-A +A

Zwakke weggebruiker artikel 29 bis WAM en begrip verkeersongeval

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Artikel 29 bis § 1 bepaalt: “Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2 § 1, wordt met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorvoertuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen, overeenkomstig deze dekken.

De wet zelf heeft geen definitie van wat in het raam van artikel 29 bis van de WAM-wet als een verkeersongeval moet beschouwd worden.

Uit de parlementaire voorbereidingswerken betreffende artikel 29 bis WAM-wet dat het niet noodzakelijk is dat het voertuig op het ogenblik van het ongeval in beweging is om de betrokkenheid van het voertuig aan te nemen.

Het voertuig moet wel aan het verkeer deelnemen. De verzekeraar dient op grond van artikel 29 bis WAM-wet slechts tussen te komen indien de schadeveroorzaking verband houdt met de deelneming aan het verkeer (Cass. 09.01.2004, NJW 2004, 410).

Of er sprake is van een verkeersongeval in de zin van artikel 29 bis van de WAM-wet moet beoordeeld worden op basis van de aard van het risico, meerbepaald te weten of het ongeval verband hield met de risico’s van het wegverkeer (I. Boone, ‘de grenzen van het begrip verkeersongeval’, in I. Boone, I. Claeys en L. Lavrynsen, liber amicourum Hubert Bocken, die Keure, 2009, 9- inz. 25 met verwijzing naar Cassatie 06.02.2009).

Niet elk ongeval waarbij er een vervoermiddel of een voetganger betrokken is, maakt een verkeersongeval uit. Bepalend is of het ongeval verband houdt met het risico van het wegverkeer.

De regeling op grond van artikel 29 bis WAM-wet vindt precies haar rechtvaardiging in het risico waaraan de weggebruiker die een motorvoertuig in het verkeer brengt anderen (en zichzelf) blootstelt.

Wanneer een voertuig betrokken is in een ongeval dat geen verband houdt met de risico’s van het wegverkeer ontbreekt deze rechtvaardiging.

Het begrip “betrokkenheid” in artikel 29 bis WAM-wet moet los gezien worden van het begrip causaliteit in het gemeen aansprakelijkheidsrecht (Cass. 09.01.2006, VAV 2006, 626).

De wetgever liet de uiteindelijke omlijning van het begrip “betrokkenheid” over aan de rechtspraak, doch uit de voorbereidende werken van de wet blijkt dat de wetgever uitging van een ruime interpretatie met de bedoeling om discussies over fout en causaliteit te vermijden en het motorrijtuig werd enkel beschouwd als aanknopingspunt voor de vergoeding van de schade (Philippe en Meysmans, ‘de betrokkenheid van het motorrijtuig in de nieuwe wet tot bescherming van de zwakke weggebruikers’, TPR 1995, pagina 405).

De betrokkenheid onderstelt een zekere relatie tussen het voertuig en het ongeval, zonder dat daarbij vereist is dat het voertuig in beweging was op het ogenblik van het ongeval of dat er een fysiek contact was tussen het voertuig en het slachtoffer (Pol. Hasselt, 04.09.1997, TBH 1998, 262 met noot).

Onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Beroep te Parijs van 24.06.1981 definieert Chabas het “betrokken voertuig als een voertuig ‘inclus dans l’accident”, ‘concerné par l’accident’ en ‘ayant joué un rôle’ (‘deelachtig aan het ongevalsgebeuren, belanghebbend bij het ongeval en een rol gespeeld hebbend’ en verwijst naar het Engels begrip ‘involved’), prof. F. Chabas, ‘Notion et rôle de l’implication du véhicule au sens de la Loi du 05.07.1985, Gazette du Palais 1986, pag. 64, I, 1.

Voor de verschillende definities die in de rechtsleer van het bergrip ‘betrokkenheid’ werden aangegeven: TH. Papart, ‘l’article 29 bis de la Loi du 21.11.1989: au pays de nulle part’, T. Pol. 2006, 140.

De rechtbank moet voor de beoordeling van de betrokkenheid nagaan of het motorrijtuig een mogelijke passieve rol speelde in het ongevalsgebeuren (C. Van Schaubrouck, noot TBH 1997, actualiteit, 807; bol, Vent 08.10.1998, de verzekering, 1999, pagina 72 en verkeersrecht 99/32).

Voor het Hof van Cassatie is de betrokkenheid in de zin van artikel 29 bis indien de aanwezigheid van het motorrijtuig enig verband houdt met de totstandkoming van het ongeval zonder dat er echter een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van dat voertuig en het ongeval vereist is (Cass. 09.01.2006, RAW 2006-2007, 1488).

Artikel 29 bis van de WAM-wet, dat afwijkt van het principe van de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekerde personen, sluit het slachtoffer, dat zonder het ongeval en zijn gevolgen te hebben gewild, zelf verantwoordelijk is voor de geleden schade, niet uit de schadeloosstelling waarin de wet voorziet (Cass. 28.04.2006, T. Pol. 2006, 209; Cass. 28.06.2007, RW 2009-2010, 1560).

De beschouwing dat een fout van het slachtoffer zelf aan de basis ligt van het ongeval is derhalve niet van aard zijn vergoedingsaanspraak in de weg te staan.

De ruime interpretatie die aan het begrip betrokkenheid wordt gegeven, houdt in dat het voertuig ook niet betrokken dient te zijn, lees dat de betrokkenheid derhalve relatief is.

Het voertuig dient wel op een actieve of passieve wijze een rol gespeeld te hebben bij de totstandkoming van het ongeval (D. Wuyts, ‘Wanneer is een voertuig ‘betrokken’ bij een verkeersongeval in de zin van artikel 29 bis van de WAM-wet?) (noot onder Pol. Gent, 29.01.2007), RW 2007-2008, 1423 ev.

Een motorvoertuig is betrokken wanneer het enige rol heeft gespeeld in het verkeersongeval, dit is wanneer het zonder hiervoor een noodzakelijk element te zijn geweest, een invloed heeft gehad op het ongeval (Cass. 21.06.2010, VAV. 2010, 218); vereist is dat het motorvoertuig enige rol heeft gespeeld, zonder dat een noodzakelijk oorzakelijk verband moet bestaan tussen de aanwezigheid van het motorvoertuig en het ontstaan van het verkeersongeval (Cass. 22.10.2009, VAV 2010, 188).

De rechter die aanneemt dat voor de betrokkenheid van een voertuig waarvoor volstaat dat het enige rol heeft gespeeld in het ongeval, er ook vereist is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het motorvoertuig en het ontstaan van het verkeersongeval, schendt aldus artikel 29 bis § 1 van de WAM-wet (Cass. 03.10.2008, RGAR 2009, 14571).

Aldus werd een voertuig betrokken geacht in de zin van artikel 29 bis WAM-wet indien de schade zich niet of niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan als het voertuig niet op de schadeveroorzakende plaats aanwezig zou zijn geweest (Politierechtbank Brugge, 14.06.2008, RW 2010-2011, 1319).

In die gedachtegang besloot de rechtspraak tot betrokkenheid van het motorvoertuig wanneer er fietsers met elkaar in aanrijding kwamen door een onnodige schrikreactie ingevolge de aanwezigheid van een voertuig (Pol. Antwerpen, 2.12.1997, TAVW 2000, 241).

Aldus werd ook geoordeeld door de Politierechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op 13.11.2014, T. Pol. 2014, pagina 188. In deze zaak oordeelde de Politierechter dat de val van een overstekende voetganger veroorzaakt door een door de voetganger gemaakte beweging wegens het vertrek van een tramvoertuig toch een verkeersongeval is in de zin van artikel 29 bis WAM-wet waarbij het tramvoertuig aldus een betrokken voertuig is.

Zie ook Politierechtbank Gent, 27.06.2011, T. Vred./T. Pol. 2012, 536/168 met noot van I.Boone, betrokkenheid van een tramvoertuig bij een verkeersongeval en verhaal van de vervoersmaatschappij.

 

 

 

Rechtsleer: 

• Sarah Panis, Het belang van het Begrip verkeersongeval, RW 2010-2011, 334.
• Satah Panis, Sneheidswedstrijden voor motorrijtuigen en het begrip "verkeersongeval" in artikle 29 bis WAM, (noot onder Rb. Turnhout, 30 mei 2006 en Cass. 15 mei 2008, TBBR, 2008 (633), 638.
• F. Feron, Questions choisies en matière d'indemnisation des usagers faibles de la route, noot onder Cass. 25 januari 2008, VAV 2008, 274
• D. Wuyts, Wanneer is een motorrijtuig betrokken in een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis WAM-wet?, RW 2007-2008, 1423.
• H. Claessens en C. Schoubroeck, Praktische ervaring met de Belgische qchadevergoedingsregeling, in Verkeersaansprakelijkheid in België en Nederland, Intersentia, 1998
• R. Van Gysel en E. Nauwelaerts, De bevoegdheid van de Politierechtbank inzake het verkeer, VAV 2006, (672), 675
• C. Eyben, L'accident de circulation, une définition risquée ou l'inapplication de régime d'indemnisation automatique aux accidents de compétion in L'indemnisation  des usagers faibles de la rote, Les Dossiers du Journal des Tribunaux, Brussel, Larcier, 2002, (49)

Rechtspraak: 

• Cassatie 27 februari 1997 (Juridat):

[... ]Overwegende dat artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de politierechtbank kennis neemt, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek;

Dat uit die tekst en de geschiedenis van de wet van 11 juli 1994, waarbij die wetsbepaling in het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd, blijkt dat de wetgever de politierechtbank bij uitsluiting bevoegd heeft willen maken om kennis te nemen van de geschillen betreffende de vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval;

Dat de arrondissementsrechtbank, nu zij beslist dat de rechtbank van eerste aanleg op grond van artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd blijft om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, artikel 601bis van dat wetboek schendt;

Dat het middel gegrond is.

• Cassatie 27 augustus 2002 (Juridat)

samenvatting:

Art. 601bis Ger. W. dat bepaalt dat de politierechtbank ongeacht het bedrag, kennis neemt van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek, strekt ertoe de bevoegdheid van de politierechter te verruimen tot alle ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn; die bepaling doelt niet op vorderingen ingesteld in verband met schade ontstaan bij verkeer in de lucht of op het water.

uittreksel uit de tekst van het arrest

[...] III. Feiten

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende:

De vordering zoals ingeleid bij de Vrederechter van het kanton Aarschot strekt tot schadevergoeding voor de verwondingen die het paard van Vrancken zou hebben opgelopen naar aanleiding van een beweerde (nood)landing van een luchtballon of beweerd laag overvliegen van de luchtballon bestuurd door Luc Smeets in dienst van verweerster.

Er was geen contact tussen de ballon en het paard, dat zou opgeschrikt zijn door het lawaai dat de ballon maakte bij het ontsteken van de gasbrander waarna het paard ernstige kwetsuren opliep toen het terecht kwam in een prikkeldraadafsluiting.

IV. Middel

Verzoeker voert in zijn verzoekschrift één middel aan, gesteld als volgt:

"Middel gesteund op de miskenning van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek:

Doordat het voormeld vonnis de zaak naar de vrederechter van het kanton Aarschot heeft verzonden, terwijl ze behoorde tot de bevoegdheid van de Politierechtbank te Leuven.

De vrederechter van het kanton Aarschot heeft op 31 mei 2002 de zaak verzonden naar de arrondissementsrechtbank opdat over het ambtshalve middel van onbevoegdheid ratione materiae uitspraak wordt gedaan.

Het bodemgeschil betreft een vordering tot het bekomen van een schadevergoeding voor de verwondingen die het paard van eiser opliep naar aanleiding van een (nood)landing van de luchtballon bestuurd door eerste verweerder in dienst van tweede verweerster.

De bevoegdheidsbetwisting betreft de toepasselijkheid van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek.

Het vonnis van de arrondissementsrechtbank, waartegen de voorziening is gericht, stelt dat de gezaghebbende woordenboeken noch de parlementaire voorbereiding toelaten om het begrip "verkeer" in het woord "verkeersongeval" zo te interpreteren dat ook de vormen van verkeer te water en in de lucht hieronder vallen en stelt dat op basis van de ratio legis van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek het begrip verkeersongeval dan ook zou moeten beperkt worden tot ongevallen in het wegverkeer, zij het in ruime zin.

Deze uitlegging kan niet gevolgd worden. In de Nederlandse wettekst zelf is sprake van "verkeer" en niet van "wegverkeer" en in de Franse tekst is sprake van "accident de la circulation". Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de politierechtbank bevoegd is om kennis te nemen van alle burgerlijke vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, waarbij het begrip verkeer sensu lato moet geïnterpreteerd worden.

Uit het feit dat in de parlementaire voorbereiding enkel melding wordt gemaakt van, en voorbeelden worden gegeven uit het wegverkeer, mag niet afgeleid worden dat men deze wet tot deze soort van verkeersongevallen wilde beperken. De tekst van de wet zelf wijst op een ruime invulling van het begrip verkeersongeval.

Onderhavige vordering behoort derhalve tot de bevoegdheid van de politierechtbank.

De ondergetekende procureur-generaal besluit dat het het Hof van Cassatie behage, bovenvermeld vonnis door de arrondissementsrechtbank te Leuven gewezen op 10 juli 2002 te vernietigen."

V. Beslissing van het Hof

Overwegende dat artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat bij artikel 36 van de wet van 11 juli 1994 in dat wetboek is ingevoegd, bepaalt dat de politierechtbank ongeacht het bedrag, kennisneemt van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek;

Dat uit die tekst en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 1994 blijkt dat volgens de wil van de wetgever, de politierechtbank bevoegd is om uitspraak te doen over elke vordering die verband houdt met de vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval;

Dat voor een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval evenwel vereist is dat de schade veroorzaakt is in het verkeer, ongeacht of het ongeval zich heeft voorgedaan op terreinen die openstaan voor het publiek of op niet-openbare terreinen die openstaan voor een bepaald aantal personen;

Dat die wetsbepaling ertoe strekt de bevoegdheid van de politierechter te verruimen tot alle ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn;

Dat die bepaling niet doelt op vorderingen ingesteld in verband met schade ontstaan bij verkeer in de lucht of op het water;
Overwegende dat een vordering die ertoe strekt schadevergoeding te krijgen voor de verwondingen opgelopen door een paard, opgeschrikt door het lawaai van een overvliegende of opgestegen luchtballon, derhalve niet de vergoeding beoogt van schade ontstaan uit een verkeersongeval;

Dat het bestreden vonnis dat zulks beslist en hieruit afleidt dat de politierechtbank niet bevoegd is op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, zijn beslissing naar recht verantwoordt;

Dat het middel niet kan worden aangenomen;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Laat de kosten ten laste van de Staat.
De kosten begroot op de som van nul euro.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel

• Cassatie 6 februari 2009, NJW 2009, 557, met noot Meyns

samenvatting

Een verkeersongeval in de zin van artikel 601bis Ger.W. is elk ongeval in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn en dat verband houdt met de risico's van het wegverkeer; de enkele omstandigheid dat er contact is tussen een op de openbare weg gestationeerd voertuig en het slachtoffer volstaat niet opdat er sprake zou zijn van een verkeersongeval (1). (1) Zie Cass., 5 dec. 2003, AR C.02.0261.F, A.C., 2003, nr. 626.

uittreksel uit de tekst van het arrest:

Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. C.07.0341.N
P&V VERZEKERINGEN, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 151-153,
eiseres,
tegen
MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 november 2006 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen.

II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. Een aangestelde van de nv Genker Transport, raakte bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger van de nv Genker Transport op een vrachtwagen van de nv Genker Transport tussen de beide stellen gekneld en overleed ter plaatse.

2. De verweerster keerde als arbeidsongevallenverzekeraar van de nv Genker Transport vergoedingen uit aan de nabestaanden van het slachtoffer.

3. De verweerster dagvaardde de eiseres, WAM-verzekeraar van de vrachtwagen van de nv Genker Transport, voor de Politierechtbank te Mechelen, teneinde op grond van artikel 48ter van de Arbeidsongevallenwet en artikel 29bis van de WAM-wet terugbetaling te bekomen van haar uitgaven.

4. De Politierechtbank te Mechelen verklaarde de vordering bij vonnis van 2 februari 2005 ongegrond.
De verweerster tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis.

5. Bij vonnis van 16 mei 2006 beval de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen de heropening van het debat om de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de bevoegdheid van de politierechtbank in eerste aanleg en de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek.

6. Bij vonnis van 14 november 2006 beslist de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen dat de politierechtbank bevoegd was om in eerste aanleg kennis te nemen van het geschil tussen de partijen en de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is in hoger beroep. De rechtbank verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, veroordeelt de eiseres om haar de som van 1 euro als provisie te betalen en verzendt de zaak naar de bijzondere rol.

III. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 568, 577, eerste lid, 590, 601bis en 1070 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen beslist in het aangevochten vonnis van 14 november 2006, uitgesproken in hoger beroep (vonnis, p. 4, in medio), dat de politierechtbank bevoegd was om in eerste aanleg kennis te nemen van de betwistingen tussen partijen en de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep bevoegd is om daarvan kennis te nemen.

Vervolgens verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Meche¬len in het vonnis van 14 november 2006 het door de verweerster tegen het vonnis van de Politierechtbank te Mechelen van 2 februari 2005 aangetekende hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank doet het beroepen vonnis teniet behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerster ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot. Opnieuw rechtsprekende veroordeelt de rechtbank de eiseres tot betaling van de som van 1 euro als provisie aan de verweerster en tot de kosten, en verzendt de zaak naar de bijzondere rol.

De rechtbank van eerste aanleg stoelt haar beslissing betreffende de materiële bevoegdheid op volgende gronden:

"De rechtbank stelt vast dat er een contact is geweest tussen het slachtoffer en de vrachtwagen(s) van de nv Genker Transport, verzekerde van (de eiseres).

Het ongeval deed zich daarenboven voor op de openbare weg.

Nu ook een stilstaand voertuig als deelnemend aan het verkeer kan beschouwd worden en een ‘betrokken voertuig' kan zijn in de zin van artikel 29bis, §1, van de WAM-wet, zijn alle voorwaarden verenigd om het betreffend ongeval als een verkeersongeval te kwalificeren.

De politierechter was dan ook bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de betwistingen tussen de partijen, en deze rechtbank is in hoger beroep bevoegd daarvan kennis te nemen" (vonnis, p. 2, nr. 2).

Voorts stelt de rechtbank in feite nog vast:

"Het volstaat te herinneren dat wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger van de nv Genker Transport op een vrachtwagen van de nv Genker Transport tussen de beide stellen gekneld raakte en overleed ter plaatse.

Hiervoor werd in verband met de beoordeling van de bevoegdheid van de eerste rechter en van deze rechtbank voldoende gesteld dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat beheerst wordt door artikel 29bis van de WAM-wet" (vonnis, p. 3, nrs. 2.1-2.2).

Met verwijzing naar de uiteenzetting door de eerste rechter (vonnis, p. 3, nr. 2.1) wordt tevens vastgesteld:

"Uit het geseponeerd strafdossier en de door partijen neergelegde stukken blijken volgende nuttige feitelijke gegevens:

Wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, raakte bij het afladen van waterputten gekneld tussen een oplegger en een vrachtwagen, beide toebehorende aan de nv Genker Transport en in WAM verzekerd bij (de eiseres)" (vonnis van de politierechtbank, p. 2, in medio).

Tenslotte stelt de rechtbank nog vast dat "deze sterkere positie (van de bestuurder) niet meer (bestaat) van zodra een ‘bestuurder' zijn voertuig heeft gestationeerd, de motor heeft stilgelegd en zijn voertuig heeft verlaten, zoals in casu" (vonnis, p. 4, nr. 2.4).

Grieven

1.1 De politierechtbank neemt, overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.

De rechtbank van eerste aanleg neemt, naar luid van artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in hoger beroep kennis van de vonnissen in eerste aanleg gewezen door de politierechtbank in de gevallen bepaald door artikel 601bis.

1.2 De politierechtbank is aldus bevoegd voor vorderingen tot vergoeding van schade naar aanleiding van ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn.

Hoewel een stilstaand voertuig in een verkeersongeval kan betrokken zijn in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, neemt een stilstaand voertuig niet deel aan het verkeer.
"(Weg)verkeer" betreft immers het komen en gaan, het zich bewegen van voertuigen en personen langs de wegen.

Het stilstaan van een voertuig sluit dus uit dat het aan het verkeer deelneemt. Het bestaan van een verkeersongeval kan m.a.w. niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat er contact is geweest tussen het slachtoffer en een op de openbare weg stilstaande vrachtwagen.

Er is slechts sprake van een verkeersongeval voor zover de feiten gebeurd zijn ingevolge een activiteit of rijverrichting, zoals bedoeld in het Wegverkeersreglement of elke andere reglementering die tot doel heeft het algemeen verkeer op de openbare weg te organiseren.

Er is dus alleszins geen sprake van een verkeersongeval wanneer een (al dan niet stilstaand) motorrijtuig aldus wordt gebruikt, en/of een persoon aldus handelt, dat schade wordt veroorzaakt op een wijze die niet karakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer, zoals bv. wanneer schade wordt veroorzaakt bij het laden en/of lossen van een stilstaand motorrijtuig.

2.1 De rechtbank van eerste aanleg beslist in het aangevochten vonnis dat alle voorwaarden vervuld zijn om het litigieuze ongeval als een verkeersongeval te kwalificeren - zodat de politierechtbank in eerste aanleg bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van de verweerster tot vergoeding van schade ontstaan uit dit ongeval - nu
- er contact is geweest tussen het slachtoffer en de door de eiseres verzekerde vrachtwagen(s),
- het ongeval op de openbare weg plaatsvond,
- een stilstaand voertuig kan worden beschouwd als deelnemend aan het verkeer en een "betrokken voertuig" kan zijn in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet.

Voorts stelt de rechtbank in feite vast dat het slachtoffer, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger op een vrachtwagen tussen beide stellen gekneld raakte.

Tevens stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer zijn voertuig heeft gestationeerd, de motor heeft stilgelegd en zijn voertuig heeft verlaten, waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de vrachtwagen stilstond.

Uit deze feitelijke vaststellingen blijkt niet dat de vrachtwagen(s) en/of het slachtoffer aan het wegverkeer deelnamen, nu "(weg)verkeer" veronderstelt dat voertuigen en/of personen zich bewegen en komen en gaan langs de weg, hetgeen in casu niet het geval was.

Schade veroorzaakt doordat een persoon bij het afladen van een oplegger tussen oplegger en vrachtwagen gekneld raakte wordt overigens niet veroorzaakt op een wijze die ka¬rakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer.

2.2 Uit de feitelijke vaststellingen in het aangevochten vonnis kon de rechtbank derhalve niet wettig beslissen dat het litigieuze ongeval een "verkeersongeval" in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft.

Door te beslissen dat de politierechtbank in eerste aanleg bevoegd was om van de vordering tot schadevergoeding van de verweerster kennis te nemen en de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om daarvan in hoger beroep kennis te nemen, schendt de rechtbank derhalve de artikelen 577, eerste lid, en 601bis van het Gerechtelijk Wetboek.

3. De rechtbank van eerste aanleg neemt, overeenkomstig artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep of het Hof van Cassatie komen.

De vrederechter neemt, overeenkomstig artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 1860 euro niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in artikelen 569 tot 571, 574 en 578 tot 583 van voornoemd wetboek.

Nu de verweerster in de inleidende dagvaarding van 23 februari 2004 vorderde de eiseres te veroordelen tot betaling van 1 euro provisioneel, doch meldde dat de omvang van de vordering 10.000 euro overschrijdt, behoorde het geschil, gelet op de waarde ervan, tot de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, overeenkomstig artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek.

Luidens artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek beslist de rechtbank van eerste aanleg, die zitting houdt in tweede aanleg, over de zaak zelf en daartegen staat hoger beroep open indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde.

De rechtbank van eerste aanleg had inzake derhalve dienen vast te stellen dat de politierechtbank niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, en zelf, ingevolge artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek, ten gronde uitspraak dienen te doen.

Door de onbevoegdheid van de politierechtbank niet te erkennen en als appelrechter uitspraak te doen, schendt de rechtbank van eerste aanleg alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;
- de artikelen 48bis en 48ter van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Aangevochten beslissingen

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen verklaart in het bestreden vonnis van 14 november 2006 het door de verweerster tegen het vonnis van de Politierechtbank te Mechelen van 2 februari 2005 aangetekende hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank doet het beroepen vonnis teniet behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerster ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot. Opnieuw rechtsprekende veroordeelt de rechtbank de eiseres tot betaling van de som van 1 euro als provisie aan de verweerster en tot de kosten, en verzendt de zaak naar de bijzondere rol.

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen stoelt de veroordeling van de eiseres op de vaststelling dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat beheerst wordt door artikel 29bis van de WAM-wet.

Deze beslissing wordt op volgende gronden gestoeld: "2. Betreffende de materiële bevoegdheid

De rechtbank stelt vast dat er een contact is geweest tussen het slachtoffer en de vrachtwagen(s) van de nv Genker Transport, verzekerde van (de eiseres).

Het ongeval deed zich daarenboven voor op de openbare weg.

Nu ook een stilstaand voertuig als deelnemend aan het verkeer kan be¬schouwd worden en een ‘betrokken voertuig' kan zijn in de zin van artikel 29bis, §1, van de WAM-wet, zijn alle voorwaarden verenigd om het betreffend ongeval als een verkeersongeval te kwalificeren.

De politierechter was dan ook bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de betwistingen tussen de partijen, en deze rechtbank is in hoger beroep bevoegd daarvan kennis te nemen.

2. Beoordeling

2.1
Voor wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft verwijst de rechtbank naar de uiteenzetting daarvan gedaan door de eerste rechter in het bestreden vonnis.

Het volstaat te herinneren dat wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger van de nv Genker Transport op een vrachtwagen van de nv Genker Transport tussen de beide stellen gekneld raakte en overleed ter plaatse.
(...)

2.2
Hiervoor werd in verband met de beoordeling van de bevoegdheid van de eerste rechter en van deze rechtbank voldoende gesteld dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat beheerst wordt door artikel 29bis van de WAM-wet" (vonnis, pp. 2-3).

Met verwijzing naar de uiteenzetting door de eerste rechter (vonnis, p. 3, nr. 2.1) wordt tevens vastgesteld:

"Uit het geseponeerd strafdossier en de door partijen neergelegde stukken blijken volgende nuttige feitelijke gegevens:

Wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, raakte bij het afladen van waterputten gekneld tussen een oplegger en een vrachtwagen beide toebehorende aan de nv Genker Transport en in WAM verzekerd bij (de eiseres)" (vonnis van de politierechtbank, p. 2, in medio).

Tenslotte stelt de rechtbank nog vast dat "deze sterkere positie (van de bestuurder) niet meer (bestaat) van zodra een ‘bestuurder' zijn voertuig heeft gestationeerd, de motor heeft stilgelegd en zijn voertuig heeft verlaten, zoals in casu" (vonnis, p. 4, nr. 2.4).

Grieven

1. Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1, van deze wet, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk wordt vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

De arbeidsongevallenverzekeraar is, overeenkomstig artikel 48bis van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 verplicht om, onverminderd de bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, de vergoedingen die voortvloeien uit de Arbeidsongevallenwet te betalen binnen de in de artikelen 41 en 42 van deze wet gestelde termijnen.

Artikel 48ter van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de arbeidsongevallenverzekeraar een rechtsvordering kan instellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of van de houder van het motorvoertuig tot beloop van de krachtens artikel 48bis, §1, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld in de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. De arbeidsongevallenverzekeraar kan die vordering instellen op dezelfde wijze als de getroffene of zijn rechthebbenden en wordt gesubro¬geerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 48bis, §1, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

2. De WAM-verzekeraar van een bij een ongeval betrokken motorrijtuig is slechts gehouden tot vergoeding van het slachtoffer en zijn rechthebbenden (of de in hun rechten gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar) op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, indien het ongeval een verkeersongeval betreft.

De loutere omstandigheid dat een stilstaand motorrijtuig bij een ongeval op de openbare weg betrokken is, impliceert nog niet dat dit ongeval een verkeersongeval betreft.

"(Weg)verkeer" betreft immers het komen en gaan, het zich bewegen van voertuigen en personen langs de wegen. Hieruit volgt dat een stilstaand voertuig niet aan het verkeer deelneemt.

Een verkeersongeval wordt veroorzaakt bij komen en gaan, het zich bewegen van voertuigen en personen langs de wegen. Er is slechts sprake van een verkeersongeval voor zover de feiten gebeurd zijn ingevolge een activiteit of rijverrichting, zoals bedoeld in het Wegverkeersreglement of elke andere reglementering die tot doel heeft het algemeen verkeer op de openbare weg te organiseren. Er is dus alleszins geen sprake van een verkeersongeval wanneer een (al dan niet stilstaand) motorrijtuig aldus wordt gebruikt, en/of een persoon aldus handelt, dat schade wordt veroorzaakt op een wijze die niet karakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer, zoals bv. wanneer schade wordt veroorzaakt bij het laden en/of lossen van een stilstaand motorrijtuig.

3. Nu uit het aangevochten vonnis slechts blijkt dat zich een ongeval heeft voorgedaan op een openbare weg, waarbij een contact is geweest tussen het slachtoffer en de stilstaande, door eiseres verzekerde, vrachtwagen(s) en dat het slachtoffer, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger op een vrachtwagen tussen beide stellen gekneld raakte, uit welke vaststellingen geenszins blijkt dat de vrachtwagen(s) en/of het slachtoffer aan het verkeer deelnamen en waaruit bovendien blijkt dat de schade ontstaan is op een wijze die niet karakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer, kon de rechtbank niet wettig beslissen dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat wordt beheerst door artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

Door de vordering van verweerster, ertoe strekkende eiseres te veroordelen tot terugbetaling van de uitkeringen die zij als arbeidsongevallen-verzekeraar heeft gedaan naar aanleiding van het ongeval waarbij de heer D.D.A om het leven kwam, gegrond te verklaren en de eiseres te veroordelen tot betaling van 1 euro als provisie aan de verweerster, schendt de rechtbank derhalve de artikelen 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, 48bis en 48ter van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep of het Hof van Cassatie komen.

2. Artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep kennis neemt van de vonnissen in eerste aanleg gewezen door de vrederechter en, in de gevallen bepaald bij artikel 601bis, door de politierechtbank.

3. Krachtens artikel 60lbis van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de politierechtbank kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.

4. Een verkeersongeval in de zin van deze bepaling is elk ongeval in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn en dat verband houdt met de risico's van het wegverkeer.

5. De enkele omstandigheid dat er contact is tussen een op de openbare weg gestationeerd voertuig en het slachtoffer volstaat niet opdat er sprake zou zijn van een verkeersongeval.

6. Het bestreden vonnis stelt vast dat een werknemer op de openbare weg de lading aan het lossen was van een oplegger en daarbij geklemd raakte tussen de oplegger en de daarnaast stilstaande vrachtwagen, beide toebehorende aan zijn werkgever.

7. Uit die vaststellingen blijkt dat het ongeval een bedrijfsongeval is, vreemd aan iedere deelname aan het wegverkeer van vervoersmiddelen, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren, zonder verband met de risico's van het wegverkeer.

8. Op grond van die vaststellingen oordelen de appelrechters dat het bedoelde ongeval een verkeersongeval uitmaakt.

Door aldus te oordelen dat de politierechtbank en in hoger beroep de rechtbank van eerste aanleg bevoegd waren kennis te nemen van de vordering van de verweerster, miskennen de appelrechters het begrip verkeersongeval als bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek en schenden zij de artikelen 568, 577, eerste lid, en 601bis van het Gerechtelijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Verwijzing

9. Wanneer het Hof van Cassatie een beslissing vernietigt wegens schending van een regel inzake bevoegdheid, verwijst het de zaak overeenkomstig artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek indien mogelijk naar de bevoegde rechter die het aanwijst.

Gelet op de door het bestreden vonnis vastgestelde feitelijke gegevens is de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen bevoegd om kennis te nemen van de zaak en te oordelen met een beslissing waartegen hoger beroep openstaat.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, anders samengesteld, om kennis te nemen van de zaak en te oordelen in een beslissing waartegen hoger beroep openstaat.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Commentaar: 

Zwakke weggebruiker artikel 29 bis WAM en begrip verkeersongeval

Artikel 29 bis § 1 bepaalt: “Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2 § 1, wordt met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorvoertuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen, overeenkomstig deze dekken.

De wet zelf heeft geen definitie van wat in het raam van artikel 29 bis van de WAM-wet als een verkeersongeval moet beschouwd worden.

Uit de parlementaire voorbereidingswerken betreffende artikel 29 bis WAM-wet dat het niet noodzakelijk is dat het voertuig op het ogenblik van het ongeval in beweging is om de betrokkenheid van het voertuig aan te nemen.

Het voertuig moet wel aan het verkeer deelnemen. De verzekeraar dient op grond van artikel 29 bis WAM-wet slechts tussen te komen indien de schadeveroorzaking verband houdt met de deelneming aan het verkeer (Cass. 09.01.2004, NJW 2004, 410).

Of er sprake is van een verkeersongeval in de zin van artikel 29 bis van de WAM-wet moet beoordeeld worden op basis van de aard van het risico, meerbepaald te weten of het ongeval verband hield met de risico’s van het wegverkeer (I. Boone, ‘de grenzen van het begrip verkeersongeval’, in I. Boone, I. Claeys en L. Lavrynsen, liber amicourum Hubert Bocken, die Keure, 2009, 9- inz. 25 met verwijzing naar Cassatie 06.02.2009).

Niet elk ongeval waarbij er een vervoermiddel of een voetganger betrokken is, maakt een verkeersongeval uit. Bepalend is of het ongeval verband houdt met het risico van het wegverkeer.

De regeling op grond van artikel 29 bis WAM-wet vindt precies haar rechtvaardiging in het risico waaraan de weggebruiker die een motorvoertuig in het verkeer brengt anderen (en zichzelf) blootstelt.

Wanneer een voertuig betrokken is in een ongeval dat geen verband houdt met de risico’s van het wegverkeer ontbreekt deze rechtvaardiging.

Het begrip “betrokkenheid” in artikel 29 bis WAM-wet moet los gezien worden van het begrip causaliteit in het gemeen aansprakelijkheidsrecht (Cass. 09.01.2006, VAV 2006, 626).

De wetgever liet de uiteindelijke omlijning van het begrip “betrokkenheid” over aan de rechtspraak, doch uit de voorbereidende werken van de wet blijkt dat de wetgever uitging van een ruime interpretatie met de bedoeling om discussies over fout en causaliteit te vermijden en het motorrijtuig werd enkel beschouwd als aanknopingspunt voor de vergoeding van de schade (Philippe en Meysmans, ‘de betrokkenheid van het motorrijtuig in de nieuwe wet tot bescherming van de zwakke weggebruikers’, TPR 1995, pagina 405).

De betrokkenheid onderstelt een zekere relatie tussen het voertuig en het ongeval, zonder dat daarbij vereist is dat het voertuig in beweging was op het ogenblik van het ongeval of dat er een fysiek contact was tussen het voertuig en het slachtoffer (Pol. Hasselt, 04.09.1997, TBH 1998, 262 met noot).

Onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Beroep te Parijs van 24.06.1981 definieert Chabas het “betrokken voertuig als een voertuig ‘inclus dans l’accident”, ‘concerné par l’accident’ en ‘ayant joué un rôle’ (‘deelachtig aan het ongevalsgebeuren, belanghebbend bij het ongeval en een rol gespeeld hebbend’ en verwijst naar het Engels begrip ‘involved’), prof. F. Chabas, ‘Notion et rôle de l’implication du véhicule au sens de la Loi du 05.07.1985, Gazette du Palais 1986, pag. 64, I, 1.

Voor de verschillende definities die in de rechtsleer van het bergrip ‘betrokkenheid’ werden aangegeven: TH. Papart, ‘l’article 29 bis de la Loi du 21.11.1989: au pays de nulle part’, T. Pol. 2006, 140.

De rechtbank moet voor de beoordeling van de betrokkenheid nagaan of het motorrijtuig een mogelijke passieve rol speelde in het ongevalsgebeuren (C. Van Schaubrouck, noot TBH 1997, actualiteit, 807; bol, Vent 08.10.1998, de verzekering, 1999, pagina 72 en verkeersrecht 99/32).

Voor het Hof van Cassatie is de betrokkenheid in de zin van artikel 29 bis indien de aanwezigheid van het motorrijtuig enig verband houdt met de totstandkoming van het ongeval zonder dat er echter een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van dat voertuig en het ongeval vereist is (Cass. 09.01.2006, RAW 2006-2007, 1488).

Artikel 29 bis van de WAM-wet, dat afwijkt van het principe van de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekerde personen, sluit het slachtoffer, dat zonder het ongeval en zijn gevolgen te hebben gewild, zelf verantwoordelijk is voor de geleden schade, niet uit de schadeloosstelling waarin de wet voorziet (Cass. 28.04.2006, T. Pol. 2006, 209; Cass. 28.06.2007, RW 2009-2010, 1560).

De beschouwing dat een fout van het slachtoffer zelf aan de basis ligt van het ongeval is derhalve niet van aard zijn vergoedingsaanspraak in de weg te staan.

De ruime interpretatie die aan het begrip betrokkenheid wordt gegeven, houdt in dat het voertuig ook niet betrokken dient te zijn, lees dat de betrokkenheid derhalve relatief is.

Het voertuig dient wel op een actieve of passieve wijze een rol gespeeld te hebben bij de totstandkoming van het ongeval (D. Wuyts, ‘Wanneer is een voertuig ‘betrokken’ bij een verkeersongeval in de zin van artikel 29 bis van de WAM-wet?) (noot onder Pol. Gent, 29.01.2007), RW 2007-2008, 1423 ev.

Een motorvoertuig is betrokken wanneer het enige rol heeft gespeeld in het verkeersongeval, dit is wanneer het zonder hiervoor een noodzakelijk element te zijn geweest, een invloed heeft gehad op het ongeval (Cass. 21.06.2010, VAV. 2010, 218); vereist is dat het motorvoertuig enige rol heeft gespeeld, zonder dat een noodzakelijk oorzakelijk verband moet bestaan tussen de aanwezigheid van het motorvoertuig en het ontstaan van het verkeersongeval (Cass. 22.10.2009, VAV 2010, 188).

De rechter die aanneemt dat voor de betrokkenheid van een voertuig waarvoor volstaat dat het enige rol heeft gespeeld in het ongeval, er ook vereist is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het motorvoertuig en het ontstaan van het verkeersongeval, schendt aldus artikel 29 bis § 1 van de WAM-wet (Cass. 03.10.2008, RGAR 2009, 14571).

Aldus werd een voertuig betrokken geacht in de zin van artikel 29 bis WAM-wet indien de schade zich niet of niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan als het voertuig niet op de schadeveroorzakende plaats aanwezig zou zijn geweest (Politierechtbank Brugge, 14.06.2008, RW 2010-2011, 1319).

In die gedachtegang besloot de rechtspraak tot betrokkenheid van het motorvoertuig wanneer er fietsers met elkaar in aanrijding kwamen door een onnodige schrikreactie ingevolge de aanwezigheid van een voertuig (Pol. Antwerpen, 2.12.1997, TAVW 2000, 241).

Aldus werd ook geoordeeld door de Politierechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op 13.11.2014, T. Pol. 2014, pagina 188. In deze zaak oordeelde de Politierechter dat de val van een overstekende voetganger veroorzaakt door een door de voetganger gemaakte beweging wegens het vertrek van een tramvoertuig toch een verkeersongeval is in de zin van artikel 29 bis WAM-wet waarbij het tramvoertuig aldus een betrokken voertuig is.

Zie ook Politierechtbank Gent, 27.06.2011, T. Vred./T. Pol. 2012, 536/168 met noot van I.Boone, betrokkenheid van een tramvoertuig bij een verkeersongeval en verhaal van de vervoersmaatschappij.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 04/03/2015 - 14:21
Laatst aangepast op: vr, 05/02/2016 - 13:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.