-A +A

Kan een woordenwisseling een plotse gebeurtenis zijn met een posttraumatisch stresssyndroom

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Kan een woordenwisseling op de werkvloer een arbeidsongeval en dus een plotse gebeurtenis zijn met een posttraumatisch stresssyndroom

Het vermoeden van een arbeidsongeval bestaat conform art. 9 Arbeidsongevallenwet dat, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen. In dit geval wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

Zelfs al zou een mondelinge opmerking of terechtwijzing en de lichte verbale aanvaring die erop volgde als een plotselinge gebeurtenis worden aangemerkt, dan nog kan er moeilijk sprake zijn van een arbeidsongeval op basis van een posttraumatisch stresssyndroom.

Een posttraumatisch stresssyndroom betreft immers “(vgl. DSM-IV) afk. PTSS, (een) angststoornis, ten minste een maand durend, als gevolg van het blootgesteld zijn aan sterk traumatiserende ervaring (mishandeling, gijzeling, verkrachting, marteling, vliegramp, oorlog, concentratiekamp, enz.), waarbij ernstige verwonding of de dood van zichzelf of anderen dreigde en intense angst, afschuw of hulpeloosheid hiervan het gevolg was; de klachten bestaan uit een herbeleving van de ervaring in de vorm van niet te onderdrukken herinneringen, nachtmerries, illusies, hallucinaties en dergelijke (...)” (Coëlho, Zakwoordenboek der geneeskunde, o.c., 2003, 812). De DSM staat voor “Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders” (vrij vertaald: diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen) en is een Amerikaans handboek dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient.

Volgens de DSM-IV-criteria kan men spreken van PTSS wanneer de betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of geconfronteerd werd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebrengen, of die een bedreiging vormden voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen.

Naar luid van de meer recente DSM-5 moet er bij de diagnostische criteria voor PTSS sprake zijn van een trauma; dit houdt in dat betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld op één (of meer) van de volgende manieren: 1. het is de persoon direct overkomen; 2. de persoon was getuige van de gebeurtenis; 3. een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen; 4. de persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen) (bv. politieagenten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan de details van kindermisbruik).

De hierboven vermelde oorzaken van PTSS (waaraan nog toegevoegd kunnen worden: natuurrampen, terroristische aanslagen, aanranding, beroving met geweld) kunnen dus uiteenlopend zijn. De etiologie of oorzaak van PTSS is echter in elk geval het meemaken van een schokkende, ingrijpende, intens negatieve ervaring, waarbij men geconfronteerd wordt met één of meer buitengewoon indrukwekkende gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstig lichamelijk letsel met zich meebrachten of die een bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van betrokkenen of van een ander.

Voorts moet nadrukkelijk worden beklemtoond dat volgens de DSM de duur van de stoornis langer is dan één maand. Daarom is het toch wel bevreemdend dat behandelend arts F., een omnipracticus, al in zijn medisch getuigschrift van 11 april 2008 de diagnose van PTSS stelde betreffende een “ongeval dat (geïntimeerde) op 8 april 2008 is overkomen”, dus nauwelijks drie dagen eerder.
 

CV P&V t/ E.S.

1. De feiten

E.S. (o12 december 1952) werkte sinds 2 februari 1977 in loondienst van E. als dossierbeheerder in de “dienst arbeidsongevallen” van die verzekeringsmaatschappij. De gemeenschappelijke kas tegen arbeidsongevallen P&V is de arbeidsongevallenverzekeraar van die werkgever.

E.D., een HR-bediende van de werkgever, vulde een arbeidsongevallenaangifte in naar luid waarvan E.S. op donderdag 10 april 2008 om 10u15 aan de werkgever een arbeidsongeval meldde, hem overkomen op dinsdag 8 april 2008 om 12u05 in de bureaus van E. (dienst arbeidsongevallen). Nog volgens die aangifte zou het arbeidsongeval zich hebben voorgedaan “op kantoor”.

Die aangifte verwijst naar een bijlage, nl. een e-mail van 10 april 2008 van E.S., geadresseerd aan E.D. voornoemd, en luidend:

“Aansluitend met het onderhoud van R.H. met G.D. meld ik u hierbij een mij overkomen arbeidsongeval:

– plaats: burelen E., dienst arbeidsongevallen;

– tijdstip: dinsdag 8 april 2008 om 12u05;

– omstandigheden: Met een ongekende arrogantie, zowel in woord als mimiek, heeft de heer M.I. publiekelijk verklaard dat ik mijn dossiers totaal verkeerd beheer. Na meer dan dertig jaar arbeidsongevallenbeheer, zonder enige opmerking over de correctheid en de kwaliteit van mijn werk, kwam deze, volledig ten onrechte publiekelijke verklaring, dan ook als een donderslag bij heldere hemel. Ik voelde mij gekwetst en vernederd in het diepst van mijn bestaan. Dit alles een bedreiging vormende voor mijn psychische integriteit had ook een fysiek gevolg. Ik voelde mij duizelig en onwel worden, had hartkloppingen, trillende handen en lippen en een drukkend gevoel in de maagstreek. Na vakbondsafgevaardigde R.H. te hebben ingelicht, heb ik de burelen verlaten om mij naar de dokter te begeven. Eens in het bezit van het medisch aangifteformulier zal ik dit door de dokter laten invullen en u terugbezorgen. U gelieve dan ook het nodige te doen voor aangifte bij de arbeidsongevallenverzekeraar. Tevens overweeg ik een procedure voor pesterijen op het werk op te starten bij één van de daartoe aangestelde personen of rechtbank.

Dank bij voorbaat”.

Dokter R.F., arts te Hasselt (“algemene geneeskunde”), die E.S. consulteerde, attesteerde op 11 april 2008 een “posttraumatisch stressyndroom”, met een algehele, tijdelijke arbeidsongeschiktheid van twee weken, beginnend op 8 april 2008 voor een waarschijnlijke duur van veertien dagen. E.S. was arbeidsongeschikt van 8 april 2008 tot 14 mei 2008.

Via brief van 30 juli 2008 bracht de gemeenschappelijke kas tegen arbeidsongevallen P&V E.S. ter kennis “deze zaak te weigeren als arbeidsongeval”, motiverend: “Er is geen plotselinge gebeurtenis, zoals omschreven in de wet, aanwezig. Hier is sprake van opbouw van stress over een zeer lange periode”.

In een brief van 30 januari 2009 bevestigde P&V dat zij haar standpunt handhaafde: “Er is immers geen plotselinge gebeurtenis. Er is enkel een langzame opbouw van omstandigheden van verschillende aard, gespreid over jaren, die de huidige situatie hebben veroorzaakt”.

E.S. kon met die beslissing geen vrede nemen en startte in januari 2011, bijna drie jaren later, een proces voor de arbeidsrechtbank.

2. Het bodemgeschil

2.1. In zijn tussenarrest overwoog dit hof reeds het volgende:

“Art. 9 Arbeidsongevallenwet luidt: “Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt”.

Op E.S. rust in casu de last het bewijs te leveren van de plotselinge gebeurtenis en van het letsel. Het door hem aangeboden bewijs door getuigen is toelaatbaar en ter zake dienend”.

2.2. In zijn e-mailbericht, als bijlage gevoegd bij de ongevalsaangifte van 10 april 2008, vermeldt geïntimeerde dat de heer M.I., zijn diensthoofd, “met een ongekende arrogantie, zowel in woord als mimiek publiekelijk heeft verklaard dat (hij) zijn dossiers totaal verkeerd beheert” en dit “na meer dan dertig jaar arbeidsongevallenbeheer, zonder enige opmerking over de correctheid en kwaliteit van zijn werk, ...”., waardoor hij zich gekwetst en vernederd voelde.

Diensthoofd I. erkende dat, n.a.v. die discussie over een welbepaald schadedossier en het meningsverschil over de libellering van de gemotiveerde weigering van de tussenkomst van E., hij er op een gegeven ogenblik een schepje bovenop deed, door te verwijzen naar een mogelijke overplaatsing van de geïntimeerde (“zijn reactie was dan ook niet relevant en ik deed er dan een schepje bovenop door te antwoorden dat ik hem dan maar naar het mobilityteam zou sturen”).

Het hof hoorde één, bij dagvaarding opgeroepen getuige, die net als geïntimeerde in dezelfde hoedanigheid van dossierbeheerder eveneens in loondienst werkzaam was (en is) op de dienst arbeidsongevallen van E., die ondergebracht was in één landschapskantoor.Hij bevestigde dat hij tijdens het bewuste gesprek niet heeft kunnen vaststellen dat diensthoofd I. ten aanzien van geïntimeerde arrogant zou geweest zijn of hem vernederd zou hebben. Die (rechtstreekse) getuige, die in de onmiddellijke omgeving aanwezig was, preciseerde: “volgens mij was het meer een woordenwisseling dan een hoogoplopende ruzie”.

Het wordt m.a.w. volgens het hof niet bewezen dat diensthoofd I. geïntimeerde zou hebben aangesproken met “een ongekende arrogantie”. De plotselinge gebeurtenis, in haar door de geïntimeerde in de ongevalsaangifte gegeven omschrijving, is manifest gekleurd en schromelijk overdreven. Zij komt dus niet naar eis van recht bewezen voor.

Het dient ook te worden beklemtoond dat geïntimeerde in eerste aanleg de plotse gebeurtenis nog omschreef als “een discussie/publiekelijke vernedering door dienstoverste M.I. in verband met een dossier dat (hij) behandelde” (cf. zijn conclusies en zijn syntheseconclusies). In zijn jongste, in hoger beroep neergelegde conclusies wijzigt hij dit echter en gewaagt hij van een “onmiskenbaar (...) emotionele schok(...) tijdens een oplopende ruzie (...), dit is een in tijd en ruimte te onderscheiden kortstondige gebeurtenis die tijdens de uitvoering van zijn arbeidstaak het letsel heeft kunnen veroorzaken” (cf. zijn conclusies neergelegd op 7 juli 2014, p. 6). Hierbij verwart geïntimeerde kennelijk de plotselinge gebeurtenis met het letsel, wat een shock arbeidsongevallenrechtelijk gesproken is, omdat dit volgens de klassiek geneeskundige definitie een “1. levensbedreigende toestand (is) die ontstaat door zuurstoftekort in de weefsels door een te geringe bloedtoevoer ten gevolge van een ondervulling van het slagaderlijk systeem of een sterke daling van het minuutvolume of een sterke dilatatie van belangrijke vaatgebieden; het gemeenschappelijk kenmerk van alle shockoorzaken is een cellulair zuurstoftekort, gevolgd door een gebrekkig celmetabolisme (o.a. metabole acidose en verstoorde eiwitsynthese) (...); 2. Sterke emotionele reactie volgend op een schokkende gebeurtenis (bv. moord, ongeval, verkrachting)” (cf. Coëlho, Zakwoordenboek der geneeskunde, 27e druk, Elsevier Gezondheidszorg, 2003, 773).

Hooguit ging het op 8 april 2008 om een woordenwisseling, een verschil van mening, die fel, noch agressief was, en die evenmin escaleerde tot een ruzie of twist. Volgens het hof wordt door geïntimeerde helemaal niet bewezen dat dit het acceptabele en gebruikelijke kader is te buiten gegaan, nl. datgene waarbij een hiërarchische meerdere in een werksituatie verbaal een opmerking, zelfs een terechtwijzing richt tot een in een band van ondergeschiktheid staande bediende, werkzaam in zijn dienst (cf. in dezelfde zin: Arbh. Luik, afd. Luik, 9 september 2004, 8e kamer, AR nr. 32.094/04, inzake van E.J. t/ E., onuitg.). Het hof acht dat het onderhoud in omstandigheden verliep die als normaal moeten worden bestempeld, gelet op de gebleken feitelijke omstandigheden en de tussen de twee protagonisten bestaande arbeidsrechtelijke gezagsverhouding diensthoofd-dossierbeheerder.

2.3. M.b.t. het vermoeden van een ongeval bepaalt art. 9 Arbeidsongevallenwet dat, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

Zelfs al zou de mondelinge opmerking of terechtwijzing van 8 april 2008 aan het adres van geïntimeerde en de lichte verbale aanvaring die erop volgde (als gevolg van de disproportionele reactie van geïntimeerde zelf), als een plotselinge gebeurtenis worden aangemerkt, dan nog is het arbeidshof van oordeel dat dit het ingeroepen letsel (een posttraumatisch stresssyndroom) niet heeft veroorzaakt.

Een posttraumatisch stresssyndroom betreft immers “(vgl. DSM-IV) afk. PTSS, (een) angststoornis, ten minste een maand durend, als gevolg van het blootgesteld zijn aan sterk traumatiserende ervaring (mishandeling, gijzeling, verkrachting, marteling, vliegramp, oorlog, concentratiekamp, enz.), waarbij ernstige verwonding of de dood van zichzelf of anderen dreigde en intense angst, afschuw of hulpeloosheid hiervan het gevolg was; de klachten bestaan uit een herbeleving van de ervaring in de vorm van niet te onderdrukken herinneringen, nachtmerries, illusies, hallucinaties en dergelijke (...)” (Coëlho, Zakwoordenboek der geneeskunde, o.c., 2003, 812). De DSM staat voor “Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders” (vrij vertaald: diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen) en is een Amerikaans handboek dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient.

Volgens de DSM-IV-criteria kan men spreken van PTSS wanneer de betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of geconfronteerd werd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebrengen, of die een bedreiging vormden voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen.

Naar luid van de meer recente DSM-5 moet er bij de diagnostische criteria voor PTSS sprake zijn van een trauma; dit houdt in dat betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld op één (of meer) van de volgende manieren: 1. het is de persoon direct overkomen; 2. de persoon was getuige van de gebeurtenis; 3. een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen; 4. de persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen) (bv. politieagenten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan de details van kindermisbruik).

De hierboven vermelde oorzaken van PTSS (waaraan nog toegevoegd kunnen worden: natuurrampen, terroristische aanslagen, aanranding, beroving met geweld) kunnen dus uiteenlopend zijn. De etiologie of oorzaak van PTSS is echter in elk geval het meemaken van een schokkende, ingrijpende, intens negatieve ervaring, waarbij men geconfronteerd wordt met één of meer buitengewoon indrukwekkende gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstig lichamelijk letsel met zich meebrachten of die een bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van betrokkenen of van een ander.

Voorts moet nadrukkelijk worden beklemtoond dat volgens de DSM de duur van de stoornis langer is dan één maand. Daarom is het toch wel bevreemdend dat behandelend arts F., een omnipracticus, al in zijn medisch getuigschrift van 11 april 2008 de diagnose van PTSS stelde betreffende een “ongeval dat (geïntimeerde) op 8 april 2008 is overkomen”, dus nauwelijks drie dagen eerder.

Op grond van al deze elementen is het arbeidshof er aldus van overtuigd dat er geen enkel oorzakelijk verband bestaat tussen de eenmalige, vrij onschuldige, niet-denigrerende, noch vernederende en in ieder geval niet-schokkende discussie van 8 april 2008 en het ingeroepen posttraumatisch stresssyndroom. M.a.w. het PTSS kan – medisch en etiologisch gesproken – onmogelijk zijn ontstaan vanuit de hierboven beschreven context van wat zich op 8 april 2008 op de werkvloer, nl. de dienst arbeidsongevallen van verzekeraar E., heeft afgespeeld.

Het causaal vermoeden, geformuleerd in het aangehaalde art. 9 Arbeidsongevallenwet, is in casu hoe dan ook weerlegd (cf. Cass. 27 juni 1983, Arr.Cass. 1982-83, 1337; Cass. 19 oktober 1987, Arr.Cass. 1987-88, 197; Cass. 9 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 632).

Zelfs indien aangenomen zou worden dat de geïntimeerde werkelijk getroffen was/is door de psychische aandoening PTSS die de geconsulteerde arts-generalist F. als diagnose stelde, dan moet hij die duidelijk hebben opgelopen naar aanleiding van (een) andere, wel ingrijpende gebeurtenis(sen). Zij blijken evenwel helemaal niet uit het dossier, noch worden zij door geïntimeerde aangevoerd, hoewel zij de door hem terloops aangeraakte these van een vermeende pathologische predispositie gebeurlijk met een begin van bewijs zouden hebben kunnen schragen. Maar de loutere altercatie die hij op 8 april 2008 met zijn leidinggevende had, kan daar echter medisch niet de onderliggende aanleiding toe geweest zijn.

...

Commentaar: 

Kan een woordenwisseling een plotse gebeurtenis zijn met een posttraumatisch stresssyndroom 

samenvatting:

Het vermoeden van een arbeidsongeval bestaat conform art. 9 Arbeidsongevallenwet dat, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen. In dit geval wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

Zelfs al zou een mondelinge opmerking of terechtwijzing en de lichte verbale aanvaring die erop volgde als een plotselinge gebeurtenis worden aangemerkt, dan nog kan er moeilijk sprake zijn van een arbeidsongeval op basis van een posttraumatisch stresssyndroom.

Een posttraumatisch stresssyndroom betreft immers “(vgl. DSM-IV) afk. PTSS, (een) angststoornis, ten minste een maand durend, als gevolg van het blootgesteld zijn aan sterk traumatiserende ervaring (mishandeling, gijzeling, verkrachting, marteling, vliegramp, oorlog, concentratiekamp, enz.), waarbij ernstige verwonding of de dood van zichzelf of anderen dreigde en intense angst, afschuw of hulpeloosheid hiervan het gevolg was; de klachten bestaan uit een herbeleving van de ervaring in de vorm van niet te onderdrukken herinneringen, nachtmerries, illusies, hallucinaties en dergelijke (...)” (Coëlho, Zakwoordenboek der geneeskunde, o.c., 2003, 812). De DSM staat voor “Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders” (vrij vertaald: diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen) en is een Amerikaans handboek dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient.

Volgens de DSM-IV-criteria kan men spreken van PTSS wanneer de betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of geconfronteerd werd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebrengen, of die een bedreiging vormden voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen.

Naar luid van de meer recente DSM-5 moet er bij de diagnostische criteria voor PTSS sprake zijn van een trauma; dit houdt in dat betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld op één (of meer) van de volgende manieren: 1. het is de persoon direct overkomen; 2. de persoon was getuige van de gebeurtenis; 3. een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen; 4. de persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen) (bv. politieagenten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan de details van kindermisbruik).

De hierboven vermelde oorzaken van PTSS (waaraan nog toegevoegd kunnen worden: natuurrampen, terroristische aanslagen, aanranding, beroving met geweld) kunnen dus uiteenlopend zijn. De etiologie of oorzaak van PTSS is echter in elk geval het meemaken van een schokkende, ingrijpende, intens negatieve ervaring, waarbij men geconfronteerd wordt met één of meer buitengewoon indrukwekkende gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstig lichamelijk letsel met zich meebrachten of die een bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van betrokkenen of van een ander.

Voorts moet nadrukkelijk worden beklemtoond dat volgens de DSM de duur van de stoornis langer is dan één maand. Daarom is het toch wel bevreemdend dat behandelend arts F., een omnipracticus, al in zijn medisch getuigschrift van 11 april 2008 de diagnose van PTSS stelde betreffende een “ongeval dat (geïntimeerde) op 8 april 2008 is overkomen”, dus nauwelijks drie dagen eerder.

tekst arrest

CV P&V t/ E.S.

1. De feiten

E.S. (o12 december 1952) werkte sinds 2 februari 1977 in loondienst van E. als dossierbeheerder in de “dienst arbeidsongevallen” van die verzekeringsmaatschappij. De gemeenschappelijke kas tegen arbeidsongevallen P&V is de arbeidsongevallenverzekeraar van die werkgever.

E.D., een HR-bediende van de werkgever, vulde een arbeidsongevallenaangifte in naar luid waarvan E.S. op donderdag 10 april 2008 om 10u15 aan de werkgever een arbeidsongeval meldde, hem overkomen op dinsdag 8 april 2008 om 12u05 in de bureaus van E. (dienst arbeidsongevallen). Nog volgens die aangifte zou het arbeidsongeval zich hebben voorgedaan “op kantoor”.

Die aangifte verwijst naar een bijlage, nl. een e-mail van 10 april 2008 van E.S., geadresseerd aan E.D. voornoemd, en luidend:

“Aansluitend met het onderhoud van R.H. met G.D. meld ik u hierbij een mij overkomen arbeidsongeval:

– plaats: burelen E., dienst arbeidsongevallen;

– tijdstip: dinsdag 8 april 2008 om 12u05;

– omstandigheden: Met een ongekende arrogantie, zowel in woord als mimiek, heeft de heer M.I. publiekelijk verklaard dat ik mijn dossiers totaal verkeerd beheer. Na meer dan dertig jaar arbeidsongevallenbeheer, zonder enige opmerking over de correctheid en de kwaliteit van mijn werk, kwam deze, volledig ten onrechte publiekelijke verklaring, dan ook als een donderslag bij heldere hemel. Ik voelde mij gekwetst en vernederd in het diepst van mijn bestaan. Dit alles een bedreiging vormende voor mijn psychische integriteit had ook een fysiek gevolg. Ik voelde mij duizelig en onwel worden, had hartkloppingen, trillende handen en lippen en een drukkend gevoel in de maagstreek. Na vakbondsafgevaardigde R.H. te hebben ingelicht, heb ik de burelen verlaten om mij naar de dokter te begeven. Eens in het bezit van het medisch aangifteformulier zal ik dit door de dokter laten invullen en u terugbezorgen. U gelieve dan ook het nodige te doen voor aangifte bij de arbeidsongevallenverzekeraar. Tevens overweeg ik een procedure voor pesterijen op het werk op te starten bij één van de daartoe aangestelde personen of rechtbank.

Dank bij voorbaat”.

Dokter R.F., arts te Hasselt (“algemene geneeskunde”), die E.S. consulteerde, attesteerde op 11 april 2008 een “posttraumatisch stressyndroom”, met een algehele, tijdelijke arbeidsongeschiktheid van twee weken, beginnend op 8 april 2008 voor een waarschijnlijke duur van veertien dagen. E.S. was arbeidsongeschikt van 8 april 2008 tot 14 mei 2008.

Via brief van 30 juli 2008 bracht de gemeenschappelijke kas tegen arbeidsongevallen P&V E.S. ter kennis “deze zaak te weigeren als arbeidsongeval”, motiverend: “Er is geen plotselinge gebeurtenis, zoals omschreven in de wet, aanwezig. Hier is sprake van opbouw van stress over een zeer lange periode”.

In een brief van 30 januari 2009 bevestigde P&V dat zij haar standpunt handhaafde: “Er is immers geen plotselinge gebeurtenis. Er is enkel een langzame opbouw van omstandigheden van verschillende aard, gespreid over jaren, die de huidige situatie hebben veroorzaakt”.

E.S. kon met die beslissing geen vrede nemen en startte in januari 2011, bijna drie jaren later, een proces voor de arbeidsrechtbank.

2. Het bodemgeschil

2.1. In zijn tussenarrest overwoog dit hof reeds het volgende:

“Art. 9 Arbeidsongevallenwet luidt: “Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt”.

Op E.S. rust in casu de last het bewijs te leveren van de plotselinge gebeurtenis en van het letsel. Het door hem aangeboden bewijs door getuigen is toelaatbaar en ter zake dienend”.

2.2. In zijn e-mailbericht, als bijlage gevoegd bij de ongevalsaangifte van 10 april 2008, vermeldt geïntimeerde dat de heer M.I., zijn diensthoofd, “met een ongekende arrogantie, zowel in woord als mimiek publiekelijk heeft verklaard dat (hij) zijn dossiers totaal verkeerd beheert” en dit “na meer dan dertig jaar arbeidsongevallenbeheer, zonder enige opmerking over de correctheid en kwaliteit van zijn werk, ...”., waardoor hij zich gekwetst en vernederd voelde.

Diensthoofd I. erkende dat, n.a.v. die discussie over een welbepaald schadedossier en het meningsverschil over de libellering van de gemotiveerde weigering van de tussenkomst van E., hij er op een gegeven ogenblik een schepje bovenop deed, door te verwijzen naar een mogelijke overplaatsing van de geïntimeerde (“zijn reactie was dan ook niet relevant en ik deed er dan een schepje bovenop door te antwoorden dat ik hem dan maar naar het mobilityteam zou sturen”).

Het hof hoorde één, bij dagvaarding opgeroepen getuige, die net als geïntimeerde in dezelfde hoedanigheid van dossierbeheerder eveneens in loondienst werkzaam was (en is) op de dienst arbeidsongevallen van E., die ondergebracht was in één landschapskantoor.Hij bevestigde dat hij tijdens het bewuste gesprek niet heeft kunnen vaststellen dat diensthoofd I. ten aanzien van geïntimeerde arrogant zou geweest zijn of hem vernederd zou hebben. Die (rechtstreekse) getuige, die in de onmiddellijke omgeving aanwezig was, preciseerde: “volgens mij was het meer een woordenwisseling dan een hoogoplopende ruzie”.

Het wordt m.a.w. volgens het hof niet bewezen dat diensthoofd I. geïntimeerde zou hebben aangesproken met “een ongekende arrogantie”. De plotselinge gebeurtenis, in haar door de geïntimeerde in de ongevalsaangifte gegeven omschrijving, is manifest gekleurd en schromelijk overdreven. Zij komt dus niet naar eis van recht bewezen voor.

Het dient ook te worden beklemtoond dat geïntimeerde in eerste aanleg de plotse gebeurtenis nog omschreef als “een discussie/publiekelijke vernedering door dienstoverste M.I. in verband met een dossier dat (hij) behandelde” (cf. zijn conclusies en zijn syntheseconclusies). In zijn jongste, in hoger beroep neergelegde conclusies wijzigt hij dit echter en gewaagt hij van een “onmiskenbaar (...) emotionele schok(...) tijdens een oplopende ruzie (...), dit is een in tijd en ruimte te onderscheiden kortstondige gebeurtenis die tijdens de uitvoering van zijn arbeidstaak het letsel heeft kunnen veroorzaken” (cf. zijn conclusies neergelegd op 7 juli 2014, p. 6). Hierbij verwart geïntimeerde kennelijk de plotselinge gebeurtenis met het letsel, wat een shock arbeidsongevallenrechtelijk gesproken is, omdat dit volgens de klassiek geneeskundige definitie een “1. levensbedreigende toestand (is) die ontstaat door zuurstoftekort in de weefsels door een te geringe bloedtoevoer ten gevolge van een ondervulling van het slagaderlijk systeem of een sterke daling van het minuutvolume of een sterke dilatatie van belangrijke vaatgebieden; het gemeenschappelijk kenmerk van alle shockoorzaken is een cellulair zuurstoftekort, gevolgd door een gebrekkig celmetabolisme (o.a. metabole acidose en verstoorde eiwitsynthese) (...); 2. Sterke emotionele reactie volgend op een schokkende gebeurtenis (bv. moord, ongeval, verkrachting)” (cf. Coëlho, Zakwoordenboek der geneeskunde, 27e druk, Elsevier Gezondheidszorg, 2003, 773).

Hooguit ging het op 8 april 2008 om een woordenwisseling, een verschil van mening, die fel, noch agressief was, en die evenmin escaleerde tot een ruzie of twist. Volgens het hof wordt door geïntimeerde helemaal niet bewezen dat dit het acceptabele en gebruikelijke kader is te buiten gegaan, nl. datgene waarbij een hiërarchische meerdere in een werksituatie verbaal een opmerking, zelfs een terechtwijzing richt tot een in een band van ondergeschiktheid staande bediende, werkzaam in zijn dienst (cf. in dezelfde zin: Arbh. Luik, afd. Luik, 9 september 2004, 8e kamer, AR nr. 32.094/04, inzake van E.J. t/ E., onuitg.). Het hof acht dat het onderhoud in omstandigheden verliep die als normaal moeten worden bestempeld, gelet op de gebleken feitelijke omstandigheden en de tussen de twee protagonisten bestaande arbeidsrechtelijke gezagsverhouding diensthoofd-dossierbeheerder.

2.3. M.b.t. het vermoeden van een ongeval bepaalt art. 9 Arbeidsongevallenwet dat, wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

Zelfs al zou de mondelinge opmerking of terechtwijzing van 8 april 2008 aan het adres van geïntimeerde en de lichte verbale aanvaring die erop volgde (als gevolg van de disproportionele reactie van geïntimeerde zelf), als een plotselinge gebeurtenis worden aangemerkt, dan nog is het arbeidshof van oordeel dat dit het ingeroepen letsel (een posttraumatisch stresssyndroom) niet heeft veroorzaakt.

Een posttraumatisch stresssyndroom betreft immers “(vgl. DSM-IV) afk. PTSS, (een) angststoornis, ten minste een maand durend, als gevolg van het blootgesteld zijn aan sterk traumatiserende ervaring (mishandeling, gijzeling, verkrachting, marteling, vliegramp, oorlog, concentratiekamp, enz.), waarbij ernstige verwonding of de dood van zichzelf of anderen dreigde en intense angst, afschuw of hulpeloosheid hiervan het gevolg was; de klachten bestaan uit een herbeleving van de ervaring in de vorm van niet te onderdrukken herinneringen, nachtmerries, illusies, hallucinaties en dergelijke (...)” (Coëlho, Zakwoordenboek der geneeskunde, o.c., 2003, 812). De DSM staat voor “Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders” (vrij vertaald: diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen) en is een Amerikaans handboek dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek dient.

Volgens de DSM-IV-criteria kan men spreken van PTSS wanneer de betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of geconfronteerd werd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstige verwonding met zich meebrengen, of die een bedreiging vormden voor de fysieke integriteit van betrokkene of van anderen.

Naar luid van de meer recente DSM-5 moet er bij de diagnostische criteria voor PTSS sprake zijn van een trauma; dit houdt in dat betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld op één (of meer) van de volgende manieren: 1. het is de persoon direct overkomen; 2. de persoon was getuige van de gebeurtenis; 3. een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen; 4. de persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen) (bv. politieagenten die herhaaldelijk worden blootgesteld aan de details van kindermisbruik).

De hierboven vermelde oorzaken van PTSS (waaraan nog toegevoegd kunnen worden: natuurrampen, terroristische aanslagen, aanranding, beroving met geweld) kunnen dus uiteenlopend zijn. De etiologie of oorzaak van PTSS is echter in elk geval het meemaken van een schokkende, ingrijpende, intens negatieve ervaring, waarbij men geconfronteerd wordt met één of meer buitengewoon indrukwekkende gebeurtenissen die een feitelijke of dreigende dood of een ernstig lichamelijk letsel met zich meebrachten of die een bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van betrokkenen of van een ander.

Voorts moet nadrukkelijk worden beklemtoond dat volgens de DSM de duur van de stoornis langer is dan één maand. Daarom is het toch wel bevreemdend dat behandelend arts F., een omnipracticus, al in zijn medisch getuigschrift van 11 april 2008 de diagnose van PTSS stelde betreffende een “ongeval dat (geïntimeerde) op 8 april 2008 is overkomen”, dus nauwelijks drie dagen eerder.

Op grond van al deze elementen is het arbeidshof er aldus van overtuigd dat er geen enkel oorzakelijk verband bestaat tussen de eenmalige, vrij onschuldige, niet-denigrerende, noch vernederende en in ieder geval niet-schokkende discussie van 8 april 2008 en het ingeroepen posttraumatisch stresssyndroom. M.a.w. het PTSS kan – medisch en etiologisch gesproken – onmogelijk zijn ontstaan vanuit de hierboven beschreven context van wat zich op 8 april 2008 op de werkvloer, nl. de dienst arbeidsongevallen van verzekeraar E., heeft afgespeeld.

Het causaal vermoeden, geformuleerd in het aangehaalde art. 9 Arbeidsongevallenwet, is in casu hoe dan ook weerlegd (cf. Cass. 27 juni 1983, Arr.Cass. 1982-83, 1337; Cass. 19 oktober 1987, Arr.Cass. 1987-88, 197; Cass. 9 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 632).

Zelfs indien aangenomen zou worden dat de geïntimeerde werkelijk getroffen was/is door de psychische aandoening PTSS die de geconsulteerde arts-generalist F. als diagnose stelde, dan moet hij die duidelijk hebben opgelopen naar aanleiding van (een) andere, wel ingrijpende gebeurtenis(sen). Zij blijken evenwel helemaal niet uit het dossier, noch worden zij door geïntimeerde aangevoerd, hoewel zij de door hem terloops aangeraakte these van een vermeende pathologische predispositie gebeurlijk met een begin van bewijs zouden hebben kunnen schragen. Maar de loutere altercatie die hij op 8 april 2008 met zijn leidinggevende had, kan daar echter medisch niet de onderliggende aanleiding toe geweest zijn.

...

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 24/01/2016 - 13:08
Laatst aangepast op: zo, 24/01/2016 - 13:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.