-A +A

Wettelijke herhaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het begrip « wettelijke herhaling » wordt omschreven in de artikelen 54 tot 56 van het Strafwetboek. Die artikelen voorzien in strafverzwaring ingeval :

a) een persoon wordt veroordeeld tot een criminele straf na reeds een in kracht van gewijsde gegane veroordeling te hebben opgelopen wegens een misdaad (misdaad na misdaad);

b) een persoon een wanbedrijf pleegt na te zijn veroordeeld tot een criminele straf (wanbedrijf na misdaad);

c) de veroordeelde een nieuw wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard, ingeval hij vroeger reeds is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar wegens een wanbedrijf (wanbedrijf na wanbedrijf).

• Cass. 10/02/2016 AR P.15.1495.F :

samenvatting

Door de uitwerking van de wet zelf, brengt de staat van wettelijke herhaling de veroordeelde persoon in een minder gunstige toestand dan de persoon die voor het eerst een misdrijf heeft gepleegd, met het oog op de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit en het herstel in eer en rechten; daaruit volgt dat de rechter, die uitspraak doet op het verzet van de beklaagde, jegens hem geen staat van herhaling kan vaststellen waarin de verstekbeslissing hem niet heeft veroordeeld (1). (1) Zie Cass. 17 september 2008, AR P.08.1242.F, AC 2008, nr. 482; Cass. 30 oktober 2012, AR P.12.1194.N, AC 2012, nr. 578, met noot."

Tekst van de beslissing van het Hof

II. LA DÉCISION DE LA COUR

Sur le moyen pris, d'office, de la violation de l'article 187 du Code d'instruction criminelle :

L'opposant ne peut, sur son recours, voir sa situation modifiée à son détriment.

Or, par l'effet même de la loi, l'état de récidive légale place la personne condamnée dans une situation plus défavorable que le délinquant primaire en vue de l'octroi d'une modalité d'exécution de la peine et de la réhabilitation.

Il s'ensuit que, statuant sur l'opposition du prévenu, le juge ne peut constater dans son chef l'état de récidive dans lequel la décision rendue par défaut ne l'a pas condamné.

Statuant par défaut, le premier juge n'avait pas condamné le demandeur en état de récidive légale et le ministère public n'avait pas interjeté appel de cette décision.

Nonobstant l'appel du jugement rendu sur opposition formé par le procureur du Roi, la cour d'appel n'a pas légalement justifié sa décision de confirmer le jugement dont appel qui, violant l'effet relatif de l'opposition du demandeur, l'avait condamné en l'état de récidive légale que le jugement rendu par défaut ne constatait pas.

Cette illégalité entraîne l'annulation de l'ensemble de la décision rendue sur la peine, en ce compris la condamnation du demandeur au paiement de la contribution au Fonds spécial d'aide aux victimes d'actes intentionnels de violence. Toutefois, elle n'affecte pas la décision rendue sur la culpabilité.

Pour le surplus, les formalités substantielles ou prescrites à peine de nullité ont été observées et la décision est conforme à la loi.

Wettelijke herhaling veronderstelt niet dat de persoon veroordeeld wordt voor hetzelfde soort delict (bijvoorbeeld : vrijwillige slagen en verwondingen na een veroordeling wegens anaranding van de eerbaarheid).

Bovendien wordt bij wettelijke herhaling geen onderscheid gemaakt tussen specifieke recidive (herhaling van hetzelfde misdrijf) en algemene recidive (herhaling van misdrijven, ongeacht de aard ervan). Het percentage van wettelijke herhaling moet niet worden opgevat als het aantal personen dat opnieuw is veroordeeld wegens een gelijkaardig delict, bijvoorbeeld seksuele delinquentie.

Deze definitie heeft alleen betrekking op veroordelingen uitgesproken door Belgische gerechten die in kracht van gewijsde zijn gegaan. Zij houdt bijvoorbeeld geen verband met een opschorting van de veroordeling of met enige andere strafrechtelijke beslissing zoals internering. Bovendien is zij evenzeer toepasselijk op misdaden als op wanbedrijven. De definitie biedt alleen de mogelijkheid strafbare feiten te beschouwen als overtreding van een wettelijke bepaling.

Wettelijke herhaling verschilt derhalve van criminologische recidive, die in de officiële statistieken wordt beschouwd als de terugkeer van een persoon in het strafstelsel. Waar komt dit verschil vandaan ?

Opdat een misdrijf in de officiële statistieken wordt opgenomen, moet het door de politie worden vastgesteld of moet een getuige of slachtoffer aangifte ervan doen bij de gerechtelijke instanties, die het moeten registreren. De actoren van het strafstelsel kunnen de dader van het bedrijf op verschillende manieren benaderen en behandelen zonder dt de strafvordering noodzakelijkerwijs leidt tot een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.

In dat geval betekent terugkeer dat een persoon een tweede (of een zoveelste keer) in aanraking komt met het strafstelsel. De terugkeer kan worden gekenmerkt door wettelijke herhaling, zonder evenwel ermee samen te vallen, want zij heeft slechts betrekking op een beperkt aantal gevallen.

Rechtsleer: 

• MEESE, J., De onmiddellijke verschijning in strafzaken: bevoegdheidsperikelen gerelateerd aan wettelijke herhaling en/of samenloop, T.Strafr. 2002, afl. 2, 96-98.

• CALLENS, M., Voorwaardelijke invrijheidstelling en herhaling. Bijzondere herhaling vereist geen twee derden, NJW 2002, afl. 9, 304-307.

• VANDROMME, S., Herhaling: algemeen strafrecht

• COLLIN, J., Récidive - Bijdragen in boek - In: X., Droit pénal et procédure pénale, 1-19 (19 p.)

•  OST, G., Hebben medische en psychologische herstelonderzoeken een invloed op de kans op recidive? [Het geval van het besturen van een voertuig bij alcoholmisbruik], T.Pol. 2010, afl. 1, 45-49

• VERBRUGGEN, F., 'Ceci n'est pas une récidive': wettelijke herhaling en de tijdsvoorwaarde bij voorwaardelijke invrijheidstelling, Fatik 2006, afl. 109, 20-25.
Bijdragen in boek - In: X., Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar

• SPRIET, B., Herhaling bij transportmisdrijven inzake rij- en rusttijden en tachograaf, T.Strafr. 2000, 41-44.

• VANLAAR, W., KLUPPELS, L., GOOSSENS, F., Leiden sensibilisatiecursussen voor bestuurders onder invloed van alcohol tot een lager recidivegehalte dan klassieke straffen? Een empirische evaluatie van de Belgische sensibilisatiecursussen op basis van de survival time tot de eerste recidive
Panopticon 2003, afl. 4, 365-390

• VANDEPLAS, A., Openbare dronkenschap en recidive, RW 1989-90, 124.

 

Rechtspraak: 

• De terbeschikkingstelling van de regering maakt een straf uit, waardoor aan de veroordeelde de vrijheid wordt ontnomen (Cass., 17 febr. 1976, Pas., 1976, I, 675; Cass., 4 april 1978, Pas., 1978, I, 858; Arr. Cass., 1978, 884; verg. Cass., 11 december 1933, Pas., 1934, I, 96).

• Krachtens de artikelen 54 Sw. en 22 Wet Bescherming Maatschappij van 9 april 1930, moet het veroordelend arrest dat herhaling vaststelt van misdaad op misdaad, de veroordeelde gedurende twintig jaar na afloop van zijn straf ter beschikking stellen van de regering, ongeacht de duur van de opsluiting die bij wet op een in staat van herhaling gepleegde misdaad is gesteld (Cass., P.09.1746.F, 10 februari 2010).

• Wanneer, gedurende de tenuitvoerlegging van een straf van terbeschikkingstelling van de regering de veroordeelde hetzij voorlopig, hetzij krachtens een definitieve beslissing wegens een nieuw misdrijf aangehouden wordt, wordt de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling tijdens de duur van deze hechtenis geschorst (Cass., 27 februari 1956, Pas., I, 672; Arr. Cass., 1956, 525).

• Een veroordeling tot terbeschikkingstelling van de regering, zoals zij geregeld is in de artikelen 22 tot 26 is niet in strijd met het bepaalde in de artikelen 4.1 en 2 en 5.1 en 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; zij heeft niet tot gevolg dat de veroordeelde anders dan langs wettelijke weg en op rechtmatige wijze, na veroordeling van een daartoe bevoegde rechter, gevangen wordt gehouden (Cass., 4 april 1978, Pas., 1978, I, 858; Arr. Cass., 1978, 884; Cass., 5 juni 1984, Pas., 1984, I, 1220; Arr. Cass., 1983-84, 1310).

• De terbeschikkingstelling van de regering kan maar worden bevolen indien de rechter tegen de beklaagde als hoofdstraf een vrijheidsberoving uitspreekt (Cass., 3 januari 1962, Pas., I, 525).

• De terbeschikkingstelling van de regering van een beklaagde die sedert 15 jaar drie misdrijven heeft gepleegd welke elk een correctionele gevangenisstraf van ten minste 6 maanden hebben meegebracht, mag bij het vonnis over het laatst beteugeld misdrijf bevolen worden, ook al werd dit laatste vóór de beide andere of één ervan gepleegd (Cass., 18 oktober 1954, Pas., 1955, I, 124; Arr. Cass., 1955, 78); dit mag insgelijks wanneer de 3 misdrijven samenlopend zijn, en door hetzelfde vonnis ieder met een gevangenisstraf van ten minste 6 maanden beteugeld worden, zo deze misdrijven een aanhoudende neiging tot wetsovertredingen doen blijken en zo zij uiteraard dus achtereenvolgens werden gepleegd (Cass., 8 november 1954, Pas., 1955, I, 196).

• Wanneer een veroordeelde bij twee opeenvolgende beslissingen wegens niet samenlopende misdrijven ter beschikking van de regering gesteld werd, neemt de bij de tweede beslissing gelaste maatregel slechts aanvang na afloop van de eerste, indien deze zijn eindpunt niet bereikt heeft bij de afloop van de bij de in de tweede plaats gewezen beslissing uitgesproken straf (Cass., 5 oktober 1953, Pas., 1954, I, 72; Arr. Cass., 1954, 60).

• Wanneer een veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling, andermaal een straf van die aard oploopt wegens een nieuw misdrijf, wordt de duur van de tweede terbeschikkingstelling gevoegdbij de termijn die van de eerste nog overblijft (Cass., 27 maart 1939, Pas., I, 170; Arr. Cass., 1939, 116).

• De terbeschikkingstelling van de regering zoals bedoeld in artikel 23bis is een beveiligende strafmaatregel die kan worden uitgesproken na veroordeling op grond van één van de in dat artikel vermelde artikelen van het Strafwetboek; die maatregel is als dusdanig een bijkomende straf (Cass., AR P.07.0916.N, 16 oktober 2007).

• De gronden van de beslissing omschrijven betekent dat de rechter concreet en nauwkeurig de redenen moet opgeven waarom hij van de hem door de wet toegelaten mogelijkheid gebruik maakt (Cass., 24 oktober 1966, Pas., 1967, I, 255).

• De rechter moet vaststellen dat de procedures betreffende de misdrijven die als grondslag van de herhaling gelden, bij het dossier der vervolging gevoegd werden; doch de rechter in hoger beroep doet die vaststelling op regelmatige wijze door die beweegredenen van het bestreden vonnis over te nemen welke die vaststelling omvatten (Cass., 9 maart 1959, Pas., I, 683; Arr. Cass., 1959, 516; in dezelfde zin: Cass. (vakantiekamer) AR P.97.0924.N, 5 augustus 1997 (M.)).

• Geen cassatieberoep kan worden ingesteld tegen de beslissing dat een veroordeelde, die ter beschikking van de regering gesteld en op proef vrijgesteld is, op bevel van het openbaar ministerie naar een strafinrichting moet terugkeren (Cass., 26 september 1972, Pas., 1973, I, 96; Arr. Cass., 1973, 103).

• Artikel 644, eerste lid, Sv. dat bepaalt dat wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, zondag of op een andere wettelijke feestdag, hij wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag, is niet toepasselijk op de termijn bepaald in artikel 25ter, vijfde, zesde en zevende lid, Wet Bescherming Maatschappij binnen dewelke de raadkamer uitspraak moet doen over de aanvraag van een ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde die opkomt tegen de beslissing van de minister die zijn internering gelast op grond van artikel 25bis, Wet Bescherming Maatschappij (Cass. (2e k.) AR P.06.0406.N, 18 april 2006 (H.D.)).

• De termijn van drie of vijf jaar, naar gelang van het geval, na het verstrijken waarvan de recidivisten en gewoontemisdadigers mogen vragen om te worden ontheven van de gevolgen van de beslissing die hen ter beschikking van de regering stelt, neemt een aanvang op het ogenblik van het verstrijken van de andere straffen dan de terbeschikkingstelling van de regering (Cass., 14 december 1982, Pas., 1983, I, 464; Arr. Cass., 1982-83, 510).

• In het geval waarin een veroordeelde bij twee opeenvolgende beslissingen wegens niet samenlopende misdrijven ter beschikking van de regering gesteld werd, en wanneer de tweede maatregel slechts een aanvang genomen heeft na afloop van de door de eerste beslissing gelaste terbeschikkingstelling, is het vanaf die laatste datum dat de termijnen aanvang nemen na het verstrijken van dewelke de vraag tot ontheffing kan worden ingediend (Cass., 5 oktober 1953, Pas., 1954, I, 72; Arr. Cass., 1954, 60).

• Cass. 28/10/2014, juridat

Samenvatting

Volgens artikel 56, tweede lid, Strafwetboek kan hij die na een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste één jaar, een nieuw wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard, worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij wet op het wanbedrijf bepaald; de vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek vereist een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar wegens één strafbaar feit of bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek wegens eendaadse samenloop of een voortgezet misdrijf.

Tekst arrest

Nr. P.14.0812.N
1. Z B,
beklaagde,
2. S E B,
beklaagde,
eisers,
tegen
1. D E H, in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon I E H,
burgerlijke partij,
2. L B, in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon I E H,
burgerlijke partij,
3. M E H,
burgerlijke partij,
4. H A,
burgerlijke partij,
5. J E H,
burgerlijke partij,
6. J E H,
burgerlijke partij,
7. N E H,
burgerlijke partij,
8. R E H,
burgerlijke partij,
9. D A,
burgerlijke partij,
10. Y E H,
burgerlijke partij,
11. F E H,
burgerlijke partij,
12. N E H,
burgerlijke partij,
13. E H E H,
burgerlijke partij,
14. S E H,
burgerlijke partij,
15. H E H,
burgerlijke partij,
16. S E H,
burgerlijke partij,
17. M E H,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 7 april 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel van de eiser 1

1. Het middel voert schending aan van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden arrest leidt de wettelijke herhaling ten onrechte af uit het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2011, dat immers de eiser 1 niet veroordeelde tot een gevangenisstraf van twee jaar met gedeeltelijk uitstel; hem werd immers geen bijkomende straf opgelegd omdat de eerder door de correctionele rechtbank te Kortrijk op 8 april 2008 uitgesproken straf van twee jaar met gedeeltelijk uitstel een juiste be-straffing was voor alle feiten, zowel deze beoordeeld door de rechtbank te Kortrijk als deze beoordeeld door het hof van beroep te Brussel; het arrest miskent de bewijskracht van het arrest van het hof van beroep te Brussel door vast te stellen dat dit de eiser veroordeelt tot een gevangenisstraf van twee jaar, terwijl het die draagwijdte niet heeft.

2. Volgens artikel 56, tweede lid, Strafwetboek kan hij die na een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste één jaar, een nieuw wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf is verjaard, worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf bepaald.

De vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als bedoeld door arti-kel 56, tweede lid, Strafwetboek vereist een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar wegens één straf-baar feit of bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek wegens eendaadse samenloop of een voortgezet misdrijf.

3. Indien de rechter bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van ge-wijsde gegane beslissing en andere bij hem aanhangige feiten en die in de veron-derstelling dat ze bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, dient hij bij de straftoemeting rekening te houden met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze voor hem een juiste en voldoende bestraffing lijken voor al deze misdrijven, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen.

Met het oordeel dat een aanvullende straf niet nodig is en er kan worden volstaan met een verwijzing naar reeds uitgesproken straffen, veroordeelt de rechter de beklaagde niet opnieuw tot de straffen opgelegd bij het vorig veroordelend vonnis.

De beslissing waarbij de rechter op grond van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bij de beoordeling van de bij hem aanhangige feiten op grond van die bepaling zich beperkt tot een verwijzing naar een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar die werd opgelegd voor reeds bestrafte feiten, kan dan ook niet dienen als grondslag voor de vaststelling van de toestand van wettelijke herhaling als be-doeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek.

4. Het bestreden arrest stelt in hoofde van de eiser 1 met verwijzing naar het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2011 een toestand van wettelijke herhaling vast als bedoeld door artikel 56, tweede lid, Strafwetboek omdat de eiser 1 bij dit arrest zou zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met uitstel gedurende een periode van vijf jaar voor 1 jaar.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenwel dat het hof van beroep te Brussel bij arrest van 12 september 2011 zelf de eiser 1 niet heeft veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste één jaar, maar wel heeft geoordeeld dat voor de feiten waaraan de eiser 1 met dit arrest werd schuldig verklaard, kon worden volstaan met de aan de eiser 1 opgelegde straf van twee jaar met vijf jaar uitstel van tenuitvoerlegging voor een jaar bij vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 8 april 2008, zonder dat het nodig is een bijko-mende straf op te leggen.

Bijgevolg verantwoordt het bestreden arrest de beslissing over de toestand van wettelijke herhaling in hoofde van de eiser 1 niet naar recht.

Omvang van de cassatie

5. De vernietiging van de beslissing over de toestand van wettelijke herhaling in hoofde van de eiser 1 leidt tot de vernietiging van de veroordeling van de eiser 1 tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat de schuldigverklaring van de eiser 1 onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het in hoofde van de eiser 1 de toestand van wettelijke herhaling vaststelt en hem veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.
Veroordeelt de eiser 1 tot een vierde van de kosten van de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eiser 2 tot de helft van de kosten van de cassatieberoepen.
Laat de overige kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten op 183,87 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Wetgeving: 

• Wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten

Art. 22

In de gevallen bepaald bij de artikelen 54 en 57 van het Strafwetboek, worden de recidivisten, behalve indien de vroegere straf voor een politieke misdaad werd opgelegd, bij het arrest van veroordeling gedurende twintig jaar na afloop van hun straf ter beschikking van de regeringgesteld.

Art. 23

De recidivisten kunnen in de gevallen bepaald bij de artikelen 56 en 57 van het Strafwetboek, bij het vonnis of het arrest van veroordeling ter beschikking van de regering worden gesteld gedurende tien jaar na afloop van hun straf, indien deze ten minste één jaar gevangenis bedraagt. Zij kunnen ter beschikking van de regering worden gesteld voor een termijn van vijf jaar tot tien jaar, na afloop van hun straf, indien deze minder bedraagt dan één jaar gevangenis.

Dezelfde maatregel kan worden getroffen in geval van herhaling van misdaad na wanbedrijf en ten aanzien van wie ook die, na sedert vijftien jaar ten minste drie misdrijven te hebben gepleegd welke elk een correctionele gevangenisstraf van ten minste zes maanden hebben medegebracht, een aanhoudende neiging tot wetsovertredingen blijkt te hebben.

Dit artikel is niet van toepassing wanneer de vroegere veroordelingen werden uitgesproken wegens politieke misdrijven, noch wanneer het nieuwe misdrijf van politieke aard is.

Er zal geen rekening worden gehouden met een veroordeling die tot eerherstel aanleiding heeft gegeven.

Art. 23bis

De veroordeelde op grond van de artikelen 372, 373, tweede lid, 375, 376, 377, eerste en tweede lid, en vierde tot zesde lid, van het Strafwetboek kan, bij het vonnis of het arrest van veroordeling, ter beschikking van de regering worden gesteld gedurende een termijn van maximaal tien jaar na afloop van zijn straf indien die meer dan een jaar zonder uitstel bedraagt.

Onverminderd de toepassing van artikel 22, kan hij in geval van een nieuwe veroordeling tot een straf van meer dan een jaar zonder uitstel wegens een van de in het eerste lid bedoelde strafbare feiten, gepleegd binnen de termijn bepaald bij artikel 56 van het Strafwetboek, gedurende een termijn van maximaal twintig jaar na afloop van zijn straf ter beschikking worden gesteld van de regering.

Art. 24

Ingeval de maatregel niet door de wet is voorgeschreven, worden de procedures betreffende de misdrijven die als grondslag van de herhaling gelden, bij het dossier der vervolging gevoegd en de gronden van de beslissing worden erin omschreven.

Art. 25

Na afloop van hun gevangenisstraf worden de veroordeelden]3 die ter beschikking van de Regering zijn gesteld, onder het toezicht geplaatst van de Minister van Justitie, die hen in vrijheid kan laten onder de door hem bepaalde voorwaarden, of hun internering kan gelasten.

Wanneer het gaat om een persoon die ter beschikking van de regering is gesteld voor feiten bedoeld in de 4[artikelen 372 tot 377 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming]4, kan de minister deze slechts in vrijheid stellen na het advies te hebben ingewonnen van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten.
Indien hij als voorwaarde het volgen van een begeleiding of behandeling oplegt, dan wijst de minister de daartoe bevoegde dienst of persoon aan.

Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de minister, binnen de maand na het begin van die begeleiding of behandeling en telkens als die dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de minister en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of de behandeling.

Het in het vierde lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten: de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.

De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de minister op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling.

Art. 25bis.

De Minister van Justitie kan de internering gelasten (van een veroordeelde) die ter beschikking van de Regering is gesteld : 
1° wanneer na afloop van een vrijheidsstraf, zijn reclassering onmogelijk blijkt te zijn;
2° wanneer zijn gedragingen in vrijheid een gevaar voor de maatschappij te zien geven.

De beslissing tot internering moet met redenen omkleed zijn. Zij preciseert, naargelang van het geval, ofwel de gegevens in verband met de persoonlijkheid of met de maatschappelijke toestand van de betrokkene die zijn reclassering in de weg staan, ofwel de praktijken waardoor hij een gevaar voor de maatschappij is gebleken en inzonderheid de tekortkomingen in het vervullen van de voorwaarden die hem zijn opgelegd.

De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar. Zij wordt de betrokkene, die er een afschrift van ontvangt, ter kennis gebracht door de directeur van de inrichting waar hij zich in hechtenis bevindt, of, indien hij zich in vrijheid bevindt, binnen vierentwintig uren, door de directeur van de inrichting waar hij geïnterneerd wordt.

Art. 25ter.

Een ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde kan opkomen tegen de beslissing van de Minister die zijn internering gelast op grond van artikel 25bis.

Daartoe richt hij, binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing, een aanvraag tot de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg die de terbeschikkingstelling van de Regering heeft uitgesproken of die de zaak in eerste aanleg behandeld heeft indien de terbeschikkingstelling van de Regering werd uitgesproken door een arrest van het Hof van beroep. De griffie van de raadkamer doet de aanvraag aan de procureur des Konings toekomen. 

De procureur des Konings deelt deze aanvraag onmiddellijk mee aan de Minister, die hem het administratief dossier van de betrokkene bezorgt en hem elke uitleg verschaft die hij nuttig acht. Binnen een maand na de indiening van de aanvraag, onderwerpt de procureur des Konings deze aan de raadkamer en geeft hij de aanvrager ten minste acht vrije dagen tevoren, bij ter post aangetekende brief, kennis van de dag en het uur waarop de zaak zal worden behandeld.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaarlijk wordt geacht voor de orde of de goede zeden, is de terechtzitting van de raadkamer openbaar indien de aanvrager hierom verzoekt.

Op straffe van onontvankelijkheid van zijn aanvraag dient de aanvrager persoonlijk te verschijnen. Hij kan zich laten bijstaan door een advocaat. Het dossier wordt voor de terechtzitting gedurende ten minste vijf dagen ter beschikking gesteld van de aanvrager en van zijn raadsman.

De raadkamer doet uitspraak binnen de maand na de indiening van de aanvraag, na de aanvrager en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie te hebben
gehoord.

Indien de raadkamer binnen de gestelde termijn geen uitspraak geeft gedaan, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld. Oordeelt de raadkamer echter dat zij met over alle nodige gegevens beschikt om te kunnen beslissen, dan stelt zij dit vast in een beschikking en verzoekt het openbaar ministerie of de betrokkene aanvullende inlichtingen te verschaffen. Deze beschikking brengt van rechtswege verlenging mee met twee weken van de termijn bepaald in het vijfde lid.

De termijn waarbinnen de raadkamer uitspraak moet doen, wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de eiser of zijn raadsman.

De raadkamer gaat enkel na of de beslissing van de Minister in overeenstemming is met de wet. Zij spreekt zich niet uit omtrent de wenselijkheid van de internering. In voorkomend geval gelast zij de invrijheidstelling van de betrokkene.

De beslissing van de raadkamer wordt door de directeur van de instelling waar hij geïnterneerd is, ter kennis gebracht van de betrokkene, die er een afschrift van ontvangt.

Art. 25quater. Na een jaar vrijheidsbeneming die uitsluitend is gesteund op een beslissing tot internering overeenkomstig artikel 25bis, kan de (ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) aan de Minister van Justitie vragen in vrijheid te worden gesteld. <W 1998-03-05/35, art. 16, § 7, 005; Inwerkingtreding : 01-03-1999>

Die aanvraag kan jaarlijks worden hernieuwd.

De Minister beslist binnen een maand na de aanvraag en kan deze afwijzen indien de reclassering van de betrokkene nog steeds onmogelijk blijkt.
Indien de Minister niet beslist heeft binnen de gestelde termijn, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld.

De beslissing waarbij de Minister de aanvraag afwijst, moet met redenen zijn omkleed overeenkomstig artikel 25bis, tweede lid; de directeur van de inrichting waar de betrokkene is geïnterneerd, geeft hem kennis van die beslissing en overhandigt hem een afschrift daarvan.
(De ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) die op grond van artikel 25bis wordt geïnterneerd, kan tegen de beslissing van de Minister opkomen volgens de procedure bepaald in artikel 25ter. 

Art. 26

De veroordeelden) die ter beschikking van de Regering zijn gesteld krachtens de artikelen (22, 23 en 23bis), kunnen vragen van de gevolgen dezer beslissing ontheven te worden. Daartoe richten zij hun aanvraag tot de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg die hun terbeschikkingstelling van de Regering uitgesproken heeft, of die de zaak in eerste aanleg behandeld heeft indien de terbeschikkingstelling van de Regering werd uitgesproken door een arrest van het Hof van beroep. De procureur des Konings wint alle inlichtingen in die hij nodig acht, voegt de uitslag ervan bij het dossier en onderwerpt dit, met zijn vorderingen, aan de raadkamer die, na de betrokkene in bijzijn van een advocaat te hebben gehoord, uitspraak doet bij een met redenen omklede beslissing.

Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaarlijk wordt geacht voor de orde of de goede zeden, is de terechtzitting van de raadkamer openbaar indien de aanvrager hierom verzoekt. 

Deze aanvraag mag ingediend worden drie jaar na het verstrijken van de straf, en vervolgens om de drie jaar, wanneer de duur van de terbeschikkingstelling van de Regering tien jaar niet te boven gaat. In de overige gevallen mag de aanvraag ingediend na vijf jaar en mag zij om de vijf jaar worden hernieuwd.

De beslissing van de raadkamer wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die er een afschrift van ontvangt, door de directeur van de instelling waar hij gevangen gehouden wordt of door de directeur van de instelling waar hij geïnterneerd is, of door een gerechtsdeurwaarder als hij noch gevangen gehouden wordt noch geïnterneerd is.

Art. 26bis.

De ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) en het openbaar ministerie kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 25ter en 26. 

Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uur, die ten aanzien van het openbaar ministerie loopt te rekenen van de dag van de beslissing en ten aanzien van (de ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) te rekenen van de dag waarop die hem betekend is op de wijzen voorzien in de artikelen 25ter en 26. 

Deze betekening wordt gedaan binnen vierentwintig uur als (de ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) gevangen gehouden wordt of geïnterneerd is, en onverwijld als hij noch gevangen gehouden wordt noch geïnterneerd is. In de akte van betekening wordt hem kennis gegeven van het hem toekomende recht van hoger beroep en van de termijn waarbinnen dit moet worden uitgeoefend. 

De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de rechtbank die uitspraak deed, en wordt ingeschreven in het register van hoger beroep in correctionele zaken.

De stukken worden waar het behoort door de procureur des Konings bezorgd aan de procureur-generaal bij het Hof van beroep.

De raadsman van (de ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) wordt verwittigd door de griffier van het Hof. 

Over het hoger beroep wordt uitspraak gedaan met voorrang boven alle andere zaken, het openbaar ministerie, (de ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde en zijn raadsman gehoord. 

De stand van zaken blijft ongewijzigd totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld; (de geïnterneerde ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) wordt in vrijheid gesteld als de uitspraak niet is geveld binnen die termijn. 

De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdediging.

Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaarlijk wordt geacht voor de orde of de goede zeden, is de terechtzitting van de Kamer van inbeschuldigingstelling openbaar indien (de ter beschikking van de regering gestelde veroordeelde) hieromtrent verzoekt. 

• Wetboek van strafvordering (Herstel in eer en rechten en wettelijke herhaling)

Art. 626

De minimumduur van de proeftijd is bepaald op drie jaar voor veroordelingen tot politiestraffen of correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar niet te boven gaan] Die termijn wordt echter op ten minste zes jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhalingveroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek of indien hij ter beschikking van de Regering is gesteld ingevolge artikel 23, tweede lid, van de wet van 9 april 1930, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers.

De minimumduur van de proeftijd is bepaald op vijf jaar voor veroordelingen tot criminele straffen of tot correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar te boven gaan. Die termijn wordt echter op ten minste tien jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhaling veroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek of indien hij ter beschikking van de regering is gesteld ingevolge artikel 23, tweede lid, van de wet van 9 april 1930, als gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers.
Wat de voorwaardelijke veroordelingen betreft, mag de duur van de proeftijd niet minder bedragen dan de duur van het uitstel, tenzij deze bij genademiddel werd verminderd.

De minimumduur van de proeftijd is bepaald op drie jaar voor veroordelingen tot politiestraffen of correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar niet te boven gaan. Die termijn wordt echter op ten minste zes jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhalingveroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek of indien hij ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld ingevolge de artikelen 34bis, 34ter of 34quater van het Strafwetboek.
De minimumduur van de proeftijd is bepaald op vijf jaar voor veroordelingen tot criminele straffen of tot correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar te boven gaan. Die termijn wordt echter op ten minste tien jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhaling veroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57 van het Strafwetboek of indien hij ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld ingevolge de artikelen 34bis, 34ter of 34quater van het Strafwetboek]4.
Wat de voorwaardelijke veroordelingen betreft, mag de duur van de proeftijd niet minder bedragen dan de duur van het uitstel, tenzij deze bij genademiddel werd verminderd.

• Wet 04/06/2007 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer teneinde recidive voor vluchtmisdrijven strenger te bestraffen

Nuttige tips: 

De staat van wettelijke herhaling vaststellen is een strafverzwaring.

Wanneer een veroordeelde door de Correctionele Rechtbank hoger beroep aantekent, kan de straf in hoger beroep principieel niet verzwaard worden, behoudens wanneer het Parket ook hoger beroep instelt.

Wanneer het Parket dus geen hoger beroep instelt, kan de straf in graad van beroep niet zwaarder zijn dan de straf opgelegd in eerste aanleg, onverminderd de mogelijkheid voor het Hof van Beroep om de straf te verminderen of zelfs tot vrijspraak te beslissen.

Wanneer de eerste rechter in zijn vonnis geen staat van wettelijke herhaling heeft weerhouden en de rechter in graad van beroep, oordelend over het beroep van de veroordeelde, waarbij het Parket geen hoger beroep heeft ingesteld, oordeelt dat er staat is van wettelijke herhaling, houdt deze beslissing een strafverzwaring in die niet toegelaten is door de wet en aanleiding kan geven tot cassatie.

Aldus oordeelde het Hof van Cassatie in haar arrest van 30.10.2012, RW 2013-2014, kolom 654.
 

Gerelateerd
Gerelateerde modellen: 
Nog dit: 

Grondwettelijk Hof, 18 december 2014, RW 2014-2015, 1014

Arrest nr. 185/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 26 november 2013 (...) heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 56, tweede lid Sw., gelezen in samenhang met art. 25 Sw., art. 2 Wet Verzachtende Omstandigheden en art. 25, § 2, b Wet Strafuitvoering, art. 10 en 11 Grondwet, in zoverre het toelaat om ten aanzien van de beklaagde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijke regime van strafuitvoering, terwijl dat niet toegelaten is ten aanzien van de beschuldigde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning wegens dezelfde misdaad naar het hof van assisen is verwezen?”.

...

In rechte

...

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid, met art. 10 en 11 van de Grondwet, van art. 56, tweede lid Sw., gelezen in samenhang met art. 25 Sw., met art. 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met art. 25, § 2, b) van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.

B.2.1. Art. 56 Sw., gewijzigd bij art. 32 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, en vervangen bij art. 1 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, bepaalt:

“Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld.

“Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is”.

B.2.2. Art. 25 Sw. bepaalt:

“De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar.

“Hij is ten hoogste vijf jaar voor een met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“Hij is ten hoogste vijftien jaar voor een met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“Hij is ten hoogste twintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.

“De duur van een dag gevangenisstraf is vierentwintig uren.

“De duur van een maand gevangenisstraf is dertig dagen”.

B.2.3. Sedert de vervanging ervan bij art. 230 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen bepaalt art. 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden:

“In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning, kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling, bij een met redenen omklede beschikking, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

“Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de beklaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf.

“Alleen in de volgende gevallen kan het openbaar ministerie rechtstreeks dagvaarden of oproepen en kan de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling verwijzen wegens verzachtende omstandigheden:

1o als de in de wet bepaalde straf twintig jaar opsluiting niet te boven gaat;

2o als het gaat om een poging tot misdaad strafbaar met levenslange opsluiting;

3o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 216, tweede lid van het Strafwetboek;

4o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 347bis, §§ 2 en 4 van het Strafwetboek;

5o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 375, laatste lid van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 377bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

6o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 408 van het Strafwetboek;

7o als het gaat om een misdaad bedoeld in de artikelen 428, § 5 en 429 van het Strafwetboek;

8o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 473, laatste lid van het Strafwetboek;

9o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 474 van het Strafwetboek;

10o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 476 van het Strafwetboek;

11o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 477sexies van het Strafwetboek;

12o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 513, tweede lid van het Strafwetboek, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 514bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd;

13o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 518, tweede lid van het Strafwetboek;

14o als het gaat om een misdaad bedoeld in artikel 530, laatste lid van het Strafwetboek, die met toepassing van artikel 531 van hetzelfde Wetboek wordt gestraft, waarvoor de straf in voorkomend geval met toepassing van artikel 532bis van hetzelfde Wetboek kan worden verhoogd”.

B.2.4. Art. 25, § 2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (hierna: wet van 17 mei 2006) bepaalt:

“De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde:

a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan;

b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt;

[...]”.

B.3.1. Het Hof van Cassatie vraagt of het discriminerend is dat de in het geding zijnde bepaling het mogelijk maakt ten aanzien van de beklaagde die, op basis van verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, naar de correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, een wettelijke staat van herhaling vast te stellen, wat zijn invloed heeft op het toepasselijke stelsel van strafuitvoering, terwijl dat niet mogelijk is ten aanzien van de beschuldigde die, bij gebrek aan verzachtende omstandigheden of een reden van verschoning, wegens dezelfde misdaad naar het hof van assisen is verwezen.

B.3.2. Geen enkele wetsbepaling maakt het voor het hof van assisen mogelijk vast te stellen dat een veroordeelde zich in staat van wettelijke herhaling bevindt, behalve in de situaties bedoeld in art. 54 en 55 Sw., die de gevallen beogen van een persoon die een misdaad pleegt na tot een criminele straf te zijn veroordeeld.

Krachtens de in het geding zijnde bepaling, daarentegen, kan de correctionele rechtbank een zwaardere straf uitspreken wanneer zij vaststelt dat de veroordeelde zich in staat van wettelijke herhaling bevindt doordat hij een nieuw wanbedrijf heeft gepleegd voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij een gevangenisstraf van ten minste één jaar heeft ondergaan of sinds die straf verjaard is.

B.4.1. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil betreft een persoon die, na correctionalisering en in staat van wettelijke herhaling in de zin van art. 56, tweede lid Sw., is veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van tien jaar wegens, onder andere, poging tot moord.

B.4.2. De poging tot moord, die strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar (art. 52 Sw., gelezen in samenhang met art. 80, eerste lid Sw., vervangen bij art. 2 van de wet van 11 december 2001 “tot wijziging van de artikelen 80, 471 en 472 van het Strafwetboek en artikel 90ter, § 2, 8o van het Wetboek van Strafvordering”, en met art. 9 Sw., vervangen bij art. 6 van de wet van 10 juli 1996), is een misdaad.

B.4.3. Het staat in beginsel aan het hof van assisen een persoon te berechten die van een misdaad in verdenking is gesteld. Dit is evenwel niet het geval wanneer die persoon, met toepassing van art. 2 van de wet van 4 oktober 1867, wegens verzachtende omstandigheden naar de correctionele rechtbank wordt verwezen (art. 216novies Sv., ingevoegd bij art. 14 van de wet van 21 december 2009).

Een dergelijke verwijzing heeft tot gevolg dat het feit dat de gecorrectionaliseerde misdaad uitmaakt, wettelijk als een wanbedrijf wordt beschouwd.

B.5. Het Hof dient te onderzoeken of het verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet dat een persoon die door de correctionele rechtbank, na correctionalisering, is veroordeeld wegens poging tot moord en die zich bevindt in staat van wettelijke herhaling in de zin van art. 56, tweede lid Sw., eerst na twee derden van zijn straf te hebben ondergaan in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl een persoon die wegens poging tot moord naar het hof van assisen is verwezen en die tot een criminele straf is veroordeeld, al na één derde van zijn straf te hebben ondergaan in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, ook al zou hij zich bevinden in soortgelijke omstandigheden als die welke worden beoogd in de in het geding zijnde bepaling.

...

B.9. Art. 56, tweede lid Sw. maakt deel uit van een geheel van bepalingen die ertoe strekken de herhaling te bestraffen, met andere woorden het geval waarin “de dader van een eerste misdrijf, die wegens dat feit is gestraft, er een tweede pleegt” (eigen vertaling) (Parl.St. Senaat 1851-52, nr. 70, p. 28). Aangezien zij een “verzwarende omstandigheid” is en aangezien zij getuigt van de ondoeltreffendheid van de eerste straf om “[de veroordeelde] ertoe aan te sporen de wet na te leven” (eigen vertaling), verantwoordt de herhaling de toepassing van een strengere straf (ibid., p. 29).

De aan de rechter gelaten mogelijkheid om het dubbele van het maximum van de correctionele straf uit te spreken waarin bij de wet voor dat tweede feit is voorzien, is een nuttige waarborg in het belang van de samenleving (ibid., p. 30).

De onmogelijkheid voor de rechter om een dergelijke beslissing te nemen wanneer een misdaad volgt op een veroordeling tot een correctionele straf, werd verantwoord door het feit dat “de criminele straf [...] voldoende zwaar is en aan de rechter genoeg ruimte laat om in alle behoeften van verzwaring te voorzien welke die herhaling heeft doen ontstaan”, waarbij “de ondoeltreffendheid van de eerste veroordeling dan wordt verholpen door de noodzakelijke strengheid van de tweede” (eigen vertaling) (Parl.St. Kamer 1850-51, nr. 245, p. 41-42).

Thans laat art. 25 Sw. de rechter evenwel de mogelijkheid een correctionele gevangenisstraf van twintig jaar uit te spreken.

B.10. De wetgever heeft niet enkel strafverzwarende gevolgen verbonden aan de wettelijke herhaling. Hij heeft bovendien een beperking gesteld aan de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling in die zin dat die invrijheidstelling in geval van wettelijke herhaling enkel mogelijk is nadat de veroordeelde twee derden van zijn gevangenisstraf zal hebben ondergaan (art. 25, § 2, b) van de wet van 17 mei 2006), terwijl dat in de regel mogelijk is nadat één derde van de gevangenisstraf is ondergaan (art. 25, §§ 1 en 2, a) van de wet van 17 mei 2006).

B.11. De toewijzing aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling van de bevoegdheid om een van poging tot moord in verdenking gestelde persoon naar de correctionele rechtbank te verwijzen, heeft tot doel het aantal door het hof van assisen te behandelen zaken te verminderen (Parl.St. Kamer 2009-10, DOC 52-2127/007, p. 8; ibid., DOC 52-2127/008, p. 106; Parl.St. Senaat 2009-10, nr. 4-924/8, p. 2, 7 en 20).

B.12. Ook al is de correctionele gevangenisstraf een straf die verschilt van de criminele straf van de opsluiting, toch hebben die twee sancties gemeen dat zij de veroordeelde van zijn vrijheid beroven.

B.13. Noch de aard van de criminele straf, noch de bekommernis om de werklast van het hof van assisen te verminderen, kunnen redelijkerwijs verantwoorden dat een persoon die, na zijn veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en minder dan vijf jaar nadat hij die straf heeft ondergaan of sinds die straf is verjaard, wordt veroordeeld wegens poging tot moord, op het vlak van de mogelijkheid voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, verschillend wordt behandeld naargelang hij wordt verwezen naar het hof van assisen en wordt veroordeeld tot een criminele straf, dan wel, nadat de misdaad is gecorrectionaliseerd wegens verzachtende omstandigheden of een verschoningsgrond, hij door de correctionele rechtbank of door het hof van beroep is veroordeeld tot een correctionele straf.

B.14. De prejudiciële vraag dient in die mate bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen

B.15. De handhaving van de gevolgen dient als een uitzondering op de declaratoire aard van het in het prejudiciële geschil gewezen arrest te worden beschouwd. Alvorens te beslissen de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, moet het Hof vaststellen dat het voordeel dat uit de niet-gemoduleerde vaststelling van ongrondwettigheid voortvloeit, buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de rechtsorde met zich zou meebrengen.

B.16. Rekening houdend met de noodzaak, enerzijds, om de buitensporige gevolgen van een vaststelling van ongrondwettigheid te voorkomen door te beletten dat maatregelen kunnen worden genomen op grond van de in het geding zijnde bepaling, en, anderzijds, om niet toe te staan dat de in overweging B.13 omschreven discriminerende situatie een redelijke termijn overschrijdt, dienen de gevolgen van die bepaling te worden gehandhaafd tot aan de inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt en uiterlijk tot 31 juli 2015.

0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: wo, 06/07/2011 - 21:08
Laatst aangepast op: vr, 10/02/2017 - 14:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.