-A +A

Koppelverkoop en andere per se verboden in de WHPC (toekomstige Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming) na het VTB-VAB-arrest van het Europees Hof van Justitie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Publicatie
Auteur: 
Evelyne TERRYN
Tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1242

Koppelverkoop en andere per se verboden in de WHPC (toekomstige Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming) na het VTB-VAB-arrest van het Europees Hof van Justitie

lees deze bijdrage met het paswoord RW

De auteur bespreekt in deze bijdrage het VTB-VAB-arrest van het Europees Hof van Justitie en komt tot de conclusie dat de koppelverkoop in concrete gevallen verboden kan blijven als oneerlijke handelspraktijk. Zij stelt alderzijds dat een algemeen preventief verbod niet langer houdbaar kan blijven en komt tot de conclusie dat in afwachting van de aanpassing van de WHPC, de huidige koppelverkoopreglementering richtlijnconform dienjt te worden geïnterpreteerd of zelfs buiten toepassing te worden verklaard.

De auteur komt tot de conclusies dat het het arrest ook zou kunnen worden toegepast op een aantal andere per se verboden in de WHPC (toekomstige Wet Marktpraktijken en Consumentenbescherming) die gericht zijn op de bescherming van de consument en niet voorkomen op de limitatieve lijst van per se verboden praktijken van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken.

Terecht wijst de auteur erop dat het arrest duidelijk maakt dat volledige harmonisatie verregaande gevolgen heeft voor de reguleringsbevoegdheid van de lidstaten.

 
 
Aldus gaat het artikel yuit van het arrest van 23 april 2009 van het  Hof van Justitie dat zich uitgesproken heeft over het Belgische verbod op koppelverkoop (art. 54 e.v. WHC.De auteur wijst erop dat reeds in het verleden dit verbod werd aangevochten omdat het strijdig zou zijn met de Europese bepalingen inzake vrij verkeer.
 
Wetgevende bepalingen:
 
Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, B.S. 14 juli 1991.
Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, Pb. L. 149 (hierna: «Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken»). Zie o.m.: .
Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/ EEG; Richtlijn 2002/65/EG inzake verkoop op afstand van financiële diensten.
 
Rechtspraak:
Hof van Justitie 23 april 2009, gevoegde zaken C-261/07 en C- 299/07, VTB-VAB t/ Total en Galatea t/ Sanoma Magazines Belgium, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, opgenomen in dit nummer.
H.v.J. 16 december 2008, Lodewijk Gysbrechts, C-205/07
Hof van Beroep Parijs 4 februari 2009, noot J. STUYCK, te verschijnen in Computerrecht 2010. De samenwerkingsovereenkomst tussen Apple en Orange waardoor de Iphone enkel kon worden gecommercialiseerd door een Orange-abonnement werd daar strijdig bevonden met art. 101 VWEU en art. 420-1 Code du Commerce (het Franse equivalent van art. 101 VWEU).
Voor de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie, zie: H.v.J. 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jur. 1990, I-4135, rechtsoverweging 8; H.v.J. 26 september 2000, Engelbrecht, C-1362/ 97, Jur. 2000, I-7321, rechtsoverweging 39.
H.v.J. 13 juli 2000, Centrosteel, C-456/98, Jur., I-6007, rechtsoverwegingen 16-17. Zie voor een recente illustratie waarbij het Hof van Beroep te Parijs tot de conclusie kwam dat het verbod op koppelverkoop van art. L-122-1 Code de la Consommation niet langer automatisch kon worden toegepast, maar dat de oneerlijkheid van een dergelijke praktijk concreet moest worden beoordeeld op basis van de criteria van de richtlijn. De praktijk van France Telecom/ Orange om een abonnement op een televisiekanaal afhankelijk te maken van een abonnement op bepaalde internetdiensten werd op basis van deze criteria niet als oneerlijk beschouwd (Hof van Beroep Parijs 14 mei 2009, France Telecom et Orange t/ Free, Neuf Cegetel- SFR et LFP) 
H.v.J. 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jur. 1978, 629, rechtsoverweging 17. En zie hierover uitgebreid en met talrijke verwijzingen naar eerdere voorbeelden van Belgische rechtspraak waarbij nationale wetgeving buiten toepassing werd verklaard wegens strijdigheid met het EG-verdrag of met de richtlijn: P. VAN NUFFEL, «Doorwerking van Europees Gemeenschapsrecht in de Belgische rechtsorde», in J. WOUTERS en D. VAN EECKHOUTTE (red.), Doorwerking van internationaal recht in de Belgische rechtsorde, Antwerpen, Intersentia, 2006, 361-368. Zie bijvoorbeeld: Cass. 5 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1055, A.J.T. 1995, 588, Pas. 1994, I, 1048, R.W. 1995- 96, 321.
#42. H.v.J. 26 september 1996, Arcaro, C-168/95, Jur. 1996, I-4705, rechtsoverwegingen 39-43. Dit hangt samen met de afwezigheid van horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen (
 
Rechtsleer:
T. HEREMANS, «Loopt het Belgisch verbod om gezamenlijke aanbiedingen te doen op zijn laatste benen?», Jaarboek handelspraktijken en mededinging 2000, 307-319.
G. HOWELLS, H. MICKLITZ en T. WILHELMSSON, European fair trading law, Ashgate, Aldershot, 2006, 295 p.; S. WEATHERILL en U. BERNITZ (red.), The Regulation of Unfair Commercial Practices under EC Directive 2005/29, Oxford, Hart, 2007, 290 p.; J. STUYCK, E. TERRYN en T. VAN DYCK, «Confidence Through Fairness? The New Directive on Unfair Business-to- consumer Commercial Practices in the Internal Market», CML Rev 2006, 43(1), 107-152; B.J. DRIJBER «Richtlijn oneerlijke handelspraktijken: een eerlijk compromis», NTER 2005, 11(9), 179-184; L. DE BROUWER «Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke Handelspraktijken», T.B.H. 2005, 790-793
 
H. MICKLITZ en N. REICH, «Crónica de una muerte anunciada: The Commission proposal for a «Directive on consumer rights», CML Rev 2009, vol. 46; P. ROTT en E. TERRYN, «The Proposal for a Directive on Consumer Rights: No Single Set of Rules», ZEuP 2009/3, 456-488; M. HESSELINK en M. LOOS (red.), Het voorstel voor een Europese richtlijn consumentenrechten, Den Haag, BJu, 2009, 258 p. en de themanummers van D.C.C.R. 2009, nrs. 84 en 85.
conclusie advocaat-generaal A.G. Trstenjak 21 oktober 2008, gevoegde zaken C-261/07 en C-299/07, nrs. 120 e.v.
G. STRAETMANS, «Een kritische doorlichting van het toepassingsgebied van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en de Belgische omzettingswetgeving», in J. STUYCK, G. STRAETMANS en E. TERRYN (red.), De wet handelspraktijken anno 2008, Kluwer, 2008, 1-50.
M. HESSELINK, «Naar een scherper onderscheid tussen b2b en b2c?», in M. HESSELINK en M. LOOS (red.), Het voorstel voor een Europese richtlijn consumentenrechten, Den Haag, BJu, 1999, 77.
M. HESSELINK, o.c., in M. HESSELINK en M. LOOS (red.), Het voorstel voor een Europese richtlijn consumentenrechten, 77 e.v.; B. DE WITTE, in P. KAPTEYN e.a. (red.), The Law of the European Union and the European Communities, Kluwer Law International, 2008, 320; S. WEATHERILL, «Measures of consumer protection as impediments to exports of goods» (noot onder H.v.J. 16 december 2008, Lodewijks Gysbrechts, C-205/07), E.R.C.L. 2009/2, 150-152.
M. HESSELINK, o.c., in Het voorstel voor een Europese richtlijn consumentenrechten, 77.
M. HESSELINK, o.c., in Het voorstel voor een Europese richtlijn consumentenrechten, 78.
Over de omzetting en de invloed op het Belgische recht, zie: H. DE BAUW, «De impact van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken op de regeling van de verkooppromoties onder de WHPC», D.C.C.R. 2006, nr. 72, p. 3-30; G. STRAETMANS, «Recente tendensen in handelspraktijken», CBR Jaarboek 2005-2006, Antwerpen, Maklu, 2006, 165-174; J. STUYCK, «De nieuwe richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Gevolgen voor de wet op de handelspraktijken», T.B.H. 2005, 901-915; J. STUYCK, G. STRAETMANS en E. TERRYN (red.), De wet handelspraktijken anno 2008, Kluwer, 2008, 321 p.
J. STUYCK, G. STRAETMANS en E. TERRYN (hiervoor geciteerd in voetnoot 18); L. DE BROUWER, «Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken», T.B.H. 2005, nr. 7.
H. DE BAUW, D.C.C.R. 2006, nr. 72, 4.
kritiek van de Raad van State: Advies van de Raad van State, Parl. St., Kamer, 2006-2007, nr. 2983-001, p. 66.
G. STRAETMANS, in G. STRAETMANS en J. STUYCK, E. TERRYN (red.), o.c., 1.
B. KEIRSBILCK, «Towards a single regulatory framework on Unfair Commercial Practices?», E.B.L.R. 2009, 507-564. Net als België werd Frankrijk reeds in gebreke gesteld door de Europese Commissie wegens gebrekkige omzetting van de richtlijn.
Parl. St. Kamer, 2009-2010, doc. 52, nr. 2340). Het werd op 23 februari 2010 geëvoceerd door de Senaat (Parl. St. Senaat, 2009-2010, doc. 4-1657/1).
conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de verder geciteerde zaak C-304/08, nrs. 89-beschikking van de Europese Commissie (zaak COMP/C-3/ 37.792 – Microsoft) waarbij een overtreding van art. 82 EG werd vastgesteld wegens (onder meer) het koppelen van het Windows Client PC Operating System aan de Windows Media Player.
J.F. PUYRAIMOND, «L‘interdiction des offres conjointes» (noot onder hetzelfde arrest), J.T. 2009, 427.
J.F. PUYRAIMOND, o.c., J.T. 2009, 427, die het buiten toepassing verklaren van het verbod op koppelverkoop als een niet- toegestane interpretatie contra legem beschouwt, maar wel een oplossing ziet in een ruime interpretatie van de uitzonderingen op het verbod op koppelverkoop.
.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 21/03/2010 - 19:31
Laatst aangepast op: zo, 21/03/2010 - 19:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.