-A +A

kapitalisatie van morele schade en huishoudschade

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De morele schade wordt vaak vergoed aan de hand van een forfaitair bedrag per dag tijdelijke werkongeschiktheid. De vraag stelt zich in hoeverre er kapitalisatie kan plaatsvinden voor deze schadevergoeding. Over deze vraag bestaat er onenigheid in de rechtsleer en rechtspraak.

Zo oordeelden de politierechtbank te Verviers (politierechtbank Verviers 28 augustus 2007 tijdschrift van de politierechter, 2009,85) dat deze forfaitaire bedragen als basis kunnen dienen voor de berekening ervan een kapitalisatie.

De rechtbank merkte hierbij op dat het bedrag zoals door de indicatieve tabel voorgesteld niets anders is dan de gekapitaliseerde waarde van een rente. Volgens de rechtbank mag mij niet zomaar veronderstellen dat het effect van een invaliditeit door de tijd afzwakt. Dit belet niet volgens de rechtbank dat het slachtoffer zich dient aan te passen aan zijn handicap, maar deze opgedrongen aanpassing maakt volgens de rechtbank een aantasting uit van zijn normale levenskwaliteit, zodat een vaste dagelijkse vergoedingsbasis, weerhoudbaar is.

Volgens dezelfde rechtbank draagt de kapitalisatie van de morele waarde bij tot een grotere transparantie van de schadeloosstelling en tot een grotere graad van rechtszekerheid. De kapitalisatie maakt volgens deze rechtbank een exact onderscheid tussen de reeds geleden en de nog toekomstige schade en laat bovendien ook toerekening te houden met de levensverwachting van het slachtoffer.

Anders werd geoordeeld door de correctionele rechtbank te Namen op 2 oktober 2007 zie tijdschrift van de politierechter 2009,82. Deze rechtbank stelde dat de vergoeding van morele schade tot doel heeft op theoretische en abstracte wijze het licht te compenseren dat voortvloeit uit het bewustzijn van de aantasting van de fysieke integriteit, bestaande uit wederkerende pijnen en uit de zorgen die zegt men mogelijk maakt over de gevolgen die de invaliditeit zou kunnen teweegbrengen op het beroepsleven en het vermogen van de betrokkene.

Maar de rechtbank voegt eraan toe dat het een paradox is om een vergoeding bij wijze van kapitalisatie te vorderen op basis van een bedrag dat zelf forfaitair bepaald werd. Volgens de rechtbank is een schadevergoeding via een forfait misschien billijk, maar blijft een forfaitaire vergoeding steeds arbitrair. Wanneer men nu volgens de rechtbank een arbitraire (een forfaitaire) vergoeding gaat beoordelen met een coëfficiënt, wordt hierdoor het arbitraire karakter alleen maar vergroot. Derhalve kan volgens de rechtbank een schadevergoeding voor blijvende morele schade alleen gebeuren aan de hand van een forfaitaire berekening, die van aard is om rekening te houden met het gewenningseffect en met de noodzakelijke aanpassing van het slachtoffer aan zijn leed en aan de gevolgen daarvan die zich in de loop der jaren stabiliseren.

De politierechter te Brugge oordeelde in zelfde zin op 30 september 2008 stellende dat morele schade en huishoudschade geen statische schade zijn die met dezelfde intensiteit blijven voortduren waarvoor kapitalisatie aldus niet in aanmerking komt.

De politierechter te Brugge redeneert verder als volgt

Voor huishoudschade kan men de rentevoet en het percentage arbeidsongeschiktheid min of meer ramen waren voor de kapitalisatie tijd is dit volgens de politierechter te Brugge minder gemakkelijk, zeker wanneer het gaat over de aantasting van de economische waarde van de huisvrouw of de huisman. Door te kapitaliseren tot de statistische overlijdensdatum of tot een vastgestelde datum van bijvoorbeeld 78 jaar, doet men immers alsof een persoon van 70,75 of 78 jaar in het huishouden nog evenveel kan als iemand van 50 of 60 jaar en men gaat dus volkomen voorbij aan de natuurwet die zegt dat een mens is minder kan naarmate hij ouder wordt. Vanaf een bepaalde leeftijd te nemen de krachten af en verminderen, ongeval of geen ongeval, de mogelijkheden om huishoudelijk werk te doen.

Huishoudschade omvat net zoals morele schade, verschillende elementen, zoals gederfde levensvreugde, het bewustzijn van de vermindering van de fysieke kracht of geestelijke vermogens de angst en de onzekerheid omtrent de toekomstige ontwikkeling. Al deze elementen zijn onderhevig aan dynamische factoren van, vooral bij zware fysieke aandoeningen, mogelijke verergeringen van de pijn, maar vooral van gewenning en aanpassing (J. Schrijvers, “ kapitalisatie van morele schade wegens blijvende invaliditeit? ja maar…” (noot onder Pol. Brugge, 28 september 2000, TAVW 2001,306; zie ook Pol. Charleroi, 6 maart 2007, VAV, 80).

Is het bepalen van de kapitalisatie tijd problematisch, nog veel minder gemakkelijk is het bepalen van de juiste omvang van de schadepost die moet gekapitaliseerd worden. Het bedrag dat een dergelijke soortzaken vooropgesteld wordt om te kapitaliseren (een bepaald euro per dag) beantwoordt niet aan de voorwaarde van voldoende zekerheid om voorwerp te kunnen vormen van een kapitalisatieberekening. Dit bedrag is zelf een ex aequo et bono raming die niet geobjectiveerd wordt. Ingeval de berekening vertrekt van een parameter die op zichzelf reeds wat thematisch werd vastgesteld, rijst de vraag of de vergoeding van toekomstige schade wel juist kan worden berekend (B. Weyts, "kapitalisatie van schade", (noot onder Gent 18 september 2003, RABG 2005, 1124, nr 8; Pol. Namur, 12 april 2005 VAV, 2008,153.

Naar het oordeel van de politierechtbank te Brugge is het evident dat men door kapitalisatie onmogelijk tot een mathematische juiste berekening van toekomstige schade kan komen als men vertrekt van een parameter die op zichzelf niet mathematisch werd vastgesteld maar ex aequo et bono geraamd werd, precies omdat een wat thematisch de begroting van deze parameter onmogelijk is (Rb. Antwerpen, 7 april 2005 VAV, 2007,52; Pol. Nivelles 27 juni 2004, RGAR, 2006, 14096; Pol. Liège, 19 september 2006 VAV 2008, 38 zie ook Pol Liège, 7 november 2006, VAV 2007, 276 met citaten uit arresten van het Hof van Cassatie de dato 13 oktober 1999 en het hof van beroep te Liège d.d. 18 mei 2003).

De schade die niet gelijk staat met een uitgave om een verlies aan inkomen die dus geen netto financiële aderlating betekent (zoals morele schade, meerinspanning, huishoudschade) wordt gewoonlijk en best forfaitair vergoed (zie Pol. Brugge, 12 december 2005, De Verz. 2007, 125). Door op een forfaitair bedrag dat een billijkheid, maar arbitrair is bepaald een kapitalisatiecoëfficiënt toe te passen, corrigeert men het arbitraire niet maar men vermenigvuldigt het integendeel (Corr. Namur 7 maart 2006, RGAR, 2007, 14226; zie ook politierechtbank Charleroi, 19 december 2006 VAV 2007, 266). Dit standpunt dat behoort tot de vaste rechtspraak van de zetel van de politierechtbank te Brugge werd inmiddels bijgetreden door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge zetelend in graad van beroep (10e kamer, vonnis 8 mei 2008, AR 06/ 3149 onuitgegeven: ” zoals de eerste rechter omstandig toelichtte zijn een aantal variabelen al te onzeker om de kapitalisatie techniek toe te passen, zoals de kapitalisatietijd en het te kapitaliseren bedrag (kan niet mathematisch bepaald worden)).

Doordat het onmogelijk is om de sinds de consolidatiedatum geleden schade en de in de verdere toekomst te lijden schade op een andere wijze te bepalen, moet bij gebreke aan vaststaande beoordelingsgronden, de schade ex aequo et bono bepaald worden. Als de kapitalisatiemethode niet gehanteerd wordt voor de begroting van de blijvende invaliditeit, die op forfaitaire wijze geraamd wordt, dan is er ook geen reden om een onderscheid te maken tussen de periode vanaf de consolidatiedatum tot de vonnisdatum en na de vonnisdatum.

De door de blijvende invaliditeit ontstane schade is immers op het ogenblik dat de consolidatie in haar geheel waardeerbaar, zodat de schadevergoeding op dat ogenblik door middel van een som kan vergoed worden (zie correctionele rechtbank Antwerpen 18 oktober 2002 zoals eerder aangehaald). En op die som zijn interesten verschuldigd vanaf de consolidatiedatum (zie correctionele rechtbank Namur 7 maart 2006 zoals ook eerder aangehaald).”

Einde citaat uit het vonnis van de politierechtbank te Brugge deed dato 30 september 2008 waarbij benadrukte dient te worden dat de correctionele rechtbank te Namen van 2 oktober 2007, tijdschrift van de politierechter, 2009, 82 in tegenovergestelde zin oordeelde.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie 27/05/2016, RW 2017-2018? 1703

samenvatting:

Degene die door zijn schuld een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt.

De rechter mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade hoort aan te tonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt zijn blijvende morele schade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal blijven. Sommige auteurs, die steunen op de verplichting voor de getroffene om het bestaan van zijn schade en het quantum ervan te bewijzen, zijn van oordeel dat die getroffene de rechtlijnigheid en het terugkeren van zijn blijvende schade moet aantonen wanneer hij vordert dat een forfaitaire basis wordt gekapitaliseerd om de vergoeding van zijn schade te berekenen.

Die bewering komt voort uit een verwarring tussen de raming van de schade en de berekening van de vergoeding. De kapitalisatie is geen ramingstechniek; het is gewoon een berekeningswijze van de vergoeding.

De getroffene moet enkel zijn blijvende schade aantonen en indien zulks het geval is, wordt de schade verondersteld niet te veranderen, behoudens bewijs van het tegendeel.

Het is trouwens tegenstrijdig de kapitalisatie te weigeren om reden dat de grondslag in de loop van de tijd kan veranderen wegens een zogenaamde gewenning (morele schade) of eventuele wijzigingen van de gezinstoestand (huishoudschade), en ze te vergoeden door een allesomvattend forfait precies alsof die schade constant bleef tijdens de gehele vergoede periode.

De kapitalisatie (of beter de geïndexeerde rente wanneer ze wordt gevorderd) biedt uitgerekend de mogelijkheid om rekening te houden met eventuele toekomstige wijzingen van de schade (

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade hoort aan te tonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt zijn blijvende huishoudschade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal blijven

Tekst arrest

Nr. C.15.0509.F
L. C.,
tegen
AXA BELGIUM nv,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Luxemburg van 5 januari 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Derde onderdeel
Degene die door zijn schuld een ander schade heeft berokkend, is verplicht ze te vergoeden en de getroffene heeft, in de regel, recht op de integrale vergoeding van de schade die hij heeft geleden.

De rechter raamt in concreto de schade die door een onrechtmatige daad is ver-oorzaakt.

Hij mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade hoort aan te tonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt zijn blijvende morele schade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal blijven.

De eiseres vorderde in haar conclusie in eerste aanleg, voor de blijvende morele schade voor de periode van 1 oktober 2005 tot 28 februari 2014, 3.073 dagen × 25 euro × 20 pct., zijnde 15.365 euro, en, voor de toekomstige morele schade na 1 maart 2014, dat er een kapitalisatie van die schade zou plaatsvinden volgens de formule die zij vermeldde.

In haar appelconclusie vorderde zij de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, in zoverre hij die vordering inwilligde, en voerde zij daartoe aan "dat het verrassend is dat [de verweerster] oordeelt dat [de eiseres] niet het bewijs levert van het lineaire en constante karakter van haar schade"; dat "de deskundigen van elke partij echter eensgezind een vast en definitief percentage van 20 pct. in aan-merking hebben genomen" en "de blijvende morele schade hebben willen kwantificeren in de vorm van een blijvend gemiddelde dat dus noodzakelijkerwijs de eventuele (maar niet zekere) gewenning van de getroffene aan de schade in aanmerking neemt [...]; dat de eerste rechter bijgevolg en terecht en met de wil om [de eiseres] een billijke vergoeding toe te kennen, toepassing heeft gemaakt van de kapitalisatiemethode, namelijk die welke trouwens voortaan de voorkeur moet krijgen omdat zij de billijkste is, a fortiori wanneer er consolidatie op 20 pct. gebeurt".

Het bestreden vonnis stelt vast dat "[de eiseres] vordert dat haar blijvende morele schade vergoed wordt door de kapitalisatie methode" en "hetzelfde forfait als dat wat werd gekozen voor [de periode] die [...] aan [de consolidatie] voorafgaat" als uitgangspunt te nemen.

Het overweegt dat "de omstandigheid dat de vergoeding van de schade na de consolidatie wordt gegrond op hetzelfde forfait als datgene wat werd gekozen voor wat aan die consolidatie voorafgaat, het vaststaande karakter van de schade veronderstelt, of althans dat de verhouding tussen, enerzijds, de schade vóór de consolidatie en, anderzijds, de schade na de consolidatie bekend moet zijn", dat "[de eiseres] dient aan te tonen dat haar blijvende invaliditeit een schade veroor-zaakt die zich met de verleden schade verhoudt op een wijze die thans al kan wor-den bepaald", dat "het verslag van de deskundigen daaromtrent geen enkele duidelijkheid schept, noch in het voordeel van het blijvend karakter van de hierboven omschreven morele gevolgen, noch in de omgekeerde zin" en dat "niet wordt aangetoond dat de morele schade van [de eiseres] constant is gebleven na de consolidatie en zo zal blijven na dit vonnis, dan wel in een bepaalbare verhouding staat tot de forfaits die werden gekozen voor de periode betreffende de tijdelijke ongeschiktheid", en dat "de vergoeding van de morele schade door een methode die gebaseerd is op een tijdens de periode van de tijdelijke ongeschiktheid gekozen forfait, inzonderheid door een beroep te doen op de kapitalisatie voor de toekomst, bijgevolg niet in aanmerking kan worden genomen omdat die ertoe zou leiden dat haar een deel van de schadeloosstelling wordt toegekend dat niet is aangetoond".

Het bestreden vonnis, dat zonder te ontkennen dat de eiseres aantoont een blijven-de morele schade heeft geleden, om de voornoemde redenen de door de eiseres voorgestelde berekeningswijze weigert, schendt de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Tweede middel

Derde onderdeel

Hoewel de getroffene van een onrechtmatige daad zijn schade moet aantonen, dient hij niet, wanneer hij voorstelt de vergoeding van zijn blijvende huishoud-schade te berekenen door de kapitalisatie van een forfaitaire dagbasis, aan te tonen dat die schade in de toekomst constant zal zijn.

De eiseres vorderde in haar conclusie in eerste aanleg, voor de blijvende verleden huishoudschade van 1 oktober 2005 tot 28 februari 2014, 3.073 dagen x 25 euro x 65 pct. x 20 pct., zijnde 9.987,25 euro, en preciseerde daarbij dat zij, voor die pe-riode een kind ten laste had, en, voor de toekomstige huishoudschade na 1 maart 2014, dat er een kapitalisatie van die schade zou plaatsvinden volgens de formule die zij vermeldde, waarbij zij preciseerde dat zij, voor die periode geen kind meer ten laste had.

In haar appelconclusie vorderde zij, op grond van de redenen die zijn weergege-ven in het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel, de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter in zoverre hij die vordering inwilligde.

Het bestreden vonnis overweegt dat "de bepaling van de blijvende huishoudscha-de volgens het voorheen in aanmerking genomen forfait of volgens een forfait dat in een bekende verhouding staat tot met datgene wat voorheen in aanmerking is genomen, impliceert dat de schade een blijvend karakter vertoont of dat de verle-den en de toekomstige schade in een bekende verhouding tot elkaar staan", dat "het aan [de eiseres] staat te bewijzen dat haar huishoudelijke taken een vast-staande plaats in haar leven zullen innemen en dat de samenstelling van haar huidige gezin dezelfde zal zijn tot aan haar dood", dat "zij dat bewijs niet levert" en dat, "aangezien de dagbasis kan evolueren volgens een niet te voorziene ver-houding tot het verleden, haar huishoudschade die het gevolg is van haar blijvende ongeschiktheid, dient te worden vergoed op grond van een allesomvattend forfait, omdat er geen andere, meer objectieve, berekeningsmethode voorhanden is".

Het bestreden vonnis, dat zonder te ontkennen dat de eiseres aantoont een blijven-de huishoudschade te hebben geleden, om de voornoemde redenen de door de eiseres voorgestelde berekeningswijze weigert, schendt de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre is het onderdeel gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de blijvende morele en huishoudschade van de eiseres en over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiseres tot een derde van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Luik, zitting houdend in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2016 uitgesproken

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.