lid]2;
- de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935;
- de regeling van geschillen van bevoegdheid;
- de vorderingen om uitstel van betaling.) <W 2007-04-26/71, art. 7, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
§ 3. In de zaken bedoeld in de §§ 1 en 2, kan het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen conclusies zijn neergelegd.
Wanneer de partijen conclusies nemen, moeten zij die overhandigen aan de rechter, die ze voor gezien tekent. Van deze neerlegging wordt melding gemaakt op (het [1 zittingsblad]1). <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
§ 4. De overige zaken worden naar de bijzondere rol verzonden of aan andere kamers toegewezen, zoals is bepaald in artikel 726.
§ 5. De bepalingen van dit artikel gelden onverminderd de regels inzake verstek.
(Wanneer echter, in geval van onsplitsbaarheid van het geschil, een of meerdere partijen verstek laten gaan en ten minste een partij verschijnt, is dit artikel van toepassing op voorwaarde dat elke niet verschenen partij bij gerechtsbrief door de griffier opgeroepen wordt op een zittingsdag bepaald op een nabije datum, waarop een vonnis op tegenspraak zal kunnen worden gevorderd. De oproeping neemt de tekst van deze paragraaf over.) <W 2007-04-26/71, art. 7, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
§ 6. De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
----------
(1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
(2)<W 2017-07-06/24, art. 129, 154; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

Korte debatten in graad van beroep

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Art. 1066.<W 1992-08-03/31, art. 50, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, worden aangehouden en bepleit op de inleidingszitting, of anders binnen ten hoogste drie maanden en, zo nodig, op een namiddagzitting.
Behoudens akkoord van partijen, geldt hetzelfde :
1° in geval van voorziening tegen iedere beslissing van de voorzitter in kort geding of op verzoekschrift;
2° wanneer de bestreden beslissing [1 uitsluitend]1 een beslissing alvorens recht te doen of een voorlopige maatregel inhoudt;
3° wanneer de beslissing een uitstel van betaling toestaat of weigert;
4° in alle zaken betreffende bezwarende beslagen of middelen tot tenuitvoerlegging;
5° inzake faillissement, wanneer het bestreden vonnis uitspraak doet over de faillietverklaring of over de datum van staking van betaling, alsmede inzake akkoord;
6° ingeval wordt opgekomen tegen een beslissing waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging zonder borgstelling of kantonnement is toegestaan [1 of waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging uitdrukkelijk is toegestaan of geweigerd, met dien verstande dat de debatten vooralsnog beperkt worden tot die bijzondere modaliteiten]1.
----------
(1)<W 2017-07-06/24, art. 146, 154; Inwerkingtreding : 03-08-2017>

Rechtspraak met betrekking tot de korte debatten in graad van beroep

• Gent (11e k.) 30 maart 2017, 2017/ FA/0069 226 - P&B / RDJP 2017/5-6, 226

samenvatting

geniet het hof een appreciatiebevoegdheid omtrent het al dan niet houden van een kort debat (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 398, nr. 904). Het hof kan derhalve, niettegenstaande het protest van G.K., een kort debat houden.
Het hof is daarbij niet gebonden aan de in artikel 1066, tweede lid Ger.W. bedoelde opsomming van zaken voor kort debat. Een beperkte en afgesplitste discussie over het (laat) tijdige en derhalve (on)ontvankelijke karakter van het hoger beroep kan een zaak zijn 'waarvoor slechts kort debat nodig is' in de zin van artikel 1066, eerste lid Ger.W.

tekst arrest

( ... )

In de zaak van

G.K.

wonende te 9300 AALST, ( ... ) appellant

tegen

A.B.

wonende te 1742 TERNAT/SINT-KATHERINA-LOMBEEK, ( ... )

geïntimeerde

wijst het hof het volgende arrest.

1. G.K. en A.B. zijn ex-echtgenoten.

Zij twisten in de nasleep van hun echtscheiding (uitgesproken bij definitief vonnis van 11 mei 2006) over de vereffening-verdeling van hun gewezen huwelijksvermogen.

In het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling in de zin van de oude artikelen 1207 e.v. Ger.W. (bevolen bij definitief vonnis van 5 november 2009) komt, na prealabele notariële werkzaamheden, een staat van vereffening-verdeling tussen op 18 maart 2015.

Een bezwarenprocedure volgt, inzonderheid blijkens (1) een notarieel proces-verbaal van bezwaren van 10 juni 2015 en (2) een notarieel proces-verbaal van advies van 16 juli 2015.

2. Bij vonnis van 8 september 2016, gewezen in de zaak met AR nummer 2015/2425/ A, beslecht de D so= familiekamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, de bedoelde bezwaren.

In de lijn met de vordering van A.B. homologeert de rechtbank de staat van vereffening-verdeling van 18 maart 2015. Zij legt de niet nader begrote gedingkosten ten laste van de massa.

3. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 november 2016 laat A.B. overgaan tot betekening van het vonnis van 8 september 2016.

4. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 31 januari 2017 stelt G.K. hoger beroep in.

Hij beoogt daarbij, met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van zijn aangehouden bezwaren en in die optiek de bijsturing van de notariële werkzaamheden.

5. Aangezien het hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de in artikel 1051, eerste lid Ger.W. bedoelde beroepstermijn van één maand rijst prealabele discussie over het (laat)tijdige en derhalve (on)ontvankelijke karakter ervan. Het hof behandelt die beperkte en afgesplitste discussie in kort debat met toepassing van artikel 1066, eerste lid Ger.W. A.B. heeft hierop meteen naar aanleiding van de inleiding van het hoger beroep aangedrongen, terwijl G.K. zich nodeloos verzet en de zaak liever op de lange baan wil schuiven. Anders dan G.K. wil voordoen, geniet het hof een appreciatiebevoegdheid omtrent het al dan niet houden van een kort debat (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 398, nr. 904). Het hof kan derhalve, niettegenstaande het protest van G.K., een kort debat houden.

Het hof is daarbij niet gebonden aan de in artikel 1066, tweede lid Ger.W. bedoelde opsomming van zaken voor kort debat. Een beperkte en afgesplitste discussie over het (laat) tijdige en derhalve (on)ontvankelijke karakter van het hoger beroep kan een zaak zijn 'waarvoor slechts kort debat nodig is' in de zin van artikel 1066, eerste lid Ger.W.

Daar waar de zaak, ingeleid voor het hof op 23 februari 2017, kort is uitgesteld met het oog op instaatstelling van de discussie in kort debat, aanvaardt het hof de inleidingszittingsconclusie van A.B. en de navolgende behandelingszittingsconclusie van G.K. (art. 1042 juncto art. 735, §§ 1-3 Ger.W.). A.B. weerlegt de motivering die G.K. in zijn verzoekschrift tot hoger beroep van 31 januari 2017 meegeeft omtrent de beweerdelijk ongeldige betekening van het beroepen vonnis en derhalve het tijdige/ontvankelijke karakter van zijn hoger beroep. G.K. volhardt.

Het hof heeft de partijen in hun middelen gehoord op de openbare terechtzitting van 16 maart 2017, waarna het hof het debat heeft gesloten en de zaak in beraad heeft genomen. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet (1) de conclusie van 16 maart 2017 van G.K. van 31 januari 2017 en (2) de conclusie van A.B. van 23 februari 2017 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken) in het debat te houden.

6. Zoals A.B. opwerpt, is het hoger beroep laattijdig en derhalve onontvankelijk (art. 860, tweede lid Ger.W.).

De neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep heeft plaatsgevonden buiten de in artikel 1051, eerste lid Ger.W. bedoelde beroepstermijn van één maand.

7. Anders dan G.K. wil voordoen, maakt het enkele gegeven dat de hoofding van het betekeningsexploot van 15 november 2016 bij wijze van materiële misslag aangeeft dat het gaat om de 'betekening van een vonnis van echtscheiding met kennisgeving aan de hoofdgriffier' niet dat een ongeldige betekening in de zin van de artikelen 32 e.v. Ger.W. voorligt. Het betekeningsexploot van 15 november 2016 is, ondanks de doorprikbare materiële misslag, volkomen geldig. De krachtens artikel 43 Ger.W. vereiste vermeldingen zijn correct.

De betekening op 15 november 2016 heeft rechtsgeldig plaatsgevonden met achterlating van een afschrift overeenkomstig artikel. 38, § 1 Ger.W. (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 365, nr. 826). De bewering van G.K. dat hij, denkende dat het de (herhaalde en bijgevolg 'onzinnige') betekening van het echtscheidingsvonnis betrof, zijn advocaat niet inlichtte, verhelpt niet.

Die bewering verschoont hem evenmin. In de gegeven omstandigheden kon G.K. (als doorsnee zorgvuldige burger) aan de hand van het betekeningsexploot (los van de hoofding) weldegelijk merken dat het ging om het in extenso aangehechte (homologatie)vonnis van 8 september 2016 inzake de gerechtelijke vereffening-verdeling.

In voorkomend geval van twijfel kon hij zijn advocaat inlichten en/of diende hij juridische raad in te winnen.

8. Overmacht onderstelt een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene en die hij noch kon voorzien noch kon vermijden (B. Vanlerberghe, "Overmacht in het burgerlijk proces", in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen (eds.), Overmacht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 65-66, nr. 6). Het moet gaan om een onoverkomelijk beletsel dat niet toerekenbaar is aan de betrokkene (of zijn opdrachthouder).

Overmacht is in casu niet aan de orde.

9. De exceptie van onontvankelijkheid slaagt derwijze dat het hoger beroep faalt.

10. G.K. dient als de in het ongelijk gestelde partij de gedingkosten in hoger beroep te dragen (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. (art. 1018, sub 6° Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.). De in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is in dit geval A.B., zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald.

Het bedoelde geschil is in wezen niet in geld waardeerbaar. In dat geval is het in hoger beroep (vanaf 1 juni 2016) toepasselijke (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.440,00 euro (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.).

Het hof richt zich naar dit basisbedrag zonder redenen te zien in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W. om ervan af te wijken.

OP DIE GRONDEN, HET HOF,

RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

met inachtneming van (de art. 2 e.v. en inz.) artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

verklaart het hoger beroep laattijdig en derhalve onontvankelijk,

veroordeelt G.K. tot de gedingkosten in hoger beroep, enkel aan de zijde van A.B. te begroten op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 euro.

( ... )

Bewijslast korte debatten

De verweerder die geconfronteerd wordt met een dagvaarding waarbij in toepassing van artikel 735 gerechtelijk wetboek wordt gevorderd om ter inleiding te laten weerhouden op basis van de overweging dat de zaak slechts korte debatten vergt, heeft de bewijslast de aard van de betwistingen aan te duiden en.

Rechtspraak:

• Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 1e Kamer – 15 maart 2012, RW 2013-2014, 111

BVBA C. Van W. t/ BVBA G.-L.
De eis ingeleid bij exploot van 23 januari 2012 strekt ertoe de verwerende partij te horen veroordelen tot de betaling van 24.866,55 euro in hoofdsom, te vermeerderen met de gerechtelijke rente en de kosten van het geding.
...
De vordering strekt tot betaling van een saldo van acht facturen....

Eiseres heeft toepassing gevraagd van art. 735 Ger.W.

Het uitgangspunt is dat het begrip korte debatten vrij door één van de partijen wordt ingevuld (M.L. Storme, “De procedure van korte debatten: één zwaluw kan de lente maken” in Interuniversitair Centrum voor Gerechtelijk Recht (ed.), Het vernieuwd gerechtelijk recht. Eerste commentaar bij de Wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, Antwerpen, Kluwer, 1992, (95) 96). Het was de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever de behandeling van zaken door middel van korte debatten aan te moedigen (E. Brewaeys, “Art. 735 Ger.W.” in Comm.Ger.; Parl.St. Senaat 1990-91, nr. 1198-1; Parl.St. Senaat 1991-92, nr. 301-1).

Indien een partij op de inleidende dagvaarding om een procedure in korte debatten verzoekt, verwijzend naar art. 735, § 1 Ger.W. en de verwerende partij van oordeel is dat de zaak niet in korte debatten kan worden behandeld, dan is het aan de verwerende partij om op deze inleidende zitting, hetzij bij conclusie hetzij mondeling het voorwerp van de betwisting te schetsen.

De houding die de verweerder zal aannemen, bepaalt in niet onbelangrijke mate het lot dat aan de zaak op de inleidingzitting zal worden toebedeeld. De eiser weet dikwijls niet welke middelen en argumenten de verweerder zal laten gelden en over welke doorslaggevende stukken deze beschikt (E. Brewaeys, “Art. 735 Ger.W.” in Comm.Ger.).

Het is de partij die zich verzet tegen de behandeling in korte debatten die moet aantonen dat deze niet volstaan. Op de verweerder rust derhalve de verplichting mondeling of schriftelijk kort zijn verweer te schetsen op de inleidende zitting (E. Brewaeys, “Art. 735 Ger.W.” in Comm.Ger.). Alleen op deze wijze kan de rechter immers oordelen of de eisende partij geen misbruik maakt van haar recht de kortedebattenprocedure te eisen.

De raadsman van de verwerende partij voert aan dat zij slechts kort vóór de zitting werd geraadpleegd, zodat ze niet in staat is te zeggen waarom de vordering wordt betwist.

Van een handelaar die wordt gedagvaard mag worden verwacht dat hij tijdig zijn verweer voorbereidt, niet tot enkele dagen vóór de zitting wacht om een raadsman te contacteren om hem te vertegenwoordigen. Bovendien zelfs dan nog, is het in onze moderne communicatiemaatschappij mogelijk een korte schets te geven van de aard van de betwisting op de inleidingzitting.

Art. 735, § 1 Ger.W. is een maatregel die moet verhinderen dat door louter dilatoire middelen, in relatief eenvoudige zaken, de beslechting van het geschil vertraging oploopt. Zeker in het handelsleven, waar vaak de onmogelijkheid tot betalen een feit is, moet de rechter door een strikte toepassing van art. 735, § 1 Ger.W. vermijden dat voor relatief eenvoudige zaken de beslechting van het geschil op de lange baan wordt geschoven.

Voor de toepassing van art. 735, § 1 Ger.W. is niet de hoogte van het gevorderde bedrag relevant, maar wel de al of niet complexiteit van de betwisting.

Van een handelaar die het niet eens is met de aan hem gerichte facturen, mag worden verwacht dat hij deze protesteert.Het staat vast dat verweerster de factuur nooit ernstig heeft betwist. Het betreft prestaties in onderaanneming. De facturen werden aanvaard onder voorbehoud, bij brief van 21 september 2011, maar verweerster is nooit teruggekomen op het voorbehoud, zodat de facturen aanvaard werden.

De vordering is gegrond....

• Vredegerecht Zomergem, 19.11.2010, T. Vred., 2013, 3-4, pag. 214.

Artikel 735 Ger.W. bepaalt dat ten aanzien van iedere verschijnende partij de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn ter inleiding worden behandeld, hetzij verdaagd op korte termijn.

Aan de door dat artikel gestelde vereiste dat de toepassing van de korte debatten in de dagvaarding moet worden gevraagd, is concreet in dit dossier voldaan.

De eiser zet immers uiteen: “gelet op de beroepsactiviteiten van gedaagden valt het gebruik van de kwestieuze eigendom geenszins onder het toepassingsgebied van de pachtwet zodat onderhavig geschil slechts korte debatten vergt in de zin van artikel 735 Ger.W. en derhalve zal worden weerhouden op de inleidende zitting.”

De rechter treedt de visie van de eiser bij dat de vraag of het geschil al dan niet wordt beheerst door de pachtwet concreet in dit dossier niet complex is.

Bovendien is de zaak erg dringend omdat de eiser riskeert kandidaat-kopers van het vrij aanzienlijke perceel (…) te verliezen.

Elk verder uitstel van de zaak zou een belangrijke schade kunnen teweegbrengen, dit terwijl de betwisting louter juridisch gezien toch vrij duidelijk is.

Bovendien blijkt dat de eiser in het verleden zeker meerdere pogingen heeft ondernomen om de zaak in der minne te regelen.

Met het oog op een minnelijke schikking heeft eiser verweerders laten oproepen voor de Vrederechter, doch op de verzoeningszitting kon geen akkoord bereikt worden zodat een proces-verbaal van niet-verzoening opgesteld werd.

Er werd nadien nog briefwisseling gevoerd.

De verweerders wekten bovendien de indruk bereid te zijn tot onderhandelen via een gewezen advocaat, zoveel blijkt uit de voorgelegde mailberichten en briefwisseling.

Toelaatbaarheid van elke vordering.

De exceptie op grond van artikel 1345 Ger.W. mist elke grond.
Immers heeft de eiser nooit beweerd dat er een pacht was en werd nog nooit door hem ten opzichte van verweerders een vordering op grond van de pachtwet geformuleerd.

Dat verweerders in hun verweer argumenteren dat de pachtwet wel toepasselijk zou zijn, betreft de beoordeling ten gronde.
Relevant is wat door de eiser initieel is gevorderd.

Artikel 1345 Ger.W. is dus niet van toepassing.

Hof van Beroep te Antwerpen, 7e Kamer – 30 november 2015, RW 2016-17, 712

NV A.B. t/ NV A. en NV E.D.A.
...
Beoordeling

Ter terechtzitting van 3 november 2015 werd het debat enkel gevoerd over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Het bestreden vonnis werd niet betekend. Het hoger beroep dat werd ingesteld met het verzoekschrift dat op 5 oktober 2015 werd neergelegd ter griffie van dit hof, is tijdig en regelmatig naar de vorm.

Volgens NV A. is het hoger beroep onontvankelijk omdat art. 735, § 6 Ger.W. bepaalt: “De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.”

Het bestreden vonnis is echter een gemengde beslissing. Weliswaar wordt in het bestreden vonnis enerzijds beslist over de rechtspleging in korte debatten, maar anderzijds bevat het bestreden vonnis ook overwegingen die NV A.B. een onmiddellijk nadeel kunnen berokkenen, omdat daarbij over feitelijke en rechtsvragen wordt beslist die voor de eerste rechter door partijen betwist werden (in deze zin: Cass. 13 december 1991, Arr.Cass. 1991-92, 346; Cass. 22 september 1993, Arr.Cass. 1993, 734). Aldus is het bestreden vonnis wel degelijk vatbaar voor hoger beroep en is dit hoger beroep ontvankelijk
....

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: za, 23/06/2018 - 11:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.